Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3481

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201210299/1/R3
Formele relaties
Herziening: ECLI:NL:RVS:2016:1838, Afwijzing
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/968
JM 2014/141 met annotatie van P.B. Bokelaar
JBO 2014/190 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2014/188 met annotatie van D. van der Meijden
JBO 2014/189 met annotatie van D. van der Meijden
JM 2015/10 met annotatie van G.A.J.M. Hoevenaars
Milieurecht Totaal 2014/5892

Uitspraak

201210299/1/R3.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend, onderscheidenlijk gevestigd te Rijsbergen,

3. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college),

4. [appellant sub 4], wonend te Rijsbergen, en andere,

5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], beiden wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

6. [appellant sub 6], wonend te Achtmaal, gemeente Zundert,

7. [appellant sub 7A], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert, en [appellant sub 7B], wonend te Olland, gemeente Sint Oedenrode (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 7]),

8. [appellante sub 8A] en [appellant sub 8B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 8]), gevestigd, onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],

9. [appellant sub 9], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

10. [appellant sub 10], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

11. [appellant sub 11], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

12. [appellant sub 12], wonend te Zundert,

13. de vereniging Afdeling Zundert-Rijsbergen van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (hierna: ZLTO), gevestigd te Rijsbergen, gemeente Zundert,

14. de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie (hierna: de BMF), gevestigd te Tilburg,

15. [appellant sub 15A] en [appellante sub 15B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 15]), wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

16. [appellant sub 16], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. [appellant sub 18], wonend te Wernhout, gemeente Zundert,

19. [appellant sub 19] en anderen, allen wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

20. [appellant sub 20], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

21. [appellant sub 21A], rechtsopvolger van [appellant sub 21B], wonend te Zundert,

22. [appellant sub 22], wonend te Rijsbergen,

23. [appellant sub 23], wonend te Klein Zundert, gemeente Zundert,

24. [appellant sub 24], wonend te Zundert,

25. [appellant sub 25], wonend te Klein Zundert, gemeente Zundert,

26. [appellant sub 26], wonend te Zundert,

27. [appellant sub 27], wonend te Achtmaal, gemeente Zundert,

28. [appellant sub 28], wonend te Zundert,

29. [appellante sub 29], gevestigd te Zundert,

30. [appellant sub 30], wonend te Zundert,

31. [appellant sub 31A] en [appellante sub 31B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 31]), wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

32. [appellant sub 32], wonend te Zundert,

33. [appellante sub 33], gevestigd te Rijsbergen, gemeente Zundert,

34. [appellant sub 34], wonend te Wernhout, gemeente Zundert,

35. [appellante sub 35], wonend te Rijsbergen, gemeente Zundert,

36. [appellante sub 36], gevestigd te Rijsbergen, gemeente Zundert,

en

de raad van de gemeente Zundert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hierover heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht.

Een aantal appellanten en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10, 11 en 12 februari 2014, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Voorst is daar een aantal derdebelanghebbenden gehoord.

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld en daarmee is het bestemmingsplan "Buitengebied" gedeeltelijk vervangen en gewijzigd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft een aantal appellanten hun zienswijze over het besluit van 25 februari 2014 naar voren gebracht en heeft een aantal hiertegen afzonderlijk beroep ingesteld.

De raad heeft naar aanleiding hiervan een aanvullend verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting.

De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bij besluit van 4 september 2012 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Zundert. Dit plan is bij besluit van 25 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" vervangen en gewijzigd, voor zover het betreft enkele onderdelen van de planregels.

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben de beroepen van rechtswege mede betrekking op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

Ingevolge het zesde lid staat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg aan de vernietiging van het bestreden besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.

Tenzij anders is vermeld, zijn de beroepen niet van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 25 februari 2014.

Het beroep van [appellant sub 1]

4. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" ter hoogte van de [locatie 1] te Rijsbergen heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat deze bestemming onevenredig belemmerend is voor zijn boomkwekerij, nu ter plaatse teeltondersteunende voorzieningen slechts zeer beperkt mogelijk zijn, hetgeen feitelijk neerkomt op een bouwstop. Hij voert aan dat de toegekende bestemming niet is gebaseerd op een zorgvuldige belangenafweging en dat de Verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012) niet dwingt tot deze bestemming. Hij vreest als gevolg van de toegekende bestemming negatieve waterhuishoudkundige gevolgen voor zijn boomkwekerij en dat zijn gronden in waarde zullen dalen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Verordening 2012 in acht moest worden genomen en dat met het toekennen van de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" aan de algemene regels voor de groenblauwe mantel is voldaan. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de agrarische bedrijfsvoering niet onevenredig wordt belemmerd en dat er geen sprake is van een bouwstop.

4.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Beekdal" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik;

b. water en waterhuishoudkundige doeleinden;

c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden (…)

Ingevolge lid 7.2, onder 7.2.3 zijn de regels voor teeltondersteunende voorzieningen:

a. permanente teeltondersteunende voorziening zijn niet toegestaan;

b. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan en daarvoor gelden de volgende regels:

1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;

2. de oppervlakte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen per agrarisch bedrijf bedraagt maximaal 2,5 ha;

3. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogen uitsluitend direct grenzend aan enig bouwvlak worden opgericht.

4.3. Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheidene gebieden en stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" ligt binnen een gebied dat in de Verordening 2012 is aangemerkt als groenblauwe mantel.

4.4. De raad diende bij de vaststelling van het plan de Verordening 2012 in acht te nemen en heeft om te voldoen aan de bijbehorende algemene regels voorzien in de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal". Bij deze bestemming zijn onder meer beperkingen gesteld aan tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Nu op de gronden van [appellant sub 1] met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" een agrarische bedrijfsvoering met boomteelt mogelijk is en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen ter plaatse onder voorwaarden zijn toegestaan ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1] door de toegekende bestemming onevenredig in zijn huidige bedrijfsvoering zal worden belemmerd. Daarbij is van belang dat de teeltondersteunende voorzieningen die [appellant sub 1] thans gebruikt niet hoger zijn dan 4 m, minder dan 2,5 ha beslaan en grenzen aan zijn bouwvlak.

4.5. Over de vrees voor negatieve waterhuishoudkundige gevolgen overweegt de Afdeling dat de percelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" onder meer zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige doeleinden. Dit betekent echter niet dat als gevolg van deze bestemming meer vernatting zal optreden. In de plantoelichting staat in dit verband dat de waterhuishouding als gevolg van het plan in het gebied nauwelijks zal veranderen. Dat voor het beekdal van de Aa of Weerijs door het college op grond van de Wet inrichting landelijk gebied een inrichtingsplan is vastgesteld voor onder meer het herstel van het beekdal en dat niet uit te sluiten is dat het grondwaterpeil zal worden verhoogd kan in deze procedure niet aan de orde komen. Overigens is dit inrichtingsplan bij uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2012, in zaak nr. 201011252/1/R2, grotendeels onherroepelijk geworden.

4.6. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de toegekende bestemming aan de orde zijn.

4.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] heeft bij brief van 6 maart 2014 zijn beroep ingetrokken, voor zover dit betrekking heeft op de burgerwoning aan de Kapelstraat ongenummerd.

5.1. [appellant sub 2], die aan de [locatie 2] en [locatie 3] te Rijsbergen een glastuinbouwbedrijf heeft, betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in drie bedrijfswoningen op zijn bedrijfsperceel. Er zijn drie bedrijfswoningen aanwezig, waarvan twee vergund en als zodanig bestemd, maar de derde bedrijfswoning is ten onrechte niet als zodanig bestemd.

5.2. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de bedoelde derde bedrijfswoning geen vergunning is verleend en dat deze niet als zodanig moet worden bestemd.

5.3. Het bedrijfsperceel van [appellant sub 2] aan de [locatie 2] en [locatie 3] heeft de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en onder meer de aanduidingen "glastuinbouw", "bedrijfswoning" en "maximaal aantal wooneenheden = 2".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder g, van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" meerdere bedrijfswoningen toegestaan, waarbij het toegestane aantal op de planverbeelding is aangegeven.

Ingevolge lid 4.1, onder h, is ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding "maximaal aantal wooneenheden" het aangeduide aantal bedrijfswoningen toegestaan.

Ingevolge artikel 43, lid 43.2, onder 43.2.1, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet.

Ingevolge lid 43.2, onder 43.2.4, is het bepaalde in 43.2.1 niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

5.4. Vast staat dat op het bedrijfsperceel drie bedrijfswoningen aanwezig zijn en dat twee hiervan als zodanig zijn bestemd. Op 2 mei 1995 is aan [appellant sub 2] een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een bedrijfsruimte, inclusief een woonruimte. Uit de bij de aanvraag behorende stukken, waaronder het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB), volgt dat een tijdelijke extra woonruimte bij het bedrijf voor een periode van vijf jaar is aangevraagd. Vast staat dat de bouwvergunning met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is verleend. In het eerste lid van die bepaling stond dat het college van burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor een termijn van ten hoogste vijf jaar vrijstelling kan verlenen. In het vierde lid was bepaald dat degene aan wie de vrijstelling is verleend of diens rechtsopvolger na het verstrijken van de termijn verplicht is de met het plan strijdige situatie te zijner keuze hetzij in de vorige toestand te herstellen, hetzij met het plan in overeenstemming te brengen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2002, in zaaknr. 200104414/1, volgt dat bedoelde termijn aanvangt op de datum waarop de met het bestemmingsplan strijdige bouw of gebruik een aanvangt neemt. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit voormelde termijn was verstreken. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 43, lid 43.2, van de planregels valt het gebruik van de bedrijfsruimte als bedrijfswoning reeds om deze reden niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht. Nu aannemelijk is dat tegen het gebruik binnen de planperiode nog handhavend kan worden opgetreden heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om voor de derde bedrijfswoning geen regeling in het plan op te nemen. Het betoog faalt.

5.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van het college

6. Het college betoogt dat de raad ten onrechte de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" heeft vastgesteld, voor zover die niet liggen in het in artikel 8.5 van de Verordening 2012 bedoelde teeltgebied Zundert.

Het college betoogt verder dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "detailhandel" aan de [locatie 4]-[locatie 5] heeft vastgesteld. Daartoe voert het college aan dat is voorzien in een onredelijk grote uitbreiding van de toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Ten onrechte worden hierdoor ook illegale gebouwen gelegaliseerd en is mede hierdoor voorzien in een uitbreidingsmogelijkheid van meer dan 20%. De uitbreiding is in strijd met artikel 11.6, derde lid, van de Verordening 2012 en het college acht de uitbreiding ook in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), nu niet is voorzien in een motivering voor de uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling.

6.1. De raad erkent dat in afwijking van de Verordening 2012 ten onrechte een aantal plandelen buiten het teeltgebied Zundert de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" heeft gekregen.

Voorst stelt de raad zich op het standpunt dat bij het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] de illegale bebouwing als zodanig is bestemd, maar dat niet is voorzien in een onredelijke extra uitbreiding ten opzichte van de bestaande bebouwing.

6.2. Nu de raad zich met betrekking tot voormelde plandelen met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", voor zover die buiten het in de Verordening 2012 aangeduide teeltgebied Zundert liggen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

6.3. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor niet-agrarische bedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten of categorie 3.1, mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2 en het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen.

Ingevolge lid 9.1, aanhef en onder e, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden tevens bestemd voor "overig bedrijf" eventueel ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de tabel "overige bedrijven".

In de tabel "overige bedrijven" is voor het perceel [locatie 6] de aanduiding "detailhandel" opgenomen met een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 3.536 m² voor detailhandel in bouwmaterialen.

6.4. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m².

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, onder a, een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf in de milieucategorie 1 of 2, gelegen op een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m², mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat waaruit blijkt dat de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 2.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit.

6.5. Het betoog van het college dat in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is gehandeld faalt, nu de in het tweede lid opgenomen motiveringsplicht voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling geldt sinds de wijziging van de Wro van 1 oktober 2012 (Stb 2012, 388 en 434) en het bestreden besluit dateert van 4 september 2012, zodat op dat moment voormelde motiveringsplicht niet gold.

6.6. Vast staat dat op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] drie bedrijfswoningen en het [bedrijf] zijn gevestigd, dat onder meer keukens, badkamers en tuinhuizen verkoopt. De bedrijfsactiviteiten vinden plaats op de percelen aan de [locatie 4] en [locatie 6]. Het voorheen geldende planologische regime voor de gronden was de op 26 mei 2011 vastgestelde beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" waarbij het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1977 van de voormalige gemeente Rijsbergen grotendeels van overeenkomstige toepassing is verklaard. Het perceel [locatie 6] had de bestemming "Agrarisch nevenbedrijf" en de percelen [locatie 4] en [locatie 5] de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging". Voorts staat vast dat in een verklaring van geen bezwaar van maart 1998 ten behoeve van een vrijstelling voor de uitbreiding van bedrijfsopstallen is opgenomen dat de totale bedrijfsbebouwing, inclusief de woning en de thans voorliggende uitbreiding dient te worden opgenomen binnen een begrensd bouwblok met een maximale bebouwingsoppervlakte van 1.800 m², hetgeen overeenkomt met de totaal aanwezige bebouwing na deze uitbreiding.

Op 31 maart 1998 is met inachtneming van deze verklaring van geen bezwaar een vrijstelling en een bouwvergunning verleend. Gelet op het voorgaande betoogt het college terecht dat met het plandeel met de bestemming "Bedrijf" is voorzien in een grote uitbreiding van de toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Niet in geschil is dat het bestemmingsvlak meer dan 5.000 m² bedraagt. In dit geval had de raad in de toelichting moeten voorzien in een verantwoording dat de voorziene uitbreiding van het bedrijf in een redelijke verhouding staat tot de in de Verordening 2012 opgenomen zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Dat de raad ook de aanwezige illegale bebouwing als zodanig heeft bestemd en ten opzichte van het geheel van de bedrijfsbebouwing geen 20% aan extra bebouwing heeft toegestaan is naar het oordeel van de Afdeling geen verantwoording als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, van de

Verordening 2012. Daarbij is van belang het als zodanig bestemmen van illegale bebouwing in planologische zin nieuwvestiging betreft en in zoverre deel uitmaakt van de uitbreiding.

6.7. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit van 4 september 2012 in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 11.6, derde lid, van de Verordening 2012 is genomen. Het beroep van het college is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het plandelen betreft met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", die buiten het in de Verordening 2012 op kaart 5 aangeduide teeltgebied Zundert liggen, en het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] betreft. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

De beroepen van [appellant sub 4] en andere

[locatie 4]-[locatie 5]

7. [appellant sub 4] en andere betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] te Rijsbergen heeft vastgesteld. In hun beroep tegen het besluit van 25 februari 2014 hebben zij voorts aangevoerd dat bij de terinzagelegging van het vastgestelde plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" ten onrechte geen papieren versie van de verbeelding ter inzage lag. Voorts voeren zij onder meer aan dat de raad ten onrechte heeft gekozen voor twee herzieningen van het bestemmingsplan "Buitengebied" en dat de locatie aan de [locatie 4]-[locatie 5] te Rijsbergen ten onrechte niet in het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" is opgenomen, maar pas in de nog vast te stellen partiële herziening van het plan zal worden opgenomen. Nu de locatie [locatie 7] wel is opgenomen in het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" heeft de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld.

7.1. Over het beroep van [appellant sub 4] en andere tegen het besluit van 25 februari 2014 overweegt de Afdeling als volgt.

De beroepsgrond over het niet ter inzage leggen van een papieren verbeelding van het op 25 februari 2014 vastgestelde plan heeft betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten en kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Overigens wijst de Afdeling er op dat het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" geen wijzigingen van de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied" bevat en uitsluitend betrekking heeft op de planregels.

Over het betoog dat de raad het perceel [locatie 4]-[locatie 5] in het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" had moeten opnemen overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellant sub 4] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing van deze herziening strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om de door hem gewenste wijzigingen in de regels van het plan "Buitengebied" in het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" op te nemen en de door de raad gewenste wijzigingen op de verbeelding van het plan "Buitengebied" op te nemen in de nog vast te stellen partiële herziening van dat plan. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door voor de locatie [locatie 7] wel te voorzien in een wijziging. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat dit uitsluitend een wijziging betreft in een tabel van de planregels en dat dit bij de locatie [locatie 4]-[locatie 5] niet aan de orde is. De betogen falen. Hetgeen [appellant sub 4] en andere overigens hebben aangevoerd met betrekking tot voormeld perceel behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

7.2. Het beroep van [appellant sub 4] en andere met betrekking tot het bij besluit van 4 september 2012 vastgestelde plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] te Rijsbergen steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Dit doet zich hier niet voor. Het plandeel met de bedrijfsbestemming aan de Gelderdonksestraat was immers reeds in het ontwerpplan opgenomen, inclusief een tabel met de aanduiding "detailhandel" en een toegestane oppervlakte aan bebouwing van 3.536 m² en van een voor [appellant sub 4] en andere nadelige gewijzigde vaststelling van het plan is niet gebleken. Onder deze omstandigheden is het [appellant sub 4] en andere redelijkerwijs te verwijten dat zij in zoverre geen zienswijze hebben ingediend, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

Beroep tegen besluit van 4 september 2012, voor zover ontvankelijk

8. [appellant sub 4] en andere betogen dat de raad ten onrechte de bestemming "Agrarisch - AHS plus" aan een deel van hun gronden heeft toegekend, nu deze bestemming de bouw- en gebruiksmogelijkheden van deze gronden beperkt en geen volwaardig glastuinbouwbedrijf met bouwblok mogelijk maakt, terwijl op grond van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" uit 1977 ter plaatse zeer ruime gebruiks- en bouwmogelijkheden voor agrarische bedrijven aanwezig waren. In dit verband betogen zij dat de daarop volgende beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" uit 2011 niet correct bekend is gemaakt, verbindende kracht mist en dat de raad derhalve had moeten uitgaan van de ruimere mogelijkheden die het bestemmingsplan uit 1977 met de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging" bood.

De beheersverordening is in strijd met artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet niet op de wettelijk vereiste wijze bekendgemaakt omdat er geen plaatsing heeft plaats gehad in een gemeenteblad of een terinzagelegging als bedoeld in artikel 139, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet. Voorts voeren zij aan dat evenmin is voldaan aan artikel 139, derde lid, van de Gemeentewet. Aan artikel 139 van de Gemeentewet moet worden voldaan, nu de Wro geen afwijkende regels kent over de bekendmaking van een beheersverordening. Verder is de beheersverordening na de vaststelling ten onrechte gewijzigd. Daarnaast is de beheersverordening in strijd met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro vastgesteld, nu niet al het feitelijk bestaande gebruik is gerespecteerd en het geen gebied betreft waar geen ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien.

Voorts voeren zij aan dat de diverse dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie" niet aan grote delen van hun gronden hadden mogen worden toegekend, nu deze bestemmingen onnodig belemmerend zijn en niet is aangetoond dat deze gronden archeologische waarden hebben.

Over het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "twee-aaneen" aan de [locatie 8]-[locatie 9] voeren zij aan dat deze aanduiding ten onrechte is toegekend, nu deze de bouwmogelijkheden ter plaatse onevenredig beperkt. Zij willen ter plaatse twee vrijstaande woningen kunnen bouwen. Een deel van voormeld plandeel, te weten het perceel, aangeduid met nummer F1626, heeft ten onrechte de bestemming "Wonen" gekregen, nu ter plaatse legaal een schuur aanwezig is die agrarisch wordt gebruikt.

Over het perceel, aangeduid met nummer F239, voeren zij aan dat de raad hieraan ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" heeft toegekend omdat hierdoor meer beperkingen gelden dan op grond van het voorheen geldende planologische regime.

Over het perceel, aangeduid met nummer G1349, voeren zij verder aan dat de ter plaatse aanwezige paardenstal als zodanig had moeten worden bestemd.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toegekende bestemmingen aansluiten bij de feitelijke situatie, voor zover legaal, en in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De beheersverordening is correct bekendgemaakt, niet in strijd met het recht en heeft verbindende kracht. De beheersverordening heeft te gelden als het voorheen geldende planologische regime, zodat van ernstige beperkingen van de planologische mogelijkheden ter plaatse met dit plan geen sprake is.

De huidige agrarische bedrijfsactiviteiten zijn als zodanig bestemd en voor het toekennen van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan gronden aan de Oekelsestraat bestaat geen aanleiding, nu ter plaatse geen zelfstandig volwaardig agrarisch bedrijf aanwezig is.

De beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen"

8.2. Ingevolge artikel 3.38, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad, onverminderd de gevallen waarin bij of krachtens wettelijk voorschrift een bestemmingsplan is vereist, in afwijking van artikel 3.1 voor die delen van het grondgebied van de gemeente waar geen ruimtelijke ontwikkeling wordt voorzien, in plaats van een bestemmingsplan een beheersverordening vaststellen waarin het beheer van dat gebied overeenkomstig het bestaande gebruik wordt geregeld. De kennisgeving van een besluit tot vaststelling van een beheersverordening geschiedt tevens langs elektronische weg.

Ingevolge artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro, voor zover hier en ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening van belang, stelt het college van burgemeester en wethouders een beheersverordening op zodanige wijze beschikbaar dat deze langs elektronische weg door een ieder kan worden verkregen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, omvat de beschikbaarstelling, bedoeld in het eerste lid, een volledige, toegankelijke en begrijpelijke verbeelding van de verordening met de daarbij behorende toelichting.

8.3. Ingevolge artikel 139, eerste lid, van de Gemeentewet verbinden besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden niet dan wanneer zij zijn bekendgemaakt.

Ingevolge het tweede lid, geschiedt de bekendmaking:

a. door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven gemeenteblad;

b. bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd van twaalf weken op het gemeentehuis of op een andere door het college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws-, of huis-aan- huisblad.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan het gemeenteblad elektronisch worden uitgegeven. Na uitgifte blijft het gemeenteblad elektronisch op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar.

8.4. Bij besluit van 26 mei 2011 heeft de raad de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" vastgesteld. Deze is vervolgens in de Staatscourant en op de gemeentelijke website bekendgemaakt en op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl beschikbaar gesteld. Daarbij is te kennen gegeven dat de beheersverordening op 15 juni 2011 in werking treedt.

8.5. Ingevolge artikel 1 van de beheersverordening zijn op onderhavige beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" de relevante voorschriften (thans: regels) en de bijbehorende plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen", zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Rijsbergen bij besluit van 5 december 1977 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 7 februari 1979 van overeenkomstige toepassing met inachtneming van het bepaalde in deze beheersverordening.

Ingevolge artikel 2 wordt aan de begrippen van het vigerend bestemmingsplan onder meer toegevoegd: 31. Verbaal agrarisch bouwperceel: het perceel van een agrarisch bedrijf zoals dat wordt begrensd door een virtuele lijn die strak wordt getrokken om de buitenste grenzen van de clustering van bestaande bebouwing (bedrijfswoning, bijgebouwen, stallen, machineberging, mastopslag, voedersilo’s e.d.) en voorzieningen (tuin, erfverhardingen, kuilvoerplaten, erfbeplanting).

Ingevolge artikel 3 (Agrarisch gebied vrije vestiging, artikel 5 vigerend bestemmingsplan) wordt onder meer toegevoegd dat nieuwvestiging van grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven niet is toegestaan.

Voorts is lid AI, aanhef, vervangen door: Op de tot "Agrarisch gebied vrije vestiging" bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven binnen het verbaal agrarische bouwperceel met in achtneming van het navolgende: (vervangen lid AI, sub g) Uitbreiding van het verbaal agrarische bouwperceel is niet toegestaan. Een uitzondering hierop zijn de bestaande glastuinbouwbedrijven, waarvoor in beginsel uitbreiding van de bebouwing is toegestaan tot een maximaal netto glasopstand van 3 ha. Onder netto glas wordt verstaan: het precieze aantal m² kasoppervlakte van een glastuinbouwbedrijf of in een glastuinbouwgebied. Dit betekent een bruto uitbreiding tot 3,5 hectare. Onder bruto wordt verstaan het totale grondoppervlak benodigd voor realisatie van een compleet glastuinbouwbedrijf of glastuinbouwgebied (kasoppervlakte, bedrijfsschuur, erf, waterberging, groenstroken, infrastructuur etc.= verbaal agrarisch bouwperceel).

Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder a, van de beheersverordening mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is worden voortgezet.

Ingevolge lid 5.2, onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

8.6. Ingevolge artikel 8.2 van de Wro en artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, stond tegen een besluit tot vaststelling van een beheersverordening geen beroep bij de bestuursrechter open. Dit betekent echter niet dat de beheersverordening in deze procedure in het geheel niet aan de orde kan komen, nu de Afdeling zich ziet geplaatst voor de vraag of aan de algemeen verbindende voorschriften, zoals vervat in deze verordening, verbindende kracht moet worden ontzegd omdat deze in strijd zijn met hogere wettelijke voorschriften.

8.7. Over de gestelde strijdigheid met artikel 139 van de Gemeentewet overweegt de Afdeling als volgt. Vast staat dat de gemeente Zundert geen gemeenteblad uitgeeft als bedoeld in artikel 139, tweede lid, sub a, van de Gemeentewet, maar algemeen verbindende voorschriften bekend maakt en algemeen toegankelijk houdt op haar website. Voorts staat vast dat het besluit tot vaststelling van de beheersverordening is bekendgemaakt in de Staatscourant en op de gemeentelijke website alwaar is voorzien in een link naar de landelijke voorziening wwww.ruimtelijkeplannen.nl, waar de beheersverordening aan een ieder elektronisch beschikbaar is gesteld en deze verordening met toelichting raadpleegbaar is. Nu de bekendmaking van een besluit van een gemeentebestuur, dat algemeen verbindende voorschriften inhoudt, kan plaatsvinden door plaatsing in een elektronisch uitgegeven gemeenteblad dat langs elektronische weg voor een ieder raadpleegbaar moet blijven, is de Afdeling van oordeel dat met de bekendmaking in de Staatscourant en op de gemeentelijke website en de beschikbaarstelling van de volledige beheersverordening op www.ruimtelijkeplannen.nl is voldaan aan hetgeen met artikel 139 van de Gemeentewet is beoogd. Dat de wijze van ontsluiting van de beheersverordening op www.ruimtelijkeplannen.nl gebruiksvriendelijker had gekund, wat daar van zij, maakt niet dat de beheersverordening niet correct is bekendgemaakt en in werking getreden en dit betekent evenmin dat de beheersverordening niet op een algemeen toegankelijke wijze beschikbaar is. Voorts is van belang dat de vaststellingsdatum en het zogenoemde IMROnummer, zoals opgenomen in het raadsbesluit van 26 mei 2011, op www.ruimtelijkeplannen.nl is vermeld, waarnaar op de gemeentelijke website wordt verwezen. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit de door [appellant sub 4] en andere overgelegde stukken niet worden afgeleid dat de beheersverordening nadien zou zijn gewijzigd.

Het betoog faalt.

8.8. Over het betoog dat de beheersverordening in strijd is met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 21 mei 2014, in zaak nr. 201307290/1/A1, dat dit artikel niet bepaalt dat gebruik dat bestaat ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening, maar in strijd is met het vorige bestemmingsplan, onder het gebruiksovergangsrecht van de beheersverordening moet worden gebracht of anderszins ingevolge een zodanige verordening moet worden toegestaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op de geschiedenis van totstandkoming van de Wro (Kamerstukken II 2006/07, 30 938, nr. 7, blz. 10-12), onder bestaand gebruik als bedoeld in artikel 3.38, eerste lid, van de Wro niet alleen moet worden verstaan het feitelijke gebruik dat bestaat ten tijde van de vaststelling van de beheersverordening, maar ook het gebruik dat onder het vorige bestemmingsplan was toegestaan. Aan de hiervoor weergegeven bedoelingen van de formele wetgever kan derhalve niet worden ontleend dat de bevoegdheid tot vaststelling van een beheersverordening uitsluitend kan worden aangewend om feitelijk gebruik vast te leggen, ongeacht of dat gebruik onder het vorige bestemmingsplan legaal of illegaal is. Voorts ligt het, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, in de rede dat de raad van een gemeente in de gelegenheid is het gebruik dat illegaal was onder het vorige bestemmingsplan van de werking van het overgangsrecht uit te sluiten.

Dat in de beheersverordening de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven die het voorheen geldende bestemmingsplan uit 1977 bood zijn beperkt, brengt evenmin met zich dat de beheersverordening in strijd moet worden geacht met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro.

Het bestaande legale gebruik is immers geregeld en het beperken van onbenutte uitbreidings- en gebruiksmogelijkheden is niet uitgesloten bij de vaststelling van een beheersverordening. Daarbij wijst de Afdeling er, gelet op de geschiedenis van totstandkoming van de Wro (Kamerstukken II 2006-2007, 30938, nr. 7, blz. 11-12), op dat de raad hiervoor kan kiezen als deze planologische mogelijkheden jarenlang niet zijn benut en deze niet langer in overeenstemming worden geacht met een goede ruimtelijke ordening.

Dit doet zich hier voor. Voor zover dit tot vermindering van de waarde van een onroerende zaak zou kunnen leiden wijst de Afdeling er op dat de beheersverordening in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro is opgenomen als mogelijke oorzaak voor tegemoetkoming in schade.

Voor zover [appellant sub 4] en andere betogen dat voor dit gebied in strijd met artikel 3.38, eerste lid, van de Wro een beheersverordening is vastgesteld omdat in een buitengebied als het onderhavige wel ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, overweegt de Afdeling dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.38 van de Wro (Kamerstukken II, 2005-2006, 28916, nr. 26) volgt dat het instrument van de beheersverordening is bedoeld om voor gebieden met een lage ruimtelijke dynamiek te kunnen voorzien in een passende planologische bescherming. Dit betekent niet dat er geen enkele ontwikkeling in een dergelijk gebied mag plaatsvinden, maar dat het bestaande gebruik ten tijde van de vaststelling als uitgangspunt dient en dat ten opzichte van dit gebruik geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, die niet reeds op grond van het voorheen geldende regime waren toegestaan. De betogen falen.

8.9. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de beheersverordening onverbindend is.

De plandelen met de bestemming "Agrarisch - AHS plus"

8.10. Ingevolge artikel 1, onder 1.97, van de planregels wordt onder kas verstaan: een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienen voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 m.

Ingevolge artikel 1, onder 1.142, wordt onder teeltondersteunende voorzieningen verstaan: ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de vollegronds bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf of boomkwekerij.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch - AHS plus" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bodemexploitatie.

Ingevolge lid 5.2, onder 5.2.3, zijn de regels voor teeltondersteunende voorzieningen:

a. tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan;

b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;

c. de permanente teeltondersteunende voorzieningen dienen direct grenzend aan enig bouwvlak te worden opgericht.

8.11. Voor zover [appellant sub 4] en andere betogen dat niet de bestemming "Agrarisch - AHS plus", maar de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "glastuinbouw" aan de door hen bedoelde gronden had moeten worden toegekend, overweegt de Afdeling dat de aanwezige bebouwing en het gebruik op het perceel G1445 door middel van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduidingen "glastuinbouw" en "bouwvlak" als zodanig zijn bestemd. De overige door [appellant sub 4] en andere bedoelde gronden zijn onder meer in gebruik als zogenoemde containervelden ten behoeve van boomkwekerij. Binnen de bestemming "Agrarisch - AHS plus" is agrarische bodemexploitatie toegestaan. Voorts zijn teeltondersteunende voorzieningen, waaronder ook containervelden moeten worden verstaan, ter plaatse mogelijk. Dit is ook door de raad ter zitting bevestigd. Gelet hierop is het huidige gebruik als zodanig bestemd en wordt de huidige bedrijfsvoering ter plaatse niet belemmerd. Dat [appellant sub 4] en andere op deze gronden kassen willen bouwen maakt niet dat de raad aan de gronden de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" had moeten toekennen. Bij zijn afweging heeft de raad in redelijkheid kunnen betrekken dat de gewenste bestemming met de aanduiding "glastuinbouw" een ongewenste ontwikkeling naar een volwaardig glastuinbouwbedrijf met bebouwing mogelijk zou maken. Voor zover [appellant sub 4] en andere betogen dat de bouwaanduiding "kas" aan deze gronden had moeten worden toegekend heeft de raad daar, gelet op het huidige gebruik, in redelijkheid evenmin aanleiding voor hoeven zien. Dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan de plannen van [appellant sub 4] en andere geen medewerking heeft willen verlenen en alleen het huidige gebruik heeft willen bestemmen acht de Afdeling niet onredelijk. Dat de Verordening 2012 in artikel 8.5 bepaalt dat een bestemmingsplan dat is gelegen in het teeltgebied Zundert kan voorzien in de bouw van kassen tot een omvang van ten hoogste drie ha netto binnen een bouwblok betekent niet dat de raad daar dan ook in moet voorzien. Het betoog faalt.

Dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie"

8.12. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988, voor zover hier van belang, houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.

8.13. De Afdeling overweegt dat op de raad de plicht rust zich voldoende te informeren over de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan bestemmingen kunnen worden aangewezen en regels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. De raad heeft zich bij de vaststelling van dit plan gebaseerd op de gemeentelijke nota "Archeologie" van 27 september 2011 en de daarbij behorende archeologische beleidskaart. In deze Nota staat dat er een onderscheid is gemaakt tussen archeologisch waardevolle gebieden waar daadwerkelijk archeologische resten zijn aangetroffen en gebieden waar sprake is van archeologische verwachtingswaarde. In het plan is dit vertaald in de verschillende dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2", "Waarde - Archeologie 3" en "Waarde - Archeologie 4", die elk een eigen beschermingsregime met zich brengen. Anders dan [appellant sub 4] en andere betogen, is voor het toekennen van deze dubbelbestemmingen derhalve niet zonder meer vereist dat er daadwerkelijk een archeologische vindplaats aanwezig is, maar dient aannemelijk te zijn dat in de grond archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Voorts hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat hun bedrijfsvoering door deze dubbelbestemmingen onevenredig wordt belemmerd. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat hun gronden in het verleden reeds zodanig zijn geroerd dat deze geen archeologische resten meer kunnen bevatten. Het betoog faalt.

