Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201301531/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301531/1/R4.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Honselersdijk, gemeente Westland,

2. [appellant sub 2], wonend te Den Haag,

3. [appellant sub 3], wonend te Poeldijk, gemeente Westland,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], wonend te Honselersdijk, gemeente Westland,

5. [appellant sub 5], wonend te De Lier, gemeente Westland,

6. [appellant sub 6], wonend te Honselersdijk, gemeente Westland,

7. [appellant sub 7], wonend te Monster, gemeente Westland,

8. [appellant sub 8], wonend te Maasdijk, gemeente Westland,

9. [appellant sub 9], wonend te Poeldijk, gemeente Westland,

10. [appellant sub 10], wonend te De Lier, gemeente Westland,

11. [appellante sub 11A], gevestigd te Naaldwijk, gemeente Westland, [appellant sub 11B] en [appellant sub 11C], beiden wonend in Naaldwijk, gemeente Westland,

12. de stichting Stichting Wonen Wateringen, gevestigd te Wateringen, gemeente Westland, en andere,

13. [appellante sub 13], gevestigd te Monster, gemeente Westland, en anderen,

14. [appellant sub 14], wonend te De Lier, gemeente Westland,

15. [appellant sub 15A], wonend te Poeldijk, gemeente Westland, en [appellante sub 15B], gevestigd te Poeldijk, gemeente Westland (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 15]),

16. [appellant sub 16A], wonend te ’s Gravenzande, gemeente Westland, en [appellante sub 16B], gevestigd te ’s-Gravenzande, gemeente Westland (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]),

17. [appellant sub 17], wonend te Honselersdijk, gemeente Westland, en anderen

18. [appellant sub 18], wonend te Monster, gemeente Westland,

19. [appellante sub 19], gevestigd te [plaats],

20. [appellant sub 20], wonend te 's-Gravenzande, gemeente Westland,

21. [appellant sub 21], wonend te Monster, gemeente Westland,

22. [appellant sub 22], handelend onder de naam [bedrijf], wonend te 's-Gravenzande, gemeente Westland,

23. de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V. (hierna: Gasunie), gevestigd te Groningen,

24. [appellant sub 24A] en [appellant sub 24B], beiden wonend te 's-Gravenzande, gemeente Westland,

25. [appellant sub 25], wonend te Naaldwijk, gemeente Westland,

26. [appellant sub 26], wonend te Honselersdijk, gemeente Westland,

27. [appellant sub 27], wonend te Monster, gemeente Westland, en andere,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 en 15 mei 2014, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het glastuinbouwgebied in de gemeente Westland. Het plan is overwegend conserverend van aard en heeft mede tot doel om de verschillen tussen de voorheen voor het plangebied geldende bestemmingsplannen te laten verdwijnen en waar mogelijk ruimte te bieden voor de glastuinbouw.

Intrekkingen

3. Ter zitting hebben [appellant sub 27] en andere hun beroep ingetrokken.

4. Ter zitting hebben [appellanten sub 11] hun beroep ingetrokken, voor zover ingediend door [appellant sub 11A] en [appellant sub 11C].

Het beroep van [appellant sub 1]

5. De raad betwist de ontvankelijkheid van het door [appellant sub 1] ingestelde beroep op de grond dat hij niet tijdig een zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

5.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang bezien met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 3:16, derde lid, in samenhang met artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een schriftelijk naar voren gebrachte zienswijze tijdig ingediend indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 1 juni 2012 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde derhalve op 12 juli 2012.

[appellant sub 1] heeft op 13 juli 2012 zijn zienswijze aan de balie van het gemeentehuis afgegeven. Deze zienswijze is derhalve niet tijdig naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Hiervan is de Afdeling niet gebleken. Het behoorde tot de eigen verantwoordelijkheid van [appellant sub 1] om zich te vergewissen van de uiterste datum waarop een zienswijze naar voren kon worden gebracht.

6. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 2]

7. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig artikel 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

7.1. Het bestreden besluit is ter inzage gelegd met ingang van 1 maart 2013, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en artikel 6:8, vierde lid, van de Awb is begonnen op 2 maart 2013 en geëindigd op 12 april 2013.

7.2. Het beroepschrift is gedateerd op 24 april 2013 en is derhalve niet binnen de termijn ingediend. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan moet worden geoordeeld dat [appellant sub 2] redelijkerwijs niet kan verweten niet tijdig beroep te hebben ingesteld.

8. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 3]

9. [appellant sub 3] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel [locatie 1] te Poeldijk, voor zover de op dit perceel staande woning hierdoor als agrarische bedrijfswoning en niet als burgerwoning is bestemd. Hiertoe betoogt hij dat de oppervlakte van het perceel onvoldoende is om een volwaardig glastuinbouwbedrijf op uit te oefenen en dat hij om deze reden en vanwege zijn leeftijd zijn bedrijf op korte termijn zal overdragen. Voor zover een woonbestemming niet kan worden toegekend, betoogt [appellant sub 3] dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of zijn woning als plattelandswoning kan worden aangemerkt.

Voorts betoogt [appellant sub 3] dat in strijd met de in 1989 en in 1993 tussen hem en de voormalige gemeente Monster gesloten overeenkomsten geen woonbestemming aan zijn woning is toegekend.

Verder maakt [appellant sub 3] een vergelijking met het naastgelegen perceel [locatie 2] waaraan de raad wel een woonbestemming heeft toegekend.

9.1. In paragraaf 2.3.2 van de plantoelichting staat dat de raad glastuinbouw de hoofdfunctie van het buitengebied van de gemeente Westland acht en dat het beleid erop is gericht deze functie te handhaven en waar mogelijk te versterken door middel van het bieden van voldoende ruimtelijke perspectieven voor volwaardige glastuinbouwbedrijven. In de plantoelichting staat voorts dat woningen in het glastuinbouwgebied voor belemmeringen kunnen zorgen bij reconstructie en schaalvergroting van glastuinbouwbedrijven. Om deze reden heeft de raad op 1 maart 2005 met het Raamplan voor woningen in het buitengebied van de gemeente Westland (hierna: het Raamplan) ingestemd. Het Raamplan bevat uniforme beleidscriteria voor de wijziging van de bestemming van agrarische bedrijfswoningen. Deze criteria voor wijziging zijn in aangescherpte vorm verwerkt in artikel 2, zevende lid, onder a, van de regels van het voorheen voor het glastuinbouwgebied geldende paraplubestemmingsplan "Parapluherziening bestemmingsplannen Buitengebied Westland", vastgesteld door de raad op 26 mei 2009 (hierna: het paraplubestemmingsplan), in de vorm van voorwaarden voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid voor de omzetting van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. Nu deze regeling in de praktijk goed functioneert, heeft de raad deze regeling overgenomen in artikel 3, lid 3.7.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland". Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan heeft de raad aan de hand van deze regeling getoetst of een agrarische bedrijfswoning in aanmerking komt voor een bestemming als burgerwoning.

9.2. De in artikel 3, lid 3.7.1, van de planregels neergelegde voorwaarden voor omzetting van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning, aan de hand waarvan de raad bij de voorbereiding van het plan verzoeken tot omzetting heeft beoordeeld, luiden als volgt:

- de bedrijfsvoering ter plaatse is beëindigd, waarbij alle ter plaatse bedrijfsmatig te gebruiken, bij het bedrijf bijbehorende, gronden zijn verkocht en alle bedrijfsmatig te gebruiken, bij het bedrijf bijbehorende, kassen, bedrijfsgebouwen en overige bedrijfsbouwwerken zijn verkocht of gesloopt ten behoeve van een schaalvergroting en/of herstructurering van de glastuinbouw;

- per bedrijf blijft ten minste één bedrijfswoning aanwezig;

- de woning is zodanig gesitueerd dat hierdoor de glastuinbouw nu en in de toekomst niet wordt belemmerd, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige;

- na de bestemmingswijziging zal geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zijn dan maximaal 1.000 m², waarbij leidend is een logische en efficiënte verkaveling van het glasareaal, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige;

- de van bestemming te wijzigen kavel is op een ruimtelijk logische en efficiënte wijze verkaveld;

- voldaan wordt aan de regels voor een woning als genoemd in de bestemming "Wonen", met dien verstande dat de regels met betrekking tot de inhoud van een woning en alle regels met betrekking tot bijgebouwen niet van toepassing zijn op de bestaande bebouwing, mits de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen bij de te wijzigen kavel is teruggebracht tot 100 m² of de inhoud van alle bestaande bijgebouwen is teruggebracht tot 300 m3;

[…]

9.3. Vast staat dat de oppervlakte van het perceel ongeveer 4.500 m2 bedraagt, de oppervlakte van de bijgebouwen ruim 3.000 m2 bedraagt en de bedrijfsvoering ter plaatse nog niet is beëindigd. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de voor omzetting geldende voorwaarden dat na de bestemmingswijziging geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zal zijn dan maximaal 1.000 m², dat de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen bij de te wijzigen kavel is teruggebracht tot 100 m² en dat de bedrijfsvoering ter plaatse is beëindigd.

[appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de raad aanleiding hadden moeten geven af te wijken van het door hem in het kader van dit plan gehanteerde beleid ter zake van verzoeken tot het omzetten van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. Zodra de door hem gestelde beëindiging van zijn bedrijf en de reconstructie van de glastuinbouw ter plaatse actueel worden, kan aan het gemeentebestuur wederom een verzoek tot omzetting worden gedaan.

9.4. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij de figuur van de plattelandswoning niet hanteert, maar steeds een keuze heeft gemaakt tussen een bestemming als bedrijfswoning en burgerwoning. [appellant sub 3] heeft geen aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onredelijk is. Er bestond voor de raad dan ook geen aanleiding om te onderzoeken of de woning van [appellant sub 3] als plattelandswoning kan worden bestemd.

9.5. Voor zover [appellant sub 3] wijst op de tussen hem en de voormalige gemeente Monster in 1989 gesloten overeenkomst, in samenhang bezien met de in 1993 gesloten overeenkomst, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat een overeenkomst niet kan leiden tot een verplichting van de raad aan gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht, deze overeenkomsten blijkens de bewoordingen daarvan geen verplichting tot het verlenen van planologische medewerking inhouden, strekkende tot het omzetten van de bedrijfswoning van [appellant sub 3] in een burgerwoning.

9.6. Over de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 2] heeft de raad gesteld dat aan het perceel [locatie 2] reeds in een vorig plan een woonbestemming is toegekend en dat dit perceel een oppervlakte van 650 m2 heeft. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 3] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

10. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellanten sub 4]

11. [appellanten sub 4] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel [locatie 3] te Honselersdijk, voor zover de op dit perceel staande woning hierdoor als agrarische bedrijfswoning en niet als burgerwoning is bestemd. Hiertoe betogen zij dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een burgerwoning ter plaatse aan de reconstructie van het glastuinbouwgebied in de weg staat. Zij voeren aan dat rondom de woning voldoende ruimte is voor bedrijfsgebouwen. Voorts voeren zij aan dat bedrijfsgebouwen ook niet in de plaats van de woning gebouwd zullen kunnen worden gelet op de vereiste afstand tussen bedrijfsgebouwen en de Zwethlaan. Daarnaast wijzen zij erop dat de woning aan de [locatie 4] als bedrijfswoning aanwezig blijft bij het bedrijf.

Voorts maken [appellanten sub 4] een vergelijking met andere woningen aan de Zwethlaan waaraan in vorige plannen wel een woonbestemming is toegekend.

