Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-09-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
201208508/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:761, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201208508/1/A2.

Datum uitspraak: 24 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te [woonplaats], gemeente Olst-Wijhe,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 juli 2012 in zaak nr. 12/595 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.F. Hovestad, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door D. Thomson, werkzaam in dienst van de gemeente, vergezeld van E.M. Brinkhof, werkzaam in dienst van het waterschap Groot Salland, en G.H. Wiltink, werkzaam in dienst van de provincie Overijssel, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, gelezen in verbinding met het tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, betrekken burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij hun beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [appellant] heeft op 16 september 2005 het woonhuis met garage, schuren, ondergrond, erf en tuin aan de [locatie 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Olst, sectie [.], nr. [….] (hierna: de woning) en een perceel aan de [locatie 2] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Olst, sectie [.], nr. [….] (hierna: het perceel) in eigendom verkregen. Bij brief van 31 augustus 2010 heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in de schade die hij heeft geleden als gevolg van het op 11 april 2008 in werking getreden en onherroepelijk geworden bestemmingsplan "Wesepe".

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanleg van de rondweg N348 in de nabijheid van de woning voor hem voorzienbaar was. [appellant] betwist dat het besluit van 5 april 2005 van het college van gedeputeerde staten van Overijssel, waarbij het "Ontwerpplan in hoofdlijnen N348 Omleiding Wesepe" is vastgesteld, op 13 april 2005 aan de vorige eigenaar van de woning is toegezonden. Verder stelt [appellant] dat hij, voordat hij de woning kocht, een gesprek heeft gehad met J.J.A. de Kort, destijds als medewerker Bouw- en Woningtoezicht werkzaam bij de gemeente Olst-Wijhe, om informatie in te winnen over eventuele planwijzigingen aangaande de woning en dat De Kort hem tijdens dit gesprek niet heeft gewezen op het op dat moment ter inzage liggende ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan. [appellant] had er daarom op mogen vertrouwen dat geen planologische maatregelen in ontwikkeling waren die een waardedrukkend effect op de woning zouden hebben. Zou [appellant] wel op het ontwerpplan zijn gewezen, dan nog had het college hiernaar niet kunnen verwijzen, omdat het college van gedeputeerde staten van Overijssel te kennen heeft gegeven dat aan dit plan geen rechten kunnen worden ontleend. [appellant] wijst er voorts op dat de provincie tijdens de hoorzitting van de planschadebeoordelingscommissie te kennen heeft gegeven dat hij in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de schade die hij lijdt als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan.

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2013 in zaak nr. 201209763/1/A2) dient de voorzienbaarheid van een planologische wijziging te worden beoordeeld aan de hand van het antwoord op de vraag, of ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

4.2. Niet in geschil is dat in de periode van 22 november tot en met 20 december 2004 het "Ontwerpplan in hoofdlijnen N348 Omleiding Wesepe" ter inzage heeft gelegen. Aan dit ontwerpplan had [appellant], als redelijk denkend en handelend koper, destijds de verwachting kunnen ontlenen dat in de toekomst de N348 nabij de woning zou worden aangelegd. Dat aan het ontwerpplan geen rechten kunnen worden ontleend doet daaraan niet af. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat De Kort hem niet op het bestaan van voormeld plan heeft gewezen, komt voor zijn risico dat hij niet op de hoogte was van het plan. Aan de door de provincie tijdens de hoorzitting van de planschadebeoordelingscommissie gedane mededeling kan niet de betekenis worden toegekend die [appellant] daaraan gehecht wil zien, omdat de situering van de rondweg valt binnen de kaders van het ontwerpplan, zoals de planschadebeoordelingscommissie met juistheid heeft vastgesteld in haar advies van 11 mei 2011. Dat [appellant], naar hij stelt, begin 2005 al aan de koop van de woning gebonden was, kan, wat hiervan ook zij, aan het vorenstaande evenmin afdoen, reeds omdat het ontwerp nog daarvóór ter inzage heeft gelegen. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande dan ook met juistheid overwogen dat de aanleg van de N348 op korte termijn na de aankoop van de woning voorzienbaar was voor [appellant].

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de nieuwe bestemming die rust op het aan de woning grenzende stuk grond zwaarder op de waarde van de woning drukt dan de oude bestemming, nu deze grond onder het oude plan, "Buitengebied Olst", was bestemd als bedrijfsterrein en onder het nieuwe plan, bestemmingsplan "Wesepe", als woonwijk. Hiertoe voert hij aan dat het bedrijfsgebouw dat tot voor kort op het aangrenzende stuk grond stond fungeerde als een buffer voor het licht en geluid dat wordt veroorzaakt door de verderop gelegen sportvelden. Nu dit gebouw is verdwenen, ondervindt [appellant] hinder van de sportvelden.

