Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3469

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201310547/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:7909, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 herzien op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310547/1/A2.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen, gevestigd te Utrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2013 in zaak nr. 12/1590 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [wederpartij] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 herzien op nihil gesteld.

Bij besluit van 13 november 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 13 november 2012 vernietigd en bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar dient te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Belastingdienst/Toeslagen en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 augustus 2014, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam in zijn dienst, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. K. de Wit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 5, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling), zoals deze luidde ten tijde van belang, bevat de administratie van een gastouderbureau tevens de volgende gegevens: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. Aan het besluit van 3 oktober 2012, gehandhaafd bij besluit van 13 november 2012, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat gastouderopvang in 2009 op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgevonden. Daartoe is in aanmerking genomen dat de door [wederpartij] overgelegde aktes van overeenkomsten niet alle gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, bevatten.

3. [wederpartij] heeft bij brief van 20 november 2012, en dus na het besluit van 13 november 2012, alsnog een andere overeenkomst, gesloten tussen haarzelf, het gastouderbureau en de gastouder, overgelegd (hierna: de driepartijenovereenkomst). Tussen partijen is niet in geschil dat de driepartijenovereenkomst alle gegevens, als bedoeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling bevat.

4. De rechtbank heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen pas bij brief van 22 oktober 2011, en dus bijna drie jaar na het toeslagjaar, de overeenkomsten heeft opgevraagd en dat hij, nadat [wederpartij] in reactie op dat verzoek een overeenkomst had overgelegd, pas bijna elf maanden later te kennen gegeven dat deze overeenkomst niet de vereisten, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, bevat. Voorts heeft de Belastingdienst/Toeslagen [wederpartij] niet gehoord in bezwaar en is haar niet gevraagd naar de reden van het gefaseerd overleggen van de verschillende onderdelen van de opvangovereenkomst. Onder deze omstandigheden, gelet op het grote tijdsverloop en het niet horen in bezwaar, heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte geen waarde gehecht aan de overgelegde overeenkomsten, en was de dienst niet bevoegd om op deze grond het voorschot te herzien naar nihil, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar haar uitspraak van 18 juli 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:5353), overwogen dat een overeenkomst niet hoeft te voldoen aan alle vereisten van artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling.

5. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201102492/1/H2, dat de rechtbank aldus heeft miskend dat slechts aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat, indien de opvang heeft plaatsgevonden op basis van een schriftelijke overeenkomst die aan alle in artikel 11 van de Regeling gestelde eisen voldoet.

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 januari 2014 in zaak nr. 201308683/1/A2), valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling af te leiden dat bedoeld is dat onderzocht kan worden of de aanspraak van de ouder op en de hoogte van de overheidsbijdrage overeenkomt met de overeenkomst die de ouder heeft gesloten (Stcrt. 6 oktober 2004, nr. 192, blz. 6). Dit betekent dat de ouder, om aanspraak op kinderopvangtoeslag te kunnen maken, inzicht dient te geven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de kinderopvang door een akte van een overeenkomst over te leggen, waaruit die afspraken blijken. Gelet hierop, dient, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201102492/1/H2), de overeenkomst, bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Wko, in elk geval de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, te bevatten.

Het betoog slaagt.

6. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte waarde heeft gehecht aan de in beroep overgelegde driepartijenovereenkomst. Daartoe voert hij aan dat de enkele verklaring van [wederpartij] dat zij de op 20 november 2012 overgelegde overeenkomst eerst na enige tijd in haar administratie heeft kunnen achterhalen onvoldoende is, nu het, na het verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen van 22 oktober 2011 om alle overeenkomsten tussen haar en het gastouderbureau over te leggen, op haar weg had gelegen om eerder haar gehele administratie te doorzoeken. Daar komt bij dat [wederpartij] niet eerder te kennen heeft gegeven dat er mogelijk nog andere overeenkomsten waren. Voorts voert de Belastingdienst/Toeslagen aan dat [wederpartij] hem hangende bezwaar had laten weten dat zij de overeenkomst die bij het gastouderbureau in de administratie zat heeft opgestuurd, hetgeen tot de conclusie leidt dat de daarna overgelegde driepartijenovereenkomst niet in die administratie aanwezig was en twijfel oproept over de authenticiteit daarvan. Nu de driepartijenovereenkomst bovendien verschilt van de eerder overgelegde overeenkomsten en er meer overeenkomsten zijn gesloten die op dezelfde periode betrekking hebben, is het aan [wederpartij] om hier een plausibele verklaring voor te geven. Dit is temeer van belang nu het gastouderbureau de vraagouders de mogelijkheid biedt om een nieuwe overeenkomst te ontvangen, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.

6.1. Zoals de Afdeling meermalen heeft overwogen (onder andere de uitspraak van 27 juli 2011 in zaak nr. 201100797/1/H2), bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag dan wel een voorschot daarop indien geen sprake is van een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko, die de basis vormt voor de kinderopvang. Dit betekent, mede gelet op artikel 18, eerste lid, van de Awir, dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag dan wel een voorschot daarop dat aan de hand van een rechtsgeldige schriftelijke overeenkomst met het gastouderbureau moet aantonen.

6.2. [wederpartij] heeft naar aanleiding van een verzoek om informatie van de Belastingdienst/Toeslagen van 22 oktober 2011, op 8 november 2011 een kopie van een schriftelijke overeenkomst overgelegd met als ingangsdatum 1 januari 2009 en met een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. Bij haar bezwaarschrift van 8 oktober 2012 heeft zij deze overeenkomst nogmaals overgelegd en tevens een kopie van een tweede overeenkomst. Dit is echter een overeenkomst tussen vraagouder en gastouder en derhalve niet een overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko. De overeenkomst die was overgelegd op 8 november 2011 en bij bezwaar bevat niet alle gegevens als vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling. Na het besluit op bezwaar heeft zij vervolgens een kopie van een andere schriftelijke overeenkomst overgelegd, met als dagtekening en ingangsdatum 1 januari 2009 en met een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd, die daaraan wel voldoet. Zij heeft geen verklaring gegeven waarom zij deze overeenkomst niet eerder heeft kunnen overleggen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft er terecht op gewezen dat het op haar weg lag om naar aanleiding van zijn verzoek van 22 oktober 2011 om elk contract dat is afgesloten met het gastouderbureau over te leggen, haar gehele administratie te doorzoeken. Uit het gestelde in bezwaar dat zij de overeenkomsten die bij het gastouderbureau in de administratie zaten heeft opgestuurd, heeft de Belastingdienst mogen afleiden dat de na bezwaar overgelegde overeenkomst kennelijk niet in de administratie aanwezig was en dat er geen andere overeenkomsten waren. Voorts heeft zij geen verklaring kunnen geven waarom voor dezelfde periode verschillende overeenkomsten zijn opgesteld. Verder heeft [wederpartij] de stelling van de Belastingdienst/Toeslagen, dat telkens nieuwe overeenkomsten via de website van het gastouderbureau kunnen worden opgevraagd, niet weersproken.

Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt mocht stellen dat niet geloofwaardig is dat de kinderopvang heeft plaatsgevonden op basis van de door haar na het besluit op bezwaar overgelegde overeenkomst.

Het betoog slaagt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 13 november 2012 alsnog ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2013 in zaak nr. 12/1590;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, griffier.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

97.