11.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de Zwethlaan een weg is in categorie 2 volgens bijlage 4 bij de planregels. Ingevolge artikel 32, lid 32.3.1, aanhef en onder a, van de planregels bedraagt de afstand van een nieuw te bouwen bedrijfsgebouw tot het hart van een weg in deze categorie 12,50 m voor kassen, watersilo’s en waterbassins en voor hoofdgebouwen van woningen 17,50 m. Nu de voorgevel van de woning van [appellanten sub 4] op een afstand van ongeveer 17 m van het hart van de weg staat, mist het betoog van [appellanten sub 4] dat bedrijfsgebouwen niet in de plaats van de woning gerealiseerd zullen kunnen worden feitelijke grondslag.

Wat betreft de door [appellanten sub 4] gestelde omstandigheid dat tussen de woningen aan de [locatie 4] en [locatie 3] voldoende ruimte is voor bedrijfsgebouwen, stelt de Afdeling vast dat op en achter de percelen [locatie 4] en [locatie 3] glasopstanden staan, met uitzondering van een strook grond langs de Zwethlaan met een breedte van ongeveer 33 m waarop ook de woningen staan. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ruimte voor bij de glastuinbouwbedrijven behorende voorzieningen, zoals watersilo’s, gevonden moet worden aan de voorzijde van de percelen langs de Zwethlaan en dat de ruimte hiervoor reeds beperkt is, zodat een burgerwoning ter plaatse mogelijk aan de ontwikkeling van de glastuinbouw in de weg staat.

De door [appellanten sub 4] gestelde omstandigheid dat de woning aan de [locatie 4] als agrarische bedrijfswoning bij het bedrijf blijft horen, betreft een zelfstandige voorwaarde voor het omzetten van een bedrijfswoning in een burgerwoning. In zoverre doet deze omstandigheid niet af aan de stelling van de raad dat een burgerwoning ter plaatse een belemmering kan vormen voor de glastuinbouw.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet wordt voldaan aan de hiervoor onder 9.1 en 9.2 genoemde, voor omzetting geldende voorwaarde dat de woning zodanig is gesitueerd dat hierdoor de glastuinbouw nu en in de toekomst niet wordt belemmerd.

11.2. Over de door [appellanten sub 4] gemaakte vergelijking met de overige percelen aan de Zwethlaan wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat aan deze percelen in een vorig plan reeds een woonbestemming was toegekend en dat op de percelen aan de noordzijde van de Zwethlaan de ondersteunende voorzieningen aan de achterzijde van de bedrijven liggen en op de percelen aan de zuidzijde van de Zwethlaan, zoals het perceel van [appellanten sub 4], de ruimte voor ondersteunende voorzieningen aan de voorzijde van de bedrijven langs de Zwethlaan moet worden gevonden. In hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hen genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

12. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

13. [appellant sub 5] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel [locatie 5] te De Lier, voor zover de op dit perceel staande woning hierdoor als agrarische bedrijfswoning en niet als burgerwoning is bestemd. Hij betoogt hiertoe dat hij zijn onbebouwde gronden aan een derde verhuurt, zodat de raad ten onrechte deze gronden in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarde dat bij omzetting een kavel van maximaal 1.000 m2 in eigendom mag blijven. Hij wijst in dit verband op een publicatie van LTO Nederland.

Voorts betoogt hij dat er geen koper voor zijn gronden is, zodat hij niet aan die voorwaarde voor het omzetten van zijn agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning kan worden gehouden. Hij voert voorts aan dat er een gasleiding onder zijn perceel loopt, zodat ter plaatse geen glasopstanden gebouwd mogen worden en dat zijn gronden dan ook niet in een toekomstige reconstructie betrokken kunnen worden. Hij wijst in dit verband op een brief van Westland Infra van 26 september 2013.

13.1. Vast is komen te staan dat de percelen van [appellant sub 5] een totale oppervlakte hebben van ongeveer 7.700 m2 en dat de oppervlakte van de bijgebouwen op deze percelen ongeveer 400 m2 bedraagt. Nog daargelaten dat uit de door [appellant sub 5] overgelegde stukken niet volgt dat de publicatie van LTO Nederland betrekking heeft op dit bestemmingsplan, mist de door hem gestelde uitleg door LTO Nederland ook steun in de door de raad gehanteerde voorwaarden, nu in deze voorwaarden geen onderscheid wordt gemaakt tussen verhuurde en niet verhuurde gronden. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de hiervoor onder 9.1 en 9.2 genoemde, voor omzetting geldende voorwaarden dat na de bestemmingswijziging geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zal zijn dan maximaal 1.000 m² en dat de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen bij de te wijzigen kavel is teruggebracht tot 100 m².

[appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de raad aanleiding hadden moeten geven af te wijken van het door hem in het kader van dit plan gehanteerde beleid ter zake van verzoeken tot het omzetten van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. De door [appellant sub 5] in dit verband overgelegde brief van Westland Infra van 26 september 2013 heeft betrekking op eisen die worden gesteld aan het uitvoeren van werkzaamheden ter plaatse van de gasleiding. Daarnaast volgt uit de brief weliswaar dat over de leiding niet gebouwd mag worden en dat de minimale afstand tussen deze leiding en gebouwen ten minste 2 m dient te bedragen, maar dit sluit de aanleg van aan de glastuinbouw ondergeschikte voorzieningen en het gebruik van de gronden voor open teelt niet uit. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is uitgesloten dat de gronden van [appellant sub 5] in een toekomstige reconstructie zullen worden betrokken.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woning op dit perceel niet in aanmerking komt voor omzetting in een burgerwoning.

14. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

15. [appellant sub 6] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel [locatie 6] te Honselersdijk, omdat de op dit perceel staande woning hierdoor als agrarische bedrijfswoning en niet als burgerwoning is bestemd. [appellant sub 6] betoogt dat deze bestemming is toegekend in strijd met een overeenkomst uit 1996, gesloten tussen de gemeenten in het Westland, op grond waarvan eenieder die zijn woning op dat moment als burger bewoonde die woning mocht blijven bewonen. Hij stelt dat hij zijn woning in 1996 reeds als burger bewoonde.

[appellant sub 6] betoogt verder dat hij voldoet aan de voorwaarden voor omzetting van zijn agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. Hiertoe voert hij aan dat zijn perceel zodanig is gesitueerd dat het nauwelijks mogelijk is om grond daarvan toe te voegen aan een van de naastgelegen glastuinbouwbedrijven en dat een burgerwoning ter plaatse dan ook niet aan reconstructie in de weg staat. Daarnaast voert hij aan dat hij bereid is om een eerste recht van koop aan zijn buren te verlenen voor een deel van zijn perceel.

Voorts betoogt hij dat zijn perceel ongeschikt is voor de uitoefening van een zelfstandig glastuinbouwbedrijf, aangezien de maximale oppervlakte van de op het perceel mogelijkerwijs te realiseren glasopstanden minder dan 5.000 m2 bedraagt. Hierdoor is hij niet in staat het perceel te gebruiken overeenkomstig de bestemmingsomschrijving, aldus [appellant sub 6]. Hij wijst er voorts op dat zijn perceel is verkleind, omdat hij gronden heeft moeten verkopen voor de aanleg van de veilingroute.

Ten slotte maakt [appellant sub 6] een vergelijking met het perceel Alkemadelaan 10 te Monster waaraan de raad wel een woonbestemming heeft toegekend.

15.1. Vast staat dat het perceel van [appellant sub 6] een oppervlakte heeft van ongeveer 13.700 m2 en dat daarop ten minste 1.250 m2 aan bijgebouwen aanwezig is. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de hiervoor onder 9.1 en 9.2 genoemde, voor omzetting geldende voorwaarden dat na de bestemmingswijziging geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zal zijn dan maximaal 1.000 m² en dat de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen bij de te wijzigen kavel is teruggebracht tot 100 m². De bereidheid van [appellant sub 6] om een eerste recht van koop te verlenen op de ten noorden van zijn woning gelegen gronden, laat onverlet dat hij ten tijde van de vaststelling van het plan niet voldeed aan de voorwaarde dat na de bestemmingswijziging geen grotere kavel bij de eigenaar in eigendom zal zijn dan maximaal 1.000 m².

[appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de raad aanleiding hadden moeten geven af te wijken van het door hem in het kader van dit plan gehanteerde beleid ter zake van verzoeken tot het omzetten van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. De door [appellant sub 6] gestelde omstandigheid dat het perceel onvoldoende groot is voor een volwaardig agrarisch bedrijf, doet er niet aan af dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gronden kunnen worden betrokken in een reconstructie van het glastuinbouwgebied ter plaatse. Weliswaar bevindt zich momenteel een watergang tussen zijn perceel en de rest van het glastuinbouwgebied, staat op een naastgelegen perceel een hoogspanningsmast en loopt onder een deel van het perceel [appellant sub 6] een gasleiding, maar nu aan deze watergang de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is toegekend en de hoogspanningsmast en gasleiding er niet aan in de weg staan dat de gronden ten behoeve van de glastuinbouw worden ingericht, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de feitelijke situatie ter plaatse niet aan reconstructie in de weg staat.

15.2. Uit de namens [appellant sub 6] ingediende zienswijze volgt dat hij na de aanleg van de veilingroute zijn glastuinbedrijf elders heeft voortgezet. Uit een namens [appellant sub 6] verzonden brief van 11 oktober 2004 volgt dat op dat moment nog agrarisch gebruik van de op zijn perceel aanwezige kassen plaatsvond. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met zijn beleid, in het bijzonder de door hem genoemde intentieverklaring uit 1996, geen woonbestemming heeft toegekend aan zijn perceel.

15.3. Over de door [appellant sub 6] gemaakte vergelijking met het perceel Alkemadelaan 10 heeft de raad gesteld dat in dat geval gronden zijn verkocht aan de eigenaar van een aangrenzend glastuinbouwbedrijf met de aantekening dat hier sprake is van een uitgestelde levering. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 6] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

16. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

17. [appellant sub 7] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel [locatie 7] te Monster, omdat de op dit perceel staande woning als agrarische bedrijfswoning en niet als burgerwoning is bestemd. Hij betoogt dat van de zijde van de gemeente in het verleden is toegezegd dat een woonbestemming aan zijn perceel zou worden toegekend. Hij wijst hiertoe op een brief van de projectleider Team Woningen Buitengebied Westland van de gemeente Westland van 24 mei 2005, op een mondelinge toezegging van dezelfde projectleider alsmede op het ontwerp van het bestemmingsplan "Woningen Buitengebied Westland deel I", waarin overeenkomstig vorenbedoelde brief een woonbestemming aan zijn woning was toegekend.

Voorts maakt [appellant sub 7] een vergelijking met de percelen Hoflaan 2 en Hoflaan 12 te Monster waaraan de raad in het bestemmingsplan "Woningen Buitengebied Westland deel II" een woonbestemming heeft toegekend. Ook deze woningen stonden aan reconstructie van het glastuinbouwgebied in de weg, aldus [appellant sub 7].

17.1. De raad stelt dat de woning van [appellant sub 7] vanwege de situering niet voldoet aan de voorwaarden voor omzetting daarvan in een burgerwoning. De toezeggingen waar [appellant sub 7] zich op beroept zijn niet van de raad afkomstig, maar zijn gedaan op ambtelijk niveau en kunnen niet aan hem worden toegerekend, aldus de raad.

17.2. Weliswaar bevat de brief van 24 mei 2005 de ondubbelzinnige toezegging dat de gemeente medewerking zal verlenen aan de omzetting van de woning van [appellant sub 7] in een burgerwoning, maar uit die brief blijkt niet dat deze toezegging is gedaan namens de raad. [appellant sub 7] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de toezegging gedaan door de projectleider toch aan de raad moet worden toegerekend. Dat het Raamplan is vastgesteld door de raad en de projectleider was belast met het beoordelen van de verzoeken die in het kader van het Raamplan bij de gemeente werden ingediend, maken niet dat de projectleider bevoegd was om namens de raad toe te zeggen dat een bestemming als burgerwoning zou worden toegekend. Ook de omstandigheid dat in andere gevallen overeenkomstig de toezegging van de projectleider een bedrijfswoning is omgezet in een burgerwoning is voor zo’n toerekening onvoldoende. Te minder nu ter zitting is komen vast te staan dat de raad ook in een aantal andere gevallen, in afwijking van een toezegging van de projectleider, geen woonbestemming aan een perceel heeft toegekend.

