Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201405943/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:6599, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2014 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6a
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/352

Uitspraak

201405943/1/V3.

Datum uitspraak: 8 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 juli 2014 in zaak nr. 14/15212 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2014 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juli 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding toegewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de aan de vrijheidsontnemende maatregel ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende zijn om te concluderen dat een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris heeft volgens de rechtbank niet kunnen beargumenteren waarom uit de omstandigheden dat de vreemdeling niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en geen vaste woon- en verblijfplaats heeft, voortvloeit dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Voorts maakt volgens de rechtbank, gelet op de hoeveelheid contant geld die bij de vreemdeling is aangetroffen, de omstandigheid dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft voor permanent verblijf in Nederland niet zonder meer dat hij niet in staat is op eigen gelegenheid Nederland te verlaten. Tot slot heeft de vreemdeling, anders dan de staatssecretaris heeft betoogd, niet verklaard dat hij zich tegen zijn overdracht aan Zwitserland zal verzetten, aldus de rechtbank.

2. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ter onderbouwing van haar oordeel ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2012 in zaak nr. 201207532/1/V3. Die uitspraak ziet op een bewaringsmaatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en is volgens de staatssecretaris niet zonder meer van analoge toepassing op een maatregel krachtens artikel 6a van die wet. Hij wijst hiertoe op het korte tijdsbestek waarbinnen in een geval als dit moet worden bepaald of is voldaan aan de toegangsvoorwaarden en, indien dat niet het geval is, of een vrijheidsontnemende maatregel moet worden opgelegd om de overdrachtsprocedure overeenkomstig Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) veilig te stellen. Gelet daarop maakt volgens de staatssecretaris het met de door de rechtbank rechtmatig bevonden toegangsweigering gediende grensbewakingsbelang dat het aanwezig zijn van de gehanteerde gronden in algemene zin de vrijheidsontnemende maatregel kan dragen. Voorts is nog van belang dat de vreemdeling, terwijl hij in het bezit was van een geldig namens Zwitserland afgegeven Schengenvisum, er bewust voor heeft gekozen om in Nederland en niet in Zwitserland asiel te vragen, aldus de staatssecretaris.

2.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dublinverordening houden de lidstaten niemand in bewaring om de enkele reden dat hij aan de bij deze verordening ingestelde procedure onderworpen is.

Ingevolge het tweede lid mogen de lidstaten, wanneer er een significant risico op onderduiken van een persoon bestaat, de betrokken persoon in bewaring houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling en, enkel voor zover bewaring evenredig is, en wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Ingevolge artikel 6a, eerste lid, van de Vw 2000 kan Onze Minister de maatregel, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, voortzetten met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat, met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening.

Ingevolge artikel 5.1a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan de vreemdeling in bewaring worden gesteld of kan aan hem een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd omdat het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, indien:

a. een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening; en

b. een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, wordt aan deze voorwaarden slechts voldaan indien zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid van dit artikel zich voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid.

2.2. In de memorie van toelichting behorende bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Vw 2000 en de Awb ter uitvoering van de Dublinverordening (Kamerstukken II 2012/13, 33 699, nr. 3, blz. 11), staat vermeld dat door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden tot de conclusie kunnen leiden dat ondanks de aanwezigheid van voldoende gronden, er geen risico op onderduiken bestaat.

2.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in voormelde uitspraak van 6 september 2012 is het van belang dat ook in die gevallen waarin de gehanteerde gronden de maatregel van bewaring krachtens artikel 59 van de Vw 2000 in beginsel kunnen dragen, steeds, aan de hand van hetgeen door partijen omtrent het gedrag van de betrokken vreemdeling en de overige feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, dient te worden beoordeeld of die gronden de maatregel ook in het geval van de betrokken vreemdeling daadwerkelijk kunnen dragen. In de uitspraak van 5 juni 2014 in zaak nr. 201402842/1/V3 heeft de Afdeling hetzelfde overwogen over een maatregel van bewaring krachtens artikel 59a van de Vw 2000.

Anders dan de staatssecretaris betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat dit uitgangspunt niet tevens geldt voor het geval dat een vreemdeling de verdere toegang tot Nederland is geweigerd en aan hem een vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 6a van de Vw 2000 is opgelegd. Ook dan dient met inachtneming van de bijzondere, individuele omstandigheden van die vreemdeling te worden vastgesteld of de gronden van de maatregel daadwerkelijk aanleiding geven voor de conclusie dat er een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken en de maatregel dus kunnen dragen.

2.4. Tegen de aangevallen uitspraak, voor zover deze ziet op het beroep van de vreemdeling tegen de verdere toegangsweigering (zaak nr. 14/15234), is geen rechtsmiddel ingesteld. Daarmee staat het oordeel van de rechtbank dat de vreemdeling bij aankomst op de luchthaven Schiphol in het bezit was van een document voor grensoverschrijding waarin het voor zijn beoogde verblijf benodigde visum ontbrak, thans in rechte vast. De staatssecretaris heeft dan ook aan de vrijheidsontnemende maatregel ten grondslag kunnen leggen dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan. Voorts heeft de vreemdeling niet bestreden dat hij geen vaste woon- en verblijfplaats heeft in Nederland.

Reeds gelet op het voorgaande is aan het in artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 gestelde vereiste voldaan en bestond ten tijde van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel in beginsel voldoende grond om aan te nemen dat er een significant risico was dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken. De vreemdeling heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die grond geven om aan te nemen dat dat risico er niettemin niet was op het moment dat de maatregel werd opgelegd of op enig tijdstip vóór de opheffing daarvan. Opgemerkt wordt dat uit het rapport van eerste gehoor van 3 juli 2014 in de asielprocedure van de vreemdeling blijkt dat hij juist heeft verklaard er bewust voor te hebben gekozen om in Nederland asiel te vragen en bezwaar te hebben tegen een mogelijke overdracht aan de autoriteiten van Zwitserland. In de zienswijze van 6 juli 2014 op het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag van 5 juli 2014 heeft de vreemdeling zijn standpunt gewijzigd en te kennen gegeven dat, indien zijn aanvraag niet zou worden ingewilligd, hij zo snel mogelijk aan Zwitserland zou willen worden overgedragen. Op 7 juli 2014 is de aan hem opgelegde vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.

Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel ten onrechte is opgelegd of op enig tijdstip vóór de opheffing ervan onrechtmatig was. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 26 juni 2014 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 juli 2014 in zaak nr. 14/15212;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Dijken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2014

595.