[locatie 8]-[locatie 9] en perceel aangeduid met nummer F1626

8.14. Op het perceel aan de [locatie 8]-[locatie 9] rusten de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "twee-aaneen" en "maximum aantal wooneenheden = 2". Ter plaatse is een zogenoemde langgevelboerderij aanwezig, waarin twee woningen zijn gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat de feitelijk bestaande situatie als zodanig is bestemd, nu dit twee aaneengebouwde woningen betreft. Zonder de aanduiding "twee-aaneen" zouden ter plaatse twee vrijstaande woningen mogelijk zijn. Dit komt niet overeen met de feitelijke situatie en zou met zich brengen dat op deze locatie in het buitengebied nieuwe woonbebouwing zou kunnen worden opgericht. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het mogelijk maken van twee vrijstaande woningen ter plaatse niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

8.15. Over het betoog dat aan het perceel met nummer F1626, dat deel uitmaakt van voormeld plandeel, ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend, nu ter plaatse een grote schuur aanwezig is die agrarisch wordt gebruikt, wordt overwogen dat uit het deskundigenbericht volgt dat deze schuur voor een klein deel in gebruik is als garage en voor een groot deel in gebruik is voor bedrijfsmatige opslag. Dit is ter zitting bevestigd. In de beheersverordening had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging" en was opslag ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering niet uitgesloten. Nu ingevolge artikel 22, lid 22.5, onder 22.5.3, aanhef en onder f, van de planregels opslag van goederen en materialen als strijdig gebruik is aangemerkt is hiermee bestaand legaal gebruik onder het overgangsrecht van artikel 43, lid 43.2, van de planregels gebracht. Dit is slechts toegestaan indien aannemelijk is dat binnen de planperiode het gebruik zal worden beëindigd. Daarvan is niet gebleken. Het betoog slaagt.

Perceel aangeduid met nummer F239

8.16. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" aangewezen gronden bestemd voor een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik.

Ingevolge lid 8.2, onder 8.2.2, aanhef en onder a, mogen er geen gebouwen worden gebouwd.

Uit de leden 8.2.3 en 8.2.4 volgt dat er beperkt tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en overige bouwwerken mogen worden gebouwd.

8.17. In de beheersverordening had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden".

Ingevolge artikel 10 van de voorschriften zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarische produktiedoeleinden en om als bouwplaats te dienen voor de volgens dit artikel mogelijke bouwwerken, alsmede voor het behoud van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke en/of kultuurhistorische waarden.

Ingevolge lid A, onder I, voor zover hier van belang, mag op of in de tot "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" bestemde gronden niet worden gebouwd, behoudens terreinafrasteringen.

Onder II is een vrijstellingsregeling opgenomen op grond waarvan, onder voorwaarden, vrijstelling kon worden verleend voor de bouw van bouwwerken die ter plaatse uit een oogpunt van doelmatig agrarisch grondgebruik nodig zijn.

8.18. Ingevolge artikel 6.4, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid binnen het bouwblok voorzien in de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen en een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 11.

8.19. De Afdeling stelt vast dat het perceel in de groenblauwe mantel ligt als bedoeld in de Verordening 2012. Dit betekent echter niet dat de raad moet voorzien in de in artikel 6.4, tweede lid, van de Verordening 2012 beschreven mogelijkheden. Overigens zien deze mogelijkheden uitsluitend op mogelijkheden binnen een bouwblok, hetgeen bij dit perceel niet aan de orde is. Voorts stelt de Afdeling vast dat de gebruiks- en bouwmogelijkheden van dit perceel als gevolg van de toegekende bestemming niet ernstig zijn beperkt, nu agrarisch grondgebruik blijft toegestaan en op grond van de voorheen geldende bestemming, al dan niet na vrijstelling, ook slechts zeer beperkt mocht worden gebouwd. [appellant sub 4] en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat het huidige gebruik van het perceel als weiland als gevolg van het plan niet kan worden voortgezet en dat hun bedrijfsvoering hierdoor wordt belemmerd. Het betoog faalt.

Perceel aangeduid met nummer G1349

8.20. Het plandeel voor dit perceel heeft de bestemming "Agrarisch - AHS plus" en de op dit perceel aanwezige paardenstal is niet als zodanig bestemd. Niet is gebleken dat deze paardenstal met de vereiste vergunning is opgericht. In de voorheen geldende beheersverordening had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging" en had het geen bij een agrarisch bedrijf behorend bouwperceel. Ter plaatse was geen bebouwing toegestaan. Voorts brengt de stelling dat deze stal sinds jaar en dag aanwezig is niet met zich dat deze stal onder het bouwovergangsrecht van de beheersverordening gehandhaafd mag blijven. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestond om deze stal als zodanig te bestemmen in dit plan. Het betoog faalt.

Conclusie

8.21. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] en andere tegen het besluit van 4 september 2012 niet-ontvankelijk, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5].

In hetgeen zij hebben aangevoerd over het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 8]/[locatie 9], voor zover het betreft het perceel, kadastraal aangeduid met nummer F1626 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 4 september 2012 in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Dit beroep van [appellant sub 4] en andere is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het besluit van 4 september 2012 op dit punt dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 4] en andere tegen het besluit van 25 februari 2014 is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 5]

9. [appellanten sub 5] betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 10] te Zundert heeft vastgesteld, nu de vergunde en met vrijstelling mogelijk gemaakte woning, gelet op de toegestane maten, niet als zodanig is bestemd en hun bouwmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende regime zijn beperkt. Verder voeren zij aan dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" en "bedrijfswoning uitgesloten" aan de [locatie 11] heeft vastgesteld. Zij voeren aan dat de inpandige woning in de loods ten onrechte niet als zodanig is bestemd, terwijl de woning al lang aanwezig is en deze is gebouwd met een bouwvergunning. Derhalve had de woning een woonbestemming moeten krijgen. De agrarische bestemming met de toegekende aanduidingen is niet uitvoerbaar en leidt tot een onbruikbare situatie, die onevenredig nadelig is voor [appellanten sub 5].

9.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 37 van de planregels met zich brengt dat de afmetingen van bestaande legale bebouwing als zodanig zijn bestemd als deze afwijken van de bouwregels in hoofdstuk 2 van de regels. Dit geldt ook voor de woning aan de [locatie 10]. De raad heeft zich voorts bij de gewijzigde vaststelling van het plan op het standpunt gesteld dat het plandeel aan de [locatie 11] geen woonbestemming, maar de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" en "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" dient te krijgen.

9.2. Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 22.2, onder 22.2.2, onder h, bedraagt de inhoud van een woning maximaal 750 m³.

Ingevolge artikel 37, lid 37.2, onder 37.2.1, onder a, geldt in die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, die hoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

Ingevolge lid 37.2, onder 37.2.1, onder b, zoals gewijzigd bij besluit van 25 februari 2014, is het bepaalde onder a slechts van toepassing indien er sprake is van herbouw, waarbij de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt en niet wordt vergroot.

9.3. Vast staat dat op 25 november 2008 een vrijstelling is verleend voor het bouwen van een woning aan de [locatie 10] en dat vervolgens op 10 oktober 2011 een omgevingsvergunning voor het bouwen van deze woning is verleend. Deze vrijstelling en vergunning zijn onherroepelijk geworden en gebleken is dat de woning inmiddels in aanbouw is. Voor zover [appellanten sub 5] vrezen dat de vergunde en in aanbouw zijnde woning niet volledig als zodanig is bestemd overweegt de Afdeling dat een redelijke uitleg van artikel 37, lid 37.2, onder 37.2.1, van de planregels met zich brengt dat onder bestaande inhoud tevens dient te worden verstaan de inhoud van een ten tijde van het bestreden besluit onherroepelijk vergund bouwwerk. Derhalve is de vergunde en in aanbouw zijnde woning als zodanig bestemd. Voorts kan een woning met dezelfde maatvoering op dezelfde plaats worden herbouwd.

Voor zover [appellanten sub 5] betogen dat de bouwmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende planologische regime ten onrechte zijn beperkt overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend planologisch regime geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. [appellanten sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de beperking van de bouwmogelijkheden zodanig is dat de raad deze, na afweging van de betrokken belangen, niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Het betoog faalt.

9.4. Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1.2, aanhef en onder b, is het ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" niet toegestaan te bouwen.

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.6, onder b, is ter plaatse van de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning toegestaan.

Ingevolge lid 4.5, onder 4.5.4, aanhef en onder c, wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend elke vorm van gebruik anders dan het wonen in de voormalige agrarische bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf (lees: agrarisch) - voormalig agrarisch bedrijf".

Ingevolge artikel 43, lid 43.2, onder 43.2.1, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is worden voortgezet.

Ingevolge lid 43.2, onder 43.2.4, is het bepaalde in 43.2.1, niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

9.5. Vast staat dat op 6 juli 1992 een bouwvergunning is verleend voor de bouw van een bedrijfsruimte op de locatie die thans [locatie 11] wordt genoemd. Deze vergunning ziet uitsluitend op de bouw van een bedrijfsruimte en hieruit kan niet worden afgeleid dat daarmee het gebruik van de bedrijfsruimte als woning is toegestaan. Voorts is niet in geschil dat deze bedrijfsruimte tot 1997 als woning werd gebruikt en dat [appellanten sub 5] deze ruimte als woning in gebruik hebben genomen vanaf april 2013. Het gebruik van de bedrijfsruimte als woning valt derhalve niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht, nu dit gebruik op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan langdurig was gestaakt. Nu het gebruik van de bedrijfsruimte als woning niet als zodanig was toegestaan en dit gebruik evenmin onder de beschermende werking van het overgangsrecht is komen te vallen, heeft de raad er voor kunnen kiezen hiervoor geen woonbestemming op te nemen. Het betoog faalt.

9.6. Het betoog dat de toegekende bestemming en aanduidingen niet uitvoerbaar zijn slaagt evenmin. In artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.4, onder c, van de planregels is vastgelegd dat op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" elke vorm van gebruik, anders dan wonen in de voormalige agrarische bedrijfswoning, wordt aangemerkt als strijdig gebruik. Aan het perceel is echter tevens de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" toegekend, zodat een bedrijfswoning niet mogelijk is. Dit betekent dat ter plaatse geen bedrijfswoning is toegestaan en dat het gebruiksverbod behorende bij de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" hier niet van toepassing is. De gronden en de bebouwing mogen op grond van de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" wel worden gebruikt voor een agrarisch bedrijf, hetgeen ter plaatse een uitvoerbare bestemming betreft.

9.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 5] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

10. [appellant sub 6] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" aan de [locatie 12] te Achtmaal heeft vastgesteld, nu ter plaatse het bouwblok voor zijn intensieve veehouderij had moeten worden uitgebreid tot meer dan 1,5 ha. Dit bouwblok van 1 ha is te klein, waardoor hij geen gebruik kan maken van zijn milieuvergunning uit 2007 en genoodzaakt is zijn inrichting in werking te hebben op grond van een milieuvergunning uit 2004. In dit kader wijst hij er op dat er door het college van burgemeester en wethouders een ontheffing is aangevraagd bij het college voor een bouwblok groter dan 1,5 ha. Hij betoogt dat de raad dan ook had moeten voorzien in een groter bouwblok en dat is gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Verder voert hij aan dat het bouwverbod voor intensieve veehouderijen van artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1.2, onder a, van de planregels, waardoor het aantal dierplaatsen niet mag worden uitgebreid in strijd is met de Verordening 2012. Tot slot betoogt [appellant sub 6] dat de regeling voor bedrijfswoningen innerlijk tegenstrijdig is.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat, zonder de vereiste ontheffing van de provinciale verordening, bij het plan niet kan worden voorzien in de gewenste uitbreiding van de intensieve veehouderij. Het voormelde bouwverbod is opgenomen omdat er niet zonder meer ruimte is voor uitbreidingen van intensieve veehouderijen, gelet op de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, en maatwerk is vereist. Dit geldt ook voor verwevingsgebieden. Verder wijst de raad er op dat de regeling voor bedrijfswoningen niet innerlijk tegenstrijdig is. Bij plandelen met de bestemming "Agrarisch -Agrarisch bedrijf" is in beginsel een bedrijfswoning toegestaan, tenzij de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" is toegekend. Als er meer dan één bedrijfswoning is toegestaan, dan is dat met de aanduiding "bedrijfswoning" en een maximaal aantal wooneenheden aangegeven.

10.2. Het perceel van [appellant sub 6] heeft deels de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied". Het andere deel van het perceel heeft de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" met de aanduiding "reconstructiewetzone - verwevingsgebied".

10.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, van de planregels is op gronden aangewezen voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" alleen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, waaronder onder andere een boomteeltbedrijf, een intensieve veehouderij toegestaan.

Ingevolge lid 4.1, onder g en h, zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" meerdere bedrijfswoningen toegestaan, waarbij het toegestane aantal op de planverbeelding is aangegeven en is ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding "maximaal aantal wooneenheden" het aangeduide aantal bedrijfswoningen toegestaan.

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1.1, aanhef en onder e, mag op de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel een bedrijfswoning, tenzij de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning" op de planverbeelding is opgenomen.

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1.2, aanhef en onder a, is het ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" binnen "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en "reconstructiewetzone verwevingsgebied" niet toegestaan te bouwen indien er sprake is van een uitbreiding van het aantal dierplaatsen.

10.4. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

10.5. Over de gewenste uitbreiding van het bouwvlak van de intensieve veehouderij tot meer dan 1,5 ha overweegt de Afdeling dat de raad ten tijde van het bestreden besluit, gelet op artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wro, artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 in acht moest nemen en niet kon voorzien in de gewenste uitbreiding. Voorts wijst de Afdeling er op dat het beroep van [appellant sub 6] tegen het besluit op bezwaar waarbij de weigering van de op grond van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 gevraagde ontheffing voor de uitbreiding in stand is gebleven bij uitspraak van 23 oktober 2013, in zaak nr. 201210291/1/R3, ongegrond is verklaard. Dat de raad bij de vaststelling van dit plan, hangende de procedure omtrent de geweigerde ontheffing, niet heeft voorzien in de gewenste uitbreiding is niet in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu op dat moment de gevraagde ontheffing reeds was geweigerd en uit het doen van een aanvraag voor een ontheffing niet reeds het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden afgeleid dat door de raad bij dit plan zou worden voorzien in de gewenste uitbreiding. Het betoog faalt.

10.6. Met betrekking tot het in artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1.2, onder a, van de planregels vervatte bouwverbod stelt de Afdeling vast dat het op de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" niet is toegestaan te bouwen indien daarmee het aantal dierplaatsen wordt uitgebreid. Met deze regeling heeft de raad, naar aanleiding van het plan-MER en de aanvulling hierop, beoogd te voorkomen dat onbenutte vergunde milieugebruiksruimte van intensieve veehouderijen alsnog wordt benut en uitgesloten dat nieuwe bebouwing op gronden waar bebouwing is toegestaan kan worden aangewend voor extra dierplaatsen ten opzichte van het aantal dierplaatsen in de bestaande bebouwing ten tijde van het bestreden besluit. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Dat deze regeling voor verwevingsgebieden geen grondslag heeft in de Verordening 2012 betekent, anders dan [appellant sub 6] betoogt, niet dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening deze regeling niet had mogen vaststellen. Daarbij is van belang dat in het algemeen aan een geldend plan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend en de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere regels voor gronden kan vaststellen. Dat de raad in dit geval onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellant sub 6] is niet gebleken, nu de huidige bedrijfsvoering als zodanig is bestemd en een uitbreiding van zijn intensieve veehouderij met extra dierplaatsen in dit geval niet zonder meer mogelijk was. Het betoog faalt.

10.7. Het betoog over de regeling voor bedrijfswoningen slaagt evenmin. De Afdeling stelt vast dat op de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak", gelet op artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1.1, aanhef en onder e, van de planregels één bedrijfswoning is toegestaan. Indien op de verbeelding de aanduiding "bedrijfswoning" en een daarbij behorend maximaal aantal wooneenheden is aangegeven is er meer dan één bedrijfswoning toegestaan. De regeling is niet innerlijk tegenstrijdig.

Het betoog faalt.

10.8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

11. [appellant sub 7] heeft zijn beroep ingetrokken, voor zover het betreft de regeling voor het perceel aan de Antwerpseweg 18 en het perceel Antwerpseweg ongenummerd.

11.1. [appellant sub 7] voert aan dat de raad ten onrechte aan zijn perceel aan de Tiggeltsebergstraat de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" en "Natuur" heeft toegekend, terwijl een woonbestemming in de rede lag. Hij wijst er op dat aan de Tiggeltsebergstraat verschillende percelen een woonbestemming hebben gekregen en het perceel in het voorheen geldende plan de bestemming "Woonbos" had.

11.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de gewenste woonbestemming voor het onbebouwde perceel aan de Tiggeltsebergstraat in strijd is met gemeentelijk en provinciaal beleid.

11.3. In de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" had het perceel de bestemming "Bosgebied" en de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden".

11.4. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012, voor zover hier van belang, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen.

11.5. Over het plandeel met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" en "Natuur" aan de Tiggeltsebergstraat overweegt de Afdeling dat de raad dit onbebouwde perceel in overeenstemming met het huidige gebruik heeft bestemd, nu het perceel deels in gebruik is als bos en deels voor maïsteelt. Over het plan van [appellant sub 7] om ter plaatse een woning te bouwen heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het voorheen geldende regime geen woningbouw mogelijk maakte en dat artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 hieraan in de weg staat, nu sprake zou zijn van nieuwbouw van een burgerwoning in agrarisch gebied. Het betoog faalt.

11.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

12. [appellant sub 8] betoogt dat de raad ten onrechte de tabel bij artikel 9, lid 9.1, onder e, van planregels gewijzigd heeft vastgesteld, voor zover daarin voor zijn constructie- en techniekbedrijf aan de [locatie 7] een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 1000 m² is opgenomen, terwijl dit een maximale oppervlakte moet hebben van 4.834 m².

12.1. De raad stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het in de tabel opgenomen maximale aantal m² onjuist was en niet overeenkomt met de feitelijke situatie en de raad heeft bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" van 25 februari 2014 alsnog het juiste maximale aantal m² van 4.834 opgenomen.

12.2. De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 25 februari 2014 volledig is tegemoet gekomen aan het beroep, hetgeen [appellant sub 8] ook heeft bevestigd in haar reactie op dit besluit. Derhalve is er, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 25 februari 2014. Het beroep tegen het besluit van 4 september 2012 is niet-ontvankelijk, omdat [appellant sub 8] als gevolg van het besluit van 25 februari 2014 geen belang meer heeft bij een beoordeling van dit beroep, nu het bestreden planonderdeel is komen te vervallen.

12.3. Nu de raad in het beroep aanleiding heeft gezien om het besluit van 4 september 2012 op voormeld onderdeel te wijzigen en aan het beroep is tegemoet gekomen ziet de Afdeling aanleiding om de raad te veroordelen in de door [appellant sub 8] gemaakte proceskosten en wordt de raad gelast om het door [appellant sub 8] betaalde griffierecht te vergoeden.

Het beroep van [appellant sub 9]

13. [appellant sub 9], die eigenaar is van het perceel Breedschotsestraat te Rijsbergen, kadastraal bekend onder nr. G 1123, in het plan aangeduid als [locatie 13] en [locatie 14], betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch - AHS plus" ter plaatse van zijn perceel heeft vastgesteld. Hij wil dat het ter plaatse aanwezige bouwwerk als zodanig wordt bestemd. Daartoe voert hij aan dat het bouwwerk al dertig jaar aanwezig is en dat de gemeente de verandering van de schuur/hobbyruimte in een recreatiewoning en later in een woning heeft gefaciliteerd. Daarvoor wordt ook jaarlijks onroerende zaakbelasting betaald. Voorts heeft de gemeente altijd meegewerkt aan de instandhouding en verbetering van het bouwwerk en heeft de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State in de jaren ’80 tweemaal geoordeeld dat de bebouwing mocht blijven staan.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit bedoelde uitspraken niet volgt dat niet handhavend opgetreden kon worden en dat de situatie op het perceel nooit expliciet is gedoogd. Nadat in 2005 is geconstateerd dat de voorheen aanwezige stacaravan was vervangen door een stenen gebouw is tweemaal een vooraanschrijving gedaan. Dat nooit tot een definitieve aanschrijving is overgegaan, brengt niet mee dat de bebouwing in het plan als zodanig bestemd dient te worden. Voor het feit dat het gebouw is geregistreerd in het kader van de Wet waardering onroerende zaken geldt hetzelfde, aldus de raad.

13.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - AHS plus" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bodemexploitatie.

13.3. In het voorheen geldende planologische regime had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging". Deze gronden waren ingevolge artikel 5 van de voorschriften bestemd voor agrarische productiedoeleinden en om als bouwplaats te dienen voor agrarische bedrijfsbebouwing.

13.4. Blijkens de stukken is het perceel aan de Breedschotsestraat sinds 1979 eigendom van [appellant sub 9]. Indertijd stond op het perceel een houten schuur die [appellant sub 9] rond 1980 heeft vervangen door een stacaravan, waarna hij in 1981 een bouwvergunning heeft aangevraagd voor een tuindersschuur, op welke aanvraag nooit is beslist. In 1984 en 1985 zijn handhavingsbesluiten tegen de aanwezigheid van de caravan door de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State vernietigd. In de uitspraak van 4 juni 1985 is daarbij overwogen dat de plaatsing van de caravan in strijd was met het geldende bestemmingsplan, maar dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd omdat een belangenafweging ontbrak en niet was ingegaan op het beroep van [appellant sub 9] op het gelijkheidsbeginsel. In geen van beide uitspraken heeft de Afdeling Rechtspraak overwogen dat de bebouwing mocht blijven staan. In de periode tussen 1987 en 1990 is de stacaravan geleidelijk ver- en herbouwd tot het stenen bouwwerk dat nu op het perceel aanwezig is. Vast staat dat voor de bouw hiervan nooit vergunning is verleend. In 2005 en in 2010 is ten aanzien van de bebouwing een handhavingsprocedure gestart waaraan geen vervolg is gegeven. Onder deze omstandigheden heeft de raad in de langdurige aanwezigheid van bebouwing geen aanleiding hoeven te zien deze als zodanig te bestemmen. Daarbij heeft de raad ter zitting toegelicht dat de handhavingsprocedure gedurende de periode dat het bestemmingsplan in procedure is, is stilgelegd, maar dat na het in rechte onaantastbaar worden van het plan alsnog handhavend zal worden opgetreden. Voorts is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 februari 2010 in zaak nr. 200904021/1/R3) de waardevaststelling in het kader van de Wet waardering onroerende zaken niet relevant bij het toekennen van een bestemming. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de bebouwing op het perceel in het verleden met medeweten/medewerking van de gemeente zou zijn voorzien van een riolerings-, water- en kabelaansluiting.

Het betoog faalt.

13.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

14. [appellant sub 10], die aan de [locatie 15] te Rijsbergen een melkveehouderij exploiteert, betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" aan het perceel ten westen van de Zandstraat/Breedbroeken te Rijsbergen, kadastraal bekend gemeente Zundert, sectie E, nummer 1500, heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat een deugdelijke motivering voor het toekennen van deze bestemming aan dit door agrarische gronden omringde perceel met een beperkte omvang van ongeveer 2,5 ha ontbreekt. Een enkele verwijzing naar de Verordening 2012 is hiertoe onvoldoende. Deze bestemming is bovendien niet uitvoerbaar, zodat het toekennen van enkel een agrarische bestemming overeenkomstig het bestaande gebruik in de rede had gelegen. Voorts blijkt onvoldoende duidelijk uit de verbeelding dat het perceel tevens een agrarische bestemming heeft.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel voor agrarische doeleinden kan worden gebruikt. Om natuurontwikkeling op het perceel in de toekomst niet te frustreren, is een dubbelbestemming in overeenstemming met de Verordening 2012, waarin het perceel is aangewezen als "Ecologische hoofdstructuur" (hierna: EHS), aan het perceel toegekend.

14.2. Uit de verbeelding blijkt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk dat voornoemd perceel de bestemming "Agrarisch - AHS plus" heeft. Dit perceel heeft tevens de dubbelbestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - AHS plus" gronden bestemd voor agrarische bodemexploitatie.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1, zijn de voor "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het ontwikkelen van nieuwe natuur. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen andere aangewezen dubbelbestemmingen en (gebieds)aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 42.

Ingevolge lid 32.2 mogen binnen deze dubbelbestemming geen bouwwerken worden opgericht.

Ingevolge lid 32.3 kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 32.2 teneinde bouwwerken op te richten conform de overige voor deze gronden geldende bestemming(en), mits deze bouwwerken, dan wel de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, natuurontwikkeling in de nabije of verdere toekomst niet frustreren.

Ingevolge lid 32.4, onder 32.4.1, is het verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aantal nader genoemde werken en werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge het bepaalde onder 32.4.2 geldt het onder 32.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds omgevingsvergunning is verleend;

b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds legaal in uitvoering zijn;

c. welke het normaal onderhoud en/of exploitatie betreffen.

Ingevolge het bepaalde onder 32.4.3 mag een omgevingsvergunning als bedoeld onder 32.4.1 of de elders in dit bestemmingsplan genoemde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden, alleen worden verleend indien:

a. de activiteiten aantoonbaar noodzakelijk zijn gebleken voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering, en

b. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen geen onherstelbare schade plaatsvindt aan (de aanleg en ontwikkeling van) nieuwe natuur zoals genoemd in lid 32.1.

Ingevolge lid 32.5 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat de planverbeelding wordt gewijzigd door een of meerdere bestemmingsvlakken of gedeeltes daarvan met de dubbelbestemming 'Waarde - Natuurontwikkelingsgebied' van het planverbeelding te verwijderen, indien:

a. het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan voorziet in de bescherming van deze waarden, en:

b. de ecologische hoofdstructuur op provinciaal niveau gewijzigd is;

c. en daartoe instemming is gegeven door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Ingevolge artikel 42, lid 42.3, onder a, geldt waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming.

14.3. In het vorige plan hadden de gronden gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" en gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging". Deze gronden waren bestemd voor agrarische productiedoeleinden, alsmede voor het behoud van de aldaar voorkomende of daaraan eigen landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden binnen de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden".

14.4. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

Ingevolge het tweede lid bepaalt een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid, zolang de EHS niet is gerealiseerd, dat de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

14.5. De Afdeling stelt vast dat het perceel ten westen van de Zandstraat/Breedbroeken in de Verordening 2012 is aangewezen als EHS, hetgeen de raad bij de vaststelling van het plan terecht in acht heeft genomen. Om te voldoen aan de bijbehorende algemene regels heeft de raad aan deze gronden de dubbelbestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" toegekend, waarvoor in de planregels het vereiste van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is opgenomen. Voorts mogen op deze gronden slechts onder voorwaarden bouwwerken worden opgericht. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Daarbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu aan het perceel tevens de bestemming "Agrarisch - AHS plus" is toegekend, en het normale onderhoud en/of gebruik van de gronden binnen de bestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" is uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht. [appellant sub 10] heeft voorts niet aangegeven dat hij plannen heeft voor het oprichten van bouwwerken of het verrichten van werken of werkzaamheden waarvoor ingevolge het plan een omgevingsvergunning is vereist, zodat er geen grond is voor het oordeel dat de bestemmingsregeling zijn bedrijfsvoering onevenredig belemmert.

Voor zover [appellant sub 10] betoogt dat uit de procedure over de herverkaveling Weerijs-Zuid volgt dat het perceel geen natuurwaarde heeft en dat de natuurbestemming in de toekomst zal (moeten) vervallen wordt overwogen dat dit er niet aan afdoet dat de raad bij de vaststelling van het plan de Verordening 2012 en daarbij behorende begrenzing van de EHS in acht moest nemen. Voorts voorziet artikel 32, lid 32.5, van de planregels in een wijzigingsbevoegdheid die ertoe strekt dat de dubbelbestemming kan worden verwijderd als de EHS op provinciaal niveau is gewijzigd en die in voorkomend geval op het perceel kan worden toegepast.

14.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

15. [appellant sub 11] woont in de bebouwde kom van Rijsbergen op een aanzienlijke afstand van het door hem bestreden plandeel met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltgebied" bij de Leemputten. Hij heeft geen zicht op het bedoelde perceel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 11] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt is de afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 11] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het bestreden plandeel zou worden geraakt. De conclusie is dat [appellant sub 11] geen belanghebbende is bij het bestreden plandeel als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, geen beroep kan instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

15.1. [appellant sub 11] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bos" heeft vastgesteld voor een deel van zijn perceel met kadastraal nummer C1946 langs de Ettenseweg te Rijsbergen. Hij voert aan dat ter plaatse geen sprake is van bos, maar van een perceel dat agrarisch wordt gebruikt en dus een agrarische bestemming had moeten krijgen.

Verder voert hij aan dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bos" aan de [locatie 16] heeft vastgesteld, nu ter plaatse agrarische gebruik is uitgesloten. Tot slot voert hij aan dat de raad ten onrechte de plandelen met de bestemming "Natuur" aan de Laarakkerstraat heeft vastgesteld, nu deze bestemming zijn agrarische bedrijfsvoering belemmert.

15.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel C1946 niet volledig agrarisch in gebruik is en dat de bestemming "Bos" ter plaatse passend is. Over het perceel aan de [locatie 16] stelt de raad zich op het standpunt dat dit ten tijde van het bestreden besluit in de EHS lag. Daarom is niet voorzien in een agrarische bestemming. Over de gronden aan de Laarakkerstraat stelt de raad dat deze gronden in de Verordening 2012 zijn aangewezen als EHS en derhalve een natuurbestemming hebben gekregen.

15.3. Over het bestreden deel van het perceel C1946 overweegt de Afdeling dat hier voorheen bomen zijn gekweekt en dat dit gebruik sinds jaren niet meer plaatsvindt, waardoor dit deel van het perceel een bosachtig karakter heeft gekregen. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid voor de bestemming "Bos" kunnen kiezen. Het betoog faalt.

15.4. Aan het bestreden plandeel voor het perceel aan de [locatie 16] is de bestemming "Natuur" toegekend. Bij het toekennen van de bestemming heeft de raad ten tijde van het bestreden besluit terecht betrokken dat dit perceel binnen de EHS als bedoeld in de Verordening 2012 lag. Gelet daarop heeft de raad kunnen kiezen voor de natuurbestemming waarbij extensief agrarisch gebruik is toegestaan. Het betoog faalt.

15.5. Over het bestreden plandeel met bestemming "Natuur" aan de Laarakkerstraat overweegt de Afdeling dat de raad aan deze gronden terecht een natuurbestemming heeft toegekend omdat deze gronden in de Verordening 2012 zijn aangewezen als EHS. Voorts staat de toegekende bestemming niet aan de weg aan het door [appellant sub 11] bedoelde incidentele rapen van dood hout en dennennaalden. Het betoog faalt.

15.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 12]

16. [appellant sub 12] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Natuur" aan het [locatie 17] te Zundert ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ter plaatse een bedrijfsbestemming voor een hondenkennel dient te worden toegekend. De raad heeft dat gebruik en de legaal opgerichte bebouwing ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht. Dat is voorts in strijd met het uitgangspunt van de raad dat gebruik dat voor 2000 is aangevangen als zodanig wordt bestemd. Ook handelt de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel in het verleden illegaal is gesplitst en dat voor het gebruik van het voormalig hondentrimlokaal als woning in 1993 een persoonsgebonden gedoogbeschikking is verleend. Het perceel is volgens de raad nooit als bedrijfslocatie bestemd en er vinden geen bedrijfsmatige activiteiten meer plaats. De raad heeft derhalve geen niet-agrarische bedrijfsbestemming opgenomen.

16.2. Het perceel aan het [locatie 17] heeft de bestemming "Natuur".

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het behoud en/ of herstel van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/ of cultuurhistorische waarden;

b. het behoud, het herstel en/ of de ontwikkeling van de ecologische waarde, ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszone;

(…)

e. extensief recreatief medegebruik;

f. extensief agrarisch gebruik, zoals beweiding, ten dienste van natuurbeheer;

g. water en waterhuishoudkundige doeleinden;

h. verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen;

een en ander met bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 15.2 mogen op de voor "Natuur" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming (…).

16.3. In het voorheen geldende plan "Buitengebied Zundert 1997" had het perceel de bestemming "Groene hoofdstructuur" met de differentiatie "GHS - natuurkerngebied".

Ingevolge artikel 2.1, lid A, van de voorschriften zijn de gronden die op plankaart 1 zijn aangewezen als "Groene hoofdstructuur" bestemd voor:

1. natuurkerngebied, bosgebied, landgoed en agrarische grondgebruik en agrarische bedrijfsvoering;

2. instandhouding, herstel en ontwikkelingen van:

- natuurwaarden;

- aardkundige waarden;

- landschappelijke waarden;

- hydrologische waarden, het tegengaan van verdroging en, waar nodig het bevorderen van vernatting ten behoeve van natuurwaarden;

- het waterhuiskundig systeem ten behoeve van de natuurwaarden en daarnaast ten behoeve van de waterkwaliteitsregulering;

3. extensief recreatief medegebruik;

(…).

Voor zover deze gronden zijn gelegen binnen een van de op plankaart 1 aangeduide differentiaties staan de volgende doeleinden voorop:

- "GHS - natuurkerngebied"

Natuurbehoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurlijke waarden en waar nodig het behoud van de aanwezige bosbodem met een bosbouwfunctie en aardkundige en landschappelijke waarden in een zo sterk mogelijke samenhang met de natuurlijke en ruimtelijke structuur en het behoud en herstel van een daarop afgestemd waterhuishoudkundig systeem. (…)

Ingevolge lid B mag op de tot "Groene hoofdstructuur" bestemde gronden niet worden gebouwd, behoudens vrijstelling ingevolge artikel 3.1.

Ter plaatse van [locatie 18] lag de aanduiding "1W", waarmee ter plaatse één woning was toegestaan.

Ingevolge artikel 1.8, onder B/C, eerste lid, mag het gebruik van de grond, anders dan voor bebouwing, en het gebruik van opstallen, strijdig met het plan en dat bestaat op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, worden gehandhaafd.

16.4. Uit het deskundigenbericht volgt dat op het perceel van [appellant sub 12] een voormalig hondentrimlokaal, een garage en een voormalige hondenkennel staan. [appellant sub 12] woont in het voormalige trimlokaal, waarvoor in 1993 een persoonsgebonden gedoogbeschikking is afgegeven.

Over de door [appellant sub 12] gewenste bedrijfsbestemming overweegt de Afdeling dat sinds 1992 geen gebruik meer wordt gemaakt van de hondenkennel. Derhalve vond ten tijde van de inwerkingtreding van het vorige plan ter plaatse geen bedrijfsmatig gebruik van de hondenkennel plaats. Reeds daarom kan de stelling van [appellant sub 12] dat dit gebruik door het gebruiksovergangsrecht van het vorige plan werd beschermd, niet worden gevolgd en valt dit gebruik evenmin onder het overgangsrecht van het voorliggende plan. Nu ter plaatse op dit moment geen bedrijfsmatig gebruik plaatsvindt en het gemeentelijke beleid terughoudend is met nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien ter plaatse een bedrijfsbestemming toe te kennen. Dat het bedrijfsmatige gebruik in het vóór het vorige plan geldende plan "Niet-agrarische bedrijven" uit 1988 was toegestaan - wat daar van zij - leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet afdoet aan de beëindiging van het gebruik in 1992 en het niet toestaan ervan in het daarop volgende plan. Voor zover [appellant sub 12] stelt dat de raad het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft vastgesteld, heeft hij geen percelen genoemd waar een gelijk geval aan de orde zou zijn. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het betoog dat een bedrijfsbestemming dient te worden toegekend faalt.