Aan de gestelde omstandigheid dat in een vorig ontwerpplan aan het perceel een woonbestemming was toegekend, kan ten slotte evenmin het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat in een later plan een woonbestemming voor het desbetreffende perceel zal worden opgenomen.

17.3. Voor zover [appellant sub 7] een beroep heeft gedaan op paragraaf 5.3.1 van het Raamplan, overweegt de Afdeling als volgt. In deze paragraaf van het Raamplan staat dat in het geval in het verleden een toezegging is gedaan waardoor een gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat legalisering van de onttrekking zou plaatsvinden, slechts wordt getoetst aan de voorwaarden dat de maximale oppervlakte van het perceel zo beperkt mogelijk is met een maximum van 1.000 m2 en dat de bijgebouwen na de bestemmingswijziging geen groter vloeroppervlak mogen hebben dan 50 m2.

Nog daargelaten dat de raad het verzoek van [appellant sub 7] terecht niet aan het Raamplan maar aan de inmiddels ten tijde van de vaststelling van het plan aangescherpte onder 9.1 en 9.2 vermelde voorwaarden heeft getoetst, dateert de toezegging waar [appellant sub 7] zich op beroept van na de datum van instemming van de raad met het Raamplan. Van een toezegging gedaan in het verleden, als bedoeld in paragraaf 5.3.1 van het Raamplan, is dan ook geen sprake.

17.4. Over de door [appellant sub 7] gemaakte vergelijking met de percelen Hoflaan 2 en Hoflaan 12 heeft de raad gesteld dat deze percelen gelegen zijn in een lint bestaande uit negen woningen, waarvan er vijf de bestemming "Wonen" hebben en dat de woning van [appellant sub 7] is gelegen nabij een watergang aan het einde van een doodlopende weg midden in het glastuinbouwgebied. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 7] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

18. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

19. [appellant sub 8] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel [locatie 8] te Maasdijk, nu aan dit perceel niet de bestemming "Wonen" is toegekend. Hij voert aan dat de provincie een gedeelte van zijn glastuinbouwbedrijf heeft aangekocht in verband met de aanleg van de provinciale weg N223 achter zijn woning. Het resterende deel van zijn bedrijf kan vanwege de ligging niet worden toegevoegd aan het glastuinbouwgebied, aldus [appellant sub 8]. Daarnaast voert hij aan dat niet van hem kan worden verlangd dat hij de resterende glasopstanden afbreekt, aangezien deze fungeren als afscherming tegen het lawaai van de nieuwe provinciale weg en het zicht op de provinciale weg ontnemen. Onder deze omstandigheden had de raad aan zijn belang bij het toekennen van een woonbestemming met behoud van de glasopstanden dan ook een zwaarder gewicht moeten toekennen dan aan de belangen die gemoeid zijn met de naleving van het geldende beleid, aldus [appellant sub 8].

Voorts maakt [appellant sub 8] een vergelijking met de woning op het perceel Oranjesluisweg 5, waaraan wel de bestemming "Wonen" is toegekend, terwijl aan de op dit perceel aanwezige glasopstanden de bestemming "Bedrijf" is toegekend. Daarnaast maakt [appellant sub 8] een vergelijking met de woningen aan de Oranjesluisweg 13 en 13a waaraan ook de bestemming "Wonen" is toegekend.

19.1. Vast staat dat op het achterste gedeelte van het perceel [locatie 8] op ongeveer 4 m van de op het voorste gedeelte van het perceel gelegen woning ongeveer 1.200 m2 aan glasopstanden staan. In het voorontwerp van het plan was aan het voorste gedeelte van het perceel de bestemming "Wonen" toegekend en aan het achterste gedeelte de bestemming "Groen". Hierop heeft [appellant sub 8] een inspraakreactie ingediend met het verzoek een agrarische bestemming aan zijn perceel toe te kennen om hem in staat te stellen zijn glastuinbouwactiviteiten ter plaatse voort te zetten als onderdeel van een elders gevestigd glastuinbouwbedrijf. In het ontwerpplan is vervolgens aan het perceel de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" toegekend. In zijn zienswijze over het ontwerpplan heeft [appellant sub 8] verzocht om een woonbestemming voor het voorste gedeelte van zijn perceel onder behoud van de agrarische bestemming voor het achterste gedeelte van zijn perceel. De raad heeft dit verzoek niet gehonoreerd. In zijn beroepschrift heeft [appellant sub 8] verzocht om aan zijn gehele perceel een woonbestemming toe te kennen. Ter zitting is gebleken dat [appellant sub 8] geen concrete plannen heeft voor het gebruik van zijn gronden en de daarop gelegen glasopstanden.

Gelet op het door de raad gehanteerde uitgangspunt dat woonkavels in het glastuingebied geen grotere oppervlakte mogen hebben dan 1.000 m2 en dat niet meer dan 100 m2 aan bijgebouwen bij een woonbestemming wordt toegestaan teneinde verrommeling van het buitengebied te voorkomen, heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten de gronden overeenkomstig de in het voorheen geldende plan toegekende bestemming en ten behoeve van de primaire functie van het buitengebied te bestemmen in afwachting van een concreet voornemen van [appellant sub 8] voor het gebruik van zijn gronden en glasopstanden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een groter gewicht had moeten toekennen aan het belang van [appellant sub 8] bij het toekennen van een woonbestemming met behoud van de glasopstanden dan aan de belangen die zijn gemoeid met de door de raad gehanteerde uitgangspunten.

19.2. Over de door [appellant sub 8] gemaakte vergelijking met het perceel Oranjesluisweg 5 heeft de raad gesteld dat de glasopstanden op het perceel Oranjesluisweg 5 zullen worden opgeknapt en gebruikt als caravanstalling en dat daartoe de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "caravanstalling" aan het perceel zijn toegekend. Wat betreft de door [appellant sub 8] gemaakte vergelijking met de percelen Oranjesluisweg 13 en 13a heeft de raad gesteld dat deze percelen aanzienlijk kleiner zijn dan het perceel van [appellant sub 8].

In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 8] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

20. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

21. [appellant sub 9] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel [locatie 9] te Poeldijk, voor zover de op dit perceel staande woning hierdoor als agrarische bedrijfswoning en niet als burgerwoning is bestemd. Hij betoogt hiertoe dat van de zijde van de gemeente in het verleden is toegezegd dat een woonbestemming aan zijn perceel zou worden toegekend. Hiertoe wijst [appellant sub 9] op twee brieven van het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Monster van 29 oktober 1999 onderscheidenlijk 22 december 1999.

Voorts betoogt [appellant sub 9] dat zijn woning niet in de weg staat aan de reconstructie van het glastuinbouwgebied, nu de omliggende glasopstanden eigendom zijn van zijn zoon en zijn zoon geen bezwaar heeft tegen een burgerwoning ter plaatse.

Verder maakt [appellant sub 9] een vergelijking met de percelen Hoflaan 2, Hoflaan 6 en Hoflaan 12 waaraan de raad wel een woonbestemming heeft toegekend.

21.1. Vast staat dat de woning van [appellant sub 9] aan drie zijden wordt omsloten door glasopstanden en aan één zijde door een watergang. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet wordt voldaan aan de hiervoor onder 9.1 en 9.2 genoemde, voor omzetting geldende voorwaarde dat de woning zodanig is gesitueerd dat hierdoor de glastuinbouw nu en in de toekomst niet wordt belemmerd.

[appellant sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de raad aanleiding hadden moeten geven af te wijken van het door hem in het kader van dit plan gehanteerde beleid ter zake van verzoeken tot het omzetten van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. De gestelde omstandigheid dat de huidige eigenaar van de omliggende glasopstanden geen bezwaar heeft tegen een burgerwoning ter plaatse, doet daar niet aan af nu de raad in redelijkheid aan het belang bij de mogelijkheid van een toekomstige reconstructie van het glastuinbouwgebied ter plaatse een groter gewicht heeft kunnen toekennen.

21.2. Over het betoog van [appellant sub 9] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden, de door [appellant sub 9] overgelegde brieven blijkens de bewoordingen daarvan voor zover het betreft het verlenen van planologische medewerking slechts een inspanningsverplichting inhouden. Aan die mededelingen van het college van burgemeester en wethouders kan [appellant sub 9] dan ook niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat door de raad een woonbestemming aan het perceel zou worden toegekend. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

21.3. Voor zover [appellant sub 9] een beroep heeft gedaan op paragraaf 5.3.1 van het Raamplan, overweegt de Afdeling als volgt. In deze paragraaf van het Raamplan staat dat in het geval in het verleden een toezegging is gedaan waardoor een gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat legalisering van de onttrekking zou plaatsvinden, slechts wordt getoetst aan de voorwaarden dat de maximale oppervlakte van het perceel zo beperkt mogelijk is met een maximum van 1.000 m2 en dat de bijgebouwen na de bestemmingswijziging geen groter vloeroppervlak mogen hebben dan 50 m2.

Nog daargelaten dat de raad het verzoek van [appellant sub 9] terecht niet aan het Raamplan maar aan de inmiddels ten tijde van de vaststelling van het plan aangescherpte onder 9.1 en 9.2 vermelde voorwaarden heeft getoetst, is er gelet op het voorgaande reeds geen sprake is van een toezegging op grond waarvan een gerechtvaardigd vertrouwen kan zijn ontstaan.

21.4. Over de door [appellant sub 9] gemaakte vergelijking met de percelen Hoflaan 2, Hoflaan 6 en Hoflaan 12 heeft de raad gesteld dat deze percelen zijn gelegen in een lint bestaande uit negen woningen, waarvan er vijf de bestemming "Wonen" hebben en dat de woning van [appellant sub 9] solitair is gelegen, omsloten door glasopstanden. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 9] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

22. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 10]

23. [appellant sub 10] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel [locatie 10] te De Lier, voor zover de op dit perceel staande woning hierdoor als agrarische bedrijfswoning en niet als burgerwoning is bestemd. Hij betoogt hiertoe dat van de zijde van de gemeente in het verleden is toegezegd dat een woonbestemming aan zijn perceel zou worden toegekend. Hiertoe wijst [appellant sub 10] op een brief van het college van burgemeester en wethouders van 11 februari 2009, alsmede een brief en een e-mail van twee ambtenaren van de gemeente van 1 juni 2007 onderscheidenlijk 24 oktober 2008.

Voorts betoogt [appellant sub 10] dat hij voldoet aan de voorwaarden voor omzetting van een agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning. Hij voert hiertoe aan dat de voorwaarden er niet aan in de weg staan dat aan gronden tot 1.000 m2 een woonbestemming wordt toegekend ondanks dat een perceel met een grotere oppervlakte zijn eigendom blijft.

23.1. Vast staat dat [appellant sub 10] in totaal ongeveer 4.200 m2 aan gronden in eigendom heeft waarop ten minste 1.050 m2 aan bijgebouwen staat. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de hiervoor onder 9.1 en 9.2 genoemde, voor omzetting geldende voorwaarden dat na de bestemmingswijziging geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zal zijn dan maximaal 1.000 m² en dat de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen bij de te wijzigen kavel is teruggebracht tot 100 m². De door [appellant sub 10] voorgestane uitleg van de voorwaarden vindt weliswaar steun in paragraaf 5.3.2 van het Raamplan, maar nu de raad de in dit Raamplan voor omzetting geformuleerde onder 9.1 en 9.2 vermelde voorwaarden heeft aangescherpt in het parapluherzieningsplan, heeft de raad het verzoek van [appellant sub 10] terecht getoetst aan de inmiddels ten tijde van de vaststelling van het plan aangescherpte voorwaarden en niet aan de in het Raamplan opgenomen voorwaarden. [appellant sub 10] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de raad aanleiding hadden moeten geven in dit geval af te wijken van de door de raad gehanteerde aangescherpte voorwaarden.

