Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3477

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201310350/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoornwijck - Broekpolder" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310350/1/R4.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Rijswijk,

en

de raad van de gemeente Rijswijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoornwijck - Broekpolder" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2014, waar [appellante], en de raad, vertegenwoordigd door G.H. Groeneveld, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan biedt een actueel juridisch-planologisch kader voor het gebied Hoornwijck - Broekpolder en is overwegend conserverend van aard.

2. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. [appellante] betoogt dat de raad ten onrechte de bestaande feitelijke situatie als uitgangspunt heeft genomen voor de vaststelling van het plan, nu de weg ten behoeve van de ontsluiting van de wijk in strijd met het vorige bestemmingsplan door het kantorengebied is aangelegd. Volgens haar zijn de gevolgen van het als zodanig bestemmen van de thans aanwezige weg, onder meer doordat kantoorgebouwen nu direct achter haar woning zijn gesitueerd, niet in kaart gebracht. De raad had inzichtelijk moeten maken wat de effecten hiervan op haar woon- en leefklimaat zijn en voorts de waardevermindering van haar perceel dienen te vergoeden, aldus [appellante].

3.1. De raad stelt dat afwijkingen van het vorige bestemmingsplan veelal door middel van vrijstellingen op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud, hierna: WRO) mogelijk zijn gemaakt. De door [appellante] aangehaalde aspecten had zij in de procedures rondom voornoemde vrijstellingen aan de orde dienen te stellen, aldus de raad.

3.2. Het vorige bestemmingsplan "Hoornwijck" dateert uit 1995. Op de hierbij behorende plankaart verschilt de ligging van de door [appellante] bedoelde ontsluitingsweg en de daaraan gelegen kantoorgebouwen met de ligging hiervan in het thans voorliggende plan.

Vast staat dat de bestaande ontsluitingsweg en de desbetreffende kantoorgebouwen als zodanig in het plan zijn opgenomen. Voorts staat vast dat voornoemde kantoren op basis van een vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO en verleende bouwvergunning zijn gerealiseerd.

De Afdeling overweegt dat de ligging van de weg zoals beoogd in het vorige bestemmingsplan thans niet ter toetsing voorligt. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestaande situatie, en daarmee voornoemde vrijstelling en bouwvergunning, als uitgangspunt voor het plan heeft mogen hanteren. Nu het plan de bestaande en vergunde situatie vastlegt, bestaat geen grond voor de verwachting dat de waardevermindering van het perceel van [appellante] als gevolg van het plan zodanig zal zijn, dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een doorslaggevend gewicht diende toe te kennen.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt dat groenvoorzieningen bij kantoren met het plan onvoldoende worden gegarandeerd. Volgens haar zijn diverse toezeggingen gedaan om groenvoorzieningen te realiseren en dienen voorts de in het vorige bestemmingsplan opgenomen bruggetjes alsnog te worden gerealiseerd.

4.1. De raad acht zich niet gebonden aan toezeggingen van derden ten aanzien van het realiseren van groenvoorzieningen ter plaatse. De raad stelt voorts dat het plan het realiseren van bruggetjes toestaat, maar dat het plan flexibel is wat betreft de locatie hiervan.

4.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De raad heeft ervoor gekozen om, anders dan in het vorige bestemmingsplan, geen locatie voor de desbetreffende bruggetjes in het plan op te nemen. Binnen de bestemmingen "Groen-1" en "Groen-2" maakt het plan het echter mogelijk om bruggetjes te realiseren.

[appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat de desbetreffende groenvoorzieningen in het plan zouden worden vastgelegd. Bovendien is het mogelijk binnen de bestemming "Kantoor" groenvoorzieningen te realiseren.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen zoals hij heeft gedaan.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Verhoeven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

690.