16.5. De Afdeling overweegt dat is gebleken dat bouwvergunningen zijn verleend voor het voormalig hondentrimlokaal en de hondenkennel ter plaatse. Deze bebouwing is niet als zodanig bestemd en in het plan onder het bouwovergangsrecht van artikel 43, lid 43.1, van de planregels gebracht. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet aannemelijk zijn dat er concreet zicht bestaat op verwijdering van het bouwwerk, omdat het overgangsrecht bedoeld is als overbrugging van een tijdelijke situatie. Indien aan deze voorwaarden is voldaan kan het bestaande bouwwerk onder het overgangsrecht worden gebracht. De raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat concreet zicht bestaat op verwijdering van de genoemde legale gebouwen binnen de planperiode. Gelet daarop heeft de raad het plan, voor zover de bestaande legale bebouwing op het perceel niet als zodanig is bestemd, vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Niet valt in te zien dat de raad deze bebouwing niet had kunnen voorzien van een passende aanduiding zoals bijvoorbeeld veldschuur of schuilgelegenheid of dergelijke.

16.6. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Natuur" aan het [locatie 17], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van ZLTO

Bestemmingsvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven

17. ZLTO betoogt dat de maximale omvang van een bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" voor grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven ten onrechte is beperkt tot 2 ha. Dit biedt onvoldoende mogelijkheden voor verduurzaming en schaalvergroting. Nu kassen en permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bestemmingsvlak moeten worden opgericht, dienen bestemmingsvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven tot 2,5 ha vergroot te kunnen worden.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bestemmingsvlakken voor glastuinbouwbedrijven en binnen het boomontwikkelingsgebied gevestigde boomteeltbedrijven kunnen worden vergroot tot 4 ha. Grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven die buiten het boomontwikkelingsgebied liggen, zijn gebonden aan de maximale oppervlakte van 2 ha voor het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Afhankelijk van de voorheen geldende bestemming bedraagt de maximale oppervlakte voor kassen binnen het bestemmingsvlak 5.000 m² of 1,5 ha. Hierbij is de Verordening 2012 in acht genomen. Volgens de raad blijft voldoende oppervlakte over om overige voorzieningen en bedrijfswoningen binnen het bestemmingsvlak te bouwen.

17.1.1. De Afdeling stelt vast dat met de vaststelling van het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" onder meer de wijzigingsbevoegdheden voor de vergroting van bestemmingsvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven uit het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn gewijzigd. Nu de maximale toegestane omvang van de bestemmingsvlakken van 2 ha echter is gehandhaafd en wat dat betreft slechts een vernummering in de regels heeft plaatsgevonden, is in zoverre geen verandering gebracht in de met het oorspronkelijke besluit beoogde rechtsgevolgen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, is in zoverre geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 25 februari 2014.

17.1.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.2, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

(…);

c. voor grondgebonden agrarische bedrijven, tevens boomteeltbedrijven met de aanduiding "bomenteelt", is vergroting van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegestaan met een maximale omvang van 2 ha en met een maximale oppervlakte aan kassen van 5.000 m² netto glas, mits geen omschakeling plaatsvindt naar een glastuinbouwbedrijf;

(…).

Ingevolge artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.1, sub 4.7.1.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemmingsgrens van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" te doorbreken ten behoeve van een vergroting. Deze wijzigingsbevoegdheid dient gelijk met de wijzigingsbevoegdheid zoals genoemd in artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.2, artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.2, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.2, of artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.2, toegepast te worden en daarnaast gelden de voorwaarden zoals in die artikelen zijn opgenomen.

In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.2, aanhef en onder c, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, aanhef en onder c, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.2, aanhef en onder d, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.2, aanhef en onder d, zijn voor de bestemmingen "Agrarisch - AHS Plus", "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" vergelijkbare wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de vergroting van een agrarisch bestemmingsvlak voor grondgebonden agrarisch bedrijven en voor boomteeltbedrijven tot 2 ha. In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.2, aanhef en onder c, en artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, aanhef en onder c, is daarbij evenwel opgenomen dat een maximale oppervlakte aan kassen van 1,5 ha netto glas is toegestaan. Voorts is in artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, aanhef en onder c, opgenomen dat boomteeltbedrijven op gronden met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" tot een maximum van 4 ha kunnen uitbreiden.

17.1.3. De raad heeft op grond van de verrichte inventarisatie van bestaande agrarische bedrijven en bestaande uitbreidingsplannen, met inachtneming van de toegekende bouwvlakken in de voorheen geldende plannen, besloten om de bestemmingsvlakken voor agrarische bedrijven af te stemmen op de bestaande omvang van de bebouwing plus 20% en verdere uitbreiding daarvan toe te staan via wijzigingsbevoegdheden. Daarbij is een differentiatie opgenomen voor verschillende typen agrarische bedrijven en verschillende typen agrarische gebieden. De bestaande glastuinbouwbedrijven en glasboomteeltbedrijven, waarvan de productie geheel of in overwegende mate plaatsvindt in kassen en waaraan de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "glastuinbouw" is toegekend, kunnen, na wijziging, uitbreiden tot een maximale oppervlakte van 4 ha. Boomteeltbedrijven waarvan de productie geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt, zijn als grondgebonden agrarisch bedrijf aangemerkt met de aanduiding "bomenteelt". Voor deze bedrijven zijn, behalve als deze bedrijven in een boomteeltontwikkelingsgebied liggen, wijzigingsbevoegdheden voor een vergroting tot maximaal 2 ha opgenomen. Gelet hierop heeft de raad onderscheid gemaakt in de uitbreidingsmogelijkheden voor boomteeltbedrijven die niet als grondgebonden agrarisch bedrijf kunnen worden aangemerkt en alle overige grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder ook boomteeltbedrijven, behoudens voor zover deze in een boomteeltontwikkelingsgebied liggen. De reden hiervoor is dat de raad de ontwikkelingsmogelijkheden voor de glastuinbouw en glasboomteelt wil bevorderen en daarvoor een boomontwikkelingsgebied heeft aangewezen. In andere gebieden dienen de natuur- en landschapswaarden te worden beschermd, zodat in deze gebieden een beperking is gesteld aan de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven.

17.1.4. ZLTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat bestemmingsvlakken met een oppervlakte van maximaal 2 ha voor bedoelde grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven in het algemeen onvoldoende zijn om permanente teeltondersteunende voorzieningen en kassen op te richten en dat daarbij onvoldoende ruimte overblijft voor de overige bebouwing en voorzieningen. Daarbij heeft de raad in redelijkheid een onderscheid kunnen maken tussen glastuinbouw en glasboomteelt en andere grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder grondgebonden boomteelt.

Voor zover ZLTO stelt dat een maximale oppervlakte van 2 ha voor grondgebonden agrarische bedrijven onvoldoende mogelijkheden biedt voor onder meer verduurzaming van agrarische activiteiten, overweegt de Afdeling dat uit het deskundigenbericht volgt dat een aantal agrarische activiteiten waarop ZLTO doelt ook buiten het bestemmingsvlak kan worden uitgevoerd, nu daarvoor geen bebouwing hoeft te worden opgericht. Voorts volgt hieruit dat niet alle activiteiten tot een groter ruimtebeslag binnen het bestemmingsvlak zullen leiden.

Gelet op het voorgaande heeft ZLTO niet aannemelijk gemaakt dat grondgebonden agrarische bedrijven met een uitbreidingsmogelijkheid tot 2 ha over onvoldoende ruimte binnen het bestemmingsvlak zullen beschikken en heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om meer uitbreidingsmogelijkheden voor grondgebonden agrarische bedrijven en boomteeltbedrijven buiten het boomteeltontwikkelingsgebied in het plan mogelijk te maken. Het betoog faalt.

Bestemmingsvlakken van intensieve veehouderijen

17.2. ZLTO betoogt dat de uitbreiding van bestemmingsvlakken voor intensieve veehouderijen, waarvoor wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen, ten onrechte alleen is toegestaan indien deze noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn en het aantal bestaande dierplaatsen niet toeneemt met het wijzigingsplan. Uit de Verordening 2012 volgt dat op duurzame locaties in verwevingsgebieden mogelijk moet worden gemaakt dat het bouwvlak van intensieve veehouderijen tot 1,5 ha kan uitbreiden, ook als het aantal dierplaatsen daarbij toeneemt.

17.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het plan-MER volgt dat uitbreiding van intensieve veehouderijen niet zonder meer kan worden toegestaan, omdat dit negatieve significante gevolgen kan hebben voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Uitbreiding van een intensieve veehouderij met een toename van het aantal dierplaatsen is alleen in een afzonderlijk bestemmingsplan mogelijk indien is aangetoond dat deze uitbreiding geen negatieve significante gevolgen heeft voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

17.2.2. De Afdeling stelt vast dat met de vaststelling van het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" onder meer de wijzigingsbevoegdheden voor de vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" uit het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn vervangen en gewijzigd. Nu echter de wijzigingsvoorwaarden over dierenwelzijn en de dierplaatsen zijn gehandhaafd en wat dat betreft slechts een vernummering heeft plaatsgevonden, is in zoverre geen verandering gebracht in de met het oorspronkelijke besluit beoogde rechtsgevolgen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, is in zoverre geen beroep van rechtswege ontstaan tegen het besluit van 25 februari 2014.

17.2.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

(…);

a. de intensieve veehouderij niet gelegen is ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied " en/of "wro-zone - ecologische verbindingszone",

(…);

c. de vergroting is alleen mogelijk indien deze noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn;

d. er vindt geen uitbreiding plaats van het aantal dierplaatsen;

e. indien aan a. t/m d. wordt voldaan is een vergroting toegestaan naar maximaal 1,5 ha;

(…).

In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, aanhef en onder c en d, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, aanhef en onder c en d, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, aanhef en onder c en d, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, aanhef en onder c en d, zijn voor de bestemmingen "Agrarisch - AHS Plus", "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" vergelijkbare voorwaarden opgenomen voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding van een agrarisch bestemmingsvlak voor een intensieve veehouderij tot 1,5 ha.

17.2.4. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderijen die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, blijkt uit de toelichting bij een bestemmingsplan ten aanzien van een duurzame locatie als bedoeld in het eerste lid, onder b en d, dat de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijke oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.

17.2.5. Voor zover ZLTO betoogt dat uit de Verordening 2012 volgt dat in een bestemmingsplan dat in een verwevingsgebied ligt mogelijk moet worden gemaakt dat een bouwvlak van een intensieve veehouderij tot 1,5 ha kan worden vergroot, overweegt de Afdeling dat de Verordening 2012 daartoe niet verplicht en dat het de raad vrij staat om in het kader van een goede ruimtelijke ordening een stringenter beleid te voeren.

Uit het plan-MER en de aanvulling daarop volgt dat significante effecten bij uitbreiding van intensieve veehouderijen als gevolg van een toename van stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten en dat deze bedrijven niet zonder meer kunnen uitbreiden.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor een mogelijke uitbreiding van een intensieve veehouderij een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure dient te worden gevolgd, waarbij moet worden aangetoond dat negatieve significante gevolgen op nabijgelegen Natura 2000-gebieden zich niet zullen voordoen. Nu deze negatieve significante gevolgen bij uitbreiding van intensieve veehouderijen niet op voorhand zijn uit te sluiten, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van een daartoe strekkende wijzigingsbevoegdheid en kunnen volstaan met een wijzigingsbevoegdheid met de voorwaarden dat uitbreiding van het bestemmingsvlak alleen mogelijk is in het kader van dierenwelzijn en waarbij het aantal dierplaatsen door het wijzigingsplan niet mag toenemen binnen het maximaal toegestane bestemmingsvlak van 1,5 ha. Het betoog faalt.

Bestemmingsvlakken van gemengde agrarische bedrijven

17.3. ZLTO betoogt dat uitbreiding van bestemmingsvlakken van gemengde agrarische bedrijven met een intensieve veehouderijtak en een grondgebonden agrarische bedrijfstak, ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak ten onrechte niet mogelijk is. In de wijzigingsbevoegdheden in artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.1, sub 4.7.1.1, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels is opgenomen dat uitbreiding van een agrarisch bestemmingsvlak met de aanduiding "intensieve veehouderij" alleen mogelijk is indien dit noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn, hetgeen voor de grondgebonden agrarische bedrijfstak niet van toepassing kan zijn. Ten onrechte is in het plan geen onderscheid gemaakt tussen deze takken.

17.3.1. Ter zitting heeft de raad erkend dat de regeling voor uitbreiding van de grondgebonden agrarische bedrijfstak bij gemengde agrarische bedrijven onnodig beperkend is en de raad heeft bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" van 25 februari 2014 mogelijk gemaakt dat gemengde agrarische bedrijven door middel van wijzigingsbevoegdheden onder voorwaarden tot maximaal 2 ha ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak kunnen uitbreiden.

17.3.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.2, van de planregels van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

(…);

b. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan voor intensieve veehouderij tenzij:

(…);

2. er sprake is van een gemengd agrarisch bedrijf met de aanduiding "intensieve veehouderij", niet zijnde een bedrijf met een schapen- en/of geitenhouderij, waarbij de vergroting enkel noodzakelijk is voor de grondgebonden bedrijfstak en niet ten behoeve van de bouw van een gebouw voor het houden van dieren;

(…);

d. voor grondgebonden agrarische bedrijven, tevens boomteeltbedrijven met de aanduiding "bomenteelt", is vergroting van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegestaan met een maximale omvang van 2 ha en met een maximale oppervlakte aan kassen van 5.000 m² netto glas, mits geen omschakeling plaatsvindt naar een glastuinbouwbedrijf;

(…).

In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.2, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.2, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.2, zijn voor de bestemmingen "Agrarisch - AHS Plus", "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" vergelijkbare wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor uitbreiding van een agrarisch bestemmingsvlak voor gemengde agrarische bedrijven tot 2 ha ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak.

Ingevolge het bepaalde onder 3.8.3 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro de bestemming "Agrarisch" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. deze paragraaf is niet van toepassing indien sprake is van:

(…);

2. een gemengd agrarisch bedrijf, met de aanduiding "intensieve veehouderij", niet zijnde een bedrijf met een schapen- en/of geitenhouderij, waarbij de vergroting noodzakelijk is voor de grondgebonden bedrijfstak en niet ten behoeve van de bouw van een gebouw voor het houden van dieren;

dan is artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.2, van toepassing;

(…).

In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, is voor de bestemmingen "Agrarisch - AHS Plus", "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" een vergelijkbare planregeling opgenomen.

17.3.3. De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 25 februari 2014 voor wat betreft dit onderdeel van het beroep is tegemoet gekomen aan het beroep van ZLTO tegen het besluit van 4 september 2012. Nu ZLTO gelet hierop in zoverre geen belang heeft bij een beroep tegen deze onderdelen van het besluit van 25 februari 2014, is in zoverre geen beroep van rechtswege ontstaan waarop dient te worden beslist.

Voorts is niet gebleken dat ZLTO in zoverre nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 4 september 2012 voor zover het betreft artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.1, sub 4.7.1.1, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied". Het beroep tegen het besluit van 4 september 2012 is in zoverre niet-ontvankelijk.

17.3.4. Wat betreft artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied" heeft ZLTO, gelet op hetgeen wordt overwogen bij het beroep van de BMF in 18.7.6 en 18.16 over artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de regels van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" en ingevolge artikel 6:19, zesde lid, van de Awb, nog wel belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 4 september 2012.

17.3.5. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een boomteeltbedrijf.

Ingevolge het bepaalde onder aanhef en onder b is alleen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, waaronder onder andere een boomteeltbedrijf, een intensieve veehouderij toegestaan.

17.3.6. Ingevolge artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening 2012 geldt, in geval meer bepalingen van deze Verordening gelijktijdig van toepassing zijn, bij tegenstrijdigheid de meest beperkende bepaling tenzij in deze Verordening uitdrukkelijk anders is bepaald.

Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder c, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied voorzien in een uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf mits uit de toelichting blijkt dat deze uitbreiding noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering.

17.3.7. In het bestemmingsplan "Buitengebied" is bij gemengde agrarische bedrijven een onderscheid gemaakt tussen gemengde grondgebonden bedrijven met een intensieve veehouderijtak en overige gemengde agrarische bedrijven. Gemengde agrarische bedrijven met een intensieve veehouderijtak zijn voorzien van de aanduiding "intensieve veehouderij". Uitbreiding van dergelijke gemengde agrarische bedrijven is alleen mogelijk indien dit noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn, zodat een dergelijk bedrijf niet ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak kan uitbreiden. Uit artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 volgt dat een bestemmingsvlak van een intensieve veehouderij in een verwevingsgebied tot ten hoogste 1,5 ha kan uitbreiden. In de Verordening 2012 is, ten tijde van belang, voor de uitbreiding van een bestemmingsvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf geen maximale omvang opgenomen. Nu uit artikel 1.2, vijfde lid, van de Verordening 2012 volgt dat bij tegenstrijdigheid de meest beperkende bepaling uit de Verordening 2012 geldt, dient een gemengd agrarisch bedrijf met een intensieve veehouderijtak te voldoen aan de maximaal toegestane omvang van het bouwvlak die in de Verordening 2012 voor intensieve veehouderijen is opgenomen. Hieruit volgt echter niet dat de raad niet had kunnen kiezen voor een planregeling waarbij slechts wordt voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor de grondgebonden agrarische bedrijfstak, zoals in het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" overigens ook is gebeurd.

Het betoog slaagt.

Be- en verwerking van mest van derden

17.4. ZLTO betoogt dat in artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.4, aanhef en sub l, van de planregels ten onrechte het bewerken en verwerken van mest van derden is uitgesloten. Gezien het landelijke mestbeleid is het noodzakelijk dat agrarische ondernemers collectief de mogelijkheid moeten krijgen om mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties te exploiteren.

17.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bewerken van mest van derden op één locatie geen agrarische bedrijfsactiviteit is. Uit de Verordening 2012 volgt voorts dat dit geen agrarisch verwante bedrijfsactiviteit is. Gelet hierop past het bewerken van mest van en voor derden niet binnen een agrarische bedrijfsbestemming. Hoewel het vanuit economisch oogpunt voordelig kan zijn om het bewerken van mest van derden op één locatie te doen plaatsvinden, weegt dit volgens de raad niet op tegen de milieugevolgen hiervan voor de omgeving.

17.4.2. Ingevolge artikel 1, onder 1.107, van de planregels wordt onder mestbewerking verstaan: behandelen van dierlijke mest, zodat deze beter als mest kan worden gebruikt, of voor een andere functie geschikt wordt (i.t.t. mestverwerking). De mest ondergaat een fysieke verandering, waarbij het totaal aan elementen in de meststoffen behouden blijft.

Ingevolge artikel 1, onder 1.108 wordt onder mestverwerking verstaan: het proces om (drijf)mest af te breken door onder andere mestvergisting om te zetten in nieuwe en bruikbare producten zoals energie uit biomassa of te bewerken tot kwalitatief hoogwaardige meststoffen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.5, onder 4.5.4, aanhef en sub l, wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend mestbewerking en mestverwerking ten behoeve van derden.

17.4.3. De Afdeling stelt vast dat artikel 4.5, onder 4.5.4, aanhef en sub l, van de planregels op gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" in de weg staat aan mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties ten behoeve van het bewerken en verwerken van mest van derden. Daargelaten de vraag of mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties ten behoeve van het bewerken en verwerken van mest van derden volgens de Verordening 2012 binnen de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" mogelijk zouden kunnen worden gemaakt, overweegt de Afdeling dat de raad in dit geval, gelet op de milieugevolgen van dergelijke activiteiten voor de omgeving, in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven te zien mestbewerkings- en -verwerkingsinstallaties ten behoeve van het bewerken en verwerken van mest van derden binnen deze bestemming mogelijk te maken. Het betoog faalt.

Tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers

17.5. ZLTO betoogt dat in artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.3, aanhef en sub d, van de planregels de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers in woonunits en stacaravans ten onrechte is beperkt tot maximaal zes maanden per jaar, terwijl in lid 4.6, onder 4.6.2, aanhef en onder d, is bepaald dat de tijdelijke huisvestiging van tijdelijke werknemers in gebouwen maximaal 46 weken per jaar mag plaatsvinden. Diverse agrarische bedrijven hebben gelet op de werkzaamheden behoefte aan tijdelijke werknemers die langer dan 6 maanden per jaar werkzaam zijn. Nu voorts geen motivering is gegeven voor het verschil in deze duur, dient de duur van tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers in woonunits en stacaravans ook te worden verruimd naar maximaal 46 weken per jaar.

17.5.1. De raad heeft bij besluit van 25 februari 2014 besloten om de toegestane termijn in artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.3, aanhef en sub d, van de planregels te verruimen naar maximaal 46 weken per jaar, zodat de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers in woonunits en stacaravans en agrarische bedrijfsgebouwen gelijk is getrokken.

17.5.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1, sub 4.2.1.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied" mag op de voor "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:

a. agrarische bedrijfsgebouwen;

b. kassen;

c. teeltondersteunende voorzieningen;

d. bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding "horeca", "tuincentrum" en "specifieke vorm van horeca-ijssalon";

e. een bedrijfswoning, tenzij de aanduiding '-bedrijfswoning' op de planverbeelding is opgenomen;

f. bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning;

g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 4.4, onder 4.4.3, aanhef en onder d, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1, sub 4.2.1.1 voor het plaatsen van tijdelijke huisvesting (stacaravan of woonunit) voor tijdelijke werknemers onder de voorwaarde dat de tijdelijke huisvesting voor een maximale periode van zes maanden plaatsvindt.

17.5.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.3, aanhef en sub e, van de planregels van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.1, sub 4.2.1.1, voor het plaatsen van tijdelijke huisvesting (stacaravan of woonunit) voor tijdelijke werknemers onder de voorwaarden dat de huisvesting per kalenderjaar voor ten minste zes aaneengesloten weken wordt onderbroken.

17.5.4. De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 25 februari 2014 is tegemoet gekomen aan het beroep van ZLTO tegen het besluit van 4 september 2012 op dit punt. Artikel 4, lid, 4.4, onder 4.4.3, is immers vervangen en zo gewijzigd dat de duur van de tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers in woonunits of stacaravans zes aaneengesloten weken per kalenderjaar moet worden onderbroken. Nu ZLTO gelet hierop in zoverre geen belang heeft bij een beroep dat betrekking heeft op het besluit van 25 februari 2014, is in zoverre geen beroep van rechtswege ontstaan waarop dient te worden beslist. Het beroep tegen het besluit van 4 september 2012 is in zoverre niet-ontvankelijk, omdat ZLTO als gevolg van het besluit van 25 februari 2014 geen belang meer heeft bij een beoordeling van dit beroep, nu het bestreden planonderdeel is komen te vervallen.

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in beekdalen

17.6. ZLTO betoogt dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" ten onrechte alleen grenzend aan een bouwvlak mogen worden opgericht. Gelet op de verkaveling van percelen kan dit in de toekomst ertoe leiden dat een agrarisch bedrijf geen tijdelijke teeltondersteunende voorziening op zijn gronden kan oprichten. Ten onrechte is voorts geen afwijkingsmogelijkheid hiertoe opgenomen. Hiermee wordt uitgesloten dat kan worden overgestapt op duurzame teelt. ZLTO voert verder aan dat voor gronden met deze bestemming ten onrechte een maximale oppervlakte voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen per agrarisch bedrijf in de planregels is opgenomen.

17.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het niet wenselijk is dat solitair in het landschap tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen kunnen worden opgericht. Op dit standpunt is een uitzondering gemaakt in het boomteeltontwikkelingsgebied voor zover het gaat om pot- en containervelden. Over de maximale oppervlakte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen per agrarisch bedrijf voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" stelt de raad dat deze gronden binnen de groenblauwe mantel liggen, zodat de natuur- en landschappelijke waarden van deze gronden dienen te worden beschermd. Gelet hierop is een maximale oppervlakte voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak opgenomen.

17.6.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" bestemd voor:

a. een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik;

(…)

c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

1. kleinschaligheid van het landschap;

2. landschapselementen;

3. begeleid natuurlijke eenheden en kleinere bos- en natuurgebieden, met tussenliggende of omringende landbouwgronden.

d. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone

ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone";

(…)

f. behoud, beheer en/of herstel van de ecologische hoofdstructuur;

(…).

Ingevolge lid 7.2, onder 7.2.1 mogen op de voor "Agrarisch met waarden - Beekdal" aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming.

Ingevolge het bepaalde onder 7.2.3, zijn de regels voor teeltondersteunende voorzieningen:

a. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan;

b. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan en daarvoor gelden de volgende regels:

1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogen uitsluitend direct grenzend aan enig bouwvlak worden opgericht;

2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;

3. de oppervlakte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen per agrarisch bedrijf bedraagt maximaal 2,5 ha.

17.6.3. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de toelichting op de Verordening 2012 is opgenomen dat de effecten van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen op de omgeving minder zijn dan van permanente teeltondersteunende voorzieningen, zodat tijdelijke voorzieningen buiten het bouwvlak kunnen worden opgericht. Voorts volgt hieruit dat afhankelijk van het gebied een omgevingsvergunning is vereist, waarbij op gemeentelijk niveau een afweging dient plaats te vinden of de aanwezige waarden niet in het gedrang komen bij een tijdelijke teeltondersteunende voorziening. Gelet hierop is in de Verordening 2012 geen bepaling over tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen opgenomen.

17.6.4. Uit de plantoelichting en het verweerschrift volgt dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" is toegekend aan gronden die in de Verordening 2012 als groenblauwe mantel zijn aangemerkt. Voorts volgt hieruit dat binnen deze bestemming agrarische activiteiten kunnen worden uitgeoefend, waarbij de natuur- en landschapswaarden dienen te worden behouden. In de planregels is gelet hierop opgenomen dat een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik is toegestaan, waarbij rekening dient te worden gehouden met het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden.

17.6.5. De Afdeling overweegt dat het standpunt van de raad dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen geconcentreerd bij bestaande bebouwing moeten worden opgericht en dat dergelijke voorzieningen solitair in het landschap onwenselijk zijn, niet onredelijk is. Daarbij betrekt de Afdeling dat, nu de gronden binnen deze bestemming in de groenblauwe mantel liggen, in de planregels is opgenomen dat de natuur- en landschapswaarden, die onder meer de kleinschaligheid van het landschap en de afwisseling van bos- en natuurgebied met tussenliggende of omringende landbouwgronden betreffen, behouden, hersteld of ontwikkeld moeten worden. Het toestaan van solitair gelegen tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bij recht dan wel door middel van een afwijkingsbevoegdheid is niet in overeenstemming met dat uitgangspunt. Daarbij wordt voorts betrokken dat uit de planregels volgt dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen moeten grenzen aan enig bouwvlak, hetgeen ook op een niet-agrarisch bouwvlak of een bouwvlak van een ander agrarisch bedrijf kan zien. Daarnaast volgt uit het deskundigenbericht dat vrijwel alle agrarische bedrijven in het plangebied een bouwvlak hebben ter plaatse van de bedrijfsbebouwing.

Het standpunt van de raad dat de natuur- en landschappelijke waarden van gronden die in de groenblauwe mantel liggen dienen te worden beschermd en dat gelet daarop een maximale oppervlakte van 2,5 ha voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen per agrarisch bedrijf is opgenomen, acht de Afdeling niet onredelijk.

ZLTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad gelet hierop niet in redelijkheid de toegestane oppervlakte hiervan heeft mogen maximeren.

Het betoog faalt.

Conclusie

17.7. Gelet op het voorgaande is het beroep van ZLTO tegen het besluit van 4 september 2012 niet-ontvankelijk, voor zover het betreft artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.1, sub 4.7.1.1, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, voor zover het betreft de uitbreidingsmogelijkheden van gemengde agrarische bedrijven ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak, en artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.3, sub d, van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied".

Voor het overige is het beroep van ZLTO tegen het besluit van 4 september 2012 gegrond en dient dit besluit, voor zover het betreft artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van de BMF

EHS en beekdalen

18. De BMF betoogt dat de raad de plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" in de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) nabij de Turfvaart Bijloop bij het Rondgors, nabij de Pannenhoef, de Klein Zundertsche Heide, de Hazenmeren, de Oude Buissche Heide en de Eldertsche gronden ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat het plan onvoldoende bescherming biedt voor de EHS en in strijd is met artikel 4.2 van de Verordening 2012. Doordat een intensivering van het agrarisch gebruik van de gronden mogelijk is, is niet verzekerd dat de ecologische waarden niet zullen verslechteren. De BMF betoogt verder dat de raad de bestemming van het bestaande bosgebied tussen de Turfvaart en de Tiggeltseberg nabij het Rondgors ten onrechte bij de vaststelling heeft gewijzigd. Nu dit gebied in de EHS ligt, dient het de bestemming "Natuur" of "Bos" te krijgen. Verder heeft de raad volgens de BMF ten onrechte een aantal plandelen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" bij beekdalen ten opzichte van het ontwerpplan verkleind, waardoor de bescherming beperkter is.

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gekozen plansystematiek, bestaande uit de bestemmingsomschrijving, de dubbelbestemmingen, de waarde-aanduidingen en een omgevingsvergunningsplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden voldoende bescherming biedt aan de EHS. De gronden tussen de Turfvaart en de Tiggeltseberg nabij het Rondgors maken volgens de raad deel uit van een houtproductiebos. Omdat deze gronden in het Landinrichtingsplan als agrarische gronden zijn aangemerkt voor een agrariër, heeft de raad een agrarische bestemming toegekend. De begrenzing van de EHS in de provinciale verordening zal volgens de raad daaraan worden aangepast. Verder stelt de raad dat de begrenzing van de bestemmingsvlakken "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" en "Agrarisch met waarden - Beekdal" bij de vaststelling van het plan in overeenstemming is gebracht met de groenblauwe mantel uit de Verordening 2012.

18.1.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik;

b. water en waterhuiskundige doeleinden;

c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

1. kleinschaligheid van het landschap;

2. landschapselementen;

3. begeleid natuurlijke eenheden en kleinere bos- en natuurgebieden, met tussenliggende of omringende landbouwgronden;

4. de doelstellingen en de waarden van de ecologische hoofdstructuur;

d. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone";

e. de verwezenlijking van waterberging ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - reserveringsgebied waterberging";

f. verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding "wro- zone - zoekgebied beekherstel";

g. het beheer, behoud en/of herstel van de ecologische hoofdstructuur;

h. extensief recreatief medegebruik;

i. doeleinden van openbaar nut;

j. bloemencorso-bouwplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats";

k. tuinen behorende bij (burger)woningen;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, kavelpaden en sloten.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1, zijn de voor "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het ontwikkelen van nieuwe natuur.

Ingevolge lid 32.2 mogen binnen deze dubbelbestemming geen bouwwerken worden opgericht.

Ingevolge lid 32.3 kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 32.2 teneinde bouwwerken op te richten conform de overige voor deze gronden geldende bestemming(en), mits deze bouwwerken, dan wel de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, natuurontwikkeling in de nabije of verdere toekomst niet frustreren.

Ingevolge lid 32.4, onder 32.4.1, is het verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aantal nader genoemde werken en werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge het bepaalde onder 32.4.2, geldt het onder 32.4.1 vervatte verbod niet voor werken en werkzaamheden:

a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds omgevingsvergunning is verleend;

b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds legaal in uitvoering zijn;

c. welke het normaal onderhoud en/ of exploitatie betreffen.

Ingevolge het bepaalde onder 32.4.3, mag een omgevingsvergunning als bedoeld onder 32.4.1 of de elders in dit bestemmingsplan genoemde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden, alleen worden verleend indien:

a. de activiteiten aantoonbaar noodzakelijk zijn gebleken voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering, en

b. door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen geen onherstelbare schade plaatsvindt aan (de aanleg en ontwikkeling van) nieuwe natuur zoals genoemd in lid 32.1.

18.1.2. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

Ingevolge het tweede lid bepaalt een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid, zolang de EHS niet is gerealiseerd, dat de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

18.1.3. Ter zitting heeft de raad erkend dat de gronden nabij de Turfvaart Bijloop bij het Rondgors abusievelijk niet de dubbelbestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied" hebben gekregen en daardoor onvoldoende zijn beschermd.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

18.1.4. De vijf andere door de BMF genoemde gebieden, nabij de Pannenhoef, de Klein Zundertsche Heide, de Hazenmeren, de Oude Buissche Heide en de Eldertsche gronden, met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" hebben, voor zover de gronden liggen in de EHS, tevens de dubbelbestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied". De gronden mogen onder meer worden gebruikt voor een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik. Doordat tevens de dubbelbestemming "Waarde - Natuurontwikkelingsgebied", en aan sommige gronden de dubbelbestemming "Waarde - Attentiegebied EHS", is toegekend mogen ter plaatse slechts met een omgevingsvergunning onder voorwaarden bouwwerken worden opgericht en bepaalde werken en werkzaamheden worden uitgevoerd. De voorwaarden dienen ter bescherming van de potentiële natuurwaarden met het oog op toekomstige natuurontwikkeling. De BMF heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze plansystematiek onvoldoende bescherming biedt, gelet op artikel 4.2 van de Verordening 2012. De raad heeft in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien een nadere beperking aan te brengen in de vormen van grondgebonden agrarisch gebruik, nu het in zoverre het bestaande planologische gebruik betreft. Dat sommige gronden volgens de BMF als grasland in gebruik zijn, doet, nu het volgens het deskundigenbericht om agrarisch grasland gaat, niet af aan het agrarische karakter van het gebruik en maakt derhalve niet dat de gronden als natuur dienen te worden aangemerkt en beschermd. Het betoog over de gebieden nabij de Pannenhoef, de Klein Zundertsche Heide, de Hazenmeren, de Oude Buissche Heide en de Eldertsche gronden faalt.