23.2. Over het betoog van [appellant sub 10] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren, in dienst bij de gemeente, of het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. Nog daargelaten dat de door [appellant sub 10] overgelegde brieven en e-mail blijkens de bewoordingen daarvan voor zover het betreft het verlenen van planologische medewerking slechts een inspanningsverplichting inhouden, kan aan de mededelingen van de ambtenaren en het college van burgemeester en wethouders dan ook niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een woonbestemming aan het perceel zou worden toegekend. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

24. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11B]

25. [appellant sub 11B] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 11] en [locatie 12] te Naaldwijk. [appellant sub 11B] betoogt dat de op het perceel aanwezige tweede woning met huisnummer [locatie 12] ten onrechte niet als zodanig is bestemd door middel van van een functieaanduiding voor een tweede woning op het perceel [locatie 11] en [locatie 12]. Hij voert hiertoe aan dat de tweede woning reeds rond 1962 vergunningvrij is gebouwd, is voorzien van een huisnummer en beide woningen al jaren apart worden aangeslagen voor de Waardering Onroerende Zaken-belasting (hierna: WOZ-belasting). Voorts wijst [appellant sub 11B] erop dat in de overdrachtsakte van 27 februari 1986 is vermeld dat op het perceel twee woningen staan en dat de woning met huisnummer 76a sinds 1986 tot 2011 is verhuurd aan derden. Bovendien hoeft het bestemmingsvlak volgens [appellant sub 11B] niet te worden vergroot als de tweede woning in het plan wordt opgenomen.

25.1. De raad stelt dat de woning [locatie 12] in het verleden illegaal is gebouwd, omdat daarvoor nimmer een bouwvergunning is afgegeven. Verder stelt de raad dat de woning op [locatie 2] niet als zodanig was bestemd in het voorheen geldende bestemmingsplan "Parapluherziening bestemmingsplannen Buitengebied Westland" en het daarvoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Naaldwijk, nu die plannen op het desbetreffende perceel slechts één woning toestonden. De raad heeft voor het onderhavige, conserverende plan aangesloten bij de planologische situatie uit die bestemmingsplannen. Voorts stelt de raad dat in het plangebied geen nieuwe woningen worden toegestaan, omdat de raad het saldo-0 beleid hanteert. Verder volgt uit het aanslaan van de woning voor de WOZ-belasting en het toekennen van een huisnummer niet dat het plan moet voorzien in een functieaanduiding waarmee de tweede woning wordt gelegaliseerd, aldus de raad.

25.2. Ingevolge artikel 20, lid 20.2.1, onder a, van de planregels is per bestemmingsvlak één woning toegestaan, tenzij ter plaatse van de aanduiding "aantal woningen" een ander maximum aantal woningen is aangegeven.

25.3. [appellant sub 11B] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de woning met huisnummer [locatie 2] in het verleden met vergunning is gebouwd, nu geen vergunningen of andere documenten zijn overgelegd waaruit volgt dat toestemming is verleend voor de bouw van deze woning, en evenmin aannemelijk is gemaakt dat de woning toentertijd legaal vergunningvrij is gebouwd. De raad heeft voor het onderhavige, conserverende bestemmingsplan aangesloten bij de planologische situatie uit de vorige bestemmingsplannen. In het vorige bestemmingsplan "Parapluherziening bestemmingsplannen Buitengebied Westland" is de woning met het huisnummer [locatie 2] weliswaar ingetekend op de kadastrale ondergrond, maar ter plaatse is geen aanduiding voor een tweede woning opgenomen. De woning met huisnummer [locatie 2] was derhalve niet toegestaan op grond van het vorige plan. Voor zover [appellant sub 11B] erop wijst dat het bestemmingsvlak niet hoeft te worden vergroot, overweegt de Afdeling dat, wat hier verder ook van zij, deze omstandigheid, mede gelet op het saldo-0 beleid van de raad, niet met zich brengt dat de woning ter plaatse ruimtelijk aanvaardbaar is. Over het toegekende huisnummer en de waardebepaling in het kader van de WOZ, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 februari 2010, in zaak nr. 200904021/1/R3, dat aan een toegekend huisnummer geen rechten op of rechtens relevante verwachtingen omtrent het planologische regime kunnen worden ontleend. Ook de waardebepaling in het kader van de WOZ is niet relevant bij het toekennen van een bestemming. Aan de lange duur van de verhuur van de woning met huisnummer [locatie 2] kunnen evenmin rechten op of rechtens relevante verwachtingen over een bestemming worden ontleend. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten om geen functieaanduiding voor een tweede woning aan het perceel [locatie 11] en [locatie 12] toe te kennen.

Het betoog faalt.

26. Het beroep van [appellant sub 11B] is ongegrond.

Het beroep van Stichting Wonen Wateringen en andere

27. Ter zitting hebben Stichting Wonen Wateringen en andere hun beroepsgrond over mogelijke staatssteun voor de woningbouwlocatie De Gouw ingetrokken.

28. Het beroep van Stichting Wonen Wateringen en andere is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het gebied tussen de Heulweg en de Bovendijk bij Kwintsheul (hierna: Kwintsheul-Noord). Stichting Wonen Wateringen en andere betogen dat het plan ten onrechte niet voorziet in de bestemming "Wonen" of een uit te werken woonbestemming voor dit gebied. Zij voeren aan dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, nu de raad het vertrouwen heeft gewekt dat de locatie Kwintsheul-Noord voor woningbouw zou worden bestemd. Daarbij wijzen zij op verscheidene documenten en overeenkomsten uit de jaren 2002 tot en met 2010. De stichting en andere hebben geanticipeerd op het gewekte vertrouwen en in 2005 en 2006 gronden aangekocht in Kwintsheul-Noord. Verder voeren Stichting Wonen Wateringen en andere aan dat de raad misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid, omdat de gemeente geen eigenaar is van de locatie Kwintsheul-Noord maar wel van de locatie De Gouw waar wel woningen zullen worden gebouwd. Bovendien heeft de wethouder in een interview gesteld dat voor de locatie De Gouw is gekozen vanwege de winstmogelijkheden voor de gemeente.

Subsidiair betogen Stichting Wonen Wateringen en andere dat de locatie Kwintsheul-Noord buiten het plangebied had moeten worden gelaten, zodat nader onderzoek kan worden gedaan naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de bestemming "Wonen" voor Kwintsheul-Noord.

28.1. De raad stelt dat het plan een conserverend bestemmingsplan is, waarin geen nieuwe ontwikkelingen zijn opgenomen. Nu de locatie Kwintsheul-Noord in het vorige plan een glastuinbouwbestemming had en er geen concrete plannen zijn voor woningbouw op deze locatie, is deze bestemming overgenomen in het onderhavige plan. Verder stelt de raad dat in een raadsbesluit van 19 december 2012 weliswaar is besloten om de locatie Kwintsheul-Noord niet te ontwikkelen, maar dat dit besluit geen deel uitmaakt van het onderhavige plan. De raad betwist dat in het verleden toezeggingen zijn gedaan aan Stichting Wonen Wateringen en andere omtrent de ontwikkeling van het gebied. Daartoe stelt de raad dat steeds is vermeld dat Kwintsheul-Noord binnen de eerste fase van de Westlandse Zoom als laatste voor ontwikkeling in aanmerking zou komen en dat, in tegenstelling tot de andere deelgebieden in de eerste fase van de Westlandse Zoom, voor de locatie Kwintsheul-Noord geen bestemmingsplan in procedure is gebracht dat woningbouw mogelijk maakt.

28.2. De raad heeft er in het onderhavige plan voor gekozen om de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" aan de locatie Kwintsheul-Noord toe te kennen. Deze bestemming is overgenomen uit het vorige plan, omdat het een conserverend plan betreft, er geen concreet zicht is op woningbouw op deze locatie binnen de planperiode en de benodigde onderzoeken om woningbouw ter plaatse toe te staan niet zijn uitgevoerd. Stichting Wonen Wateringen en andere hebben dit niet gemotiveerd betwist. Derhalve ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad gelet hierop niet in redelijkheid voor de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" heeft kunnen kiezen.

28.3. Over het betoog van Stichting Wonen Wateringen en andere dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat Stichting Wonen Wateringen en andere met de verwijzing naar verscheidene documenten niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad rechtens relevante verwachtingen zijn gewekt of toezeggingen zijn gedaan dat het plan zou voorzien in woningbouw op de locatie Kwintsheul-Noord. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

28.4. Het betoog van Stichting Wonen Wateringen en andere dat de raad misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid door op de locatie De Gouw, welke gronden in eigendom zijn van de gemeente, wel woningbouw toe te staan, treft geen doel. De locatie De Gouw heeft in het onderhavige bestemmingsplan eveneens de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" gekregen. De ter zitting aangevoerde omstandigheid dat inmiddels voor deze locatie een voorbereidingsbesluit is genomen, leidt niet tot een ander oordeel, nu deze omstandigheid dateert van na de datum van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

28.5. Ten aanzien van het subsidiaire betoog van Stichting Wonen Wateringen en andere dat de locatie Kwintsheul-Noord buiten het plangebied gelaten had moeten worden, overweegt de Afdeling dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zover dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen Stichting Wonen Wateringen en andere hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde begrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat onder 28.2 is overwogen dat binnen de planperiode naar verwachting geen woningen zullen worden gebouwd en dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat het gebied binnen de planperiode zal worden aangewend voor glastuinbouw.

Het betoog faalt.

29. Het beroep van Stichting Wonen Wateringen en andere is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub13] en anderen

30. Het beroep van [appellant sub13] en anderen voor zover gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor hun perceel [locatie 13] te Monster, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Voor zover [appellant sub13] en anderen stellen dat zij op dit punt wel een zienswijze naar voren hebben gebracht, omdat zij op het zienswijzeformulier hebben verwezen naar hun inspraakreactie en bijlagen over het perceel [locatie 13], overweegt de Afdeling dat op het zienswijzeformulier en in de bij het formulier gevoegde zienswijze weliswaar het adres [locatie 13] is genoemd, maar niets staat over het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" en dat op het formulier slechts "zie bijlages" staat. De inspraakreactie, noch de overige bijlagen bij de zienswijze zien op het perceel [locatie 13] of de daaraan toegekende bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw". Naar het oordeel van de Afdeling is aldus geen zienswijze naar voren gebracht over het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor hun perceel. Voorts is geen rechtvaardiging gelegen in de gestelde omstandigheid dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor hun perceel op de hoorzitting op 20 augustus 2012 aan de orde is gesteld, nu op de hoorzitting de zienswijze alleen kan worden toegelicht en niet kan worden aangevuld. Evenmin is een rechtvaardiging gelegen in de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders na het verstrijken van de zienswijzefase een handhavingsprocedure heeft gestart.

Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

31. Het beroep van [appellant sub13] en anderen is tevens gericht tegen het plandeel met de bestemming "Kantoor" voor het perceel [locatie 14] te Monster. Zij betogen dat het kantoorpand in strijd met de verleende binnenplanse vrijstelling wordt gebruikt voor andere kantoordoeleinden dan als agrarisch kantoorpand. Volgens [appellant sub13] en anderen leidt dit gebruik tot overlast. Voorts betogen zij dat het plan ten onrechte niet voorziet in een bufferzone met een breedte van 4,8 m tussen het kantoorpand op voornoemd perceel en de kassen van [appellant sub13] en anderen. Volgens [appellant sub13] en anderen is in 2002 in een privaatrechtelijke overeenkomst neergelegd dat de gebruiker van het kantoorpand en [appellant sub13] een deel van hun opstallen zouden slopen om een bufferzone te realiseren en is in een gesprek op 2 december 2002 door een wethouder en een ambtenaar toegezegd dat deze bufferzone een agrarische bestemming krijgt.

31.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de privaatrechtelijke overeenkomst niet in het bestemmingsplan hoeft te worden opgenomen. Volgens hem komt de bestemmingsgrens overeen met de perceelgrens zoals deze in een andere procedure door de rechtbank is vastgesteld. Over het gebruik van het kantoorpand in strijd met de verleende vrijstelling stelt de raad dat dit niet in de onderhavige procedure aan de orde kan komen.

31.2. Ingevolge artikel 11, lid 11.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Kantoor" onder meer aangewezen voor kantoren, bijbehorende erven, terreinen en voorzieningen, zoals ontsluitingswegen ten behoeve van de bereikbaarheid van de bedrijfspercelen, groen en laad- en losvoorzieningen.

31.3. Bij besluit van 17 december 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders vrijstelling als bedoeld in artikel 3, lid c III, onder 3, van het bestemmingsplan "Buitengebied" van de voormalige gemeente Monster verleend voor de vestiging van een agrarisch kantoorpand op het perceel [locatie 14] te Monster. Bij besluit van 16 september 2003 is vrijstelling verleend voor de uitbreiding van het kantoorpand. Deze tweede vrijstelling eist niet een relatie tussen het kantoor en de agrarische sector. De raad heeft in het onderhavige plan het onderscheid tussen kantoorpanden en agrarische kantoorpanden laten vervallen. Daargelaten of de reikwijdte van de vrijstelling van 16 september 2003 beperkt is tot de uitbreiding van het kantoor of dat deze vrijstelling voor het gehele perceel geldt, ziet de Afdeling in de omstandigheid dat in het verleden een relatie met de agrarische sector is gelegd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor een niet geclausuleerde kantoorbestemming. Voor zover ter zitting is aangevoerd dat de bestemming "Kantoor" leidt tot extra hinder ten gevolge van parkeren, kantinegebruik of vuilnis, overweegt de Afdeling dat [appellant sub13] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat een agrarisch kantoor minder hinder veroorzaakt.

31.4. Ingevolge artikel 11, lid 11.1, onder b, van de planregels is een groenvoorziening toegestaan binnen de bestemming "Kantoor". Het plan staat derhalve in zoverre niet aan de realisering van de groenstrook in de weg. In hetgeen [appellant sub13] en anderen hebben aangevoerd ten aanzien van de groenstrook die volgens [appellant sub13] en anderen tussen het kantoor en het perceel van [appellant sub13] en anderen moet worden gerealiseerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de bestemming "Kantoor" heeft kunnen kiezen.

Het betoog faalt.

32. [appellant sub13] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub13] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

33. Het beroep van [appellant sub13] is niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 13] in Monster. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 14]

34. Het beroep van [appellant sub 14] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het noordelijke deel van het perceel [locatie 15] in De Lier. Hij betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf", met een bebouwingspercentage van 65%, een maximum goothoogte van 6 m en een maximum bouwhoogte van 10 m voor het genoemde perceeldeel. [appellant sub 14] voert hiertoe aan dat hij dit deel van het perceel voorheen gebruikte voor zijn loonbedrijf en thans verhuurt aan derden. Verder voert hij aan dat het perceeldeel niet kan worden gebruikt voor glastuinbouw, omdat het perceel te klein is en ongunstig is gelegen ten opzichte van de kern De Lier. [appellant sub 14] betoogt ook dat het op grond van de door provinciale staten vastgestelde Verordening Ruimte, actualisering 2011 (hierna: Verordening Ruimte 2011) voor glastuinbouwgerelateerde bedrijven mogelijk is om uit te breiden. Daarnaast biedt de Verordening Ruimte, actualisering 2012 (hierna: Verordening Ruimte 2012) volgens hem mogelijkheden om in een bestemmingsplan voor de omvang van de bedrijfsopstallen van agrarisch aanverwante bedrijven extra mogelijkheden op te nemen.

34.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de planregeling voor het perceel [locatie 15] op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Volgens de raad is het onderhavige plan een conserverend bestemmingsplan waarin geen functies mogelijk worden gemaakt die in strijd zijn met het gemeentelijke en provinciale beleid. Het gemeentelijke en provinciale beleid is erop gericht de glastuinbouw te behouden en waar mogelijk te versterken, onder meer via reconstructies. Het gemeentelijke beleid is niet gericht op het uitbreiden van agrarisch aanverwante bedrijven, maar op verplaatsing van deze bedrijven naar bedrijventerreinen, aldus de raad. Voorts stelt de raad dat de Verordening Ruimte 2011 weliswaar een afwijkingsmogelijkheid biedt van de regel dat geen nieuwe vestiging of uitbreiding van stedelijke functies in het gebied is toegestaan, maar dat de raad niet gehouden is gebruik te maken van deze mogelijkheid. Verder wijst de raad erop dat op grond van de Verordening Ruimte 2011 de uitbreiding niet ten koste mag gaan van het areaal voor de glastuinbouw, terwijl de door [appellant sub 14] voorgestane ontwikkeling wel ten koste gaat van het glastuinbouwareaal.

34.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening Ruimte 2011 sluiten bestemmingsplannen voor gronden buiten de bebouwingscontouren, zoals aangegeven op kaart 1 bij de Verordening Ruimte 2011, bestemmingen uit die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g, kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voor gronden buiten de bebouwingscontouren glastuinbouwgerelateerde bedrijven en functies in het glastuinbouwbedrijvengebied mogelijk maken. Binnen de begrenzing van het "glastuinbouwbedrijvengebied", zoals aangegeven op kaart 2 bij de Verordening Ruimte 2011, is naast glastuinbouw de vestiging of uitbreiding mogelijk van bedrijven en andere functies die een directe binding hebben met de glastuinbouw en noodzakelijk zijn voor het functioneren van de glastuinbouw. De vestiging is alleen mogelijk als sprake is van intensief ruimtegebruik en het areaal voor de glastuinbouw niet wordt verminderd. Dit kan bijvoorbeeld door de toepassing van dubbel grondgebruik van bedrijven in combinatie met glas.

34.3. Ter zitting heeft [appellant sub 14] gesteld dat hij in ieder geval een deel van het perceel in het verleden voor zijn loonbedrijf heeft aangewend en thans verhuurt aan derden. Hij heeft echter geen concrete gegevens gesteld waaruit blijkt wanneer dit gebruik is aangevangen en dat het gebruik in het verleden legaal is aangevangen. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat dit gebruik was toegestaan onder het overgangsrecht. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestaande gebruik als zodanig diende te bestemmen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan het gebruik in strijd met de geldende bestemming niet de gerechtvaardigde verwachting kan worden ontleend dat dit gebruik in een volgend plan als zodanig zal worden bestemd. Voorts heeft de raad uiteengezet dat het plan erop is gericht de glastuinbouw binnen het glastuinbouwgebied te versterken, waardoor ruimtelijke ontwikkelingen eventuele reconstructies niet mogen belemmeren. [appellant sub 14] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het perceeldeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" door de ligging ten opzichte van de kern De Lier niet kan worden gebruikt voor glastuinbouw. Voor zover [appellant sub 14] een beroep heeft gedaan op de mogelijkheden die de Verordening Ruimte 2011 volgens hem biedt voor een loonbedrijf ter plaatse, overweegt de Afdeling dat de raad, ongeacht de mogelijkheden die de Verordening Ruimte 2011 biedt, een eigen afweging dient te maken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van het perceel als loonbedrijf. Wat betreft de mogelijkheden in de Verordening Ruimte 2012 voor de omvang van de bedrijfsopstallen, overweegt de Afdeling dat de Verordening Ruimte 2012 ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit niet gold, zodat reeds daarom geen beroep kan worden gedaan op de mogelijkheden in de Verordening Ruimte 2012. Gelet op het vorenoverwogene heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten de door [appellant sub 14] gewenste uitbreiding van de bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" met een bebouwingspercentage van 65%, een maximum goothoogte van 6 m en een maximum bouwhoogte van 10 m voor het noordelijke deel van zijn perceel [locatie 15] te De Lier niet in het plan op te nemen.

35. Het beroep van [appellant sub 14] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 15]

36. [appellant sub 15] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor zijn perceel [locatie 16] in Poeldijk. Op het perceel is een kwekerij en een loonbedrijf gevestigd. [appellant sub 15] betoogt dat het perceeldeel dat hij gebruikt voor het loonbedrijf de bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" moet krijgen omdat de feitelijke situatie verschilt van de planologische situatie. Volgens [appellant sub 7] was de gemeente bekend met dit gebruik, onder meer door een melding op grond van het Besluit opslag en transportbedrijven en diverse gesprekken die in het verleden zijn gevoerd.

[appellant sub 15] betoogt voorts dat niet alleen het bestaande gebruik van het perceel als loonbedrijf als zodanig moet worden bestemd, maar dat ook de overige gronden de bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" moeten krijgen. Hij wijst erop dat het bedrijf door de toegenomen mechanisatie steeds meer stallingsruimte voor machines nodig heeft. Verder voert hij aan dat gelet op bijlage 1 bij de planregels de oppervlakte van de op het perceel aanwezige kassen te klein is voor een zelfstandig glastuinbouwbedrijf. De Verordening Ruimte 2012 biedt volgens [appellant sub 15] bovendien mogelijkheden voor de door hem gewenste uitbreiding van zijn bedrijfsactiviteiten, indien de gewenste bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" aan het perceel wordt toegekend.

36.1. De raad stelt dat in het verleden nimmer toestemming is verleend om een deel van het perceel [locatie 16] voor een loonbedrijf in gebruik te nemen. Daartoe voert de raad aan dat in een bouwvergunningsaanvraag van 11 oktober 2000 staat dat het voorste deel van het perceel werd gebruikt als warenhuis en zal worden gebruikt als opkweekruimte. Verder wijst de raad op een koopovereenkomst waarin staat dat [appellant sub 15] voornemens is om het perceel te gebruiken voor glastuinbouwdoeleinden.

De raad stelt voorts dat de gewenste bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" voor het gehele perceel in strijd is met het gemeentelijke en provinciale beleid ten aanzien van glastuinbouw.

36.2. [appellant sub 15] heeft ter zitting gesteld dat hij sinds 1996 een loonbedrijf uitoefent op de huidige locatie aan de [locatie 16]. Dit gebruik was echter niet toegestaan op grond van het vorige plan. De aangevoerde omstandigheden dat de voormalige gemeente Monster op de hoogte was van het gebruik en de gemeente Westland in 2006 een melding in het kader van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer heeft geaccepteerd, heft die strijdigheid niet op.