5.1. Dat [appellant] de bestemmingswijziging als negatief beoordeelt, betekent niet dat een redelijk denkend en handelend koper als gevolg van deze wijziging een lagere waarde aan de woning toekent. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de onder 4.1 aangehaalde uitspraak), spelen bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade subjectieve elementen geen rol. Als een inrichting objectief bezien in ruimtelijk opzicht een nadelige invloed heeft op haar omgeving, kan daarin aanleiding bestaan tot het toekennen van een tegemoetkoming.

In het advies van de planschadebeoordelingscommissie van 11 mei 2011, dat het college mede aan zijn besluit van 31 januari 2012 ten grondslag heeft gelegd, schrijft zij dat zij de aanleg van de woonwijk ten zuidwesten van de woning een verbetering acht, niet alleen wat betreft uitzicht, maar ook wat betreft milieugevolgen, en dat de woonbestemming is gelegen op zodanige afstand dat voor aantasting van privacy niet hoeft te worden gevreesd. [appellant] heeft dit ongemotiveerd betwist. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bestemmingswijziging een redelijk denkend en handelend koper aanleiding geeft een lagere prijs voor de woning te willen betalen is de rechtbank hem terecht niet gevolgd in zijn stelling dat de nieuwe bestemming die rust op het aan de woning grenzende stuk grond zwaarder op de waarde van de woning drukt dan de oude bestemming.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat door de wijziging van de bestemming "Agrarisch gebied met bijzondere landschappelijke kenmerken", die is opgenomen in het oude bestemmingsplan, "Buitengebied Olst", in de bestemming "Agrarisch", die is opgenomen in het bestemmingsplan "Wesepe", het perceel in waarde is verminderd, nu hierop niet langer mag worden gebouwd.

6.1. Ingevolge artikel 5 van de voorschriften behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied Olst" was het college bevoegd per bouwvlak vrijstelling te verlenen voor de bouw van melkstallen en schuilgelegenheden. Deze vrijstellingsbevoegdheid is met de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan komen te vervallen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zou, nu op het perceel geen bouwvlak rust, aan [appellant] onder het bestemmingsplan "Buitengebied Olst" evenwel geen vrijstelling zijn verleend en is de situatie van [appellant] derhalve onder het bestemmingsplan "Wesepe" niet nadeliger. De rechtbank heeft derhalve terecht ook in deze grond geen reden gezien het besluit van 31 januari 2012 te vernietigen.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bestemming "Zone Waterschapsbelang", die is opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan, geen waardedrukkend effect op het perceel heeft. Onder deze nieuwe bestemming is volgens [appellant] een aanlegvergunning minder eenvoudig te verkrijgen dan onder de oude bestemming. Daarbij bestaat de kans dat het land onder de nieuwe bestemming drassig en onbruikbaar wordt. De rechtbank heeft dit, door te overwegen dat een normale exploitatie van het perceel mogelijk is, niet onderkend, aldus [appellant].

7.1. Op 3 december 2012 is het bestemmingsplan "Zone Waterschapsbelang te Wesepe, gemeente Olst-Wijhe" vastgesteld, dat op 10 februari 2014 onherroepelijk is geworden. Onder dit bestemmingsplan wordt een deel van het perceel gebruikt voor waterberging. Op het resterende deel van het perceel rust niet langer de bestemming "Zone Waterschapsbelang". Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat het deel van het perceel dat wordt gebruikt voor waterberging is afgegraven en thans onder water staat. Partijen hebben ter zitting verklaard een grondruilovereenkomst te hebben opgesteld. De strekking van deze overeenkomst is dat [appellant] met een stuk grond wordt gecompenseerd voor het deel van het perceel dat onder water staat. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het met de bestemmingswijziging en de grondruilovereenkomst aan de bezwaren van [appellant] tegemoet heeft willen komen. [appellant] heeft ter zitting te kennen gegeven deze overeenkomst te hebben ondertekend. [appellant] heeft de Afdeling verzocht de ontwikkelingen niet te betrekken in haar oordeel over zijn hoger beroep.

7.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2013 in zaak nr. 201204484/1/A2) mag een bestuursorgaan een besluit op een aanvraag om tegemoetkoming in planschade baseren op het advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige, indien uit dat advies blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

Volgens het nader advies van de planschadebeoordelingscommissie van 3 november 2011 is het oude aanlegvergunningstelsel zeer vergelijkbaar met het nieuwe stelsel en is het oude stelsel zeker niet minder streng. De commissie komt in het nader advies tot de conclusie dat de normale exploitatie van het perceel door de bestemmingswijziging niet is aangetast of beperkt en de bestemmingswijziging derhalve geen waardedrukkend effect heeft. [appellant] heeft deze conclusie betwist en gesteld dat het perceel onder het bestemmingsplan "Wesepe" drassiger kan worden. Hij heeft deze stelling niet nader onderbouwd, terwijl dit wel op zijn weg lag. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het door de commissie verrichte onderzoek onjuist of onvolledig is geweest. De rechtbank is derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat het college op het nader advies van de commissie mocht afgaan.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Van Dokkum

Voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2014

480-735.