18.1.5. De door de BMF bedoelde gronden tussen de Turfvaart en de Tiggeltseberg nabij het Rondgors, die in het ontwerpplan de bestemming "Natuur" hadden, liggen in de Verordening 2012 in de EHS. Niet is in geschil dat deze gronden in het voorheen geldende plan de bestemming "Bos" hadden en dat ter plaatse een bos aanwezig is. De bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" staat niet in de weg aan het verwijderen van het bos. Het plandeel strekt daarmee naar het oordeel van de Afdeling niet tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied en is derhalve in strijd met artikel 4.2 van de Verordening. Voor zover de raad betoogt dat de EHS niet is gerealiseerd, omdat het een houtproductiebos is, wordt overwogen dat, wat daar ook van zij, in dat geval het voorgaande planologisch toegestane gebruik uitgangspunt is. In het vorige plan hadden de gronden een bestemming als bos. Een dergelijke bosbestemming kan, ook in het geval van een houtproductiebos, niet gelijk worden gesteld aan een agrarische bestemming. Dat de begrenzing van de EHS in de verordening volgens de raad zal worden aangepast naar aanleiding van het Landinrichtingsplan, leidt niet tot een ander oordeel, nu de gronden ten tijde van de vaststelling van het plan in de EHS lagen. Ter zitting is gebleken dat de begrenzing van de EHS nog niet gewijzigd is. Het betoog slaagt.

18.1.6. In het deskundigenbericht staat dat de bestemmingsvlakken met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" en "Agrarisch met waarden - Beekdal" op een aantal locaties in beekdalen ten opzichte van het ontwerpplan zijn verkleind en dat deze overeenkomen met de omvang van de groenblauwe mantel in de Verordening 2012. De BMF heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. De Afdeling overweegt dat de raad terecht heeft aangesloten bij het in de Verordening 2012 als groenblauwe mantel aangemerkte gebied. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de betreffende gronden anderszins nader had dienen te beschermen door één van de genoemde bestemmingen toe te kennen. Voor zover de BMF wijst op de begrenzing van de natte natuurparels en beekdalen in de correctieve herziening van het Reconstructieplan "De Baronie" overweegt de Afdeling dat deze begrenzing, nu hierop artikel 27 van de Reconstructiewet niet van toepassing is verklaard, niet rechtstreeks doorwerkt. De raad was derhalve niet gehouden die begrenzing in het plan op te nemen. Het betoog faalt.

Teeltondersteunende voorzieningen

18.2. De BMF betoogt dat de raad op de gronden met de bestemmingen "Agrarisch - AHS plus" en "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" ten onrechte permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten bouwvlakken bij recht heeft mogelijk gemaakt, zonder nader afwegingsmoment. Daartoe voert zij aan dat de regeling in strijd is met artikel 8.3, tweede lid, onder a, van de Verordening 2012. De planregeling voldoet niet aan de voorwaarden uit artikel 8.5 van de Verordening 2012, dat een uitzondering maakt voor het teeltgebied Zundert, doordat de voorzieningen aangrenzend aan alle bouwvlakken kunnen worden opgericht en niet is voorgeschreven dat de voorzieningen moeten worden geconcentreerd. De BMF voert verder aan dat de planregeling voor permanente teeltondersteunende voorzieningen in strijd is met bijlage 7 van het reconstructieplan De Baronie.

De BMF betoogt verder dat ten onrechte binnen alle agrarische bestemmingen, zowel binnen als buiten het bouwvlak, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen bij recht zijn mogelijk gemaakt. Nu deze voorzieningen een aanzienlijke aantasting van het landschap betekenen, had de raad nadere eisen dienen te stellen.

18.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 8.5 van de Verordening 2012 juist is vertaald in het plan. De concentratie van permanente teeltondersteunende voorzieningen is gewaarborgd doordat deze alleen mogen worden opgericht in aansluiting op een bouwvlak. De raad heeft geen aanleiding gezien om een nader afwegingsmoment op te nemen voor de oprichting van permanente teeltondersteunende voorzieningen. Volgens de raad werkt bijlage 7 van het reconstructieplan De Baronie niet rechtstreeks door en wordt aan het provinciale beleid voldaan. De raad stelt zich verder op het standpunt dat tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan, omdat deze bij het agrarische karakter van het buitengebied horen.

18.2.2. Het plan kent zes agrarische bestemmingen, waarvan de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" de agrarische bouwvlakken betreft. Gelet op hetgeen is overwogen in 6.2 en 6.7 worden de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" die niet binnen het in de Verordening 2012 aangewezen teeltgebied Zundert liggen, vernietigd. Voor de behandeling van dit beroep gaat de Afdeling er derhalve vanuit dat de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" en met de bestemming "Agrarisch - AHS-plus" overeenkomen met het teeltgebied Zundert uit de Verordening 2012.

In de planregels is een onderscheid gemaakt tussen permanente en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. Daarbinnen is een onderscheid gemaakt tussen teeltondersteunende voorzieningen die bouwwerken zijn en teeltondersteunende voorzieningen die dat niet zijn, zoals containervelden.

De bouw van permanente teeltondersteunende voorzieningen op gronden met de bestemming "Agrarisch - AHS-plus" en Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", is, gelet op artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.3, en artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.3, toegestaan met een maximale bouwhoogte van 4 m en direct grenzend aan enig bouwvlak. Ingevolge lid 5.5, onder 5.5.2, onder a, en lid 6.5, onder 6.5.2, onder a, is gebruik van de gronden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen, die niet als bouwwerk zijn aan te merken en die niet hoger zijn dan 50 cm, toegestaan, waarbij geldt dat binnen het plangebied maximaal 500 ha van deze permanente teeltondersteunende voorzieningen aanwezig mag zijn.

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, zijnde bouwwerken, mogen ingevolge het bepaalde onder 3.2.3, 5.2.3, 6.2.3, 7.2.3, onder b, en 8.2.3, onder b, worden gebouwd binnen alle buiten de bouwvlakken gelegen agrarische bestemmingen met een maximale bouwhoogte van 4 m. Voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" geldt dat de oppervlakte per agrarisch bedrijf maximaal 2,5 ha mag bedragen en de voorzieningen uitsluitend grenzend aan enig bouwvlak mogen worden opgericht. Gelet op het bepaalde onder 3.5.2, 5.5.2, onder a en onder 6.5.2, onder a, mogen gronden met de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" en "Agrarisch - AHS Plus" worden gebruikt voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, die niet als bouwwerk zijn aan te merken, en die niet hoger zijn dan 50 cm.

18.2.3. Ingevolge artikel 8.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid binnen het bouwblok voorzien in de bouw of uitvoering van permanente teeltondersteunende voorzieningen.

Ingevolge artikel 8.5, aanhef en onder b, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in het teeltgebied Zundert buiten een bouwblok voorzien in permanente teeltondersteunende voorzieningen mits deze voorzieningen worden geconcentreerd en aansluiten op een bouwblok.

18.2.4. De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in artikel 8.5 van de Verordening 2012 geen eisen worden gesteld aan de bestemming van het bouwvlak, aangrenzend waaraan de permanente teeltondersteunende voorzieningen in het teeltgebied Zundert mogen worden opgericht. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat door de bouw van permanente teeltondersteunende voorzieningen slechts toe te staan aangrenzend aan een bouwvlak concentratie van bebouwing in het agrarisch gebied wordt bewerkstelligd. Hiermee wordt voorkomen dat dergelijke permanente teeltondersteunende voorzieningen in het open veld mogelijk zijn. Nu in artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.3, en artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.3, van de planregels voor permanente teeltondersteunende voorzieningen de voorwaarde is gesteld dat deze slechts aangrenzend aan een bouwvlak mogen worden opgericht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de Verordening 2012.

Artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, onder a, en artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, onder a, van de planregels maken verder permanente teeltondersteunende voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, en van maximaal 50 cm hoog mogelijk. Hierbij worden geen eisen gesteld aan de locatie van deze permanente teeltondersteunende voorzieningen. Nu deze derhalve niet slechts aangrenzend aan bouwvlakken mogen worden opgericht, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat deze planregels in zoverre in strijd zijn met artikel 8.5, onder b, van de Verordening 2012.

18.2.5. In bijlage 7 van het reconstructieplan De Baronie staat dat de daarin genoemde randvoorwaarden door de gemeenten Zundert en Rucphen verder worden vertaald richting het bestemmingsplan voor het buitengebied. De bijlage bevat geen bindende beleidsuitspraken, maar vereist gelet daarop nog een nadere afweging van de raad. De raad was derhalve niet gehouden om bijlage 7 als zodanig in het plan op te nemen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening is gehouden met het provinciale beleid over permanente teeltondersteunende voorzieningen en de algemene regels die zijn opgenomen in de Verordening 2012. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met het oog op bijlage 7 van het reconstructieplan nadere voorwaarden, voor zover die nog niet in het plan zijn opgenomen, had dienen te verbinden aan permanente teeltondersteunende voorzieningen.

18.2.6. De raad heeft op alle agrarische gronden tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, voor maximaal 6 maanden, in beginsel toegestaan. De Verordening 2012 stelt over tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen geen regels. In de planregels zijn voor de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" ter bescherming van de aanwezige waarden en het landschap als voorwaarden gesteld dat maximaal 2,5 ha per bedrijf is toegestaan en dat de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen aangrenzend aan een bouwvlak moeten worden opgericht. De raad heeft verder gesteld dat aan gebieden die nadere bescherming behoeven vanwege landschaps-, hydrologische of natuurwaarden door middel van dubbelbestemmingen en waarde-aanduidingen verdere beperkingen zijn opgenomen, zoals een omgevingsvergunningstelsel voor bouwwerken en voor een werk, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. De raad heeft bij het toekennen van de mogelijkheden in redelijkheid rekening kunnen houden met de specifieke positie van de tuinbouwsector in Zundert en de omstandigheid dat de agrarische sector in Zundert voor een groot deel bestaat uit agrarische bedrijven die veel gebruik maken van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. De BMF heeft niet aannemelijk gemaakt dat gronden in het plangebied door de opgenomen beperkingen op grond van dubbelbestemmingen onvoldoende zijn beschermd. Voor zover de BMF heeft gewezen op artikel 6.3 van de Verordening 2012 over gronden in de groenblauwe mantel is daarbij voorts van belang dat de gronden in het plan in de groenblauwe mantel mede zijn bestemd voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen nadere eisen te stellen of om geen nader afwegingsmoment op te nemen voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen.

Kassen

18.3. De BMF betoogt dat de raad artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat in strijd met artikel 8.3 en 8.5 van de Verordening 2012 buiten het teeltgebied Zundert een te groot oppervlakte aan kassen is toegestaan.

18.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat vanwege de plansystematiek voor alle plandelen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", zijnde de bouwvlakken, die geheel of gedeeltelijk binnen het teeltgebied Zundert liggen kassen tot een maximale oppervlakte van 1,5 of 3 ha zijn toegestaan. De raad heeft de agrarische bedrijven die deels in het teeltgebied Zundert liggen niet willen benadelen.

18.3.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, van de planregels gelden voor een kas de volgende regels:

(…)

e. indien een bestemmingsvlak zonder aanduiding "glastuinbouw" aan minimaal één zijde grenst aan de bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Beekdal" of "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel", geldt dat de oppervlakte netto glas maximaal 5.000 m² bedraagt;

f. in afwijking van het bepaalde onder d (lees: e) geldt dat indien een bestemmingsvlak met de aanduiding "bomenteelt" tevens aan minimaal één zijde grenst aan de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" de oppervlakte netto glas maximaal 3 ha bedraagt;

g. in afwijking van het bepaalde onder d (lees: e) geldt dat indien een bestemmingsvlak zonder aanduiding "bomenteelt" of "glastuinbouw" tevens aan minimaal één zijde grenst aan de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" of de bestemming "Agrarisch - AHS-plus" de oppervlakte netto glas maximaal 1,5 ha bedraagt.

18.3.3. Ingevolge artikel 8.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan, gelegen in agrarisch gebied, binnen het bouwblok voorzien in de bouw van kassen, met dien verstande dat ten hoogste 5.000 m² netto is toegestaan.

Ingevolge het vierde lid kan een bestemmingsplan, als bedoeld in het eerste lid, in de gebieden "teeltondersteunende kassen toegestaan" binnen een bouwblok voorzien in de bouw van kassen tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha netto mits uit de toelichting blijkt dat deze bouw van kassen noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering en mits het bestemmingsplan bepaalt dat omschakeling en doorgroei naar zelfstandige glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 8.5, aanhef en onder a, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in het teeltgebied Zundert binnen een bouwblok voorzien in de bouw van kassen tot een omvang van ten hoogste 3 ha netto.

18.3.4. Op de kaarten van de Verordening 2012 rust op het grondgebied van Zundert niet de aanduiding "teeltondersteunende kassen toegestaan". Gelet daarop is ingevolge de Verordening 2012 in bouwvlakken buiten het teeltgebied Zundert een maximum van 5.000 m² aan kassen toegestaan en in het teeltgebied Zundert een maximum van 3 ha.

Zoals overwogen in 18.2.2 liggen de gronden met de bestemmingen "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" en "Agrarisch - AHS-plus" in het teeltgebied Zundert. Uit de planregels volgt dat indien het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan minimaal één zijde grenst aan gronden die in het teeltgebied Zundert liggen het mogelijk is om maximaal 1,5 ha aan kassen te bouwen binnen dat bestemmingsvlak en indien de aanduiding "bomenteelt" is toegekend maximaal 3 ha. De planregels sluiten derhalve niet uit dat in agrarische bouwvlakken die niet in het teeltgebied Zundert liggen meer dan 5.000 m² aan kassen kunnen worden gebouwd. Het plan is in zoverre in strijd is met artikel 8.3, tweede lid, onder b, en artikel 8.5 van de Verordening 2012. De verwijzing van de raad naar de plansystematiek doet aan deze strijdigheid met de Verordening 2012 niet af. Het ligt op de weg van de raad om een planregeling op te nemen die voldoet aan de in de Verordening 2012 gestelde eisen. Het betoog slaagt.

Waterkwaliteit

18.4. De BMF betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover het betreft de mogelijkheden voor boomteelt, pot- en containervelden, teeltondersteunend glas en glastuinbouwbedrijven. Daartoe voert zij aan dat deze mogelijkheden zullen leiden tot een verslechtering van de waterkwaliteit, terwijl uit onderzoek blijkt dat niet aan de normen, die voortkomen uit de Kaderrichtlijn water (richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327/1)) kan worden voldaan. Dit blijkt ook uit het door haar overgelegde rapport van Alterra van 5 juni 2013. De raad heeft gelet daarop ten onrechte de maatregelen uit het milieueffectrapport (hierna: MER) niet in het plan opgenomen. Volgens de BMF dient een teeltvrije zone van 12,5 m aan weerszijden van waterlichamen te worden opgenomen, door het toekennen van de bestemming "Water" aan deze gronden.

18.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het MER en de aanvulling op het MER is ingegaan op de waterhuishouding en de waterkwaliteit in het plangebied en de gevolgen van het plan daarop. In dat kader zijn mogelijke maatregelen onderzocht en is gemotiveerd welke maatregelen wel en niet in het plan zijn opgenomen. Ook heeft hierover uitvoerig overleg met het waterschap plaatsgevonden.

18.4.2. Ten behoeve van het plan is een MER opgesteld. Naar aanleiding van opmerkingen van de commissie voor de milieueffectrapportage is een aanvulling op het MER gemaakt. In het MER staat over waterkwaliteit dat het streven naar groei van de boomteeltsector in de gemeente Zundert als belangrijk risico met zich brengt dat de oppervlaktewaterkwaliteit (blijvend) niet aan de normen, zoals die volgen uit de Kaderrichtlijn water, kan voldoen. Voor het beperken van de emissie naar het oppervlaktewater kan volgens het MER in het plan gewerkt worden met spuit- en mestvrije zones rond de aanwezige watergangen, bijvoorbeeld door de watergang breder weer te geven. Daarnaast kan generiek binnen de gebiedsdekkende bestemming worden opgenomen dat teeltondersteunende voorzieningen op een bepaalde afstand van de perceelsgrens moeten worden aangelegd. In de aanvulling op het MER staat dat momenteel op grond van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij in de gemeente Zundert wordt gewerkt met teeltvrije zones en andere maatregelen ter beperking van drift. In de aanvulling staat dat uitbreiding van teeltvrije zones in het bestemmingsplan enig effect resulteert en handhaafbaar is, maar wel een grote investering vereist ten opzichte van het resultaat. De conclusie in de aanvulling is dat het bestemmingsplan maar zeer beperkte mogelijkheden biedt, in aanvulling op reeds bestaande wet- en regelgeving.

18.4.3. De Afdeling overweegt dat uit het MER, anders dan de BMF stelt, niet volgt dat de daar genoemde maatregelen, waaronder teeltvrije zones, in het plan dienen te worden opgenomen, maar dat dit onderzochte maatregelen zijn die een positief effect kunnen hebben op de waterkwaliteit. Niet is gebleken dat de raad bij de vaststelling van het plan hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden. De raad heeft daarover gesteld dat vanwege de beperkte toegevoegde waarde van teeltvrije zones in het plan ten opzichte van de mogelijkheden op grond van sectorale wet- en regelgeving, in verhouding tot de aanzienlijke planologische beperkingen, is gekozen om geen teeltvrije zones in het plan op te nemen. Uit het raadsvoorstel volgt dat wordt ingezet op controle en handhaving, maatwerkoplossingen, zoals het tijdstip van spuiten, spuittechniek en soorten bestrijdingsmiddelen, flankerend beleid en samenwerkingsprojecten. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in samenwerking met het waterschap wordt ingezet op voorlichting en een verbeterde handhaving van de bestaande maatregelen, mede omdat, zoals ook in het MER staat, de overschrijdingen onder meer worden veroorzaakt door gebruik van verboden bestrijdingsmiddelen en verkeerd gebruik van bestrijdingsmiddelen. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat die afweging van de raad onredelijk is. Wat betreft de door de BMF gewenste zone van 25 m met de bestemming "Water", waarmee agrarisch gebruik als zodanig zou zijn uitgesloten voor deze gronden, is voorts van belang dat de BMF niet aannemelijk heeft gemaakt dat een dergelijke beperkende maatregel, die overigens verder gaat dan de in de MER genoemde maatregelen, noodzakelijk is. Daarbij betrekt de Afdeling dat teeltvrije zones op grond van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij kunnen worden toegepast en eisen kunnen worden gesteld aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen, zoals volgens het MER reeds plaatsvindt. Ter zitting heeft de raad daarnaast nog gewezen op gebruiksbeperkingen die uit de Keur van het waterschap volgen. Het betoog faalt.

Intensieve veehouderij - concrete percelen

18.5. De BMF betoogt dat de raad met het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de Blokenstraat 2a ten onrechte een uitbreiding van de intensieve veehouderij heeft mogelijk gemaakt. Nu de bestaande intensieve veehouderij in extensiveringsgebied ligt, is deze uitbreiding in strijd met artikel 9.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012. De BMF betoogt verder dat de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan de Achtmaalseweg 160 en Paandijksestraat 12 in strijd met artikel 9.2, eerste lid, van de Verordening 2012 nog ruimte bieden voor de uitbreiding van een intensieve veehouderij in extensiveringsgebied. Ook zijn volgens de BMF een aantal intensieve veehouderijen en intensieve veehouderijtakken in extensiveringsgebied ten onrechte niet als zodanig bestemd, waardoor uitbreiding van die bedrijven niet is uitgesloten. Zij wijst op de percelen Achtmaalseweg 147, Paandijksestraat 14 en Pannehoefsebaan 52.

18.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming van intensieve veehouderijen in het plangebied in overeenstemming is met de Verordening 2012.

18.5.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een boomteeltbedrijf;

b. alleen ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", is - al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, waaronder onder andere een boomteeltbedrijf - een intensieve veehouderij toegestaan;

(…)

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1 onder 4.2.1.1, mag op de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:

a. agrarisch bedrijfsgebouwen;

(…).

Ingevolge hetgeen is bepaald onder 4.2.1.2, is het ter plaatse van de volgende aanduidingen niet toegestaan te bouwen:

a. ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" binnen de "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en "reconstructiewetzone - verwevingsgebied" indien sprake is van een uitbreiding van het aantal dierplaatsen;

(…).

Ingevolge het bepaalde onder 4.2.1.3, onder c, mag het bestemmingsvlak volledig bebouwd worden, met dien verstande dat de afstand tot de as van de weg (een parallelweg niet meegerekend) waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 15 m.

18.5.3. Ingevolge artikel 1.2, vierde lid, van de Verordening 2012 wordt waar in deze verordening gesproken wordt over een uitbreiding van een agrarisch bedrijf daaronder verstaan een vergroting van het bouwblok ten behoeve van dat agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 9.1, eerste lid, geldt voor de toepassing van dit hoofdstuk de integrale zonering waarvan de geometrische plaatsbepaling en begrenzing met een nauwkeurigheid van 25 meter zijn vastgelegd.

Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat:

a. nieuwvestiging en hervestiging van intensieve veehouderij, omschakeling naar intensieve veehouderij alsmede uitbreiding van bestaande intensieve veehouderij niet zijn toegestaan;

b. binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;

c. de bebouwing voor intensieve veehouderij ten hoogste een zodanige omvang heeft dat deze overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke op 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór 1 oktober 2010 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag.

18.5.4. Het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de Blokenstraat 2a heeft deels de aanduiding "wro-zone - extensiveringsgebied" en deels de aanduiding "wro-zone - verwevingsgebied". Deze aanduidingen komen overeen met de integrale zonering uit het Reconstructieplan "De Baronie". Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2010 in zaaknr. 200807643/1/R1 volgt dat artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden van toepassing is verklaard op die zonering en dat het reconstructieplan, voor zover hier van belang, in rechte onaantastbaar is geworden. De integrale zonering werkt gelet daarop planologisch door en ligt in deze procedure niet voor. Voor zover de BMF betoogt dat de raad het hele plandeel binnen het extensiveringsgebied had dienen te brengen door toekenning van de aanduiding "wro-zone - extensiveringsgebied", faalt het betoog reeds daarom.

De Verordening 2012 bevat regels over de onderscheiden gebieden van de integrale zonering. Op grond van het voorheen geldende plan "Buitengebied Zundert 1997" gold ter plaatse de bestemming "Agrarische hoofdstructuur" met een globaal bouwvlak voor agrarische bedrijven. Niet is in geschil dat op dit bouwvlak de regels van het extensiveringsgebied van toepassing waren. Voorts is niet in geschil dat het bouwvlak ten opzichte van dat plan, op de gronden in het verwevingsgebied, is uitgebreid, zodat sprake is van in een uitbreiding van de intensieve veehouderij als bedoeld in de Verordening 2012. Gelet op artikel 9.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012 dient een bestemmingsplan in extensiveringsgebied te bepalen dat een intensieve veehouderij niet mag uitbreiden. In de toelichting bij de Verordening staat daarover onder meer dat in de Reconstructiewet concentratiegebieden het extensiveringsgebied een ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied is met het primaat wonen of natuur. Met de integrale zonering wordt beoogd de intensieve veehouderij zodanig te herstructureren dat de milieubelasting op natuurgebieden afneemt en het aantal stankgehinderden in en rond kernen wordt teruggebracht. Daartoe worden ontwikkelingsmogelijkheden in extensiveringsgebieden uitgesloten, in verwevingsgebieden onder voorwaarden toegelaten en in de landbouwontwikkelingsgebieden gestimuleerd, aldus de toelichting. Dit in aanmerking genomen brengt, anders dan de raad heeft betoogt, een redelijke uitleg van de Verordening 2012 met zich dat een intensieve veehouderij in extensiveringsgebied ook niet mag uitbreiden op gronden die zijn gelegen in naastgelegen verwevingsgebied. Hiermee zou immers alsnog een uitbreiding van een intensieve veehouderij gelegen in extensiveringsgebied mogelijk zijn, in tegenstelling tot voornoemde doelstelling. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel in strijd is met artikel 9.2, eerste lid, onder a, van de Verordening 2012. Dat het bouwvlak na de uitbreiding voor het merendeel in verwevingsgebied ligt, kan aan het voorgaande niet afdoen, nu voor de vraag of een uitbreiding is toegestaan, dient te worden uitgegaan van het bouwvlak van de intensieve veehouderij voor de uitbreiding. Het betoog slaagt.

18.5.5. Over het plandeel "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan de Achtmaalseweg 160 heeft de raad erkend dat, zoals ook uit het deskundigenbericht volgt, ter plaatse geen sprake meer is van een intensieve veehouderij, maar van een boomteeltbedrijf. De raad stelt dat derhalve ten onrechte een intensieve veehouderij is mogelijk gemaakt.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

18.5.6. Ten aanzien van Paandijksestraat 12 volgt uit de foto's in het deskundigenbericht dat de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" mede is toegekend aan onbebouwde gronden. Nu het bouwvlak in beginsel volledig mag worden bebouwd, sluit het plan niet uit dat de bebouwing ten behoeve van de intensieve veehouderij wordt uitgebreid. Dat het aantal dierplaatsen daarbij niet mag toenemen, doet niet af aan de mogelijk gemaakte nieuwe bebouwing. Omdat de intensieve veehouderij in extensiveringsgebied ligt, is het plan gelet op het voorgaande in zoverre in strijd met artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2012.

18.5.7. Voor zover de BMF wijst op een aantal percelen in extensiveringsgebied waar volgens haar ten onrechte intensieve veehouderijen niet als zodanig zijn bestemd, waardoor ten onrechte een uitbreiding is toegestaan, overweegt de Afdeling dat zonder de aanduiding "intensieve veehouderij" geen intensieve veehouderij mogelijk is en derhalve ook geen uitbreiding van een intensieve veehouderij is toegestaan. Voor zover de BMF betoogt dat ter plaatse in strijd met het bestemmingsplan een intensieve veehouderij is gevestigd, betreft het een handhavingskwestie die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt in zoverre.

Intensieve veehouderij - wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding

18.6. De BMF betoogt dat de raad artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, en artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat voor deze wijzigingsbevoegdheden ten onrechte de voorwaarde is verwijderd dat de landschappelijke inpassing ten minste 10% van het bouwvlak betreft.

18.7. Op 25 februari 2014 heeft de raad de correctieve herziening vastgesteld. Bij dit besluit zijn onder meer artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels gewijzigd. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en nu hiermee niet volledig tegemoet is gekomen aan het beroep van de BMF, is het beroep van de BMF van rechtswege mede gericht tegen de correctieve herziening in zoverre.

De genoemde artikelen zijn verder, samen met de artikelen 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, van de planregels zodanig gewijzigd dat de uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen zijn vergroot. Nu het beroep van de BMF tegen het plan is gericht op het beperken van uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen, is het beroep in zoverre van rechtswege mede tegen deze artikelen van de correctieve herziening gericht.

18.7.1. De BMF betoogt dat artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3 en artikel 8, lid 8.3, onder 8.8.3, voor zover het bepaalde onder a, van de planregels van de correctieve herziening ten onrechte zijn vastgesteld. Hiermee is ten onrechte een uitbreiding van een bouwvlak met de aanduiding "intensieve veehouderij" toegestaan, indien daarbij wordt omgeschakeld naar een grondgebonden bedrijf of indien het de grondgebonden veehouderijtak betreft. De BMF voert aan dat dit in strijd is met het voorbereidingsbesluit dat door Provinciale Staten van Noord-Brabant (hierna: PS) is genomen op 20 september 2013 in verband met de voorbereiding van de Verordening ruimte 2014 (hierna: Verordening 2014). Uit dit voorbereidingsbesluit volgt dat uitbreidingen van veehouderijen slechts zijn toegestaan indien deze een bijdrage leveren aan de transitie naar een zorgvuldige veehouderij, zoals vastgelegd in de Verordening 2014. Nu dit niet als voorwaarde is opgenomen, is de bepaling daarmee in strijd.

De BMF heeft in haar zienswijze tegen het voornoemde besluit verder aangevoerd dat in de genoemde artikelen, in het bepaalde onder j, van de planregels van de correctieve herziening nog steeds niet is gewaarborgd dat 10% van het bouwvlak bij een uitbreiding van een intensieve veehouderij wordt gebruikt voor landschappelijke inpassing. Dat is in strijd met artikel 9.3, eerste lid, onder d, van de Verordening 2012.

Voorts voert de BMF aan dat in de artikelen, in het bepaalde onder b, van de planregels van de correctieve herziening ten opzichte van het plan ten onrechte niet meer is uitgesloten dat de wijzigingsbevoegdheden worden toegepast voor gronden met de aanduiding "wro-zone - zoekgebied beekherstel".

18.7.2. De raad stelt zich op het standpunt dat ten tijde van de vaststelling van de correctieve herziening de Verordening 2014 nog niet gold, zodat daaraan niet hoefde te worden voldaan. Overigens merkt de raad op dat de Verordening 2014, die op 19 maart 2014 in werking is getreden, rechtstreeks werkende regels bevat voor veehouderijen, zodat daaraan bij uitbreidingen alsnog zal moeten worden voldaan. Wat betreft de landschappelijke inpassing stelt de raad zich op het standpunt dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij slechts mogelijk is gemaakt ten behoeve van dierenwelzijn en dat het aantal dierplaatsen niet mag toenemen. In de correctieve herziening is verder verwezen naar artikel 2.2 van de Verordening 2012. Ter invulling van artikel 2.2 van de Verordening 2012 is tussen provincie en de regio West Brabant de "Handreiking Kwaliteitsverbetering" opgesteld, waaraan zal moeten worden voldaan en waarin de genoemde eis van 10% staat.

18.7.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3 en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels van de correctieve herziening is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch - AHS plus", "Agrarisch - Groenblauwe mantel" en "Agrarisch - Beekdal" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van een vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. deze paragraaf is niet van toepassing indien sprake is van:

1. omschakeling naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, zonder intensieve (neven)tak en de aanduiding "intensieve veehouderij" gelijktijdig wordt verwijderd op basis van artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.2, of onder 4.7.3;

2. een gemengd agrarisch bedrijf, met de aanduiding "intensieve veehouderij" niet zijnde een bedrijf met een schapen- en/of geitenhouderij waarbij de vergroting noodzakelijk is voor de grondgebonden bedrijfstak en niet ten behoeve van een gebouw voor het houden van dieren;

dan is artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.2, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.2, artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.2, respectievelijk 8, lid 8.8, onder 8.8.2, van toepassing;

b. de intensieve veehouderij niet gelegen is ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en/of "wro-zone - ecologische verbindingszone";

(…)

j. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan artikel 2.2 van de Verordening 2012, conform de handreiking die als bijlage 2 behorende bij deze regels is opgenomen. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming "Groen - Landschapselement".

Bijlage 2 bij de planregels van de correctieve herziening is een kopie van de artikelen 2.1 en 2.2 van de Verordening 2012.

18.7.4. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

18.7.5. Wat betreft het bepaalde onder a van voornoemde artikelen, met betrekking tot omschakeling en uitbreiding van een grondgebonden veehouderijtak, overweegt de Afdeling dat ten tijde van de vaststelling van de correctieve herziening de Verordening 2012 gold. Het voorbereidingsbesluit van PS van 20 september 2013 houdt in dat aanvragen voor omgevingsvergunningen die betrekking hebben op bouwen ten behoeve van uitbreiding van veehouderijen dienen te worden aangehouden en dat het college van burgemeester en wethouders de omgevingsvergunningen slechts mag verlenen indien deze niet in strijd komen met de op dat moment in voorbereiding zijnde Verordening 2014 en de regels inzake zorgvuldige veehouderij. Het voorbereidingsbesluit heeft, zoals ook de BMF erkent, geen betrekking op het vaststellen van bestemmingsplannen. Het betoog dat het plan daarmee in strijd is, faalt reeds daarom. Voor zover de BMF vreest dat door de vaststelling van deze wijzigingsbevoegdheid in de correctieve herziening de doelstelling van de Verordening 2014 teniet wordt gedaan, wordt overwogen dat de Verordening 2014 ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet in werking was getreden en dat de raad voorts in redelijkheid heeft kunnen besluiten om niet vooruit te lopen op de inwerkingtreding van de Verordening 2014. Overigens merkt de Afdeling op dat de Verordening 2014 thans geldt en dat vast te stellen wijzigingsplannen daaraan moeten voldoen. Ook moeten beslissingen over omgevingsvergunningen voor bouwen die op grond van de correctieve herziening worden genomen daaraan worden getoetst, voor zover in de Verordening 2014 daarover direct werkende regels zijn opgenomen. Het betoog faalt.

18.7.6. Artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels maken het mogelijk een wijzigingsplan vast te stellen ten behoeve van een vergroting van een bouwvlak van een intensieve veehouderij in een verwevingsgebied. Hoewel daarbij het aantal dierplaatsen niet mag toenemen, is dat, gelet op de definitie in artikel 1.2, vierde lid, een uitbreiding van een intensieve veehouderij als bedoeld in de Verordening 2012. In artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, onder j en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, onder j, van de planregels van de correctieve herziening wordt voor de landschappelijke inpassing van de uitbreiding verwezen naar artikel 2.2 van de Verordening 2012. In dit artikel van de Verordening 2012 over ruimtelijke kwaliteitsverbetering is niet voorgeschreven dat minimaal 10% van het perceel dient te worden aangewend voor de landschappelijke inpassing. Daargelaten of een dergelijke verwijzing naar een provinciale regel aanvaardbaar is, is in de planregels, inclusief bijlage 2, niet voorgeschreven dat minimaal 10% van het perceel dient te worden gebruikt voor landschappelijke inpassing bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een uitbreiding van een intensieve veehouderij. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012. Voor zover de raad er op wijst dat ter nadere invulling van artikel 2.2 van de Verordening 2012 in mei 2013 regionale afspraken zijn gemaakt en dat daarin de bedoelde voorwaarde is opgenomen, leidt dit niet tot een ander oordeel, nu deze afspraken niet zijn geborgd in de planregels. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat deze afspraken als bijlage 2 bij de toelichting op de correctieve herziening zijn gevoegd, nu de toelichting geen juridisch bindend deel van het besluit uitmaakt. Het betoog slaagt.

Voor zover de BMF zich met voornoemde beroepsgrond tevens richt tegen artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, en artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, van de planregels van de correctieve herziening, overweegt de Afdeling dat het beroep van de BMF tegen het oorspronkelijke plan niet tegen de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid was gericht. De BMF heeft evenmin een zienswijze naar voren gebracht tegen het ontwerp van de correctieve herziening. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Wat betreft het betoog dat ten onrechte niet is opgenomen dat 10% van het perceel dient te worden gebruikt voor landschappelijke inpassing bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat deze beroepsgrond niet reeds tegen de genoemde onderdelen van de artikelen 3 en 5 van het plan naar voren had kunnen worden gebracht. Weliswaar zijn deze planregels in de correctieve herziening gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het plan, maar die wijziging heeft geen gevolgen gehad voor de volgens de BMF ten onrechte ontbrekende voorwaarde dat 10% van het perceel dient te worden gebruikt voor landschappelijke inpassing. Dit betekent dat het betoog in zoverre buiten inhoudelijke bespreking blijft.