Voor zover [appellant sub 15] betoogt dat de bestaande situatie als zodanig dient te worden bestemd, overweegt de Afdeling dat aan het gebruik in strijd met de geldende bestemming niet de gerechtvaardigde verwachting kan worden ontleend dat dit gebruik in een volgend plan als zodanig zal worden bestemd. De raad heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat voor de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is gekozen omdat het perceel, ondanks de beperkingen in de omgeving, in de toekomst betrokken kan worden bij een reconstructie. [appellant sub 15] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Voor zover [appellant sub 15] betoogt dat zijn kassen te klein zijn om te voldoen aan de oppervlakte-eis van 5000 m2 aan kassen uit bijlage 1 bij de planregels, overweegt de Afdeling als volgt. De norm voor een volwaardig glastuinbouwbedrijf uit bijlage 1 bij de planregels is overgenomen uit het vorige bestemmingsplan "Parapluherziening bestemmingsplannen buitengebied Westland". Op grond van deze norm heeft een volwaardig glastuinbouwbedrijf 15.000 m2 aan kassen. Bij een kleinere oppervlakte aan kassen zal een glastuinbouwdeskundige advies uitbrengen over de levensvatbaarheid van een bedrijf. De minimale oppervlakte aan kassen is 5000 m2. Het doel van deze norm is het voorkomen van kleine, nieuwe solitaire kassen. De norm wordt volgens de raad onderschreven door land- en tuinbouworganisatie LTO. De raad heeft ter zitting gesteld dat deze norm enkel van toepassing is op nieuwe glastuinbouwbedrijven en niet op bestaande bedrijven. De Afdeling volgt de raad in zijn opvatting dat de oppervlaktenorm uit bijlage 1 bij de planregels geen gevolgen heeft voor bestaande bedrijven. Nu het bedrijf van [appellant sub 15] een bestaand glastuinbouwbedrijf is, hoeft het bedrijf niet te voldoen aan de oppervlakte-eis uit bijlage 1 van de planregels.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen kiezen voor de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 16] te Poeldijk.

Het betoog faalt.

37. Het beroep van [appellant sub 15] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 16]

38. [appellant sub 16] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de bestemming "Agrarisch-Glastuinbouw" voor een groot deel van zijn perceel aan de [locatie 17] te ’s-Gravenzande, welke gronden hij tussen 2005 en 2008 heeft verworven. Volgens [appellant sub 16] had de raad bij de vaststelling van het plan de bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" aan het gehele perceel moeten toekennen. Hij voert daartoe aan dat hij een deel van de gronden met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" gebruikt voor zijn loonbedrijf en dat hij het gehele perceel nodig heeft als bedrijfs- en stallingsruimte. Volgens [appellant sub 16] kunnen de aanwezige kassen geen zelfstandig glastuinbouwbedrijf herbergen, waardoor het feitelijke gebruik als zodanig bestemd kan worden. Verder moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van meerdere woningen en een bedrijventerrein, waardoor glastuinbouw niet mogelijk is op het perceel, aldus [appellant sub 16]. Ook betoogt hij dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat de raad voor zijn perceel vasthoudt aan de glastuinbouwbestemming, terwijl elders in het glastuinbouwgebied wel andere functies dan glastuinbouw zijn toegestaan. Voorts betoogt [appellant sub 16] dat de Verordening Ruimte 2011 en de Verordening Ruimte 2012 mogelijkheden bieden voor het toekennen van de door hem gewenste bestemming en voert hij aan dat het bebouwingspercentage en de toegestane bouwhoogtes moeten worden aangepast overeenkomstig het perceeldeel met de bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf".

38.1. De raad wijst erop dat het gebruik van de kassen voor het loonbedrijf van [appellant sub 16] niet legaal is aangevangen en dat niet zal worden meegewerkt aan legalisatie, nu de door [appellant sub 16] voorgestane ontwikkeling in strijd is met het gemeentelijke en provinciale beleid tot behoud en versterking van de glastuinbouw in het Westland. De raad bestrijdt voorts dat de oppervlakte van de aanwezige glasopstanden te klein is voor een zelfstandig glastuinbouwbedrijf. Het aanpassen van het maximum bebouwingspercentage en de bouwhoogtes acht de raad ongewenst omdat dit toekomstige herstructurering zou kunnen belemmeren.

38.2. [appellant sub 16] gebruikt een groot deel van het perceel [locatie 17] voor zijn loonbedrijf. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat dit gebruik legaal is aangevangen dan wel was toegestaan op grond van het overgangsrecht. Naar het oordeel van de Afdeling kan aan het gebruik in strijd met de geldende bestemming niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat dit gebruik in een volgend plan als zodanig zal worden bestemd, ook niet als het gebruik zoals in dit geval al zes tot negen jaar bestaat.

De raad stelt dat ruimtelijke ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor de glastuinbouw, nu dit bestemmingsplan primair is gericht op de versterking van de glastuinbouw in het Westland. [appellant sub 16] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gewenste bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" geen belemmering vormt voor de glastuinbouw en dat het perceel door zijn ligging niet bruikbaar is voor glastuinbouw.

Over de in de brief van 2 mei 2014 door [appellant sub 16] gemaakte vergelijking met andere locaties, waarbij glastuinbouwareaal is verdwenen ten behoeve van andere functies, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 16] niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen, nu het in de door [appellant sub 16] aangehaalde gevallen geen loonbedrijven betrof.

Voor zover [appellant sub 16] een beroep doet op de mogelijkheden uit de Verordening Ruimte 2011 voor een loonbedrijf ter plaatse, overweegt de Afdeling dat de raad, ongeacht de mogelijkheden die de Verordening Ruimte 2011 biedt, een eigen afweging dient te maken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van het perceel als loonbedrijf.

Wat betreft de mogelijkheden die de Verordening Ruimte 2012 biedt, overweegt de Afdeling dat daarop geen beroep kan worden gedaan, nu de Verordening Ruimte 2012 ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit niet gold.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" kunnen toekennen aan het perceel [locatie 17].

Het betoog faalt.

39. [appellant sub 16] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 16] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

40. Het beroep van [appellant sub 16] is ongegrond.

Het beroep [appellant sub 17] en anderen

41. Het beroep van [appellant sub 17] en anderen is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor zover toegekend aan het voorste deel van het perceel [locatie 18] te Honselersdijk waarop de bedrijfswoning staat. Zij betogen dat aan dit deel van het perceel de bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" had moeten worden toegekend, gelet op de toezegging in de brief van 3 september 2003 van het college van burgemeester en wethouders.

41.1. De raad stelt dat de toezegging is vertaald in het onderhavige plan door aan het zuidelijke deel van het perceel de bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" toe te kennen. Volgens de raad kan uit de brief van 3 september 2003 niet worden afgeleid dat de aanwezige woning ook deze bestemming zou krijgen, nu de brief ziet op het verzoek van [appellant sub 17] en anderen om een woonbestemming voor de bedrijfswoning en een bedrijfsbestemming voor de aanwezige bedrijfsopstanden. Er is voor het desbetreffende deel van het perceel gekozen voor de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw", omdat de woning niet wordt gebruikt als kantoor voor het loonbedrijf, het grootste deel van het perceel wordt gebruikt voor glastuinbouw en een andere bestemming belemmerend zou kunnen zijn bij een eventuele reconstructie.

41.2. [appellant sub 17] en anderen oefenen sinds 2008 geen loonbedrijf meer uit aan de [locatie 18], maar zij willen desalniettemin nakoming van de toezegging in de brief van 3 september 2003. Daargelaten dat de brief van 3 september 2003 een brief van het college van burgemeester en wethouders en niet van de raad betreft, staat in deze brief naar het oordeel van de Afdeling niet de toezegging dat wordt meegewerkt aan een bedrijfsbestemming voor de aanwezige woning. In de brief staat dat geen medewerking zal worden verleend aan de gewenste woonbestemming voor de woning en dat het zuidelijke deel van de bedrijfsopstanden, conform het bestaande gebruik, zal worden bestemd als loonbedrijf. Deze toezegging is de raad in het onderhavige plan nagekomen door aan het zuidelijke deel van het bedrijfsperceel de bestemming "Bedrijf - Agrarisch Aanverwant Bedrijf" toe te kennen. Voor zover [appellant sub 17] en anderen hebben gewezen op de passage in de brief "De woning is in gebruik ten dienste van het loonbedrijf. De woning is daarom onderdeel van het agrarisch loonbedrijf", overweegt de Afdeling dat deze passage is opgenomen als motivering voor het besluit om geen woonbestemming toe te kennen aan de bedrijfswoning. Naar het oordeel van de Afdeling kan hierin niet een toezegging voor een bedrijfsbestemming voor de woning worden gelezen. Gelet op het voorgaande heeft de raad het plan in zoverre niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld en heeft hij in redelijkheid de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" aan het voorste deel van het perceel met daarop de woning kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

42. Het beroep van [appellant sub 17] en anderen is tevens gericht tegen de criteria volwaardig/doelmatig glastuinbouwbedrijf in bijlage 1 bij de planregels. Volgens [appellant sub 17] en anderen worden zij onevenredig benadeeld door de minimale oppervlakte-eis van 5000 m2 aan kassen voor een volwaardig glastuinbouwbedrijf, omdat er op hun perceel minder glasopstanden staan. Zij vrezen dat de grond in waarde zal dalen, terwijl de raad niet heeft gemotiveerd waarom deze oppervlakte-eis in de planregels is opgenomen.

42.1. De raad heeft ter zitting gesteld dat de oppervlaktenorm uit bijlage 1 bij de planregels enkel van toepassing is op nieuwe glastuinbouwbedrijven en niet op bestaande bedrijven. De Afdeling volgt de raad in zijn opvatting dat de oppervlaktenorm uit bijlage 1 bij de planregels geen gevolgen heeft voor bestaande bedrijven. Nu het bedrijf van [appellant sub 17] en anderen een bestaand glastuinbouwbedrijf is, hoeft het bedrijf niet te voldoen aan de oppervlakte-eis uit bijlage 1 bij de planregels. [appellant sub 17] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij, ondanks dat deze norm niet van toepassing is op hun glastuinbouwbedrijf, in hun belangen worden geschaad.

Het betoog faalt.

43. Het beroep van [appellant sub 17] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 18]

44. [appellant sub 18] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 19] te Monster. Op het perceel is sinds 2004 een alpacafokkerij gevestigd en volgens [appellant sub 18] had dit gebruik als zodanig moeten worden bestemd, nu het een conserverend bestemmingsplan betreft. [appellant sub 18] betoogt voorts dat het perceel door de beperkte omvang en de vorm ongeschikt is voor glastuinbouw, ook na een eventuele reconstructie of een samenvoeging met naastgelegen percelen.

44.1. Volgens de raad is het gebruik van het perceel voor glastuinbouwdoeleinden doelmatig, zeker na reconstructie en samenvoeging met andere percelen. [appellant sub 18] heeft volgens de raad in het verleden toegezegd medewerking te zullen verlenen aan een dergelijke reconstructie. Verder stelt de raad dat een andere bestemming voor het perceel op basis van de ligging van het perceel in het glastuinbouwgebied ongewenst is en dat ander bedrijfsmatig gebruik dan glastuinbouw moet worden geweerd. Het huidige gebruik van het perceel als alpacafokkerij is in strijd met het vorige bestemmingsplan en het onderhavige bestemmingsplan, waartegen handhavend wordt opgetreden, aldus de raad.

44.2. De oppervlakte van het perceel van [appellant sub 18] bedraagt ongeveer 1,3 hectare. Het gebruik van het perceel als alpacafokkerij is in strijd met het vorige bestemmingsplan "Parapluherziening bestemmingsplannen buitengebied Westland" is aangevangen. In hetgeen [appellant sub 18] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestaande gebruik als zodanig diende te bestemmen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat aan het gebruik in strijd met de geldende bestemming niet de gerechtvaardigde verwachting kan worden ontleend dat dit gebruik in een volgend plan als zodanig zal worden bestemd, ook niet als dit gebruik zoals in dit geval reeds tien jaar bestaat. De omstandigheid dat het onderhavige plan conserverend van aard is, leidt niet tot een ander oordeel, nu de raad ook bij een conserverend plan niet gehouden is om het bestaande gebruik dat hij in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening als zodanig te bestemmen. De raad heeft in het verweerschrift en ter zitting uiteengezet dat het plan primair is gericht op de versterking van de glastuinbouwfunctie in het plangebied, dat het perceel van [appellant sub 18], gelet op de oppervlaktenorm uit bijlage 1 bij de planregels, voldoende groot is voor een zelfstandig glastuinbouwbedrijf en dat het perceel binnen de planperiode betrokken kan worden bij een reconstructie. [appellant sub 18] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet op het voorgaande heeft de raad dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" aan het perceel van [appellant sub 18] toe te kennen.

