Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3488

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201310930/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:9111, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor het legaliseren van een reeds opgerichte berging en loods en bijbehorende kelder en putten aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/962
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6449

Uitspraak

201310930/1/A4.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], gemeente Echt-Susteren,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 november 2013 in zaak nr. 13/665 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren.

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor het legaliseren van een reeds opgerichte berging en loods en bijbehorende kelder en putten aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

[appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het college heeft met dat verzoek ingestemd.

Bij uitspraak van 26 november 2013 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M. Smits, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.H.J. Pietermans en [gemachtigde], beiden werkzaam bij Servicecentrum MER, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. R. Bormans, gehoord.

Overwegingen

1. Bij besluit van 17 januari 2013 is vergunning verleend voor een berging met een oppervlakte van 28,37 m2 en een loods met een oppervlakte van 71,33 m2. De totale oppervlakte van deze bijgebouwen is 99,7 m2.

2. Ingevolge artikel 9.2.3 van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Echt" rust op het perceel de bestemming "Burgerwoningen".

Ingevolge artikel 9.1 van de planvoorschriften zijn de op plankaart 1 voor "Burgerwoningen" aangegeven gronden bestemd voor woningen met bijbehorende bouwwerken en bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven.

Ingevolge artikel 9.2.3 dient met betrekking tot de maatvoering en de plaatsing van gebouwen en andere bouwwerken aan het volgende te worden voldaan: een gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij woningen van maximaal 70 m².

Ingevolge artikel 9.4.4 kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 9.2.3 om de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen te vergroten naar 100 m², mits aan de daarin omschreven voorwaarden wordt voldaan.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 24, wordt in deze planvoorschriften onder "bijgebouw" verstaan: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw waarbij het behoort, en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

c. het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten, als bedoeld in het eerste lid, in daarbij aangegeven categorieën van gevallen het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het tweede lid wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, kan de omgevingsvergunning, indien de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, in strijd is met het bestemmingsplan, slechts worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II. Ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II is geen omgevingsvergunning vereist voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voor zover op een afstand van niet meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

1° 4 m,

2° 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

3° het hoofdgebouw,

b. voor zover op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1° niet hoger dan 3 m,

2° de oppervlakte van vergunningvrije bouwwerken binnen een afstand van 1 m van een naburig erf niet meer dan 10 m²,

3° als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer dan 30 m², en

4° functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het verlenen van de omgevingsvergunning in strijd is met artikel 9.4.4 van het bestemmingsplan, omdat de oppervlakte van op het perceel aanwezige bijgebouwen meer dan 100 m² bedraagt. In dat verband voert hij aan dat de garage niet kan worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor geen omgevingsvergunning is vereist.

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college de garage, met een oppervlakte van 31,95 m2, bij de berekening van de totale oppervlakte aan bijgebouwen terecht buiten beschouwing heeft gelaten. Een deel van de garage met een oppervlakte van 8,18 m2 is vergunningvrij ingevolge artikel 2, aanhef, onderdeel 3 en onder a, van bijlage II van het Bor vergunningvrij en het overige deel van 23,77 m2 is vergunningvrij ingevolge het bepaalde onder b van dat onderdeel vergunningvrij, aldus de rechtbank.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 augustus 2012 in zaak nr. 201105349/1/A1) tellen bouwwerken die ingevolge artikel 2 van bijlage II bij het Bor vergunningvrij zijn, niet mee bij de vraag of door de bouw van andere categorieën bouwwerken, de maximaal in het bestemmingsplan toegelaten oppervlakte aan bouwwerken wordt overschreden, omdat het bestemmingsplan niet in de weg kan staan aan het bouwen van bouwwerken die aan de in artikel 2 gestelde eisen voldoen. Dat is anders indien door toevoeging van een nieuw bouwwerk niet meer wordt voldaan aan de eisen die dat artikel stelt, bijvoorbeeld de eis dat niet meer dan 50% van het achtererfgebied mag worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken. Met deze benadering heeft de Afdeling ten aanzien van bouwwerken als bedoeld in artikel 2 van bijlage II bij het Bor, de jurisprudentie voortgezet die is ontwikkeld onder de werking van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (onder meer de uitspraak van 10 juli 2002, nr. 200101969/1), waarvoor ook steun kan worden gevonden in de Nota van Toelichting bij het Bor (Stb. 2010, 143; blz. 145).

3.3. Uit de bij de vergunning behorende situatietekening en bouwtekening blijkt, hetgeen ook ter zitting van de Afdeling is bevestigd, dat op deze tekeningen de ter plaatse al bestaande bouwwerken zijn weergegeven. Op deze tekeningen is bij de genoemde delen van de garage, maar ook bij de bouwwerken hooiopslag (nr. 6 op de situatietekening) en de houtopslag (nr. 7 op de situatietekening), vermeld dat deze vergunningvrij zijn.

De rechtbank heeft - in navolging van het college - de bouwwerken hooiopslag en de houtopslag buiten beschouwing gelaten bij de beantwoording van de vraag of wordt voldaan de eis zoals neergelegd in artikel 2, aanhef, onderdeel 3 en onder b, onderdeel 3º, van bijlage II van het Bor, dat als gevolg van het bijbehorende bouwwerk de totale oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw niet meer dan 30 m2 mag zijn. Daarmee heeft de rechtbank niet onderkend dat aan de eis betreffende de maximaal toegestane oppervlakte van 30 m2 niet is voldaan, nu de hooiopslag met een oppervlakte 7,40 m2 en de houtopslag met een oppervlakte van 11,70 m2 reeds vergunningvrije bijbehorende bouwwerken zijn op een afstand van meer dan 2,5 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw. Met het deel van 23,77 m2 van de garage tezamen met de hooiopslag en de houtopslag, hebben deze bouwwerken een totale oppervlakte van 42,87 m2 , zodat aan de eis van 30 m2 van artikel 2, aanhef, onderdeel 3 en onder b, onderdeel 3º van bijlage II van het Bor niet wordt voldaan. Deze bouwwerken tellen derhalve mee bij de vraag of met de aangevraagde bouwwerken, zoals vermeld onder nr. 4 (de berging) en nr. 5 (de loods) van de situatietekening, kan worden voldaan aan het maximum van 100 m2 aan bijgebouwen op een perceel waarvoor toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 9.4.4 om van het bestemmingsplan af te wijken.

3.4. Nu het deel van 23,77 m2, de hooiopslag en de houtopslag niet vergunningvrij zijn ingevolge artikel 2, aanhef, onderdeel 3 en onder b van bijlage II van het Bor, dienen de oppervlakten van deze bouwwerken te worden betrokken bij de vraag of het college bevoegd was om met toepassing van artikel 9.4.4. van de planvoorschriften af te wijken van het bestemmingsplan. Aangezien aldus de totale oppervlakte aan bijgebouwen in elk geval meer dan 100 m2 (28,37 m2, 71,33 m2, 23,77 m2, 7,40 m2 en 11,70 m2) bedraagt, wordt de ingevolge dit artikel maximaal toegestane oppervlakte reeds hierom overschreden.

Het besluit van 17 januari 2013 tot verlening van de omgevingsvergunning is derhalve in strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo.

Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd behoeft in verband hiermee geen bespreking meer.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 januari 2013 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 9.4.4 van de planvoorschriften.

5. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 november 2013 in zaak nr. 13/665;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren van 17 januari 2013, kenmerk OVX 936;

V. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Huijben

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

190-769.