18.7.7. In artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, onder b, en artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, onder b, van de planregels van de correctieve herziening is, anders dan in artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, onder a, en artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, onder a, van de planregels van het oorspronkelijke plan, niet meer opgenomen dat de wijzigingsbevoegdheid niet mag worden toegepast voor gronden die de aanduiding "wro-zone - zoekgebied beekherstel" hebben. In de toelichting bij de correctieve herziening noch het vaststellingsbesluit is hiervoor een motivering opgenomen. De Afdeling ziet gelet daarop aanleiding voor het oordeel dat de vaststelling van artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, onder b, en artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, onder b, van de planregels van de correctieve herziening niet berust op een deugdelijke motivering en onzorgvuldig is voorbereid.

18.8. Nu artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3 en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels van de correctieve herziening zullen worden vernietigd, ziet de Afdeling aanleiding het betoog tegen deze planonderdelen van het oorspronkelijk plan te bespreken.

18.8.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3 en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels van het oorspronkelijke plan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wro de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Beekdal" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

(…)

i. er is sprake van een landschappelijke inrichting en/of positionering van de bebouwing ten behoeve van een verbeterde landschappelijke inrichting, overeenkomstig de inrichtingsprincipes en regels welke zijn opgenomen in de landschapsvisie in de bijlage bij deze planregels. Er wordt hiervoor advies gevraagd aan een ter zake deskundige instantie of persoon.

18.9. De Afdeling overweegt dat voor de landschappelijke inpassing van de uitbreiding bij wijzigingsplan in de planregels wordt verwezen naar de landschapsvisie, die als bijlage 2 bij de planregels is gevoegd. In de planregels, noch de landschapsvisie is bepaald dat minimaal 10% van het bouwvlak bij uitbreiding wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing. Derhalve ziet de Afdeling, mede gelet op hetgeen is overwogen in 18.7.6, aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012.

Mestbewerking

18.10. De BMF betoogt dat de raad artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.2, onder b, artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, onder b, en artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, onder b, van de planregels, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat, nu mestbewerking buiten het bestemmingsvlak is toegestaan, in strijd met artikel 8.3, eerste lid, van de Verordening 2012 niet is gewaarborgd dat voorzieningen daarvoor worden geconcentreerd binnen het bouwblok.

18.10.1. De raad stelt dat mestbewerking van de eigen mest als activiteit is toegestaan. Dit is niet in strijd met de Verordening 2012. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat niet is beoogd voorzieningen voor dit gebruik toe te staan.

18.10.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.4, en artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.4, van de planregels zijn regels voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m (…)

Ingevolge artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.1, aanhef en onder a, artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.1, aanhef en onder a, en artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.1, aanhef en onder a, wordt onder gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest ten behoeve van enig bedrijf (…).

Ingevolge artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.2, aanhef en onder b, artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, aanhef en onder b en artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, aanhef en onder b, van de planregels, wordt onder gebruik in overeenstemming met de bestemming in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor mestbewerking van op het eigen terrein geproduceerde mest.

18.10.3. Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.

18.10.4. Op gronden met de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch - AHS plus" en "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" is gebruik voor mestbewerking toegestaan en mogen bij recht bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale hoogte van 3 m worden opgericht. Derhalve is, anders dan de raad heeft beoogd, niet uitgesloten dat op deze gronden buiten de agrarische bestemmingsvlakken voorzieningen worden opgericht ten behoeve van mestbewerking van het eigen bedrijf. In het deskundigenbericht wordt in dat kader onder meer gewezen op mestscheiders en mestscheidingsinstallaties. Nu de raad in zoverre meer heeft mogelijk gemaakt dan hij heeft beoogd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.2, onder b, artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, onder b en artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, onder b, van de planregels, in strijd met de bij een voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid zijn vastgesteld.

Wijzigingsbevoegdheid naar "Natuur"

18.11. De BMF betoogt dat de raad artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.6 en 3.8.7, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.6 en artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.6 en 6.7.7, van de planregels, inhoudende wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van de omzetting van agrarische gronden naar natuurgronden, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de voorwaarden onredelijk bezwarend, niet ruimtelijk relevant en onduidelijk zijn.

18.11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorwaarden over de overdracht van gronden zijn opgenomen in verband met de uitvoerbaarheid van het plan en dat die voorwaarden derhalve ruimtelijk relevant zijn. De voorwaarde over de effecten voor omliggende agrarische gronden is volgens de raad opgenomen omdat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid duidelijkheid dient te bestaan over eventuele planschade en de raad wil voorkomen dat agrarische bedrijven worden beperkt door de nieuwe natuur. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat is beoogd dat de wijzigingsbevoegdheid slechts bij concrete, uitvoerbare initiatieven wordt toegepast, die een daadwerkelijke bijdrage leveren aan de natuurontwikkeling.

18.11.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.6, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.6 en artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.6, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch - AHS-plus" en "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" te wijzigen in de bestemming "Bos" of "Natuur" ten behoeve van natuurontwikkeling, en ingevolge het bepaalde onder 3.8.7 en onder 6.7.7 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wro de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" met de aanduiding "wro zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone" te wijzigen in de bestemming "Bos" of "Natuur" ter verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone.

Voor al deze bevoegdheden geldt dat daarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;

b. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden;

c. wijziging vindt pas plaats nadat verzekerd is dat een aaneengesloten natuurgebied van voldoende omvang en zodanige begrenzing kan ontstaan dat de aangrenzende/omringende gronden, met een blijvende agrarische bodemexploitatie, doelmatig als zodanig geëxploiteerd kunnen blijven worden.

18.11.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

De voorwaarden onder a en b hebben betrekking op de verkoop of overdracht van gronden ten behoeve van natuurontwikkeling. De Afdeling overweegt dat de raad, met het oog op het belang van de huidige agrarische mogelijkheden van de gronden, er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen een wijziging van de bestemming slechts mogelijk te maken indien en nadat de gronden ten behoeve van natuurontwikkeling zijn overgedragen. Nu daarmee is beoogd te voorkomen dat gronden die een natuurbestemming krijgen niet als zodanig zullen worden ontwikkeld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze voorwaarden ruimtelijke relevantie ontberen. De onder c genoemde voorwaarde is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende duidelijk begrensd. Daarbij is van belang dat uit de planregel niet volgt op welke wijze het college van burgemeester en wethouders dient te beoordelen of aan die voorwaarde wordt voldaan, in het bijzonder de vraag wanneer sprake is van een natuurgebied van voldoende omvang en van doelmatig agrarisch gebruik. De toelichting van de raad ter zitting dat sprake moet zijn van een concreet, uitvoerbaar initiatief is in deze voorwaarde niet terug te vinden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. Het betoog slaagt.

Nu de raad en de BMF ter zitting te kennen hebben gegeven de wijzigingsbevoegdheid voor natuurontwikkeling te willen behouden, ziet de Afdeling aanleiding alleen de voorwaarde onder c van voornoemde artikelen te vernietigen. Daarbij betrekt de Afdeling dat bij het vaststellen van een wijzigingsplan, hetgeen een bevoegdheid en geen plicht betreft, belangen van derden, zoals agrariërs met in de omgeving gelegen gronden, alsmede de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan, zullen moeten worden betrokken.

Landschapselement

18.12. De BMF betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" tussen de Kalmhoutsebaan en de Belgische grens ten onrechte gewijzigd heeft vastgesteld. Het gebied, dat niet agrarisch wordt gebruikt, had de bestemming "Groen - Landschapselement" moeten behouden, overeenkomstig het ontwerpplan en het vorige plan.

18.12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat is gebleken dat het perceel, ten zuiden van de Kalmhoutsebaan 36, in eigendom is van Natuurmonumenten en niet agrarisch wordt gebruikt. Derhalve dient de agrarische bestemming van de gronden te worden heroverwogen, aldus de raad.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Conclusie met betrekking tot het besluit van 4 september 2012

18.13. In hetgeen de BMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het besluit van 4 september 2012 heeft vastgesteld in strijd met de Verordening 2012, voor zover het betreft de vaststelling van:

- artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, onder f en g, van de planregels;

- artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, onder a, van de planregels voor zover geen locatie-eisen zijn opgenomen voor permanente teeltondersteunende voorzieningen;

- artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, onder a, van de planregels, voor zover geen locatie-eisen zijn opgenomen voor permanente teeltondersteunende voorzieningen;

- artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, van de planregels;

- artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels;

- de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de Paandijksestraat 12 en Blokenstraat 2a.

In hetgeen de BMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling verder aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestreden besluit, voornoemd, heeft vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van:

- artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.2, onder b, van de planregels;

- artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, onder b, van de planregels;

- artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, onder b, van de planregels;

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" nabij de Turfvaart Bijloop nabij het Rondgors, zoals nader aangeduid op een bij deze uitspraak behorende kaart;

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" tussen de Turfvaart en de Tiggeltseberg, zoals nader aangeduid op een bij deze uitspraak behorende kaart;

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de Achtmaalseweg 160.

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch" tussen de Kalmhoutsebaan en de Belgische grens, zoals nader aangeduid op een bij deze uitspraak behorende kaart.

In hetgeen de BMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling verder aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestreden besluit, voornoemd, heeft vastgesteld in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid voor zover het betreft de vaststelling van:

- artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.6, onder c, en onder 3.8.7, onder c, van de planregels;

- artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.6, onder c, van de planregels;

- artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.6, onder c, en onder 6.7.7, onder c, van de planregels.

Het beroep is gegrond, zodat het besluit van 4 september 2012 in zoverre dient te worden vernietigd.

18.14. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door aan artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, onder a, en artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, onder a, van de planregels toe te voegen dat gebruik voor permanente teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend is toegestaan direct grenzend aan enig bouwvlak, en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

Daarbij betrekt de Afdeling dat op deze wijze in de planregels voor de bestemmingen "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" en "Agrarisch - AHS-plus" voor de locatie van permanente teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken, dezelfde voorwaarde wordt gesteld als voor permanente teeltondersteunende voorzieningen, zijnde bouwwerken, en dat de Afdeling geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de planregel met die voorwaarde in strijd is met de Verordening 2012.

18.15. De Afdeling ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor een deel van de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Conclusie met betrekking tot het besluit van 25 februari 2014

18.16. In hetgeen de BMF heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 25 februari 2014, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels, heeft vastgesteld in strijd met artikel 9.3, eerste lid, onder d, van de Verordening 2012.

Voorts ziet de Afdeling in hetgeen de BMF heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestreden besluit, voornoemd, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, onder b, en artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, onder b, van de planregels, heeft vastgesteld in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het besluit van 25 februari 2014 in zoverre dient te worden vernietigd.

18.17. Gelet op het verzoek van BMF hiertoe en nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, onder b, van de planregels van de correctieve herziening als volgt luidt: "de intensieve veehouderij niet gelegen is ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en/of "wro-zone - ecologische verbindingszone" en/of "wro-zone - zoekgebied beekherstel"" en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit, voornoemd, voor zover dit is vernietigd.

Daarbij betrekt de Afdeling dat de planregel daarmee overeenkomt met de bepaling uit het oorspronkelijke plan, welk plan op dit specifieke onderdeel niet is bestreden, en dat bij een vernietiging van de planregel in het geheel geen wijzigingsplan meer mogelijk zou zijn, hetgeen verderstrekkende gevolgen heeft dan de hiervoor genoemde beperking voor gronden met de aanduiding "wro-zone - zoekgebied beekherstel".

De Afdeling ziet ten aanzien van artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, onder b, van de planregels geen aanleiding op voornoemde wijze zelf in de zaak te voorzien, nu dit artikelonderdeel ook reeds om andere redenen wordt vernietigd.

18.18. De Afdeling ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 15]

19. [appellant sub 15], die aan de [locatie 19] te Rijsbergen woont, betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met bestemming "Wonen" en de aanduidingen "recreatiewoning" en "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte de permanente bewoning van de recreatiewoning niet als zodanig is bestemd. Tegen dit gebruik is niet handhavend opgetreden en dit is onder het gebruiksovergangsrecht komen te vallen. Zonder woonbestemming zijn er minder bouwmogelijkheden. Voorts is door het college van burgemeester en wethouders, gelet op de in de brieven van 18 januari 2008 en van 19 februari 2009 gedane toezeggingen, het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat een woonbestemming zou worden toegekend. De waarde van de woning is sterk gedaald en aanvankelijk erkende de raad dat ten onrechte geen woonbestemming is toegekend.

Ten onrechte is bij de vaststelling, naar aanleiding van het amendement van 4 september 2012 over het niet legaliseren van permanente bewoning van recreatiewoningen in het buitengebied (hierna: het amendement), het gebruik onder persoonsgebonden overgangsrecht gebracht. Volgens [appellant sub 15] is dit onvoldoende gemotiveerd, nu het beleid waarnaar in het amendement wordt verwezen niet kenbaar is gemaakt en is gericht op de permanente bewoning van recreatiewoningen in recreatieparken. Permanente bewoning van solitaire recreatiewoningen is volgens hem niet vergelijkbaar. Ook is een woonbestemming niet in strijd met de Verordening 2012. Verder wordt er aan de in de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) uitgebrachte handreiking "Onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen" opgenomen voorwaarden voor legalisering van permanente bewoning voldaan. Verder is in strijd met het gelijkheidsbeginsel wel een woonbestemming aan de recreatiewoningen aan de Tiggeltsebergstraat en de Zandstraat toegekend.

19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de permanente bewoning van de recreatiewoning terecht niet als zodanig is bestemd. In genoemde brieven staat dat het college van burgemeester en wethouders niet bevoegd is om een bestemmingsplan vast te stellen, nu deze bevoegdheid aan de raad toekomt. Voorts is in deze brieven te kennen gegeven dat het toekennen van een woonbestemming in strijd is met provinciaal beleid. Gelet hierop volgt uit deze brieven geen aan de raad toe te rekenen gerechtvaardigd vertrouwen dat een woonbestemming zou worden toegekend. Het amendement is met het oog op permanente bewoning van recreatiewoningen in een recreatiepark aangenomen, maar geldt ook voor solitaire recreatiewoningen. Een woonbestemming is daarnaast in strijd met de Verordening 2012. De raad stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de recreatiewoning voor 1998 permanent werd bewoond, zodat dit gebruik ook niet onder het overgangsrecht valt. De raad geeft aan dat hij voor recreatiewoningen die reeds voor 2000 permanent waren bewoond een regeling heeft willen treffen die gelijk is voor de gehele gemeente Zundert, waarbij strijdig gebruik onder het persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht, omdat bij dergelijke woningen niet meer handhavend tegen het gebruik zal worden opgetreden. Daarmee heeft de raad een eind willen maken aan planologische verschillen tussen de grondgebieden van de voormalige en inmiddels samengevoegde gemeenten Rijsbergen en Zundert, die voortvloeiden uit de voorheen geldende plannen.

19.2. Ingevolge paragraaf V, lid B, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" uit 1977 mag, indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en opstallen worden gebruikt in strijd met het in dit plan voorgeschreven gebruik, dit strijdige gebruik van gronden en opstallen worden voortgezet.

19.3. Uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied - burgerbebouwing" uit 1986 volgt dat de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1977 van toepassing blijven, behoudens een aantal voorschriften. De overgangsbepalingen van het plan "Buitengebied" uit 1977 zijn van toepassing gebleven. Verder is de bestemming "Woonbos" aan het perceel toegekend. Op de plankaart was het perceel met nr. 89 aangeduid. In het woningregister is bij woning nr. 89 een "R" opgenomen.

Ingevolge artikel 15 van de voorschriften van dat plan zijn de op de plankaart als "Woonbos" aangewezen gronden bestemd voor het in stand houden van het aldaar aanwezige bos ten behoeve van de opbouw van het landschap en het behoud van de aldaar aanwezige landschappelijke waarden, alsmede voor wonen door middel van het uitsluitend in stand houden van de daar aanwezige burgerwoningen in de vorm van eengezinshuizen en/of recreatiewoningen.

Ingevolge lid A, onder I, aanhef en sub b, aanhef en onder 3, mag binnen elk op de plankaart afzonderlijk aangeduid bestemmingsoppervlak, indien voor het betreffende bestemmingsvlak een "R" in het bij dit plan behorende woningregister is aangegeven, uitsluitend een vrijstaande recreatiewoning, bestemd voor niet permanente woning, worden gebouwd.

Ingevolge lid D, onder I, aanhef en sub 2, is het verboden de opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming. Onder zodanig verboden gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de opstallen voor permanente bewoning indien het een recreatiewoning betreft.

19.4. De raad heeft op 26 mei 2011 de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" vastgesteld, die op 15 juni 2011 in werking is getreden.

Ingevolge artikel 1 van de beheersverordening zijn op onderhavige beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" de relevante voorschriften (thans: regels) en de bijbehorende plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen", zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Rijsbergen bij besluit van 5 december 1977 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 7 februari 1979 van overeenkomstige toepassing met inachtneming van het bepaalde in deze beheersverordening.

Uit artikel 5 van de beheersverordening volgt dat paragraaf V (Overgangsbepaling) van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" is geschrapt.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder a, van de beheersverordening mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is worden voortgezet.

Ingevolge lid 5.2, onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

19.5. Aan het perceel [locatie 19] zijn de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "recreatiewoning" en "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge het bepaalde onder aanhef en onder b, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" uitsluitend bestemd voor een recreatiewoning; indien naast de aanduiding "recreatiewoning" ook de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" is opgenomen gelden tevens de bepalingen zoals opgenomen in artikel 43, lid 43.3.

Ingevolge lid 22.5, onder 22.5.3, aanhef en sub d, wordt onder verboden gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden voor permanente bewoning van kampeermiddelen of verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een bed and breakfast of een recreatiewoning.

Ingevolge artikel 43, lid 43.3, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" het gebruik (het permanent bewonen van een recreatiewoning) in strijd met het bestemmingsplan. Dit gebruik mag worden voortgezet door diegene(n) die het gebouw gebruikt ten tijde van vaststelling van dit plan. Zodra het gebruik door de bestaande gebruiker(s) wordt beëindigd, vervalt het recht op permanente bewoning van de recreatiewoning. Als bestaande gebruiker(s) wordt(/worden) aangemerkt de persoon(/personen) die op het moment van vaststelling van dit plan volgens de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Zundert als hoofdbewoner en (eventueel indien daar sprake van is) diens partner staan ingeschreven op het betreffende adres.

19.6. Vast staat dat op 24 april 1959 een bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een weekendhuisje op het perceel [locatie 19] en dat op 31 maart 1970 een bouwvergunning is verleend voor het uitbreiden van dit weekendhuis. Op 5 juli 1988 is een bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een woning met berging. Op 28 oktober 1997 is een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning, waardoor de oppervlakte van de recreatiewoning mocht worden verdubbeld naar een oppervlakte van ongeveer 150 m². Deze uitbreiding is niet overeenkomstig de bouwvergunning aan de linkerzijde van de recreatiewoning gerealiseerd, maar aan de rechterzijde. Uit een nader overgelegd stuk van [appellant sub 15] en het verhandelde ter zitting volgt dat de helft van de recreatiewoning is afgebroken en volledig is herbouwd, hetgeen betekent dat de thans aanwezige recreatiewoning van na 1986 is. De ten behoeve van het bouwwerk eerder verleende vergunningen tot bouw- dan wel verbouwvergunningen kunnen niet als een impliciete vrijstelling van het voorheen geldende planologische regime worden aangemerkt, nu deze niet zijn verleend met het oogmerk om permanente bewoning van een reactiewoning toe te staan. Het betoog faalt.

19.7. De Afdeling stelt vast dat de huidige stenen recreatiewoning na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied - burgerbebouwing" is gebouwd, namelijk voor een deel in 1998 en voor een deel in 2011. Gelet hierop is geen sprake van voorzetting van het gebruik als bedoeld in paragraaf V, lid B, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1977, maar van een volledige en gewijzigde herbouw van de oorspronkelijke houten recreatiewoning. Het gebruik van deze recreatiewoning als permanente woning viel derhalve niet onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied - burgerbebouwing" en evenmin onder het overgangsrecht van de beheersverordening. Hierbij verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 10 juli 2013, in zaak nr. 201210876/1/A1. Een andere opvatting zou tot effect hebben dat nieuwe bebouwing zou kunnen worden opgericht mede ten behoeve van met de bestemming strijdig gebruik dat wordt gedekt door het overgangsrecht, hetgeen in strijd is met het doel en de strekking van het overgangsrecht met betrekking tot gebruik.

Het betoog faalt.

19.8. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat het vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is de permanente bewoning van de recreatiewoning als zodanig te bestemmen niet onredelijk. Daarbij is van belang dat de raad beleid voert waarbij het als zodanig bestemmen van permanente bewoning van recreatiewoningen in het plangebied wordt tegengegaan om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. Voor zover [appellant sub 15] betoogt dat het beleid nooit kenbaar is gemaakt, overweegt de Afdeling dat de raad in december 2011 heeft besloten niet langer mee te werken aan het als zodanig bestemmen van de permanente bewoning van recreatiewoningen in het recreatiepark Parc Patersven, welk beleid, anders dan de raad stelt, blijkens het amendement, thans voor alle permanente bewoning van recreatiewoningen geldt. Voorts volgt uit het amendement dat de raad, in aansluiting op provinciaal beleid dat thans is vastgelegd in de Verordening 2012, voor het plangebied een restrictief beleid voert met betrekking tot het als zodanig bestemmen van permanente bewoning van recreatiewoningen om verstening van het buitengebied tegen te gaan.

19.9. Voor zover [appellant sub 15] betoogt dat de permanente bewoning van recreatiewoningen in een recreatiepark ruimtelijk gezien niet kan worden vergeleken met de permanente bewoning van een solitaire recreatiewoning, overweegt de Afdeling dat dit, wat daar ook van zij, niet afdoet aan voormeld beleid, nu een reguliere woonbestemming gepaard gaat met ruimere bouwmogelijkheden, hetgeen zou kunnen leiden tot grotere bouwvolumes en meer bijgebouwen. Dat aan de in de handreiking "Onrechtmatige bewoning van recreatiewoningen" opgenomen voorwaarden voor legalisering van permanente bewoning zou worden voldaan, geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in een woonbestemming had moeten voorzien.

Over het betoog dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Nu aan deze brieven niet de betekenis kan worden toegekend die [appellant sub 15] daaraan wenst toe te kennen, kan hij ook niet in zijn standpunt worden gevolgd dat de waarde van de woning sterk is gedaald ten opzichte van de waarde die de woning in 2008 op basis van deze brieven zou hebben gehad.

Over de door [appellant sub 15] gemaakte vergelijking met de voormalige recreatiewoningen aan de Tiggeltsebergstraat en de Zandstraat wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat reeds in het bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied - burgerbebouwing" een woonbestemming aan deze woningen is toegekend en derhalve ten tijde van de vaststelling van dit plan ter plaatse van deze woningen geen sprake meer was van illegale permanente bewoning van een recreatiewoning. In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 15] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

19.10. Ingevolge artikel 1.65 van de Verordening 2012 wordt onder recreatiewoning verstaan: woning of enig ander verblijf, een bouwwerk zijnde, dat blijkens de inrichting geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder b, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, al dan niet solitaire recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

Nu uit de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Overige agrarische ontwikkelingen en windturbines" blijkt dat het perceel [locatie 19] is aangewezen als agrarisch gebied, geldt voor dit perceel het onder het in artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2012 opgenomen verbod van zelfstandige bewoning van al dan niet solitaire recreatiewoningen. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het als zodanig bestemmen van de permanente bewoning in strijd is met de Verordening 2012. De stelling van [appellant sub 15] dat zijn woning niet onder het begrip recreatiewoning zou vallen, nu deze woning niet alleen geschikt is voor tijdelijk recreatief nachtverblijf, kan niet worden gevolgd. Een andere uitleg zou immers tot gevolg hebben dat permanente bewoning van recreatiewoningen nooit onder het in de Verordening 2012 opgenomen verbod zou vallen, hetgeen artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2012 in zoverre zinledig zou maken. Het betoog faalt.

19.11. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het als zodanig bestemmen van de permanente bewoning in strijd is met de Verordening 2012 en heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit niet in overeenstemming zou zijn met een goede ruimtelijke ordening.

19.12. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 15] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 16]

20. [appellant sub 16], die aan de [locatie 20] te Rijsbergen een loonwerk- en grondverzetbedrijf heeft, betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf" voor zijn perceel heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat zijn loonwerk- en grondverzetbedrijf ten onrechte niet als zodanig is bestemd, terwijl hiervoor een milieuvergunning is verleend. [appellant sub 16] verwijst naar zijn zienswijze, waarin hij heeft verzocht om de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loonwerkbedrijf" en om zijn bedrijf in de in artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder e, van de planregels opgenomen tabel juist weer te geven. Ten onrechte heeft de raad, in tegenstelling tot hetgeen uit de nota van zienswijzen volgt, deze aanduiding niet toegekend. Zonder deze aanduiding zijn de bedrijfsactiviteiten, wat betreft de civieltechnische werkzaamheden en het in depot houden van teeltaarde en ophoogzand, niet toegestaan. Voorts is kennelijk per abuis niet zijn bedrijf, maar een bedrijf aan de [locatie 21] in de in artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder d, opgenomen tabel weergegeven. Volgens [appellant sub 16] wordt zijn loonwerk- en grondverzetbedrijf gelet daarop ten onrechte beperkt in de bedrijfsvoering, nu slechts bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan per abuis is opgenomen dat het loonwerk- en grondverzetbedrijf van [appellant sub 16] is gevestigd aan de [locatie 21] en niet aan de [locatie 20]. Gelet hierop is de planologische regeling ter plaatse van het perceel van [appellant sub 16] abusievelijk niet overeenkomstig de nota van zienswijzen vastgesteld en is het bedrijf ten onrechte niet als zodanig bestemd.

20.2. Aan het perceel [locatie 20] is de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf" toegekend.

20.3. Ingevolge artikel 9, lid, 9.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor niet-agrarische bedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2 en het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen.

Ingevolge het bepaalde onder d zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden tevens bestemd voor een agrarisch technisch hulpbedrijf ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de tabel "agrarisch technische hulpbedrijven".

Ingevolge de bij het bepaalde onder d behorende tabel "agrarisch technische hulpbedrijven" is het perceel [locatie 21] tevens bestemd voor een "agrarisch loonbedrijf" met de functie/aard bebouwing: loonwerkbedrijf (hoofdzakelijk agrarisch, maar ook cultuurtechnisch).

Ingevolge het bepaalde onder e zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden tevens bestemd voor een overig bedrijf eventueel ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de tabel "overige bedrijven".

20.4. Niet in geschil is dat het loonwerk- en grondverzetbedrijf niet als zodanig is bestemd, nu ter plaatse van het perceel [locatie 20] alleen een niet-agrarisch bedrijf is toegestaan, voor zover dit bedrijf voorkomt in de categorieën 1 en 2 van de bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten of categorie 3.1, mits aangetoond is dat het naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2 en het niet een geluidszoneringsplichtige inrichting betreft. Het bedrijf valt daar niet onder. In de nota van zienswijzen staat dat het plan met betrekking tot dit bedrijf, gelet op de feitelijke en vergunde werkzaamheden van het bedrijf, zal worden aangepast. Uit het verweerschrift en ter zitting is voorts gebleken dat in het vastgestelde plan abusievelijk het perceel [locatie 21] is vermeld, zodat gelet hierop de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - loonwerkbedrijf" niet aan het perceel van [appellant sub 16] is toegekend en het bedrijf niet in de bij artikel 9, lid, 9.1, aanhef en onder e, van de planregels behorende tabel "overige bedrijven" is vermeld. De Afdeling is van oordeel dat hieruit volgt dat de raad heeft beoogd om de huidige bedrijfsactiviteiten op het perceel van [appellant sub 16] als zodanig te bestemmen, maar ten onrechte geen overeenkomstige regeling ter plaatse van dat perceel in het plan heeft opgenomen. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

20.5. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 4 september 2012, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf" aan de [locatie 20] en de bij artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder d, van de planregels behorende tabel "agrarisch technische hulpbedrijven", voor zover [locatie 21] hierin is opgenomen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het besluit van 4 september 2012 in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

21. Tegen het besluit van 25 februari 2014 heeft [appellant sub 16] aangevoerd dat het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" ten onrechte evenmin voorziet in een loonwerk- en grondverzetbedrijf op het perceel [locatie 20].

21.1. De raad voert aan dat hij voornemens is het loonwerk- en grondverzetbedrijf op het perceel als zodanig te bestemmen in de voorgenomen partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied", welk plan thans reeds in procedure is. Gelet hierop is deze wijziging niet in het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" opgenomen.

21.2. Over het beroep van [appellant sub 16] tegen het besluit van 25 februari 2014 overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing van deze herziening strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om de door hem gewenste algemene wijzigingen in de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied" in het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" op te nemen en de door de raad gewenste wijzigingen voor specifieke percelen op de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied" en de daarbij behorende regels op te nemen in de nog vast te stellen partiële herziening van dat plan.

21.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 16] tegen het besluit van 25 februari 2014 ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 17]

22. [appellant sub 17], die aan de [locatie 22] te Breda een varkenshouderij exploiteert, betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" op het nabijgelegen perceel [locatie 23] heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte niet meer de bestemming "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke waarden" aan dit perceel is toegekend en dat het als zodanig bestemmen van een schoonheidssalon niet passend is in een natuurgebied. Hij vreest dat, gelet op de geurnorm die ter plaatse geldt, zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd en dat zijn uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt. Voorts is op een voormalig agrarisch bouwvlak alleen nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan.

22.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat [appellant sub 17] bij het bestreden plandeel, gelet op de afstand tot zijn varkenshouderij, geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Daarbij verwijst de raad naar de uitspraken van de Afdeling van 28 oktober 2009, in zaak nr. 200900649/1/H1, en van 2 november 2011, in zaak nr. 200908508/1/R4. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat uit de uitspraak van 2 november 2011 volgt dat de varkenshouderij niet door de schoonheidssalon in zijn uitbreidingsmogelijkheden wordt beperkt. De raad stelt verder dat op grond van artikel 11.6 van de Verordening 2012 een niet-agrarische ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt op een voormalig agrarisch bouwvlak.

22.2. Voor zover is betoogd dat het beroep niet-ontvankelijk is, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het deskundigenbericht volgt dat de afstand tussen het perceel waarop de schoonheidssalon is gevestigd, voor zover dit in het plangebied ligt, en het perceel van [appellant sub 17] 256 m bedraagt. Gelet op deze afstand is het niet uitgesloten dat ter plaatse van het perceel aan de [locatie 23] milieueffecten vanwege het perceel waarop de intensieve veehouderij van [appellant sub 17] is gevestigd optreden, hetgeen gevolgen zou kunnen hebben voor de uitbreidingsmogelijkheden van [appellant sub 17] of het verblijfsklimaat ter plaatse van dit perceel. Gelet hierop kan [appellant sub 17] worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en is zijn beroep derhalve ontvankelijk. Dat [appellant sub 17] de juistheid van de gehanteerde afstand tussen zijn perceel en het perceel van de schoonheidssalon betwist en betoogt dat zijn perceel op een kortere afstand ligt is in zoverre niet van belang.

Voor zover naar voormelde uitspraken wordt verwezen, wordt overwogen dat deze uitspraken niet aan de ontvankelijkheid van het beroep in deze procedure af doen. Anders dan de raad stelt, is voor het feit dat de Afdeling in de uitspraak van 2 november 2011 niet is aangesloten bij de niet-ontvankelijkheidsverklaring in de uitspraak van 28 oktober 2009 niet doorslaggevend geacht dat het perceel [locatie

23], voor zover dit in de gemeente Breda ligt, op een kortere afstand van het perceel van [appellant sub 17] ligt, maar dat de situatie die zich daar voordeed niet overeenkwam met de - ook in dit plan - aan de orde zijnde situatie.

22.3. Ingevolge artikel 9, lid, 9.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor niet-agrarische bedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2 en het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen.

Aan het perceel [locatie 23] is de bestemming "Bedrijf" toegekend. Ter plaatse is een schoonheidssalon mogelijk.

22.4. Uit voormelde uitspraak van 2 november 2011 volgt dat een mogelijke beperking in de uitbreidingsmogelijkheden van de varkenshouderij reeds door andere geurgevoelige objecten dan de schoonheidssalon wordt veroorzaakt, nu deze objecten op een kortere afstand van de varkenshouderij staan. De Afdeling ziet geen aanleiding om daar thans anders over te oordelen, zodat de raad zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant sub 17] door het als zodanig bestemmen van de schoonheidssalon niet in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd en niet in zijn uitbreidingsmogelijkheden zal worden beperkt. Het betoog faalt.

22.5. Voor zover [appellant sub 17] ter onderbouwing van zijn betoog dat nieuwvestiging van een niet-agrarische ontwikkeling in een natuurgebied niet mogelijk is naar paragraaf 3.4.1.2 van de plantoelichting verwijst, overweegt de Afdeling dat deze paragraaf ziet op de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", hetgeen hier niet het geval is. De raad heeft er in dit verband voorts terecht op gewezen dat artikel 11.6 van de Verordening 2012 een schoonheidssalon op een voormalige agrarische bedrijfslocatie niet uitsluit mits aan een aantal voorwaarden is voldaan.

Het betoog faalt.

22.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 17] tegen het besluit van 4 september 2012 ongegrond.

23. Tegen het besluit van 25 februari 2014 heeft [appellant sub 17] aangevoerd dat de raad niet bevoegd is om na de behandeling van de beroepen ter zitting een nieuw besluit te nemen.

23.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

23.2. De Afdeling stelt vast dat uit artikel 6:19, eerste lid, van de Awb volgt dat de raad bevoegd is om een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit te nemen en dat daarbij niet van belang is of behandeling van de beroepen tegen het oorspronkelijke besluit ter zitting reeds heeft plaatsgevonden. Het betoog faalt.

23.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 17] tegen het besluit van 25 februari 2014 ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 18]

24. [appellant sub 18] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 24] te Wernhout heeft vastgesteld, voor zover het perceel T2033 betreft. Daartoe voert hij aan dat in strijd met de Verordening 2012 is voorzien in een uitbreiding van een niet-agrarisch ruimtelijke ontwikkeling in agrarisch gebied op een kavel met een omvang van meer dan 5.000 m², nu daarvoor in de plantoelichting geen verantwoording is gegeven. De door de raad gewenste concentratie van bedrijfsonderdelen van het aannemersbedrijf van Gommers en de opheffing van de bedrijfslocatie aan de Bredaseweg is niet realistisch, nu het perceel T2033, dat aan het bedrijfsperceel wordt toegevoegd een veel kleinere opslagcapaciteit heeft dan de locatie aan de Bredaseweg. Verder zal de uitbreiding van het bedrijf ter plaatse leiden tot ernstige stof- en geluidhinder bij zijn woning.