Het betoog faalt.

45. Het beroep van [appellant sub 18] is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 19]

46. [appellante sub 19] kan zich niet verenigen met de planregeling voor het perceel [locatie 20] te ’s-Gravenzande voor zover niet is voorzien in de mogelijkheid een bedrijfswoning te bouwen. [appellante sub 19] betoogt dat de Afdeling de raad van de voormalige gemeente ’s-Gravenzande bij uitspraak van 21 juli 1998, in zaak nr. E01.96.0299 (aangehecht), heeft opgedragen om een bedrijfswoning op het perceel planologisch mogelijk te maken. [appellante sub 19] wijst daarbij in het bijzonder op het kaartje bij de uitspraak. Verder voert [appellante sub 19] aan dat het college van burgemeester en wethouders bij brief van 14 juli 2003 heeft toegezegd de bedrijfswoning bij de eerstvolgende bestemmingsplanherziening planologisch mogelijk te maken, welke toezegging later meerdere malen mondeling is bevestigd.

46.1. De raad stelt dat sinds de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 1998 tot de vaststelling van het plan nimmer een aanvraag is ingediend voor de bouw van een bedrijfswoning. Volgens de raad blijkt hieruit dat er geen noodzaak is om ter plaatse een bedrijfswoning te realiseren.

46.2. Aan het perceel [locatie 20] te ’s-Gravenzande is de bestemming "Bedrijf" toegekend. Binnen deze bestemming mag geen bedrijfswoning worden gerealiseerd. In de voornoemde uitspraak van 21 juli 1998 heeft de Afdeling heeft het besluit van het college van gedeputeerde staten van 11 juni 1996 vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en de nadere aanwijzing "(z)" (zonder gebouwen), zoals aangegeven op de bij de uitspraak behorende, gewaarmerkte kaart. In de uitspraak is daarnaast zelf voorziend goedkeuring onthouden aan dat plandeel. Uit de uitspraak volgt naar het oordeel van de Afdeling slechts dat de Afdeling niet is gebleken van redenen op grond waarvan verweerders in redelijkheid hebben kunnen concluderen dat hoewel een bedrijfswoning op het middenterrein mogelijk is, de bouw van zo’n woning op het voorterrein niet aanvaardbaar zou zijn en dat de toenmalige verweerders daarom bij afweging van de belangen het desbetreffende plandeel niet in redelijkheid hebben kunnen goedkeuren. Daaruit volgt niet dat de raad zonder meer gehouden was om op het perceel [locatie 20] een bedrijfswoning toe te staan.

De mededeling van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente ’s-Gravenzande in de brief van 14 juli 2013 dat bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan Buitengebied de overwegingen en de besluiten van Gedeputeerde Staten en van de Raad van State worden meegenomen, dat naar verwachting in 2004 een aanvang genomen zou kunnen worden met de herziening van het bestemmingsplan en er overigens geen dringende noodzaak werd gezien om het bestemmingsplan met voorrang te herzien, omdat er geen noodzaak was voor het hebben van een bedrijfswoning op het voorterrein van het perceel [locatie 20], kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden opgevat als een toezegging bij de eerstvolgende bestemmingsplanherziening planologisch te voorzien in een bedrijfswoning.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld.

Het betoog faalt.

47. Het beroep van [appellante sub 19] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 20]

48. [appellant sub 20] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor zijn perceel [locatie 21] te ’s-Gravenzande. [appellant sub 20] betoogt dat de raad ten onrechte deze bestemming aan zijn perceel heeft toekend, omdat hij momenteel op het perceel een veehouderij heeft. Verder is het perceel volgens hem te klein voor een zelfstandig glastuinbouwbedrijf en is het volgens [appellant sub 20] niet te verwachten dat het perceel zal worden gebruikt door een naastgelegen glastuinbouwbedrijf of betrokken zal worden bij een reconstructie. Daarbij wijst [appellant sub 20] erop dat op de naastgelegen percelen recent een reconstructie heeft plaatsgevonden. [appellant sub 20] wenst dan ook een andere bestemming voor het perceel, bijvoorbeeld de bestemming "Wonen" of "Bedrijf".

48.1. Onbetwist is dat het gebruik als rundveehouderij van het perceel [locatie 21] te ’s-Gravenzande in het verleden legaal is aangevangen en in het bestemmingsplan "Parapluherziening bestemmingsplannen buitengebied Westland" onder het overgangsrecht is gebracht. Gelet op artikel 38, lid 38.2, onder a, van de planregels is het gebruik thans opnieuw onder het overgangsrecht gebracht.

Onder omstandigheden kan het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van het bestaande gebruik van een perceel aanvaardbaar zijn. Hiervoor is vereist dat aannemelijk is dat deze vorm van gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dit is door de raad evenwel niet aannemelijk gemaakt. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid het legale gebruik als rundveehouderij niet opnieuw onder het overgangsrecht mogen brengen. Hier doet niet aan af dat de raad het bestaande gebruik van het perceel [locatie 21] uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenst acht.

Nu de raad niet in redelijkheid het gebruik van het perceel van [appellant sub 20] voor zijn veehouderij opnieuw onder het overgangsrecht heeft kunnen brengen en de raad evenmin heeft onderzocht of voor het perceel in het plan een andere bestemming had kunnen worden opgenomen, is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Reeds hierom slaagt het betoog, zodat hetgeen [appellant sub 20] voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking meer behoeft.

48.2. In hetgeen [appellant sub 20] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 21] te ’s-Gravenzande is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 20] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 21]

49. [appellant sub 21] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor zover het betreft het perceel [locatie 22] te ’s-Gravenzande. [appellant sub 21] betoogt dat de ter plaatse gevestigde bouwmaterialengroothandel stof en andere overlast veroorzaakt, onder meer door het bikken van stenen, waardoor hij op zijn naastgelegen perceel geen kwekerij kan opstarten.

49.1. De raad stelt dat voor de bouwmaterialengroothandel op 27 mei 1994 een vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO is verleend, welke onherroepelijke vrijstelling in het onderhavige plan is opgenomen. Verder wijst de raad erop dat het perceel [locatie 22] in het vorige plan al de bestemming "Agrarisch hulp- en nevenbedrijf" had.

49.2. Aan het perceel [locatie 22] te ’s-Gravenzande is de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" toegekend. Binnen deze bestemming is één bedrijf toegestaan van maximaal categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten.

49.3. [appellant sub 21] had ten tijde van de vaststelling van het plan geen kwekerij op zijn perceel en evenmin is gebleken van concrete plannen voor het starten van een glastuinbouwbedrijf ter plaatse. Op het perceel [locatie 22] zijn alleen bedrijven uit categorie 1 en 2 zoals opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Voorts heeft de raad ter zitting gesteld dat op het perceel [locatie 22] geen stenen meer worden gebikt, welke activiteit ook niet is toegestaan binnen de bestemming, maar dat overslag van bouwmaterialen plaatsvindt. [appellant sub 21] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze activiteiten dan wel andere binnen de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" toegestane activiteiten op de [locatie 22] leiden tot onaanvaardbare overlast. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Bedrijf" aan het perceel [locatie 22] te ’s-Gravenzande heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

50. Het beroep van [appellant sub 21] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 22]

51. Het beroep van [appellant sub 22] is gericht tegen de maximum bouwhoogte van 6 m op zijn perceel [locatie 23] te ’s Gravenzande. Hij betoogt dat de raad in de nota van zienswijzen heeft toegezegd dat het plan zal voorzien in een maximum goothoogte van 6 m op zijn perceel. Volgens [appellant sub 22] heeft de raad deze wijziging ten onrechte niet overgenomen in het vastgestelde plan.

51.1. De raad heeft in de zienswijzennota gesteld dat de goothoogte voor het perceel [locatie 23] zal worden aangepast naar 6 m. Deze wijziging is opgenomen in de bij het vaststellingsbesluit behorende Staat van Wijzigingen, maar niet verwerkt op de verbeelding die door de raad is gewaarmerkt als behorend bij zijn besluit van 19 december 2012 en ter inzage is gelegd. De raad heeft deze omissie in het verweerschrift erkend. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingsbesluit. In hetgeen [appellant sub 22] aanvoert ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt. Het beroep van [appellant sub 22] is gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van Gasunie

52. Gasunie kan zich niet met het plan verenigen voor zover een gedeelte van de hoofd-aardgastransportleiding A-517-07 niet is opgenomen op de verbeelding. Zij voert aan dat het niet opnemen van aardgastransportleidingen op de verbeelding in strijd is met artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen en wijst erop dat de raad haar zienswijze ten aanzien hiervan gegrond heeft verklaard.

52.1. De Afdeling stelt vast dat de raad zich thans op het standpunt stelt dat hij de hoofd-aardgastransportleiding A-517-07 ten onrechte niet als zodanig in het plan heeft bestemd.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. Het beroep van Gasunie is gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover hoofd-aardgastransportleiding A-517-07 niet in het plan is bestemd.

Het beroep van [appellanten sub 24]

53. [appellanten sub 24] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel, kadastraal bekend gemeente ’s-Gravenzande, sectie M, nummer 1819, aan [locatie 24] te ’s-Gravenzande (hierna: perceel M 1819). Zij betogen dat dit perceel noodzakelijkerwijs en al geruime tijd voor woondoeleinden wordt gebruikt, aangezien de woning reeds als burgerwoning is bestemd en deze anders niet te bereiken is. De raad had aan dit perceel dan ook eveneens een woonbestemming moeten toekennen, aldus [appellanten sub 24].

Voorts betogen [appellanten sub 24] dat de raad aan het perceel Aaksterlaan 8 wel een ruimere woonbestemming heeft toegekend.

53.1. Zoals de Afdeling hiervoor onder 9.1 reeds heeft overwogen, volgt uit paragraaf 2.3.2 van de plantoelichting dat de raad de glastuinbouw de hoofdfunctie van het buitengebied van de gemeente Westland acht en dat het beleid erop is gericht deze functie te handhaven en waar mogelijk te versterken door middel van het bieden van voldoende ruimtelijke perspectieven voor volwaardige glastuinbouwbedrijven. Woningen in het glastuinbouwgebied kunnen voor belemmeringen zorgen bij reconstructie en schaalvergroting van glastuinbouwbedrijven. In lijn met de wijzigingsbevoegdheid die de raad heeft opgenomen voor de omzetting van agrarische bedrijfswoningen in burgerwoningen heeft de raad in artikel 3, lid 3.7.2, van de planregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten van bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen". Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan heeft de raad aan de hand van de voor de gebruikmaking van deze wijzigingsbevoegdheid geldende voorwaarden getoetst of een eigenaar reeds in het plan in aanmerking komt voor een vergroting van het bestemmingsvlak met de bestemming "Wonen".