24.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen strijd is met de Verordening 2012 en dat over de uitbreiding van het bedrijf overleg heeft plaatsgevonden met de provincie. Nu er geen reactieve aanwijzing is gegeven moet de uitbreiding in overeenstemming worden geacht met de Verordening 2012. De uitbreiding ter plaatse is nodig om te voorzien in voldoende ruimte voor buitenopslag, zodat de bedrijfsactiviteiten aan de Bredaseweg kunnen worden beëindigd en alle bedrijfsactiviteiten kunnen worden geconcentreerd. Uit onderzoek is gebleken dat voor ernstige geluid- en stofhinder niet hoeft te worden gevreesd, nu aan de relevante milieuregelgeving kan worden voldaan en de woning van [appellant sub 18] op een afstand van ongeveer 70 m staat van het plandeel met de bestemming "Bedrijf".

24.2. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor niet-agrarische bedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met categorie 2 en het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen.

Ingevolge lid 9.1, onder e, zijn deze gronden tevens bestemd voor een "overig bedrijf" eventueel ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de tabel "overige".

Ingevolge lid 9.5, onder 9.5.3, aanhef en onder f, wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden voor buitenopslag, tenzij de buitenopslag inherent is aan de bedrijfsvoering/bedrijfsactiviteit bij bedrijven zoals genoemd in de tabel "agrarisch technische hulpbedrijven" in artikel 9, lid 9.1.

In deze tabel is het bedrijf aan de [locatie 24] aangeduid als "specifieke vorm van bedrijf - bouw" met een maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 2.112 m².

Op de verbeelding is ter plaatse voorzien in een plandeel met de bestemming "Bedrijf" en deels de aanduiding "bouwvlak". De gronden die aan het bestaande bedrijfsperceel van ongeveer 4.000 m² zijn toegevoegd zijn niet voorzien van deze aanduiding. Het bedrijfsperceel heeft na de uitbreiding een omvang van 9.900 m².

24.3. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012, voor zover hier van belang, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied voorzien in een uitbreiding van een niet-agrarische ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m².

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan een bestemmingsplan, in afwijking van het eerste lid, onder a, dat is gelegen in agrarisch gebied voorzien in een redelijke uitbreiding van een bestaand niet-agrarisch bedrijf in de milieucategorie 1 of 2, gelegen op een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m² of van een bestaand niet-agrarisch bedrijf in de milieucategorie 3 of hoger, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat waarbij blijkt dat:

a. overeenkomstige toepassing is gegeven aan de aspecten van verantwoording bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, in samenhang met de verantwoording bedoeld in het tweede lid;

b. de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 2.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit;

(…);

Ingevolge artikel 3.8, vierde lid, blijkt uit de in het derde lid bedoelde verantwoording dat:

a. de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om op het in gebruik zijnde bestemmingsvlak tegemoet te komen aan de ruimtebehoefte door middel van zorgvuldig ruimtegebruik bedoeld in artikel 3.6, derde lid;

b. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot uitbreiding of vestiging ter plaatse;

c. de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om het bedrijf te verplaatsen naar of te vestigen op:

1. een bedrijventerrein in een nabijgelegen stedelijk concentratiegebied, of, 2. een nabijgelegen bovenregionaal bedrijventerrein, of,

3. (…), of,

4. als laatste mogelijkheid, enig ander bedrijventerrein in de eigen gemeente.

24.4. De Afdeling stelt vast dat is voorzien in een uitbreiding van een niet-agrarische ontwikkeling in agrarisch gebied en dat het bestemmingsvlak een omvang heeft van aanzienlijk meer dan 5.000 m². Een dergelijke uitbreiding is in strijd met artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2012, tenzij de plantoelichting een verantwoording bevat als bedoeld in het derde lid. In de plantoelichting ontbreekt een dergelijke verantwoording echter. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 11.6, eerste en derde lid, van de Verordening 2012. Voorts ziet de Afdeling in de in het verweerschrift gegeven motivering voor de uitbreiding geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Daarbij is van belang dat de agrarische bestemming die op het perceel aan de Bredaseweg rust het gebruik voor bedrijfsmatige opslag niet toestaat en dat niet is gebleken dat dit gebruik anderszins is toegestaan. Tegen dit gebruik kan door het gemeentebestuur handhavend worden opgetreden en derhalve is de door de raad gewenste beëindiging van dit illegale gebruik ter plaatse dan ook niet zonder meer een reden om te voorzien in een compenserende uitbreiding aan de Grote Heistraat. De raad heeft verder niet verantwoord dat de uitbreiding van de niet-agrarische functie met meer dan 5.000 m², waardoor een bestemmingsvlak van meer dan 9.000 m² ontstaat, in redelijke verhouding staat tot de zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit en dat er geen andere mogelijkheden waren dan te voorzien in deze grote uitbreiding van het bedrijfsperceel in het agrarische gebied. Zo is niet inzichtelijk geworden waarom vestiging op andere al dan niet regionale bedrijventerreinen geen mogelijkheid is. De stelling van de raad dat op andere al dan niet regionale bedrijventerreinen niet in voldoende buitenopslag kan worden voorzien is niet onderbouwd en de stelling dat het bedrijf voornamelijk Zundertse klanten heeft rechtvaardigt de uitbreiding ter plaatse evenmin. Voorts ontslaat de ligging van het perceel in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling de raad, gelet op artikel 3.8, eerste lid, van de Verordening 2012, niet van de voormelde verantwoordingsplicht. Anders dan de raad betoogt, volgt uit de omstandigheden dat er over deze uitbreiding met het provinciebestuur overleg is geweest en er in zoverre geen reactieve aanwijzing is gegeven niet dat het bestreden plandeel in overeenstemming zou zijn met de Verordening 2012. Overigens wijst de Afdeling er nog op dat artikel 9, lid, 9.5, onder 9.5.3, aanhef en onder f, van de planregels buitenopslag ter plaatse niet mogelijk maakt, nu het bedrijf niet is bestemd als een agrarisch technisch hulpbedrijf.

24.5. In hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 11.6, eerste en derde lid, van de Verordening 2012. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 24], voor zover het perceel T2033 betreft. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant sub 18] overigens aanvoert geen bespreking.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals dat luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

De beroepen van [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20]

Ontvankelijkheid

25. [appellant sub 19] en anderen, die aan het [locatie 25], [locatie 26] en [locatie 27] te Rijsbergen wonen, en [appellant sub 20], die aan het [locatie 28] te Rijsbergen woont, richten zich tegen een plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" dat is aangewezen als locatie voor natuurcompensatie.

25.1. Op een afstand van 200 m ten westen van het Vervul ligt een aaneengesloten gebied van 9 ha dat is bedoeld voor natuurcompensatie in verband met de permanente bewoning van recreatiewoningen in het Oekelsbos. Aan dit gebied is de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" toegekend. Vanuit de woningen van [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20] is geen zicht op de betrokken percelen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op de door [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20] bestreden plandelen mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om in zoverre een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Voorts hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20] in zoverre geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, geen beroep kunnen instellen. De beroepen zijn niet-ontvankelijk, voor zover het betreft het voormelde plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" nabij het Vervul.

Formele aspecten

26. [appellant sub 20] betoogt dat op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl twee verschillende versies van de vastgestelde planregels zijn gepubliceerd, hetgeen in strijd is met artikel 3.8 van de Wro en artikel 1.2.2 van het Bro.

26.1. De Afdeling stelt vast dat op de in artikel 1.2.2 van het Bro bedoelde landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl één vastgestelde versie van het voorliggende plan staat met IMRO-nummer NL.IMRO.0879.BPBuitengebied-VS01, hetgeen in overeenstemming is met het vaststellingsbesluit. Niet is gebleken dat op www.ruimtelijkplannen.nl een andere versie van het vastgestelde plan is bekendgemaakt en beschikbaar gesteld. Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag.

27. [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20] voeren aan dat de raad ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op de door hen ingediende zienswijzen tegen het projectbesluit van 26 mei 2011, die als herhaald en ingelast bij de zienswijzen tegen het plandeel aan het [locatie 30] dienden te worden beschouwd, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

27.1. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

Percelen aan het Vervul

28. [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20] voeren aan dat de bestemming "Waarde - Kwetsbare soorten" ten onrechte niet aan de percelen aan het Vervul is toegekend, nu de in artikel 30, lid 30.1, van de planregels opgenomen plant- en diersoorten in de directe omgeving voorkomen. De door hen ter plaatse van het Vervul waargenomen diersoorten staan op de zogenoemde Rode Lijst, zodat op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) hieraan bescherming toekomt.

28.1. Over het betoog dat in strijd met de Ffw in verband met de aanwezigheid van plant- en diersoorten de bestemming "Waarde - Kwetsbare soorten" niet aan het perceel is toegekend, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20] geen gegevens hebben overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse te beschermen planten- en diersoorten bevinden die deze bestemming rechtvaardigen. De enkele stelling dat zij ter plaatse geregeld beschermde diersoorten hebben waargenomen acht de Afdeling in dit verband onvoldoende. Het betoog faalt.

29. [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20] betogen dat de aanduidingen "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied", "wro-zone - ecologische verbindingszone", "wro-zone reserveringsgebied waterberging" en "beschermingszone natte natuurparel c.q. natuur" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Attentiegebied EHS", "Waarde natuurontwikkelingsgebied" en "Waterstaat - Waterbergingsgebied" welke krachtens de Verordening 2012 en de Reconstructiewet concentratiegebieden aan het Vervul moeten worden toegekend, ten onrechte niet juist in het plan zijn opgenomen.

29.1. De Afdeling stelt vast dat de begrenzing van de betreffende gebiedsaanduidingen op de kaarten "Ontwikkeling intensieve veehouderij", "Water" en "Natuur en landschap" van de Verordening 2012 overeenkomt met de begrenzing van de aanduidingen "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied", "wro-zone - ecologische verbindingszone" en "wro-zone reserveringsgebied waterberging" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Attentiegebied EHS", "Waarde natuurontwikkelingsgebied" en "Waterstaat - Waterbergingsgebied" ter plaatse van het Vervul, zodat het betoog feitelijke grondslag mist.

Daargelaten de vraag of de begrenzing van de natte natuurparels overeenkomstig het reconstructieplan De Baronie in dit plan is opgenomen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2010, in zaak nr. 200807643/1/R1, dat bij de correctieve herziening van het reconstructieplan De Baronie voor de begrenzing en werking van natte natuurparels geen toepassing meer is gegeven aan artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. Gelet hierop is de begrenzing van de natte natuurparels niet als bindend beoogd, zodat de raad bij de vaststelling van het plan een nadere afweging hieromtrent heeft mogen maken. Het betoog faalt.

[locatie 28]

30. [appellant sub 20] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" op het perceel [locatie 28] te Rijsbergen. Hiertoe voert hij aan dat de bestemming "Wonen" ten onrechte niet aan het gehele perceel is toegekend, nu aan zijn achtertuin de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" is toegekend. De raad heeft hierbij de kadastrale grenzen niet in acht genomen.

Ten onrechte heeft de raad deze zienswijze inhoudelijk niet beantwoord.

30.1. De Afdeling stelt vast dat de raad de zienswijze van [appellant sub 20] over het perceel [locatie 28] ten onrechte geheel inhoudelijk onbesproken heeft gelaten. Nu de raad in zijn verweerschrift en ter zitting alsnog is ingegaan op deze bezwaren over dit perceel, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb dit gebrek te passeren.

30.2. De raad stelt zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt dat [appellant sub 20] een vergroting van zijn woonbestemming met een oppervlakte van 1.500 m² naar 3.230 m² wenst. Nu de huidige woning van [appellant sub 20] een oppervlakte van 245 m² heeft, beschikt [appellant sub 20] reeds over een voldoende groot bestemmingsvlak. Voorts stelt de raad dat bebouwing bij de bestemming "Wonen" geconcentreerd dient te zijn en verstening van het buitengebied en de groenblauwe mantel dient te worden tegengegaan. Bij het toekennen van een woonbestemming is de kadastrale grens niet bepalend.

30.3. Aan het perceel [locatie 28] zijn de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

c. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden.

(…);

k. tuinen behorende bij (burger)woningen.

30.4. Het perceel is in de Verordening 2012 aangeduid als groenblauwe mantel. Uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant sub 20] op termijn een tuinhuisje wil bouwen op het gedeelte van het perceel waaraan de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" is toegekend. Voorts volgt hieruit dat de woonbestemming ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied - burgerbebouwing" en de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" reeds met 500 m² naar een oppervlakte van 1.500 m² is vergroot. Het standpunt van de raad dat de natuur- en landschappelijke waarden van gronden die in de groenblauwe mantel liggen dienen te worden beschermd en bebouwing gelet daarop dient te zijn geconcentreerd, acht de Afdeling niet onredelijk. Daarbij betrekt de Afdeling dat de omvang van het plandeel met de bestemming "Wonen", gelet op de bestaande bebouwing, thans ruim is. Ook is het gebruik als tuin binnen de agrarische bestemming toegestaan, zodat niet is gebleken dat [appellant sub 20] onevenredig in zijn gebruiksmogelijkheden wordt beperkt. Aan de in 1998 verleende bouwvergunning komt niet de betekenis toe die [appellant sub 20] daaraan wenst toe te kennen, nu deze bouwvergunning, voor zover die ziet op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel", is verleend ten behoeve van de bouw van een kennel en de daarbij vergunde woning thans binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" staat. Over de gemaakte vergelijking met andere bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen", die volgens [appellant sub 20] groter of dieper zijn dan het bestemmingsvlak op zijn perceel of aan de achterzijde aansluiten bij de perceelsgrenzen, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de begrenzing per perceel is vastgesteld aan de hand van de mogelijkheden uit de verschillende vorige plannen, de gewenste oppervlakte, mede in verhouding tot de woning, en de bestaande legale bebouwing op het perceel. [appellant sub 20] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de door hem bedoelde andere percelen een vergelijkbare situatie tot een andere begrenzing heeft geleid. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om een groter plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 28] op te nemen.

Het betoog faalt.

[locatie 29]

31. [appellant sub 20] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" op het perceel [locatie 29] te Rijsbergen. Hiertoe voert hij aan dat ter plaatste in het voorheen geldende plan "Buitengebied Rijsbergen" en de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" geen agrarische bestemming met bouwvlak was toegekend. Gelet hierop en op het feit dat in het verleden geen agrarisch bedrijf op dit perceel was gevestigd, is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" ten onrechte toegekend. Voorts is gelet hierop in strijd met de Verordening 2012 een nieuw bouwvlak opgenomen.

31.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwwerk op het perceel overeenkomstig de bouwvergunning uit 1962 voor een werkplaats en de bestaande situatie als zodanig is bestemd.

31.2. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" en "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" toegekend.

31.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een boomteeltbedrijf.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder q, is op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" een voormalig agrarisch bedrijf toegestaan.

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1.1, onder e, mag op de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel voor een bedrijfswoning, tenzij de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" op de planverbeelding is opgenomen.

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1.2, onder b, is het ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" niet toegestaan te bouwen.

31.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" was de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" aan het perceel toegekend.

31.5. Ingevolge artikel 10 van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard op de beheersverordening, zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarische productiedoeleinden en om als bouwplaats te dienen voor de volgens dit artikel mogelijke bouwwerken, alsmede voor het behoud van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden.

Ingevolge lid A, onder I, mag op of in de tot "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" bestemde gronden niet worden gebouwd, behoudens terreinafrastering tot een hoogte van maximaal 2 m, terwijl de in lid E, onder I, van dit artikel bedoelde bouwwerken uitsluitend mogen worden gebouwd in overeenstemming met een door het college van burgemeester en wethouders uitgewerkt plan, dat onherroepelijke rechtskracht heeft verkregen.

Ingevolge lid E, onder I, werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" nader uit door het aanwijzen van bouwblokken met de bestemming "Agrarisch bouwblok" ten behoeve van een daadwerkelijke vestiging van nieuwe volwaardige agrarische bedrijven.

31.6. Vast staat dat het bouwwerk op grond van een in 1962 verleende bouwvergunning is gebouwd. Nu bestaande legale bouwwerken in beginsel als zodanig dienen te worden bestemd heeft de raad terecht gekozen voor het toekennen van een bouwvlak. In de bouwvergunning is het bouwwerk aangeduid als werkplaats en is niet vermeld voor welk gebruik de werkplaats is bedoeld. Voorts staat vast dat ter plaatse geen agrarisch bedrijfsgebouw was toegestaan, nu geen bouwvlak met de bestemming "Agrarisch bouwblok" was opgenomen en het ingevolge artikel 10, lid A, onder I, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard in de beheersverordening, niet was toegestaan om bebouwing te bouwen. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er ter plaatse sprake is van een gebouw bij een voormalig agrarisch bedrijf. Bovendien is gebleken dat de eigenaar van het gebouw dit niet agrarisch gebruikt en wil gebruiken, maar recreatief. Onder de gegeven omstandigheden is de toegekende bestemming niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog slaagt en hetgeen [appellant sub 20] overigens heeft aangevoerd over [locatie 29] behoeft geen bespreking.

[locatie 30]

32. [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20] betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "paardenhouderij" op het perceel [locatie 30] te Rijsbergen heeft vastgesteld. Zij voeren aan dat de paardenhouderij ter plaatse geen agrarisch bedrijf is als bedoeld in het plan en de Verordening 2012, nu de bedrijfsvoering niet is gericht op het voortbrengen van producten en het houden van dieren geen agrarische activiteit is. De paardenhouderij is gericht op het africhten en verhandelen van paarden. Het fokken van paarden gebeurt elders, zodat van een productiegerichte paardenhouderij als bedoeld in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels geen sprake is. Zij voeren voorts aan dat in strijd met de Verordening 2012 is voorzien in de nieuwvestiging van een paardenhouderij in de groenblauwe mantel. Het perceel had in de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" en het daaraan voorafgaande bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" blijkens de ter plaatse geldende bestemming "Agrarisch perceel op afstand" een relatie met een elders gevestigd agrarisch bedrijf, zodat ten onrechte is voorzien in een zelfstandig agrarisch bouwvlak.

32.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de paarden ter plaatse worden gefokt en afgericht, hetgeen volgens artikel 1, lid 1.124, van de planregels duidt op een agrarisch bedrijf. Nu de bedrijfsvoering in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt, dient de paardenhouderij als grondgebonden agrarisch bedrijf te worden aangemerkt. Verder stelt de raad primair dat het perceel reeds een zelfstandig agrarisch bouwvlak had, nu de bestemming "Agrarisch perceel op afstand" een zelfstandig agrarisch bouwvlak zonder bedrijfswoning inhield. Subsidiair betoogt de raad dat indien op het perceel geen zelfstandig bouwvlak rustte het huidige gebruik onder het overgangsrecht is komen te vallen en als zodanig diende te worden bestemd. De raad wijst er op dat het perceel met de schuur ten tijde van het in werking treden van het voorheen geldende plan als zelfstandig agrarisch bouwvlak in gebruik was voor het houden van vee door een veehandelaar, waarbij geen koppeling bestond met een perceel met de bestemming "Agrarisch bouwblok".

32.2. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", de aanduiding "paardenhouderij" en een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 1, onder 1.11, van de planregels, wordt onder agrarisch bedrijf, algemeen, verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of houden van dieren.

Ingevolge lid 1.124 wordt onder productiegerichte paardenhouderij verstaan: een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het door middel van een gericht fok- en/of africhtingsprogramma trachten een paard op een hoger niveau te brengen, waardoor de waarde van dat paard in het economisch verkeer toeneemt, zoals (op)fokbedrijven, hengstenstations, africhtings- en trainingsbedrijven.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en f, zijn de als "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een boomteeltbedrijf, en ter plaatse van de aanduiding "paardenhouderij" is tevens een productiegerichte paardenhouderij toegestaan.

32.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" en de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" was aan het perceel [locatie 30] de bestemming "Agrarisch perceel op afstand" en de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 7 van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard in de beheersverordening, zijn de op de plankaart als "Agrarisch perceel op afstand" aangewezen gronden bestemd voor agrarische productiedoeleinden en om als bouwplaats te dienen voor agrarische bedrijfsbebouwing, echter zonder agrarische bedrijfswoning.

Ingevolge lid A, onder I, mogen op de tot "Agrarisch perceel op afstand" bestemde gronden uitsluitend bouwwerken, geen woningen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 10 zijn de op de plankaart als "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" aangewezen gronden bestemd voor agrarische productiedoeleinden en om als bouwplaats te dienen voor de volgens dit artikel mogelijke bouwwerken, alsmede voor het behoud van de aldaar voorkomende dan wel daaraan eigen landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden.

Ingevolge lid A, onder I, mag op of in de tot "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" bestemde gronden niet worden gebouwd, behoudens terreinafrastering tot een hoogte van maximaal 2 m, terwijl de in lid E, onder I, van dit artikel bedoelde bouwwerken uitsluitend mogen worden gebouwd in overeenstemming met een door het college van burgemeester en wethouders uitgewerkt plan, dat onherroepelijke rechtskracht heeft verkregen.

Ingevolge lid E, onder I, werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" nader uit door het aanwijzen van bouwblokken met de bestemming "Agrarisch bouwblok" ten behoeve van een daadwerkelijke vestiging van nieuwe volwaardige agrarische bedrijven.

32.4. Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 9, van de Verordening 2012, wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 36, wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

Ingevolge artikel 1.1, aanhef en onder 59, wordt onder nieuwvestiging verstaan: projectie van een al dan niet gekoppeld agrarisch bouwblok op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een zelfstandig bouwblok.

Artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf niet is toegestaan.

32.5. Over het betoog dat de raad de bedrijfsactiviteiten niet als agrarisch heeft mogen aanmerken overweegt de Afdeling als volgt. Vast is komen te staan dat de activiteiten van het [bedrijf B] ten tijde van het bestreden besluit in ieder geval bestonden uit het inkopen, africhten en verkopen van paarden en pony’s. Uit het deskundigenbericht volgt dat, ondanks de aanwezigheid van een aantal merries met veulens, niet met zekerheid kon worden vastgesteld of ook met paarden en pony’s werd gefokt. Dit laat echter onverlet dat [bedrijf B] ter zitting heeft verklaard voornemens te zijn om binnen de planperiode op structurele basis te gaan fokken met paarden en pony’s. Een bedrijf dat onder meer paarden en pony’s fokt is een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1, lid 1.124, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.11, van de planregels, nu dit productiegericht is en zich in zoverre onderscheidt van bijvoorbeeld een manege. Nu de raad een dergelijk bedrijf mogelijk heeft willen maken en de toegekende regeling onder meer het fokken met paarden en pony’s toestaat, is het bedrijf terecht als een agrarisch bedrijf aangemerkt. Het betoog faalt.

32.6. Naar aanleiding van het betoog dat in strijd is gehandeld met artikel 6.4 van de Verordening 2012 ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of door het toekennen van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "paardenhouderij" met een bouwvlak ten onrechte is voorzien in nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf in de groenblauwe mantel.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 30 april 2014, in zaak nr. 201304992/1/A1 overwogen dat de bestemming "Agrarisch perceel op afstand" in het voorheen geldende plan en de beheersverordening impliceert dat elders reeds een agrarisch bedrijf aanwezig moest zijn en dat artikel 7, aanhef en lid A, van de voorschriften van het bestemmingsplan aldus moet worden gelezen, dat ter plaatse slechts gebouwd mocht worden voor een elders gevestigd agrarisch bedrijf. Een zelfstandig agrarisch bedrijf was ter plaatse niet toegestaan. De Afdeling ziet in hetgeen de raad in deze procedure heeft betoogd geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Aan de verwijzing van de raad naar de plansystematiek in andere bestemmingsplannen komt geen betekenis toe, nu de daarin gehanteerde plansystematiek niet op eenzelfde wijze in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" en de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" was opgenomen.

De stelling van de raad dat de bestemming "Agrarisch perceel op afstand" onverbindend moet worden verklaard indien deze bestemming niet zou voorzien in een zelfstandig agrarisch bouwvlak kan, wat daar ook van zij, niet met zich brengen dat op het perceel alsnog een zelfstandig agrarisch bouwvlak zou hebben gerust. Nu voorts niet is gebleken dat de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" ter plaatse van het perceel [locatie 30] nader is uitgewerkt door het aanwijzen van een bouwvlak met de bestemming "Agrarisch bouwblok", was ingevolge artikel 10, lid A, onder I, van de voorschriften van het voorheen geldende regime ook aan de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" geen bouwvlak toegekend.

Het subsidiaire betoog van de raad dat het huidige gebruik van het perceel en de schuur voor de paardenhouderij onder het overgangsrecht is komen te vallen en derhalve moest worden voorzien in een zelfstandig agrarisch bouwvlak volgt de Afdeling evenmin. Uit het in het kader van het projectbesluit verrichte historische onderzoek naar het perceel [locatie 30] volgt immers dat voor dit perceel niet is vast te stellen of een planologische relatie bestond met een elders gevestigd agrarisch bedrijf. Ten tijde van de inwerkingtreding van het voorheen geldende plan was het perceel [locatie 30] in eigendom van [belanghebbende A], die woonde op het perceel [locatie 27]. Dat perceel had de bestemming "Agrarisch nevenbedrijf". Uit de door hem overgelegde verklaring volgt dat het perceel [locatie 30] in gebruik was voor stalling en het houden van paarden, koeien en schapen en het incidenteel melken van koeien, maar de raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat het perceel in gebruik was als zelfstandig agrarisch bouwvlak en dat het huidige gebruik voor een zelfstandig agrarisch bedrijf onder de beschermende werking van het overgangsrecht is komen te vallen. Voor zover [bedrijf B] er op wijst dat de op het perceel aanwezige schuur legaal is en als zodanig voor de paardenhouderij dient te worden bestemd, wordt overwogen dat niet is gebleken dat voor de schuur een bouwvergunning is verleend die het gebruik voor een zelfstandig agrarisch bedrijf toestond.

Het perceel is in de Verordening 2012 aangeduid als groenblauwe mantel. Nu het perceel niet beschikte over een zelfstandig agrarisch bouwvlak en de projectie van een agrarisch bouwblok op een dergelijke locatie, gelet op artikel 1.1, aanhef en onder 59, van de Verordening 2012, als nieuwvestiging wordt aangemerkt, is de nieuwvestiging van de productiegerichte paardenhouderij in strijd met artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012. Het betoog slaagt.

32.7. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden over het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "paardenhouderij" en een bouwvlak aan het [locatie 30] geen bespreking.

Conclusie

33. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" op het perceel [locatie 29], is genomen in strijd met artikel 3.1 van Wro.

In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "paardenhouderij" met een bouwvlak op het perceel [locatie 30], is genomen in strijd met artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012. De beroepen van [appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20] zijn, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen met inachtneming van deze uitspraak in zoverre een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 21A]

34. [appellant sub 21A], die aan de [locatie 31] te Rijsbergen woont, betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met bestemming "Wonen" en de aanduidingen "recreatiewoning" en "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat ten onrechte de permanente bewoning van de recreatiewoning niet als zodanig is bestemd, terwijl de woning al sinds omstreeks 1980 permanent werd bewoond. Het gebruik viel onder het overgangsrecht en zal niet binnen de planperiode worden beëindigd. Aanvankelijk erkende de raad dat ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Ten onrechte is gesteld dat de permanente bewoning van de recreatiewoning illegaal is en is het gebruik onder persoonsgebonden overgangsrecht gebracht. Een verwijzing naar het amendement is hiertoe onvoldoende, nu dit amendement onvoldoende is gemotiveerd. De permanente bewoning van solitaire recreatiewoningen is ruimtelijk niet vergelijkbaar met de permanente bewoning van recreatiewoningen in recreatieparken. Voorts is niet gemotiveerd waarom dit in strijd is met provinciaal beleid. Nu op 2 april 2007 een bouwvergunning is verleend, is bovendien impliciet vrijstelling verleend voor het gebruik.

34.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de permanente bewoning van de recreatiewoning terecht niet als zodanig is bestemd. Dat in het amendement niet staat dat het standpunt dat permanente bewoning van recreatiewoningen niet als zodanig wordt bestemd ook geldt voor solitaire recreatiewoningen doet hier niet aan af. Het als zodanig bestemmen van dit gebruik is daarnaast in strijd met de Verordening 2012. Aan de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie kan in dit kader geen betekenis worden toegekend, nu reeds in 1998 te kennen is gegeven dat deze inschrijving niet tot een herziening van de bestemming ter plaatse zal leiden. Verder is bij brief van 1 oktober 2003 te kennen gegeven dat permanente bewoning ter plaatse niet is toegestaan. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat de recreatiewoning voor 1998 permanent werd bewoond, valt dit gebruik niet onder het overgangsrecht. Met de in 2007 verleende bouwvergunning voor het vernieuwen van een recreatiewoning is het gebruik volgens de raad voorts niet toegestaan. Verder is de recreatiewoning in 2006 volledig afgebroken en met deze bouwvergunning opnieuw gebouwd, zodat de permanente bewoning van de recreatiewoning niet onder het overgangsrecht valt.

34.2. Ingevolge paragraaf V, lid B, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" uit 1977 mag, indien op het tijdstip van het van kracht worden van het plan gronden en opstallen worden gebruikt in strijd met het in dit plan voorgeschreven gebruik, dit strijdige gebruik van gronden en opstallen worden voortgezet.

34.3. Uit het voorheen geldende bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied - burgerbebouwing" uit 1986 volgt dat de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1977 van toepassing blijven, behoudens een aantal voorschriften. De overgangsbepalingen van het plan "Buitengebied" uit 1977 zijn van toepassing gebleven. In het bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied - burgerbebouwing" was de bestemming "Woonbos" aan het perceel toegekend. Op de plankaart was het perceel met nr. 302 aangeduid. In het woningregister is bij woning nr. 302 een "R" opgenomen.

Ingevolge artikel 15 van de voorschriften van dat plan zijn de op de plankaart als "Woonbos" aangewezen gronden bestemd voor het in stand houden van het aldaar aanwezige bos ten behoeve van de opbouw van het landschap en het behoud van de aldaar aanwezige landschappelijke waarden, alsmede voor wonen door middel van het uitsluitend in stand houden van de daar aanwezige burgerwoningen in de vorm van eengezinshuizen en/of recreatiewoningen.

Ingevolge lid A, onder I, aanhef en sub b, aanhef en onder 3, mag binnen elk op de plankaart afzonderlijk aangeduid bestemmingsoppervlak, indien voor het betreffende bestemmingsvlak een "R" in het bij dit plan behorende woningregister is aangegeven, uitsluitend een vrijstaande recreatiewoning, bestemd voor niet permanente woning, worden gebouwd.

Ingevolge lid D, onder I, aanhef en sub 2, is het verboden de opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming. Onder zodanig verboden gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de opstallen voor permanente bewoning indien het een recreatiewoning betreft.

34.4. De raad heeft op 26 mei 2011 de beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" vastgesteld, die op 15 juni 2011 in werking is getreden.

Ingevolge artikel 1 van de beheersverordening zijn op onderhavige beheersverordening "Buitengebied Rijsbergen" de relevante voorschriften (thans: regels) en de bijbehorende plankaart (thans: verbeelding) van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen", zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Rijsbergen bij besluit van 5 december 1977 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 7 februari 1979 van overeenkomstige toepassing met inachtneming van het bepaalde in deze beheersverordening.

Uit artikel 5 van de beheersverordening volgt dat paragraaf V (Overgangsbepaling) van het bestemmingsplan "Buitengebied Rijsbergen" is geschrapt.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder a, van de beheersverordening mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is worden voortgezet.

Ingevolge lid 5.2, onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

34.5. Aan het perceel [locatie 31] zijn de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "recreatiewoning" en "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge het bepaalde onder aanhef en onder b, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" uitsluitend bestemd voor een recreatiewoning, indien naast de aanduiding "recreatiewoning" ook de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" is opgenomen gelden tevens de bepalingen zoals opgenomen in artikel 43, lid 43.3.

Ingevolge lid 22.5, onder 22.5.3, aanhef en sub d, wordt onder verboden gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden voor permanente bewoning van kampeermiddelen of verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een bed and breakfast of een recreatiewoning.

Ingevolge artikel 43, lid 43.3, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" het gebruik (het permanent bewonen van een recreatiewoning) in strijd met het bestemmingsplan. Dit gebruik mag worden voortgezet door diegene(n) die het gebouw gebruikt ten tijde van vaststelling van dit plan. Zodra het gebruik door de bestaande gebruiker(s) wordt beëindigd, vervalt het recht op permanente bewoning van de recreatiewoning. Als bestaande gebruiker(s) wordt(/worden) aangemerkt de persoon(/personen) die op het moment van vaststelling van dit plan volgens de Gemeentelijke Basis Administratie van de gemeente Zundert als hoofdbewoner en (eventueel indien daar sprake van is) diens partner staan ingeschreven op het betreffende adres.

34.6. Uit het deskundigenbericht volgt dat de woning is opgericht in de jaren ’50 en dat bij de gemeente daarvan geen bouwvergunning aanwezig is. Voor de recreatiewoning is op 13 maart 1990 een bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vervangen van een seizoenswoonverblijf. Op 18 april 2000 is een vergunning verleend voor het vernieuwen van de goten en het ommetselen van de recreatiewoning. De toenmalige eigenaar van de recreatiewoning, [appellant sub 21B], heeft de houten recreatiewoning met een oppervlakte van 70 m² begin 2006 geheel afgebroken. Overeenkomstig de op 2 april 2007 verleende bouwvergunning voor het vernieuwen van een recreatiewoning is een nieuwe stenen recreatiewoning van 140 m² gebouwd. Deze vergunning kan, anders dan [appellant sub 21A] stelt, niet gelden als een impliciete vrijstelling van het voorheen geldende planologische regime, nu deze bouwvergunning niet is verleend met het oogmerk om permanente bewoning van een reactiewoning toe te staan. Het betoog faalt.

34.7. De Afdeling stelt vast dat de oorspronkelijke houten recreatiewoning van 70 m² begin 2006 geheel is gesloopt en dat een stenen gebouw van 140 m² daarvoor in de plaats is gebouwd, hetgeen [appellant sub 21A] ter zitting heeft bevestigd. Nu de nieuwe recreatiewoning na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied - burgerbebouwing" is gebouwd, is geen sprake van voorzetting van het gebruik als bedoeld in paragraaf V, lid B, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1977, maar van een volledige en gewijzigde herbouw. Hierbij verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 10 juli 2013 in zaak nr. 201210876/1/A1. Een andere opvatting zou tot effect hebben dat nieuwe bebouwing zou kunnen worden opgericht mede ten behoeve van met de bestemming strijdig gebruik dat wordt gedekt door het overgangsrecht, hetgeen in strijd is met het doel en de strekking van het overgangsrecht met betrekking tot gebruik. Dit betekent dat het gebruik van de thans op het perceel aanwezige recreatiewoning niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied - burgerbebouwing" viel en gelet hierop ten tijde van het bestreden besluit ingevolge het overgangsrecht van de beheersverordening niet was toegestaan.

Het betoog faalt.

34.8. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat het vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is de permanente bewoning van de recreatiewoning als zodanig te bestemmen niet onredelijk. Daarbij is van belang dat de raad een beleid voert waarbij het als zodanig bestemmen van permanente bewoning van recreatiewoningen in het plangebied wordt tegengegaan om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen. Voor zover [appellant sub 21A] betoogt dat de permanente bewoning van recreatiewoningen in een recreatiepark niet kan worden vergeleken met de permanente bewoning van een solitaire recreatiewoning, overweegt de Afdeling dat dit, wat daar ook van zij, niet afdoet aan voormeld beleid, nu een woonbestemming gepaard gaat met ruimere bouwmogelijkheden, hetgeen zou kunnen leiden tot grotere bouwvolumes en meer bijgebouwen. Anders dan de raad stelt, geldt dit beleid blijkens het amendement thans voor alle permanente bewoning van recreatiewoningen. Dat een woonbestemming voor het plandeel geen negatieve gevolgen zou hebben voor de omgeving en ook anderszins niet leidt tot belemmeringen voor bestaande functies, geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in een woonbestemming had moeten voorzien. Het betoog faalt.

34.9. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een woonbestemming niet in overeenstemming zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Dat de permanente bewoning van de recreatiewoning gelet op artikel 43, lid 43.3, van de planregels niet door [appellant sub 21A] mag worden voortgezet, doet hieraan niet af. Uit de in het kadaster ingeschreven leveringsakte volgt overigens dat [appellant sub 21A] bij de koop van de recreatiewoning op de hoogte was van het feit dat permanente bewoning niet is toegestaan.

34.10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 21A] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 22]

35. [appellant sub 22] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan de [locatie 32] te Rijsbergen ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad ten onrechte geen bedrijfsbestemming heeft toegekend, waarmee zijn installatiebedrijf zou zijn toegestaan. Ook maakt het plan ten onrechte geen detailhandel mogelijk. De raad stelt voorts ten onrechte dat geen woning is toegestaan. De raad heeft in strijd met het gelijkheidsbeginsel aan zijn perceel geen bedrijfsbestemming toegekend en aan andere percelen wel.

35.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel onder het voorheen geldende plan behoorde bij het aan de overzijde gelegen agrarische bedrijf. Nu het gebruik als installatiebedrijf en de daartoe opgerichte bebouwing illegaal zijn, is het bedrijf niet als zodanig bestemd. Omdat de situatie voorafgaand aan de vaststelling van de beheersverordening is ontstaan, heeft de raad wel een zelfstandig bouwvlak toegekend. Bij een concreet initiatief bestaat de mogelijkheid de bestemming te wijzigen naar een niet-agrarische bedrijfsbestemming. De raad stelt dat hij niet heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

35.2. Het perceel [locatie 32] heeft de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf", waarbinnen een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan met ondergeschikte detailhandel van eigen producten als nevenactiviteit.

Het bestreden plandeel heeft geen aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten". Ter zitting is vast komen te staan dat niet langer in geschil is dat gelet daarop een bedrijfswoning ter plaatse is toegestaan.

35.3. Ingevolge het op grond van de beheersverordening voorheen geldende plan "Buitengebied Rijsbergen" uit 1977 had het perceel de bestemming "Agrarisch gebied vrije vestiging", waarbinnen agrarisch gebruik en bebouwing was toegestaan.

35.4. Volgens het deskundigenbericht had de vader van [appellant sub 22] tot 2002 op deze gronden en op het tegenovergelegen perceel nog een gemengd agrarisch bedrijf en heeft [appellant sub 22] ter plaatse thans een installatiebedrijf voor cv's en zonnepanelen en een ondergeschikte viskwekerij in siervissen met daarbij behorende detailhandel. Daarnaast legt hij buitenwaterbassins en helofytenfilters aan. Het gebruik van het perceel voor voornamelijk niet-agrarische bedrijfsactiviteiten is in strijd met het voorheen geldende regime aangevangen en valt niet onder het overgangsrecht van de beheersverordening. Dat de bedrijfsactiviteiten al geruime tijd ter plaatse plaatsvinden, maakt niet dat de raad is gehouden het als zodanig te bestemmen, nu het gelet op het voorgaande illegaal gebruik is. Dat ter plaatse op dit moment geen volwaardig agrarisch bedrijf is gevestigd, maakt evenmin dat de raad de door [appellant sub 22] gewenste bedrijfsbestemming, die een andere ruimtelijke uitstraling dan agrarisch gebruik met zich brengt, dient toe te kennen. Over detailhandel heeft de raad gesteld dat dit ongewenst is in het buitengebied en gelet daarop slechts als ondergeschikte nevenactiviteit voor eigen producten wordt mogelijk gemaakt. De Afdeling acht dat uitgangspunt niet onredelijk. Niet is gebleken van omstandigheden waardoor de raad in dit geval van het uitgangspunt had dienen af te wijken. Over de door [appellant sub 22] gemaakte vergelijking met een aantal andere bedrijfspercelen wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de situatie op het perceel van [appellant sub 22], waarbij het gaat om een afgesplitst agrarisch perceel met deels nog bestaande agrarische activiteiten en een illegaal niet-agrarisch gebruik, mede in illegale bebouwing, niet vergelijkbaar is met de situaties op die andere percelen. In hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de genoemde situaties niet overeenkomen met de aan de orde zijnde situatie. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de agrarische bestemming van het perceel in het plan kunnen handhaven. Overigens kan de bestemming op grond van artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.6, van de planregels bij een concreet initiatief en indien aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, worden gewijzigd naar de bestemming "Bedrijf".

35.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 22] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 23]

36. [appellant sub 23] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 2", voor zover dat ziet op zijn woning aan de [locatie 33] te Zundert, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat zijn woning conform het feitelijke gebruik niet als tweede bedrijfswoning, maar als burgerwoning dient te worden bestemd. Hij voert aan dat dit niet in strijd is met het gemeentelijk en provinciaal beleid en dat in een vergelijkbare situatie wel een woonbestemming is toegekend.

36.1. De raad stelt zich op het standpunt uit de bouwvergunning die is verleend voor de vergroting van de woning ter plaatse niet volgt dat dit ten behoeve van een burgerwoning was. Het toevoegen van een burgerwoning is in strijd met het provinciale beleid en zou het naastgelegen agrarische bedrijf kunnen beperken.

36.2. Ter plaatse van de woning van [appellant sub 23] geldt de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". De woning vormt samen met het perceel [locatie 34] een agrarisch bouwvlak met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden = 2". Ter plaatse is een agrarisch bedrijf toegestaan en twee bedrijfswoningen.

36.3. Niet is in geschil dat het perceel in voorheen geldende plannen ook samen met het perceel [locatie 34] een agrarische bedrijfsbestemming had, waarbij één bedrijfswoning was toegestaan. Deze plannen stonden derhalve geen burgerwoning toe. Uit de in 1975 en 2008 verleende bouwvergunningen voor de verbouw van het pand aan de [locatie 34], waaruit de twee woningen zijn ontstaan, volgt niet dat deze zijn verleend voor de bouw van een burgerwoning. Dat de woning aan de [locatie 33] en bijbehorende gronden in het kader van de Wet waardering onroerende zaken als een burgerwoning en privégronden worden aangemerkt, maakt evenmin dat planologisch een burgerwoning was toegestaan. De enkele omstandigheid dat het provinciale beleid de omzetting van een bedrijfswoning naar burgerwoning onder voorwaarden toestaat, maakt niet dat de raad ook is gehouden in dit geval een woonbestemming toe te kennen. De raad heeft bij de keuze voor de bestemming van de woning terecht betrokken dat een bestemming als burgerwoning beperkingen op kan leveren voor het agrarisch bedrijf aan de [locatie 34], nu dit bedrijf direct naast de woning ligt. Gelet daarop en nu een burgerwoning ter plaatse nooit was toegestaan, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de agrarische bestemming ter plaatse heeft kunnen handhaven.

Over de door [appellant sub 23] gemaakte vergelijking met een ander perceel wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het agrarische bedrijf op dat perceel is beëindigd en de aanduiding "vrijkomende agrarische bedrijfslocatie" is toegekend. Die woning ligt derhalve niet naast een agrarisch bedrijf waarvoor het een beperking kan vormen. In hetgeen [appellant sub 23] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 23] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

36.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 23] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 24]

37. [appellant sub 24] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aan de [locatie 35] te Zundert ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte geen groter bouwvlak dan 2 ha is toegekend. De Verordening 2012 staat aan een grotere omvang van het bouwvlak niet in de weg. Nu voor boomteeltbedrijven een maximaal bouwvlak van 4 ha is toegestaan, is de beperking tot 2 ha willekeurig. Ook voert hij aan dat ten onrechte een bestaande voeropslag niet in het bouwvlak ligt en de grens van het bouwvlak ten onrechte niet overeenkomt met de perceelgrenzen.

37.1. De raad stelt dat de vergunde voerplaten in het bouwvlak liggen. Een vergroting van het bouwvlak is volgens de raad in strijd met de beleidsuitgangspunten. Omdat niet is gebleken dat [appellant sub 24] concrete plannen had voor een uitbreiding of dat een uitbreiding noodzakelijk is voor zijn agrarisch bedrijf, heeft de raad geen aanleiding gezien hiervan af te wijken. Het vorige plan stond bebouwing toe tot een maximale oppervlakte van 1 ha, zodat [appellant sub 24] niet in zijn rechten wordt beperkt.

37.2. Het agrarische bedrijf van [appellant sub 24] aan de [locatie 35] heeft de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf". Daaromheen liggen gronden met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" aangewezen gronden bestemd voor agrarische bodemexploitatie.

Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.4, aanhef en onder c, zijn kuilvoerplaten en sleufsilo's niet toegestaan.

Ingevolge lid 6.7, onder 6.7.2, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onder a. van de Wro de bestemming "Agrarisch -Boomteeltontwikkelingsgebied" te wijzigen in de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" (niet zijnde met de aanduiding 'intensieve veehouderij'), mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

(…)

c. voor grondgebonden agrarische bedrijven, tevens boomteeltbedrijven met de aanduiding "bomenteelt", is vergroting van de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" toegestaan met een maximale omvang van 2 ha en met een maximale oppervlakte aan kassen van 1,5 ha netto glas, mits geen omschakeling plaatsvindt naar een glastuinbouwbedrijf;

(…)

e. voor bestaande glastuinbouwbedrijven met de aanduiding "glastuinbouw" en boomteeltbedrijven met de aanduiding "bomenteelt" is vergroting toegestaan met een maximum van 4 ha en maximaal 3 ha netto glas.

37.3. Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.

37.4. In de plantoelichting staat dat voor grondgebonden agrarische bedrijven in overeenstemming met het vorige plan een bouwvlak van maximaal 2 ha is mogelijk gemaakt. Voor bestaande glastuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven in het boomteeltontwikkelingsgebied, is, mede door middel van een wijzigingsbevoegdheid, een bouwvlak van maximaal 4 ha toegestaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, gelet op het verschillende karakter van de glastuinbouw- en boomteeltbedrijven en overige grondgebonden agrarische bedrijven, niet in redelijkheid een verschillend uitgangspunt voor de maximale oppervlakte van bouwvlakken heeft kunnen hanteren. Dat de Verordening 2012 een groter bouwvlak mogelijk maakt voor een grondgebonden agrarisch bedrijf in een verwevingsgebied, maakt niet dat de raad die mogelijkheid ook dient op te nemen in het plan. Uit het deskundigenbericht volgt dat bij het agrarisch bedrijf van [appellant sub 24] één kuilvoerplaat buiten het bouwvlak ligt. De raad heeft zich, gelet op artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012, terecht op het standpunt gesteld dat het provinciale beleid in de weg staat aan het mogelijk maken van de kuilvoerplaat buiten het bouwvlak. Nu uit het deskundigenbericht volgt dat de kuilvoerplaat zonder de daarvoor benodigde vrijstelling op grond van het vorige plan is opgericht, en derhalve illegaal is, heeft de raad evenmin aanleiding hoeven zien de kuilvoerplaat als zodanig te bestemmen door uitbreiding van het bouwvlak. Voor zover [appellant sub 24] wijst op een voorziene nieuw stal, waarvoor aan hem op 21 mei 2013 een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend, volgt uit het deskundigenbericht dat deze stal binnen het bouwvlak is voorzien en als zodanig is toegestaan. Overigens volgt uit het deskundigenbericht dat, ook met de nieuwe stal, ruimte bestaat om de kuilvoerplaat binnen het bouwvlak te verplaatsen. Verder is niet gebleken van concrete plannen van [appellant sub 24] voor een uitbreiding van de bebouwing buiten het bouwvlak, waar de raad rekening mee had dienen te houden. Dat de begrenzing aan de oostzijde niet overeenkomt met de kadastrale grens leidt niet tot het oordeel dat het bouwvlak onevenredige beperkingen met zich brengt voor [appellant sub 24], nu uit het deskundigenbericht volgt dat de bestaande gebouwen binnen het bouwvlak staan. Het betoog faalt.

37.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 24] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 25]

38. [appellant sub 25] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 36] te Zundert ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad ten onrechte niet de bouwmogelijkheden uit het bestemmingsplan "2e partiële herziening Klein Zundert" en de op grond daarvan verleende bouwvergunning heeft opgenomen.

38.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het buitengebied zuinig ruimtegebruik het uitgangspunt is. De bestaande rechten zijn gerespecteerd, doordat is bepaald dat bestaande legale bebouwing is toegestaan.

38.2. Het perceel [locatie 36] heeft de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 22, lid 22.2, onder 22.2.2, gelden voor het bouwen van woningen de volgende regels:

(…)

g. de goot- en bouwhoogte van de woning mag niet meer bedragen dan respectievelijk 5 en 9 m;

h. de inhoud van de woning bedraagt maximaal 750 m³.

Ingevolge artikel 22, lid 22.2, onder 22.2.3, gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels:

a. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m², mits voldaan wordt aan een bebouwingspercentage van 50% van het bouwperceel;

Ingevolge artikel 37, lid 37.2, onder 37.2.1, geldt dat:

a. in die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die hoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

38.3. In het voorheen geldende bestemmingsplan "2e partiële herziening Klein Zundert" had het perceel de bestemming "Woondoeleinden".

Dit plan bevatte geen maximale inhoudsmaat voor woningen. De inhoud werd beperkt door de maximale goot- en bouwhoogte, de dakhelling, het maximale bebouwingspercentage en de aan te houden afstanden tot de perceelgrenzen. Voor bijgebouwen was geen maximale oppervlakte opgenomen. De maximale oppervlakte van de woning en de bijgebouwen werd bepaald door het maximale bebouwingspercentage van het perceel.

38.4. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De woning van [appellant sub 25] is een zogenoemde Ruimte-voor-ruimtewoning, waarbij in ruil voor de sloop van voormalige agrarische bebouwing een woning mag worden gebouwd. De raad heeft op 24 juni 2012 de "Beleidsnota Ruimte voor Ruimte" vastgesteld, waarin met het oog op zuinig ruimtegebruik in het buitengebied een maximale inhoud van 1.000 m³ voor de woningen wordt gehanteerd. Daarnaast is in het plan voor alle burgerwoningen een maximale oppervlakte van 100 m² aan bijgebouwen toegestaan. De Afdeling acht deze uitgangspunten ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit in het buitengebied niet onredelijk. De raad heeft bij de vaststelling van het plan rekening gehouden met bestaande grotere woningen, waaronder de woning van [appellant sub 25], door de bestaande legale bebouwing als zodanig toe te staan in artikel 37, lid 37.2, onder 37.2.1, onder a, van de planregels. Voor zover [appellant sub 25] stelt dat hij in het kader van de Ruimte-voor-ruimteregeling voor de bouwmogelijkheden heeft betaald, heeft de raad daarin, daargelaten de vraag in hoeverre de raad aan die overeenkomst gebonden is, geen aanleiding hoeven zien om voor [appellant sub 25] een uitzondering op de uitgangspunten te maken, nu ter zitting is gebleken dat in dit geval de prijs niet afhankelijk was van het aantal toegestane m³. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de beperking tot de huidige inhoud in het plan een onevenredige beperking voor [appellant sub 25] oplevert. Daarbij is van belang dat de woning, met een inhoud van 2.200 m³, reeds tweemaal groter is dan de maximale inhoudsmaat uit het beleid en niet is gebleken dat [appellant sub 25] ten tijde van de vaststelling van het plan concrete plannen had voor uitbreiding van zijn woning. Volgens het deskundigenbericht heeft het bestaande bijgebouw, de garage, een oppervlakte van 85 m², zodat [appellant sub 25] nog 15 m² aan bijgebouwen kan bouwen. Ook bevat het plan in artikel 39, lid 39.1, onder 39.1.1, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid waarmee bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning onder voorwaarden tot maximaal 10% van de maximale maten kan worden afgeweken. Niet is gebleken dat een grotere oppervlakte van bijgebouwen noodzakelijk is of dat hij daarvoor concrete plannen had ten tijde van de vaststelling van het plan. Het betoog faalt.

38.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 25] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 26]

39. [appellant sub 26] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 37] te Zundert ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de bedrijfsbestemming ten opzichte van het voorheen geldende plan ten onrechte is uitgebreid tot aan het Akkermolenpad, tegenover zijn woning, terwijl ter plaatse geen bedrijf meer aanwezig is.

39.1. De raad stelt zich op het standpunt dat is beoogd de bestaande rechten ter plaatse te respecteren. Omdat is gebleken dat ter plaatse geen bedrijf meer aanwezig is, dient de uitbreiding van de bedrijfsbestemming ten opzichte van het vorige plan volgens de raad echter te worden heroverwogen.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Nu de grens van het bestemmingsvlak met de bestemming "Kleinschalige niet-agrarische bedrijven" op de plankaart van het vorige plan en daarmee de uitbreiding van de bedrijfsbestemming in het plan niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, ziet de Afdeling aanleiding het plandeel met de bestemming "Bedrijf" op het perceel [locatie 37] in zijn geheel te vernietigen.

39.2. [appellant sub 26] betoogt verder dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" op de achterzijde van zijn woonperceel [locatie 38] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de begrenzing van de woonbestemming op grond van bestaande bebouwing willekeurig is en een onevenredige beperking oplevert. Ook wijst hij op een aantal andere woonpercelen waar een groter bestemmingsvlak voor wonen is toegekend.

39.3. De raad stelt zich op het standpunt dat bij het toekennen van woonbestemmingen met het oog op de concentratie van bebouwing is uitgegaan van een bouwvlak op maat op grond van de bestaande legale bebouwing. Volgens de raad valt de bestaande legale bebouwing van [appellant sub 26] binnen het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen". Gelet daarop en nu de agrarische bestemming een gebruik als tuin toestaat, is geen sprake van een beperking van de mogelijkheden. Het vorige plan stond een woonperceel van maximaal 1.500 m² toe, aldus de raad.

39.4. Het perceel [locatie 38] heeft deels de bestemming "Wonen" en deels de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied" aangewezen gronden bestemd voor tuinen behorende bij (burger)woningen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.2, onder a, mogen er geen gebouwen worden gebouwd.

39.5. In het voorheen geldende plan "Buitengebied Zundert 1997" had het perceel de detailbestemming "Wonen (in de aangegeven klasse)" met de aanduiding "W1".

Ingevolge artikel 2.7, lid A, van de voorschriften zijn de gronden die op plankaart 2 zijn aangewezen als "Wonen (in de aangegeven klasse)" bestemd voor:

1. Woondoeleinden, middels het behoud van de bestaande hoofdgebouwen voor bewoning, waarbij binnen de aanduiding:

- klasse "W1": niet meer dan één vrijstaande woning aanwezig mag zijn.

(…)

Rondom een woning mag maximaal 1.500 m² als erf bij de woning worden gerekend, en als zodanig worden gebruikt voor woondoeleinden.

Vrijstaande bijgebouwen welke zijn gesitueerd binnen een afstand van 50 m tot de woning worden geacht deel uit te maken van de bestemming "Wonen (in de aangegeven klasse)", tenzij deze op het moment van tervisielegging van het ontwerpplan reeds behoren tot het erf van een andere nabijgelegen woning of bedrijf.

39.6. Op het perceel [locatie 38] staan de woning van [appellant sub 26] en drie bijgebouwen. Op de ondergrond van het plan zijn in het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" de contouren van de woning en twee bijgebouwen te zien. Niet is in geschil dat de twee bijgebouwen die het dichtst bij de woning zijn gelegen de bestemming "Wonen" hebben.

Het uitgangspunt van de raad dat met het oog op de landschappelijke kwaliteit in het buitengebied bebouwing bij woningen wordt geconcentreerd, acht de Afdeling niet onredelijk. Dat de betreffende gronden in gebruik zijn als tuin, maakt niet dat de raad daaraan een woonbestemming diende toe te kennen. Daarbij is van belang dat ingevolge het voorheen geldende plan bij een woning een erf van 1.500 m² was toegestaan en het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen" op het perceel in het plan groter is. Voorts is het gebruik als tuin binnen de agrarische bestemming toegestaan, zodat niet is gebleken dat [appellant sub 26] onevenredig in zijn gebruiksmogelijkheden wordt beperkt. Dat tegen de achterste perceelgrens een kleine schuur staat, geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad ter plaatse een woonbestemming had dienen toe te kennen, nu niet is gebleken dat dit gebouw met een daartoe strekkende bouw- of omgevingsvergunning is gebouwd. Over de door [appellant sub 26] gemaakte vergelijking met andere bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen", die volgens hem groter of dieper zijn dan het bestemmingsvlak op zijn perceel of aan de achterzijde aansluiten bij de perceelsgrenzen, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de begrenzing per perceel is vastgesteld aan de hand van de mogelijkheden uit de verschillende vorige plannen, de gewenste oppervlakte, mede in verhouding tot de woning, en de bestaande legale bebouwing op het perceel. [appellant sub 26] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op de door hem bedoelde andere percelen een vergelijkbare situatie tot een andere begrenzing heeft geleid. Het betoog faalt.

39.7. In hetgeen [appellant sub 26] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 37] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 27]

40. [appellant sub 27] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "congrescentrum" aan de Achtmaalseweg 158B te Achtmaal heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad zijn zienswijze niet heeft behandeld. Hij voert verder aan dat ten opzichte van het voorheen geldende plan ten onrechte is voorzien in een onevenredige uitbreiding van het congrescentrum, die zal leiden tot een ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat en van de cultuurhistorische en natuurlijke waarden van het landgoed Wallsteijn.

Hij wijst er op dat de Afdeling in haar uitspraak van 27 juni 2007, in zaak nr. 200605414/1/R2, heeft geoordeeld dat ter plaatse alleen een kleinschalig vergader- en cursuscentrum mogelijk is. Hij voert verder aan dat de raad ten onrechte ervoor heeft gekozen om voor de twee congrescentra binnen de gemeente vergelijkbare regelingen vast te stellen, terwijl deze niet vergelijkbaar zijn. Tot slot voert hij aan dat de regeling van het op een landgoed gelegen congrescentrum in strijd is met artikel 31, lid 31.4, van de planregels.

40.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan vervatte uitbreidingsmogelijkheden niet zullen leiden tot een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 27] en van het landgoed. Uit de genoemde uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2007 volgt niet dat ter plaatse niet mag worden voorzien in een uitbreiding van het congrescentrum. Voorts heeft de raad het wenselijk geacht dat voor de twee congrescentra binnen de gemeente dezelfde regels gelden.

40.2. Over het betoog dat de raad de zienswijze van [appellant sub 27] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten stelt de Afdeling vast dat uit de zienswijze van [appellant sub 27] volgt dat hij bezwaren had tegen de wijze waarop de historische gebouwen op het landgoed waren bestemd. In de nota van zienswijzen is de raad hierop ingegaan. Het betoog faalt.

40.3. Ingevolge artikel 1, onder 1.50, van de planregels wordt onder congrescentrum verstaan: een centrum waar vergader- c.q. cursusruimten voor de verhuur worden aangeboden en waar het aanbieden van drank- en etenswaar in relatie tot de gehouden vergaderingen c.q. cursussen e.d. in ondergeschikte mate is toegestaan.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder a en e, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen en ter plaatse van de aanduiding "congrescentrum" tevens voor een congrescentrum.

Ingevolge lid 22.1, aanhef en onder j, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor het behoud, versterking en/of herstel van de cultuurhistorische waarden van bebouwing ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorische waarde".

Ingevolge lid 22.2, onder 22.2.6, mag ter plaatse van de aanduiding "congrescentrum" nog een bijbehorend bouwwerk worden gebouwd ten behoeve van opslag en dergelijke waarbij de volgende regels gelden:

a. de oppervlakte bedraagt maximaal 50 m²;

b. de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m;

c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m;

d. het bijbehorende bouwwerk mag alleen vrijstaand worden gebouwd.

Ingevolge lid 22.5, onder 22.5.2, is ter plaatse van de aanduiding "congrescentrum" tevens een congrescentrum toegestaan, met dien verstande dat:

a. het aanbieden van overnachtingen in relatie tot het congrescentrum is toegestaan;

b. aan het congrescentrum ondergeschikte en kleinschalige horeca is toegestaan.

40.4. De gronden van het congrescentrum hebben de bestemming "Wonen" en de aanduiding "congrescentrum" en de bestaande gebouwen zijn voorzien van de aanduiding "cultuurhistorische waarden". Op deze gronden staan de voormalige boerderij "De Annahoeve", die in gebruik is als woning en congrescentrum , een schuur, een bijgebouw en een zogenoemde portierswoning aan het begin van de oprijlaan. Op een afstand van ongeveer 20 m tot de voormalige boerderij staat de woning van [appellant sub 27].

40.5. Het betoog over artikel 31, lid 31.4, van de planregels faalt. Daarbij is van belang dat aan de gronden van het landgoed Wallsteijn, waartoe zowel de woning van [appellant sub 27] als het congrescentrum behoren, niet de bestemming "Waarde - Landgoed" hebben gekregen en dat de regel dat bij omgevingsvergunning tot afwijking verblijfsrecreatie mogelijk kan worden gemaakt binnen de bestaande gebouwen en voor maximaal 400 m² niet van toepassing is. De raad heeft in dit geval in redelijkheid kunnen kiezen voor de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "cultuurhistorische waarden", voor zover het de bestaande monumentale bebouwing betreft, nu daarmee het behoud hiervan is gereguleerd.

40.6. Niet in geschil is dat de gebruiksmogelijkheden voor het congrescentrum ten opzichte van het voorheen geldende plan "Buitengebied Zundert 1997, herziening Annahoeve" zijn uitgebreid, nu in dat plan de maximale bedrijfsvloeroppervlakte voor het congrescentrum was beperkt tot 281 m² en het aanbieden van overnachtingen niet was toegestaan. In het aan de orde zijnde plan zijn dergelijke beperkingen niet meer gesteld en kunnen alle gebouwen en gronden worden gebruikt voor het congrescentrum en is het aanbieden van overnachtingen toegestaan. Dit betekent onder meer dat de schuur van 440 m² ook in gebruik kan worden genomen als onderdeel van het congrescentrum en dat de tuin en het erf hiervoor kunnen worden gebruikt. Ten opzichte van het voorheen geldende plan betreft dit een aanzienlijke uitbreidingsmogelijkheid van het congrescentrum. Daar komt bij dat nu overnachtingen in relatie tot het congrescentrum zijn toegestaan het aannemelijk is dat niet alleen het aantal gebruikers van het congrescentrum aanzienlijk kan toenemen, maar dat ook de tijdsduur van het gebruik kan toenemen. Gelet op de betrekkelijk korte afstand van de woning van [appellant sub 27] tot het congrescentrum en de bijbehorende gronden had de raad niet zonder nader onderzoek, met een enkele verwijzing naar een ander congrescentrum in de gemeente, kunnen voorzien in deze uitbreidingsmogelijkheden van het gebruik. Het betoog slaagt.

40.7. In hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "congrescentrum" aan de Achtmaalseweg 158B te Achtmaal.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel, met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 28]

41. [appellant sub 28] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" aan de [locatie 39] te Achtmaal heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de planprocedure niet correct is gevolgd en het plan niet juist is vastgesteld en bekendgemaakt. Hij voert verder aan dat ten onrechte slechts is voorzien in een uitbreiding van 49 m² van zijn bedrijfsruimte, terwijl hij een grotere uitbreiding noodzakelijk acht. Verder wenst [appellant sub 28] bij recht of door middel van een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid om ter plaatse een bedrijfswoning te bouwen.

41.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in de Wro vervatte procedure juist is verlopen en dat de geboden uitbreidingsmogelijkheid van 49 m² overeenkomt met het uitgangspunt dat niet-agrarische bedrijven in beginsel 20% uitbreidingsruimte wordt gegeven. Voor het mogelijk maken van een bedrijfswoning, al dan niet door middel van een wijzigingsbevoegdheid, bestaat bij dit niet-agrarische bedrijf geen noodzaak.

41.2. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor niet-agrarische bedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar zijn met categorie 2 en het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen.

Ingevolge lid 9.1, aanhef en onder e, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden eventueel tevens bestemd voor een "overig bedrijf" ter plaatse zoals opgenomen in de tabel "overige bedrijven". In deze tabel is voor het bedrijf aan de [locatie 39] een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing opgenomen van 297 m² met als functie/aard van de bebouwing "garagedeurenspecialist".

Ingevolge lid 9.2, onder 9.2.3, onder b, is ter plaatse van de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" geen bedrijfswoning met bijbehorende bebouwing toegestaan.

41.3. Voor zover [appellant sub 28] betoogt dat de in de Wro vervatte procedure onjuist is gevolgd overweegt de Afdeling als volgt. Vast staat dat plan is vastgesteld op 2 juli 2012 en dat dit vaststellingsbesluit bij besluit van 4 september 2012 is ingetrokken. Daarna is het plan, inclusief een aantal amendementen, alsnog op 4 september 2012 vastgesteld en vervolgens is dit op 24 oktober 2012 bekendgemaakt. De publicatie in het huis-aan-huisblad op 24 oktober 2012 bleek echter onvolledig en ter correctie hiervan heeft op 31 oktober 2012 een gecorrigeerde publicatie plaatsgevonden. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 3 maart 2010, in zaak nr. 200807605/1/R1, dat de Wro noch de Awb aan deze handelwijze in de weg staan. Het betoog faalt.

41.4. Vast staat dat op de gronden van [appellant sub 28] een bedrijfsloods staat van 248 m². In de loods zijn drie bedrijven gevestigd, waaronder een bedrijf dat handelt in garagedeuren. Het plan maakt een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing mogelijk met 49 m², hetgeen neerkomt op ongeveer 20%. De raad heeft het uitgangspunt gehanteerd dat niet-agrarische bedrijven in het buitengebied maximaal 20% uitbreidingsruimte wordt geboden. De Afdeling acht dit niet onredelijk. [appellant sub 28] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad van voormeld uitgangspunt had moeten afwijken en daarbij is van belang dat niet is gebleken dat [appellant sub 28] ten tijde van het bestreden besluit een concreet plan tot uitbreiding had op grond waarvan de raad had kunnen beoordelen of er in een grotere uitbreiding had moeten worden voorzien. Het betoog faalt.

41.5. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse geen noodzaak bestaat voor het toestaan van een bedrijfswoning. [appellant sub 28] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de huidige bedrijfsvoering met zich brengt dat ter plaatse zou moeten worden voorzien in een bedrijfswoning. Voorts heeft de raad er terecht op gewezen dat artikel 11.1, onder 2, sub b, van de Verordening 2012 met zich brengt dat niet mag worden voorzien in een bedrijfswoning indien de noodzaak hieraan het gevolg is van een eerder aanwezige doch afgestoten bedrijfswoning. Nu het oorspronkelijke perceel is gesplitst in drie percelen en de woning aan de [locatie 40] is aan te merken als een afgestoten bedrijfswoning kon de raad niet voorzien in de gewenste bedrijfswoning. Het betoog faalt.

41.6. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 28] tegen het besluit van 4 september 2012 ongegrond.

42. Tegen het besluit van 25 februari 2014 heeft [appellant sub 28] aangevoerd dat het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" ten onrechte niet voorziet in de door hem gewenste uitbreidingsmogelijkheden op het perceel [locatie 39], terwijl in dat plan wel is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor andere niet-agrarische bedrijven in het buitengebied.

42.1. De raad voert aan dat het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" geen wijzigingen in de situatie van [appellant sub 28] met zich brengt en dat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.

42.2. Over het beroep van [appellant sub 28] tegen het besluit van 25 februari 2014 overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellant sub 28] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing van deze herziening strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Anders dan de raad betoogt, is er geen aanleiding om het betoog van [appellant sub 28] over het gelijkheidsbeginsel in strijd met een goede procesorde te achten. Daarbij is van belang dat partijen naar aanleiding van het besluit van 25 februari 2014 in de gelegenheid zijn gesteld om hier op te reageren en [appellant sub 28] hiervan gebruik heeft gemaakt. Vervolgens is de raad in de gelegenheid gesteld om aanvullend verweer te voeren. Het betoog over het gelijkheidsbeginsel slaagt echter niet, nu niet is gebleken dat bij de vaststelling van het plan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" bij de door [appellant sub 28] genoemde bedrijven is voorzien in uitbreidingsmogelijkheden.

42.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 28] tegen het besluit van 25 februari 2014 ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 29]

43. [appellante sub 29] betoogt dat de raad de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf" op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 41] te Zundert ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat in deze aanduiding alleen het transportbedrijf is genoemd, waardoor op grond van de verbeelding niet duidelijk is welke bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn toegestaan, namelijk een groothandel in bestratingsmateriaal en een transportbedrijf.

43.1. De raad stelt zich op het standpunt dat gelet op de planregels zowel het transportbedrijf als de groothandel in bestratingsmateriaal als zodanig zijn bestemd.

43.2. Het perceel [locatie 41] heeft de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf".

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden tevens bestemd voor een overig bedrijf eventueel ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de tabel 'overige bedrijven'.