53.2. De in artikel 3, lid 3.7.2, van de planregels neergelegde voorwaarden voor uitbreiding van het bestemmingsvlak "Wonen", aan de hand waarvan de raad bij de voorbereiding van het plan verzoeken tot omzetting heeft beoordeeld, luiden als volgt:

- de vergroting is zodanig gesitueerd dat hierdoor de glastuinbouw nu en in de toekomst niet wordt belemmerd, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige;

- na de bestemmingswijziging zal geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zijn dan maximaal 1.000 m², waarbij leidend is een logische en efficiënte verkaveling van het glasareaal, dit ter beoordeling van de glastuinbouwdeskundige;

- het te vergroten woonvlak is op een ruimtelijk logische en efficiënte wijze verkaveld;

- voldaan wordt aan de regels voor een woning als genoemd in de bestemming "Wonen", met dien verstande dat de regels met betrekking tot de inhoud van een woning en alle regels met betrekking tot bijgebouwen niet van toepassing zijn, mits de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen op het uiteindelijke woonvlak is teruggebracht tot 100 m² of tot een inhoudsmaat van 300 m3;

[…]

53.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Glastuinbouw" (A-GT) aangewezen gronden bestemd voor:

a. een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf, zoals beschreven in Bijlage 1;

b. bijbehorende erven, terreinen en voorzieningen, zoals ontsluitingswegen en verkeerskunstwerken ten behoeve van de bereikbaarheid van de bedrijfspercelen, laad- en losvoorzieningen, groen en voorzieningen van algemeen nut (transformatorhuisjes);

[…]

53.4. De woning van [appellanten sub 24] wordt samen met de burgerwoningen op de percelen [locatie 25] en [locatie 26] aan drie zijden omsloten door glasopstanden en bij de glastuinbouw behorende voorzieningen en aan één zijde door het duingebied. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gewenste vergroting niet zodanig is gesitueerd dat hierdoor de glastuinbouw nu en in de toekomst niet wordt belemmerd en dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen".

Ter zitting is komen vast te staan dat de grens van het bestemmingsvlak "Wonen" samenvalt met de gevel van de woning waarin de voordeur van de woning zich bevindt, zodat de woning slechts bereikt kan worden via het perceel M 1819. De aan dit perceel toegekende bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" staat er, gelet op de omschrijving van de bestemming in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels, aan in de weg dat van deze gronden gebruik wordt gemaakt voor de ontsluiting van de als zodanig bestemde burgerwoning. De raad heeft dit niet onderkend. Nu de ontsluiting van de woning planologisch niet is gewaarborgd, heeft de raad deze planregeling in redelijkheid niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.

53.5. Over de door [appellanten sub 24] gemaakte vergelijking met het perceel Aaksterlaan 8 heeft de raad onweersproken gesteld dat het bestemmingsvlak "Wonen" op dit perceel overeenkomstig het vorige plan is toegekend, net als het bestemmingsvlak "Wonen" op het perceel [locatie 26]. In hetgeen [appellanten sub 24] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft vastgesteld.

54. Het beroep is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" dat betrekking heeft op het perceel M 1819, wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro.

Het beroep van [appellant sub 25]

55. [appellant sub 25] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel, kadastraal bekend gemeente Naaldwijk, sectie G, nummer 5129, aan de [locatie 27] te Naaldwijk. Hij betoogt dat het gehele perceel sinds 1999 voor woondoeleinden wordt gebruikt zodat ten onrechte slechts aan een gedeelte van dit perceel een woonbestemming is toegekend. Daarnaast acht hij niet reëel dat nog agrarische activiteiten zullen worden ontplooid op delen van het perceel waaraan de agrarische bestemming is toegekend vanwege de afstand tussen deze gronden en zijn woning. Hij wijst er verder op dat de gemeente het gehele perceel in aanmerking neemt voor de aanslag voor de WOZ-belasting.

Voorts maakt [appellant sub 25] een vergelijking met het perceel Hoge Geest 65 waaraan wel een bestemmingsvlak "Wonen" met een oppervlakte van 1.000 m2 is toegekend.

55.1. Vast staat dat het perceel [locatie 27] een oppervlakte van 1.335 m2 heeft, waarvan aan ongeveer 700 m2 de bestemming "Wonen" is toegekend. De oppervlakte van de bijgebouwen op dit perceel bedraagt in totaal 288 m2. Voorts staat vast dat [appellant sub 25] eigenaar is van het aangrenzende perceel, kadastraal bekend Naaldwijk, sectie E, nummer 4635, met een oppervlakte van ongeveer 6.500 m2, waarvan 6.000 m2 met glasopstanden is bebouwd. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de hiervoor onder 53.1 en 53.2 genoemde, voor vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" geldende voorwaarden dat na de bestemmingswijziging geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zal zijn dan maximaal 1.000 m² en dat de oppervlakte van alle bestaande bijgebouwen op het uiteindelijke woonvlak is teruggebracht tot 100 m².

Aan de omstandigheid dat het hele perceel [locatie 27] al sinds 1999 in strijd met de voor dit perceel geldende bestemming overwegend ten behoeve van de burgerwoning wordt gebruikt, kan niet het recht of de verwachting worden ontleend dat het gehele perceel in een volgend plan ook als zodanig zal worden bestemd. Voor de vraag of aan het gehele perceel een woonbestemming dient te worden toegekend, komt voorts geen planologische betekenis toe aan gemeentelijke belastingaanslagen, omdat hiervoor een ander toetsingskader geldt. De raad heeft in het huidige gebruik en de belastingaanslag dan ook geen aanleiding hoeven zien een woonbestemming aan het gehele perceel [locatie 27] toe te kennen.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 25] dat niet reëel is dat nog agrarische activiteiten op delen van zijn perceel zullen worden ontplooid, heeft de raad gesteld dat in vrijwel alle gevallen overhoeken of restpercelen, waarop geen kassen of bijgebouwen zijn of kunnen worden gerealiseerd, nog gebruikt kunnen worden ten behoeve van de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw". In hetgeen [appellant sub 25] heeft gesteld ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit uitgangspunt wat betreft het perceel van [appellant sub 25] niet in redelijkheid heeft kunnen hanteren.

Het betoog van [appellant sub 25] bevat dan ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad niet in redelijkheid vast heeft kunnen houden aan de door de raad voor de uitbreiding van het bestemmingsvlak "Wonen" gehanteerde voorwaarden bij de beoordeling van het verzoek van [appellant sub 25].

Het voorgaande neemt niet weg dat, zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, het verzoek tot omzetting in het kader van een toekomstige reconstructie waarvan het perceel kadastraal bekend Naaldwijk, sectie E, nummer 4635, deel uitmaakt, opnieuw zal worden beoordeeld en alsdan kan leiden tot de door [appellant sub 25] gewenste omzetting.

Voor zover [appellant sub 25] ter zitting nog heeft opgemerkt dat zijn bedrijf, gelet op de oppervlakte van de glasopstanden, niet als volwaardig kan worden aangemerkt en dan ook ten onrechte niet als zodanig is bestemd, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar rechtsoverweging 36.2 dat de Afdeling de uitleg van de raad volgt dat de door [appellant sub 25] bedoelde norm geen gevolgen heeft voor bestaande glastuinbouwbedrijven.

55.2. Over de door [appellant sub 25] gemaakte vergelijking met het perceel Hoge Geest 65 heeft de raad gesteld dat die situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat het in die situatie niet gaat om het vergroten van het bestemmingsvlak maar om de uitplaatsing van een elders in het kader van een reconstructie gesloopte bedrijfswoning. In hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 25] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

56. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 26]

57. [appellant sub 26] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" wat betreft het perceel [locatie 28] te Naaldwijk. Hij betoogt dat de raad ten onrechte geen groter bestemmingsvlak "Wonen" aan dit perceel heeft toegekend, aangezien aan de percelen [locatie 29] en [locatie 30] wel een bestemmingsvlak "Wonen" met een groter oppervlak dan zijn bestemmingsvlak is toegekend. Voorts betoogt hij dat delen van zijn perceel, gelet op hun ligging, niet meer betrokken kunnen worden in een reconstructie.

57.1. Vast staat dat het perceel [locatie 28] een oppervlakte heeft van 1.800 m2. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de hiervoor onder 53.1 en 53.2 genoemde, voor vergroting van het bestemmingsvlak "Wonen" geldende voorwaarde dat na de bestemmingswijziging geen grotere kavel bij de perceelseigenaar in eigendom zal zijn dan maximaal 1.000 m².

[appellant sub 26] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die de raad aanleiding hadden moeten geven af te wijken van het door hem in het kader van dit plan gehanteerde beleid ter zake van verzoeken tot het vergroten van het bestemmingsvlak "Wonen". Wat betreft het betoog van [appellant sub 26] dat niet reëel is dat nog agrarische activiteiten op delen van zijn perceel zullen worden ontplooid, heeft de raad gesteld dat in vrijwel alle gevallen overhoeken of restpercelen, waarop geen kassen of bijgebouwen zijn of kunnen worden gerealiseerd, nog gebruikt kunnen worden ten behoeve van de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw". In hetgeen [appellant sub 26] heeft gesteld ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit uitgangspunt wat betreft het perceel van [appellant sub 26] niet in redelijkheid heeft kunnen hanteren.

57.2. Over de door [appellant sub 26] gemaakte vergelijking met de percelen [locatie 29] en [locatie 30 heeft de raad gesteld dat de bestemmingsvlakken "Wonen" die zijn toegekend aan de percelen [locatie 29] en [locatie 30] zijn overgenomen uit het voorheen geldende plan, evenals het bestemmingsvlak "Wonen" voor het perceel van [appellant sub 26], met dien verstande dat een correctie van de bestemmingsgrens tussen de percelen [locatie 29] en [locatie 30] heeft plaatsgevonden. In hetgeen [appellant sub 26] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft vastgesteld.

58. Het beroep is ongegrond.

Conclusie en proceskosten

59. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide, vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

60. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 20] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellanten sub 24], [appellant sub 22] en Gasunie is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub13] en anderen, [appellant sub 18], [appellant sub 5], [appellant sub 25], [appellanten sub 4], [appellant sub 21], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 14], [appellant sub 26], [appellant sub 1], [appellante sub 19], [appellant sub 3], [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 6], Stichting Wonen Wateringen en andere, [appellant sub 9], [appellant sub 7], [appellant sub 11B], [appellant sub 17] en anderen en [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geheel en het beroep van [appellante sub 13] en anderen voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor het perceel [locatie 13] te Monster niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van maatschap [appellant sub13] en anderen, voor het overige, [appellant sub 5], [appellant sub 25], [appellant sub 18], [appellant sub 21], [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], [appellant sub 15A] en [appellante sub 15B], [appellant sub 16A] en [appellante sub 16B], [appellant sub 14], [appellant sub 26], [appellante sub 19], [appellant sub 3], [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 6], de stichting Stichting Wonen Wateringen en andere, [appellant sub 9], [appellant sub 7], [appellant sub 11B] en [appellant sub 17] ongegrond;

III. verklaart de beroepen van [appellant sub 24A] en [appellant sub 24B], [appellant sub 22], handelend onder de naam [bedrijf], [appellant sub 20] en de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V. gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Westland van 19 december 2012, waarbij het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland" is vastgesteld, voor zover:

a. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor zover betrekking hebbend op het perceel, kadastraal bekend gemeente ’s-Gravenzande, sectie M, nummer 1819;

b. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie 21] te ’s-Gravenzande;

c. het plan niet voorziet in een goothoogte van 6 m op het perceel [locatie 23] te ’s Gravenzande;

d. de hoofdaardgastransportleiding A-517-07 niet in het plan is bestemd;

V. draagt de raad van de gemeente Westland op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen ten aanzien van de in dictumonderdeel IV. genoemde plandelen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Westland tot vergoeding van de bij [appellant sub 20] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 491,94 (zegge: vierhonderdeenennegentig euro en vierennegentig cent), waarvan een bedrag van € 487,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Westland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 24A] en [appellant sub 24B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 22], handelend onder de naam [bedrijf];

c. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 20];

d. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de naamloze vennootschap Nederlandse Gasunie N.V.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, griffier.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Gerkema

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

472-767-745.