In de bijbehorende tabel 'overige bedrijven' staat het adres [locatie 41] met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - groothandel" en onder functie/aard bebouwing "groothandel bestratingsmateriaal en transportbedrijf".

43.3. Uit de planregels volgt dat op het adres [locatie 41], dat is opgenomen in de tabel 'overige bedrijven', een groothandel in bestratingsmateriaal en een transportbedrijf zijn toegestaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de aanduiding op de verbeelding, waarin alleen het transportbedrijf is genoemd, leidt tot rechtsonzekerheid, nu deze aanduiding niet kan afdoen aan hetgeen op grond van de planregels ter plaatse is toegestaan. Dat in de kolom "aanduidingen" in de tabel 'overige bedrijven' in de planregels staat "specifieke vorm van bedrijf - groothandel" acht de Afdeling voorts een kennelijke verschrijving, die evenmin afdoet aan de toegestane bedrijfsactiviteiten die in de tabel zijn genoemd. Gelet op het voorgaande faalt het betoog. Overigens heeft de raad ter zitting gesteld bij de nog vast te stellen partiële herziening van het plan te zullen bezien of de aanduiding, zoals door [appellante sub 29] gewenst, kan worden opgenomen.

43.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 29] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 30]

44. [appellant sub 30] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" voor de [locatie 42] te Zundert ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de raad niet op de hoogte is geweest van de juiste feiten en de situatie onvoldoende heeft onderzocht. Gelet op de niet transparante en wisselende standpunten van de raad is de vastgestelde regeling onvoldoende gemotiveerd. Volgens [appellant sub 30] had de raad aan het perceel de bestemming "Wonen" moeten toekennen, nu sprake is van permanente bewoning sinds 1987, waartegen nooit handhavend is opgetreden. Hoewel er in 1995 en 1996 door het gemeentebestuur brieven zijn gestuurd waarin op het illegale gebruik is gewezen, is van wraking en handhaving geen sprake geweest. [appellant sub 30] stelt voorts dat het gebruik onder het voorheen geldende planologische regime onder de beschermende werking van het overgangsrecht is gebracht, zodat het in dit plan niet wederom onder het overgangsrecht kan worden gebracht en als zodanig moet worden bestemd.

44.1. De raad stelt dat het gebouw in 1965 als tuinderopslagloods is vergund en dat er in 1995 een handhavingstraject is gestart in verband met de bewoning van het gebouw. Het illegale gebruik van het gebouw is als woning destijds gewraakt. Nu volgens de raad het gebruik rechtens is gewraakt, kan de agrarische bestemming voor dit perceel worden gehandhaafd.

44.2. Het bestreden plandeel heeft de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduidingen "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" en "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 43, lid 43.2, onder 43.2.1, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge lid 43.2, onder 43.2.2, is het verboden, indien het gebruik, bedoeld in 43.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Ingevolge lid 43.2, onder 43.2.4 is 43.2.1 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

44.3. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Zundert 1997", dat door de raad is vastgesteld op 23 juli 1998 en door het college van gedeputeerde staten goedgekeurd bij besluit van 9 maart 1999, had het perceel de bestemming "Agrarische hoofdstructuur (AHS)" en de aanduiding "AHS - ongedifferentieerd".

Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de in dit plan begrepen gronden en daarop voorkomende opstallen te gebruiken, in gebruik te nemen of te laten nemen gebruiken voor een doel of op een wijze, die strijdig is met de bestemming.

Ingevolge het tweede lid wordt als strijdig gebruik verstaan het permanent bewonen, behoudens bewoning van, op grond van dit plan, toegelaten woningen en bedrijfswoningen.

Ingevolge artikel 1.8, lid B/C, eerste lid, mag het gebruik van de grond, anders dan voor bebouwing, en het gebruik van opstallen, strijdig met het plan en dat bestaat op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, worden gehandhaafd.

Ingevolge artikel 2.2, lid A, zijn de gronden die als zodanig zijn aangewezen onder andere bestemd voor agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsvoering.

44.4. Niet in geschil is dat het gebruik van het gebouw als woning noch in dit plan, noch in de voorheen geldende plannen als zodanig is bestemd. De Afdeling ziet zich in dit geval voor de vraag geplaatst of het gebruik van het gebouw als woning onder het gebruiksovergangsrecht is komen te vallen.

Voordat het bestemmingsplan "Buitengebied Zundert 1997" op 11 augustus 2000 grotendeels in werking trad, gold ter plaatse het "Uitbreidingsplan in hoofdzaak", dat geen gebruiksvoorschriften had, en tot 1 januari 1999 de aanvullende gebruiksbepaling van artikel 352 van de destijds geldende Bouwverordening. Voorts is vast komen te staan dat vanaf 1 januari 1999 een nieuwe Bouwverordening gold waarin een vergelijkbare gebruiksbepaling was opgenomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 17 mei 2006, zaaknr. 200504673/1, was de raad, behoudens hernieuwde vaststelling van louter technische aard, na het verstrijken van de overgangsdatum als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Overgangswet ruimtelijke ordening en volkshuisvesting - zijnde 1 augustus 1970 - echter niet langer bevoegd om op grond van artikel 168 van de Gemeentewet gebruiksbepalingen in een bouwverordening vast te stellen die thuis horen in een bestemmingsplan. Vast is komen te staan dat van een hernieuwde vaststelling van louter technische aard in dit geval geen sprake was en dat aan de per 1 januari 1999 opnieuw in de Bouwverordening opgenomen gebruiksbepaling derhalve geen betekenis toekomt. Ter zitting heeft de raad dit ook erkend. Dit betekent dat, al aangenomen dat de brieven van 5 september 1995 en 30 augustus 1996 als wraking zouden kunnen gelden voor bedoeld gebruik, voor wraking van het gebruik na 1 januari 1999 tot 11 augustus 2001 geen grondslag bestond en dat het gebruik als woning onder de werking van het in het plan "Buitengebied Zundert 1997" vervatte overgangsrecht is komen te vallen en dat het gebruik onder het gebruiksovergangsrecht van artikel 43, lid 43.2, van de planregels valt.

44.5. Onder omstandigheden kan het opnieuw onder het overgangsrecht laten vallen van het bestaande gebruik aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat aannemelijk is dat bedoeld gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dit is echter niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de raad niet in redelijkheid het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht kunnen laten vallen. Dit betekent echter niet dat het gebruik per definitie als zodanig had moeten worden bestemd, nu gebruik dat onder het overgangsrecht valt in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen kan doen ontstaan dat het gebruik als zodanig wordt bestemd. Indien de raad van mening is dat het als zodanig bestemmen van het feitelijke gebruik niet mogelijk of wenselijk is, had het op de weg van de raad gelegen te bezien of voor het gebruik als woning een zogenoemde uitsterfregeling in het plan had kunnen worden opgenomen. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat het gebouw weliswaar als agrarisch gebouw met de daarbij behorende bouwregels wordt bestemd, maar dat in afwijking van een daartoe strekkende gebruiksverbod, bewoning van dit gebouw wordt toegestaan, met dien verstande dat bij beëindiging van die bewoning, dit gebruik niet langer is toegestaan. Nu de raad niet in redelijkheid het bestaande gebruik opnieuw onder het overgangsrecht heeft kunnen laten vallen en de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor dit perceel in het plan een andere regeling had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen.

44.6. In hetgeen [appellant sub 30] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" voor de [locatie 42] te Zundert is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 30] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 31]

45. [appellant sub 31] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 43] te Rijsbergen heeft vastgesteld, voor zover het betreft de aanduiding "bedrijf aan huis". Daartoe voert hij aan dat er detailhandel plaatsvindt en niet wordt voldaan aan de begripsbepaling van een aan huis gebonden bedrijf. Het vorige bestemmingsplan stond dat gebruik niet toe en de raad heeft ten onrechte bij dit plan geen belangenafweging gemaakt. Voorts wordt niet voldaan aan de voorwaarden van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 22, lid 22.6, onder 22.6.1, van de planregels en is het als zodanig bestemmen van het bedrijf in strijd met artikel 11.6, tweede lid, onder b, van de Verordening 2012, omdat het een niet-agrarische ontwikkeling in agrarisch gebied is, zonder een bijdrage aan ruimtelijke kwaliteitsverbetering.

Verder betoogt hij dat artikel 4, lid 4.6, onder 4.6.2, sub e, van de planregels ten onrechte de huisvesting van tijdelijke werknemers alleen mogelijk maakt in bestaande bedrijfsgebouwen. Dit zal ertoe leiden dat elders op zijn perceel een nieuw bedrijfsgebouw zal moeten worden opgericht. Dit brengt hoge kosten met zich en is in strijd met de goede ruimtelijke ordening.

45.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op het perceel [locatie 43] ondergeschikt aan de woonfunctie paardenrijtuigen worden verkocht en dat dit als een aan huis gebonden bedrijf kan worden aangemerkt. Deze activiteiten vallen onder een lichte milieucategorie die passend is bij een woonfunctie en overlast is er niet. Verder stelt de raad dat er op grond van de Verordening 2012 geen ruimtelijke kwaliteitsverbetering is vereist.

[locatie 43]

45.2. Het perceel [locatie 43] ligt schuin tegenover de gronden van [appellant sub 31] en heeft de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bedrijf aan huis".

45.3. Ingevolge artikel 1, onder 1.4, van de planregels wordt onder aan huis gebonden bedrijfsmatige activiteiten verstaan het gebruik van (een gedeelte van) een gebouw voor het verrichten van werkzaamheden van dienstverlenende en/of ambachtelijke aard met als doel daaruit hoofd- of neveninkomsten te betrekken, waarbij geen sprake is van een zich als specifiek opgeleid persoon naar buiten presenterende beroepsoefenaar en waarvan de omvang in activiteiten zodanig is dat deze, met behoud van de woonfunctie, kunnen worden uitgeoefend.

Ingevolge artikel 1, onder 1.60, wordt onder detailhandel (bedrijf) verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge artikel 22, lid 22.1, onder a en g, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen en een bedrijf aan huis zoals weergegeven in de opgenomen tabel. Volgens die tabel betreft het bedrijf aan de [locatie 43] een importeur van paardenrijtuigen met een maximale oppervlakte van 60 m².

45.4. Volgens het deskundigenbericht importeert de eigenaar van het perceel, naast zijn reguliere baan, paardenrijtuigen, die bij hem besteld kunnen worden. De paardenrijtuigen worden kant en klaar bij hem afgeleverd en als zodanig vervolgens geleverd aan de koper. Op het perceel wordt een deel van de aanwezige bebouwing voor de stalling van paardenrijtuigen gebruikt. Verder wordt er onderhoud aan rijtuigen uitgevoerd. Gelet op het ondergeschikte karakter van de activiteiten en de beperking tot 60 m² heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de activiteiten aldus met de bepaling van artikel 22, lid 22.1, onder a en g, van de planregels als zodanig zijn bestemd en dat deze activiteiten niet als volwaardige detailhandel vallen aan te merken. Er is, gelet op de afstand van ongeveer 160 m tussen het perceel van [appellant sub 31] en het perceel aan de [locatie 43], ook geen aanleiding voor het oordeel dat zich een ernstige aantasting van het woon- en leefklimaat, dan wel beperking van de agrarische bedrijfsvoering zal voordoen en dat de betrokken belangen onzorgvuldig zijn afgewogen door de raad.

Voor zover [appellant sub 31] heeft aangevoerd dat niet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 22, lid 22.6, onder 22.6.1, van de planregels kan worden voldaan, overweegt de Afdeling dat deze afwijkingsbevoegdheid hier niet aan de orde is, nu het bedrijf aan huis bij recht is toegestaan.

Volgens de kaart behorende bij de Verordening 2012 ligt het perceel, anders dan [appellant sub 31] betoogt, niet in agrarisch gebied. Reeds hierom kan het betoog dat het bedrijf aan huis in strijd is met artikel 11.6, tweede lid, onder b, van de Verordening 2012 niet worden gevolgd.

De betogen falen.

Huisvesting tijdelijke werknemers

45.5. [appellant sub 31] exploiteert op zijn perceel aan de [locatie 44] een tuinbouwbedrijf. Het perceel heeft de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" en de aanduiding "glastuinbouw".

45.6. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een boomteeltbedrijf toegestaan. Alleen ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw" is een glastuinbouwbedrijf of glasboomteeltbedrijf toegestaan.

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1.1, mag op de voor "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:

a. agrarische bedrijfsgebouwen;

b. kassen;

c. teeltondersteunende voorzieningen;

d. bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding "horeca", "tuincentrum" en "specifieke vorm van horeca-ijssalon";

e. een bedrijfswoning, tenzij de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" op de planverbeelding is opgenomen;

f. bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning;

g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 4.5, onder 4.5.4, sub g, wordt tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan in ieder geval gerekend het gebruiken of laten gebruiken van gronden en opstallen voor huisvesting van tijdelijke werknemers en direct daarmee verband houdend gebruik van voorzieningen zoals gemeenschappelijke verblijfsruimte (kantine), sanitair (douches, toiletten), kook- en wasgelegenheid.

Ingevolge lid 4.6, onder 4.6.2, sub e, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 4.5, onder 4.5.4, sub g, ten behoeve van tijdelijke huisvesting van werknemers (seizoensarbeiders), onder de voorwaarde dat de huisvesting plaatsvindt in de voormalige bedrijfswoning of in een bedrijfsgebouw.

45.7. De raad heeft onder voorwaarden de tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders willen toestaan en heeft om die reden een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Gelet op bovenvermelde planregel berust het betoog van [appellant sub 31] dat de tijdelijke huisvesting van seizoenarbeiders alleen in bestaande bedrijfsgebouwen is toegestaan op een onjuiste feitelijke grondslag. In betreffende planregels is immers niet voorgeschreven dat het moet gaan om een bestaand bedrijfsgebouw. Het betoog faalt.

45.8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 31] ongegrond.

De beroepen van [appellante sub 33] en [appellant sub 32]

46. [appellante sub 33] en [appellant sub 32] betogen dat de raad ten onrechte artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.6, sub e, van de planregels heeft vastgesteld, waardoor een inpandige bedrijfswoning niet mag worden vervangen door een zelfstandige bedrijfswoning. Zij voeren onder meer aan dat de raad geen motivering heeft gegeven voor het in zoverre gewijzigd vaststellen van het plan, nu deze wijziging in het bestreden besluit, noch in de nota van zienswijzen, in de Staat van wijzigingen bestemmingsplan Buitengebied of in het Erratum bestemmingsplan Buitengebied is genoemd.

46.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.6, sub e, van de planregels mogen inpandige bedrijfswoningen in bedrijfsgebouwen niet worden vervangen door vrijstaande bedrijfswoningen.

46.2. De raad heeft erkend dat artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.6, sub e, van de planregels ambtshalve bij de vaststelling aan het plan is toegevoegd ten opzichte van het ontwerpplan, maar dat dit niet valt terug te voeren op voormelde stukken en niet valt af te leiden uit de bekendmaking van het vastgestelde plan. Derhalve valt niet te herleiden of de raad deze regel heeft willen vaststellen en zo ja, op grond van welke redenen. Voorts was het voor belanghebbenden niet kenbaar dat deze planregel bij de gewijzigde vaststelling is toegevoegd. De Afdeling is van oordeel dat het wel bekendgemaakte artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.6, sub e, van de planregels geen deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit en derhalve wegens strijd met de rechtszekerheid dient te worden vernietigd.

46.3. In hetgeen [appellante sub 33] en [appellant sub 32] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.6, sub e, van de planregels.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Om te voorkomen dat na de vernietiging van de voornoemde planregel ter plaatse geen beperking geldt ten aanzien van het vervangen van inpandige bedrijfswoningen door vrijstaande bedrijfswoningen, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat inpandige bedrijfswoningen in bedrijfsgebouwen niet mogen worden vervangen door vrijstaande bedrijfswoningen tot de inwerkingtreding van het nieuw vast te stellen bestemmingsplan.

Het beroep van [appellant sub 34]

47. [appellant sub 34] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" aan de [locatie 45] te Wernhout heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat in het vorige bestemmingsplan aan het perceel een reguliere woonbestemming was toegekend die een burgerwoning mogelijk maakte en dat er geen gewijzigde omstandigheden zijn die een woonbestemming ter plaatse niet meer rechtvaardigen.

47.1. De raad heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat per abuis het voorheen geldende bestemmingsplan voor dit plandeel niet was bezien en dat had moeten worden voorzien in een woonbestemming.

47.2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

47.3. In hetgeen [appellant sub 34] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" aan de [locatie 45] te Wernhout.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellante sub 35]

48. Het beroep van [appellante sub 35] over de in artikel 17, lid 17.5, van de planregels vervatte wijzigingsbevoegdheid rust niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Dit doet zich hier niet voor. De bevoegdheid om de recreatieve bestemming te wijzigen naar "Wonen" was immers reeds in het ontwerpplan opgenomen. Onder deze omstandigheden is het [appellante sub 35] redelijkerwijs te verwijten dat zij in zoverre geen zienswijze heeft ingediend. Het betoog van [appellante sub 35] dat de gelijkluidende planregel in het ontwerpplan niet van toepassing was voor haar perceel volgt de Afdeling niet, nu de recreatieve bestemming die het perceel in het ontwerpplan had was voorzien van een vergelijkbare wijzigingsbevoegdheid. Het beroep van [appellante sub 35] is in zoverre niet-ontvankelijk.

48.1. [appellante sub 35] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Recreatie - Speel- en leerboerderij" met verschillende aanduidingen en bijbehorende regels voor het perceel [locatie 46] te Rijsbergen heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat zij door artikel 17 van de planregels en de aanduidingen "bedrijfswoning", "speeltuin", "specifieke vorm van recreatie - minicamping", "parkeerterrein" en "specifieke vorm van recreatie - kampeerhuisjes" in haar mogelijkheden wordt beperkt, terwijl hieraan geen ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Voorts voert zij aan dat de maximale maat van de kampeerhuisjes van 35 m² ten onrechte niet is gewijzigd in 65 m². Zij betoogt tot slot dat de raad ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie -4" voor het perceel heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat ten tijde van het verlenen van de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO reeds is geconcludeerd dat er geen belangrijke archeologische waarden zijn.

48.2. De raad heeft erkend dat de maximale maat van kampeerhuisjes van 35 m² ten onrechte in de doorslaggevende elektronische versie van het vastgestelde plan niet is gewijzigd. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat de indeling van het perceel overeenkomstig de in 2005 verleende vrijstelling is opgenomen. In de omgeving zijn veehouderijen gevestigd, zodat rekening moet worden gehouden met aan te houden afstanden en een bepaalde indeling van het perceel met aanduidingen noodzakelijk is. Over de archeologische waarden stelt de raad zich op het standpunt dat er geen nieuw onderzoek is vereist als voldoende is onderbouwd dat er geen waarden aanwezig zijn.

48.3. Ingevolge artikel 17, lid 17.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Speel- en leerboerderij" aangewezen gronden bestemd voor:

a. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "camping" is een minicamping met maximaal 25 kampeerplaatsen toegestaan;

b. ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" is een bedrijfswoning toegestaan;

c. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "svr-kampeerhuisjes" zijn maximaal 10 kampeerhuisjes toegestaan;

d. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "speeltuin" is een speel- en leerboerderij met speeltuin toegestaan;

e. ter plaatse van de aanduiding "parkeerplaats" is uitsluitend een parkeerplaats toegestaan;

f. alle gronden zonder aanduiding zijn bedoeld voor de aanleg van groen en water ten behoeve van de landschappelijke inrichting.

Ingevolge lid 17.2, onder 17.2.4, sub c, bedraagt de oppervlakte per kampeerhuisje maximaal 35 m².

48.4. Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, van het Bro wordt een bestemmingsplan in voorkomend geval met de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, elektronisch vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel is indien de inhoud van een elektronisch document als bedoeld in het eerste lid tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie, het eerstgenoemde document beslissend.

De elektronische versie van dit plan is de beslissende versie. In het vaststellingbesluit staat dat het plan gewijzigd is vastgesteld conform de "Staat van wijzingen bestemmingsplan Buitengebied" en het "Erratum bestemmingsplan Buitengebied". In de Staat van wijzigingen, waar de beantwoording van de zienswijzen deel van uitmaakt, staat dat de maximale oppervlakte van de kampeerhuisjes zoals bepaald in artikel 17, lid 17.2, onder 17.2.4, sub c, van de planregels voor dit perceel vergroot zal worden naar 65 m². De Afdeling stelt vast dat deze wijziging in de beslissende elektronische versie niet is doorgevoerd en hierin een maximale oppervlakte van 35 m² is vermeld. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de door de raad vastgestelde elektronische versie van het plan in zoverre niet overeenstemt met de door de raad beoogd vast te stellen planregels en dat de bestreden planregel derhalve dient te worden vernietigd wegens strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt.

48.5. In 2005 is voor het perceel een vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO verleend voor een speelboerderij en tien kampeerhuisjes van 35 m² alsmede voor bijbehorende voorzieningen, zoals onder meer de in-/uitrit en parkeerplaatsen overeenkomstig de hierbij behorende en als zodanige gewaarmerkte bescheiden en tekeningen. De onherroepelijke vrijstelling bevat een ruimtelijke onderbouwing waarin is gemotiveerd waarom deze ontwikkelingen planologisch aanvaardbaar zijn. Bij de ruimtelijke onderbouwing is onder meer een gewaarmerkte kaart gevoegd met de indeling. De raad heeft in redelijkheid kunnen aansluiten bij de indeling, waarvoor vrijstelling is verleend. Over het betoog dat [appellante sub 35] plannen heeft voor een andere inrichting van het perceel overweegt de Afdeling, dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel rekening dient te houden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, maar slechts voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Niet gebleken is dat de plannen van [appellante sub 35] ten tijde van de vaststelling van het plan zodanig concreet in die zin waren dat de raad hier op dat moment rekening mee kon en moest houden.

Het betoog faalt.

48.6. Aan het perceel is grotendeels de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" toegekend.

Ingevolge artikel 28, lid 28.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 4" aangewezen gronden, naast de daarvoor aangewezen andere bestemming(en) tevens medebestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.

Ingevolge lid 28.4, onder 28.4.1, is het verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

a. grondwerkzaamheden, dieper dan 0,50 m en voor een oppervlakte meer dan 500 m², waartoe wordt gerekend: ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen, verleggen of dempen van sloten en andere waterlopen en het aanleggen van drainage;

b. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 0,50 m en voor een oppervlakte meer dan 500 m²;

c. het verlagen van het waterpeil.

48.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1) rust op het gemeentebestuur de plicht om zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van totstandkoming van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Uit de plantoelichting volgt dat de raad zich voor de archeologische waarden in het plangebied heeft gebaseerd op de gemeentelijke nota "Archeologie" van 27 september 2011 en de daarbij behorende archeologische beleidskaart. Deze kaart is tot stand gekomen door op basis van bureauonderzoek een analyse van het gemeentelijke bodemarchief te maken, waarbij de bekende archeologische informatie waaronder vindplaatsen, onderzoeken en vondsten zijn betrokken. In hetgeen [appellante sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de gemeentelijke archeologische beleidskaart onzorgvuldig tot stand is gekomen. Nu het perceel van [appellante sub 35] op de archeologische beleidskaart als archeologisch waardevol gebied 4 is aangemerkt, heeft de raad in redelijkheid bedoelde dubbelbestemming hieraan kunnen toekennen. Dat in de ruimtelijke onderbouwing behorende bij de vrijstelling staat dat er op het perceel geen bijzondere archeologische waarden worden aangetroffen leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat het plan is gebaseerd op recenter en gedetailleerder kaartmateriaal. Het betoog faalt.

48.8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 35] niet-ontvankelijk, voor zover het betreft artikel 17, lid 17.5, van de planregels. In hetgeen [appellante sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft artikel 17, lid 17.2, onder 17.2.4, sub c, van de planregels is genomen in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Om te voorkomen dat na de vernietiging van de voornoemde planregel ter plaatse geen maximale oppervlakte voor kampeerhuisjes geldt, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat voor kammpeerhuisjes een maximale oppervlakte van 65 m² geldt per kampeerhuisje tot de inwerkingtreding van het nieuw vast te stellen bestemmingsplan.

Het beroep van [appellante sub 36]

49. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, vangt de beroepstermijn voor een geval als hier aan de orde aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 6:11 blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

49.1. Het vastgestelde plan is op 24 oktober 2012 bekendgemaakt en op 25 oktober 2012 voor zes weken ter inzage gelegd, zodat de beroepstermijn is aangevangen op 26 oktober 2012. De laatste dag van de beroepstermijn was 6 december 2012. Het beroepschrift van [appellante sub 36] is op 21 december 2012 per faxbericht bij de Afdeling ingekomen en derhalve buiten de beroepstermijn. [appellante sub 36] heeft ter zitting betoogd dat hij gebruik heeft gemaakt van de geboden inspraakmogelijkheden en een zienswijze naar voren heeft gebracht en dat hij ervan uit ging dat het plan nog niet zou worden vastgesteld. Dit is geen omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat [appellante sub 36] in verzuim is geweest. Bovendien heeft [appellante sub 36] ter zitting verklaard dat hij eind november of begin december 2012, voor het einde van de beroepstermijn, via een kennis op de hoogte is gesteld van het feit dat het plan inmiddels wel was vastgesteld.

49.2. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 36] niet-ontvankelijk.

Proceskosten

50. De raad dient ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 4] en andere, [appellant sub 8], [appellant sub 12], [appellant sub 16], [appellant sub 19] en anderen, [appellant sub 26], [appellant sub 30], [appellante sub 33], [appellant sub 32], [appellant sub 34] en [appellante sub 35] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Over de door [appellant sub 4] en andere gevraagde vergoeding van het in hun opdracht opgestelde rapport van een deskundige overweegt de Afdeling dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu in de door [appellant sub 4] en andere overgelegde stukken geen rapport aanwezig is dat voor de beoordeling van het beroep noodzakelijk was en de gestelde kosten ook overigens niet zijn onderbouwd. Voorts komen de door [appellant sub 4] en andere gestelde kosten voor een getuige evenmin voor vergoeding in aanmerking, reeds omdat van het meebrengen van een getuige als bedoeld in artikel 8:60, vierde lid, van de Awb geen mededeling is gedaan.

Ten aanzien van de beroepen van het college, ZLTO, [appellant sub 18], [appellant sub 20] en [appellant sub 27] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 15], [appellant sub 17], [appellant sub 21A], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 28], [appellante sub 29], [appellant sub 31] en [appellante sub 36] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 8A] en [appellant sub 8B] en [appellante sub 36] tegen het besluit van 4 september 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" geheel niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en andere, [appellant sub 11], de vereniging Afdeling Zundert-Rijsbergen van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, [appellant sub 19] en anderen, [appellant sub 20] en [appellante sub 35] tegen het besluit van 4 september 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied niet-ontvankelijk voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] ([appellant sub 4] en andere);

b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltgebied" bij de Leemputten ([appellant sub 11]);

c. artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.3, artikel 4, lid 4.7, onder 4.7.1, sub 4.7.1.1, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.3, voor zover het betreft de uitbreidingsmogelijkheden van gemengde agrarische bedrijven ten behoeve van de grondgebonden agrarische bedrijfstak, en artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.3, sub d, van de planregels (ZLTO);

d. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" nabij het Vervul ([appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20]);

e. artikel 17, lid 17.5, van de planregels ([appellante sub 35]);

III. verklaart de beroepen van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, [appellant sub 4] en andere voor het overige, [appellant sub 12], de vereniging Afdeling Zundert-Rijsbergen van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie voor het overige, de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, [appellant sub 16], [appellant sub 18], [appellant sub 19] en anderen voor het overige, [appellant sub 20] voor het overige, [appellant sub 26], [appellant sub 27], [appellant sub 30], [appellant sub 32], [appellante sub 33], [appellant sub 34] en [appellante sub 35] voor het overige tegen het besluit van 4 september 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 4 september 2012 tot vaststelling het bestemmingsplan "Buitengebied", voor zover het betreft:

a. de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied", voor zover die buiten het in de Verordening 2012 op kaart 5 aangeduide teeltgebied Zundert liggen (het college);

b. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 4]-[locatie 5] (het college);

c. het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de [locatie 8]/[locatie 9], voor zover het betreft het perceel, kadastraal aangeduid met nummer F1626 ([appellant sub 4] en andere);

d. het plandeel met de bestemming "Natuur" aan het [locatie 17] ([appellant sub 12]);

e. artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, en artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels (ZLTO en BMF);

f. artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, onder f en g, van de planregels (BMF);

g. artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, onder a, voor zover geen locatie-eisen zijn opgenomen voor permanente teeltondersteundende voorzieningen, van de planregels (BMF);

h. artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, onder a, voor zover geen locatie-eisen zijn opgenomen voor permanente teeltondersteundende voorzieningen, van de planregels (BMF);

i. de plandelen met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de Paandijksestraat 12 en Blokenstraat 2a (BMF);

j. artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.2, onder b, artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, onder b, artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, onder b, van de planregels (BMF);

k. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" nabij de Turfvaart Bijloop nabij het Rondgors, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 1 (BMF);

l. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel" tussen de Turfvaart en de Tiggeltseberg, zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 2 (BMF);

m. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" aan de Achtmaalseweg 160 (BMF);

n. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" tussen de Kalmthoutsebaan en de Belgische grens zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart 3 (BMF);

o. artikel 3, lid 3.8, onder 3.8.6, onder c, en onder 3.8.7, onder c, artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.6, onder c, artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.6, onder c, en onder 6.7.7, onder c, van de planregels (BMF);

p. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf" aan de [locatie 20] ([appellant sub 16]);

q. de bij artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder d, van de planregels behorende tabel "agrarisch technische hulpbedrijven", voor zover [locatie 21] hierin is opgenomen ([appellant sub 16]);

u. het plandeel met de bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 24], voor zover het perceel T2033 betreft ([appellant sub 18]);

v. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" op het perceel [locatie 29] ([appellant sub 20]);

w. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" met de aanduiding "paardenhouderij" en een bouwvlak op het perceel [locatie 30] ([appellant sub 19] en anderen en [appellant sub 20]);

x. het plandeel met bestemming "Bedrijf" aan de [locatie 37] ([appellant sub 26]);

y. het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "congrescentrum" aan de Achtmaalseweg 158B ([appellant sub 27]);

z. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "(-bw) bedrijfswoning uitgesloten" aan de [locatie 42] ([appellant sub 30]);

aa. artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.6, sub e, van de planregels ([appellante sub 33] en [appellant sub 32]);

ab. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" aan de [locatie 45] te Wernhout ([appellant sub 34]);

ac. artikel 17, lid 17.2, onder 17.2.4, sub c, van de planregels ([appellante sub 35]);

V. bepaalt dat aan artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.2, onder a, en artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied", de volgende zin wordt toegevoegd: "daarbij geldt dat gebruik voor permanente teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend is toegestaan direct grenzend aan enig bouwvlak" en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit (BMF);

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellant sub 6], [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], voor zover ontvankelijk, [appellant sub 15A] en [appellante sub 15B], [appellant sub 17], [appellant sub 21A], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 28], [appellante sub 29], [appellant sub 31A] en [appellante sub 31B] tegen het besluit van 4 september 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" ongegrond;

VII. verklaart het beroep van de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie tegen het besluit van 25 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" gegrond;

VIII. vernietigt het besluit van 25 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied", voor zover het betreft:

a. artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, onder b, van de planregels (BMF);

b. artikel 7, lid 7.8, onder 7.8.3, van de planregels (BMF);

c. artikel 8, lid 8.8, onder 8.8.3, van de planregels (BMF);

IX. bepaalt dat artikel 5, lid 5.8, onder 5.8.3, onder b, van de planregels van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" als volgt luidt: "de intensieve veehouderij niet gelegen is ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" en/of "wro-zone - ecologische verbindingszone" en/of "wro-zone - zoekgebied beekherstel"" en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd (BMF);

X. verklaart de beroepen van [appellant sub 4] en andere, de vereniging Afdeling Zundert-Rijsbergen van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, [appellant sub 16], [appellant sub 17] en [appellant sub 28] tegen het besluit van 25 februari 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied" ongegrond;

XI. draagt de raad van de gemeente Zundert op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de onderdelen genoemd in IV, met uitzondering van de onderdelen in g, h en o, en voor de onderdelen genoemd in VIII, met uitzondering van onderdeel a, en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

XII. treft de voorlopige voorziening dat tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe besluit als bedoeld in XI inpandige bedrijfswoningen in bedrijfsgebouwen niet mogen worden vervangen door vrijstaande bedrijfswoningen;

XIII. treft de voorlopige voorziening dat tot aan de inwerkingtreding van het nieuwe besluit als bedoeld in XI op gronden met de bestemming "Recreatie - Speel- en leerboerderij" de maximale oppervlakte voor kampeerhuisjes 65 m² bedraagt;

XIV. draagt de raad van de gemeente Zundert op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen in g, h en o van IV, in V, in a van VIII, en in IX worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

XV. veroordeelt de raad van de gemeente Zundert tot vergoeding van bij de volgende appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten:

a. voor [appellant sub 4] en andere een bedrag van € 1.222 (zegge: twaalfhonderdtweeëntwintig euro), waarvan € 1.180 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

b. voor [appellante sub 8A] en [appellant sub 8B] een bedrag van € 730,50 (zegge: zevenhonderddertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. voor [appellant sub 12] een bedrag van € 1267,90 (zegge: twaalfhonderdzevenenzestig euro en negentig cent), waarvan € 1217,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. voor [appellant sub 16] een bedrag van € 487 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. voor de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie een bedrag van € 1497,14 (zegge: veertienhonderdzevenennegentig euro en veertien cent), waarvan € 1461,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

f. voor [appellant sub 19] en anderen een bedrag van € 1217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

g. voor [appellant sub 26] een bedrag van € 204,05 (zegge: tweehonderdvier euro en vijf cent);

h. voor [appellant sub 30] een bedrag van € 974 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

i. voor [appellante sub 33] een bedrag van € 974 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

j. voor [appellant sub 32] een bedrag van € 487 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

k. voor [appellant sub 34] een bedrag van € 974 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

l. voor [appellante sub 35] een bedrag van € 974 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XVI. gelast dat de raad van de gemeente Zundert aan de volgende appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

a. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant;

b. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellant sub 4] en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellante sub 8A] en [appellant sub 8B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de vereniging Afdeling Zundert-Rijsbergen van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie;

e. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 12];

f. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie;

g. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 16];

h. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 18];

i. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 19] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

j. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 20];

k. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 26];

l. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 27];

m. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 30];

n. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellante sub 33];

o. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 32];

p. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellant sub 34];

q. € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) voor [appellante sub 35].

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Van Buuren w.g. Kegge

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

413-459-661-715-758.