Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3448

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201403590/1/R4 en 201403590/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2014 heeft het college het wijzigingsplan "De Dellen 26-32 Surhuisterveen" vastgesteld (hierna: het wijzigingsplan). Bij besluit van 14 maart 2014 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een meerlaags woongebouw met 37 appartementen aan De Dellen 26-32 te Surhuisterveen. De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201403590/1/R4 en 201403590/2/R4.

Datum uitspraak: 10 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Achtkarspelen,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2014 heeft het college het wijzigingsplan "De Dellen 26-32 Surhuisterveen" vastgesteld (hierna: het wijzigingsplan).

Bij besluit van 14 maart 2014 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een meerlaags woongebouw met 37 appartementen aan De Dellen 26-32 te Surhuisterveen. De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt, zoals bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 augustus 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.C.M. Kamsma, advocaat te Leeuwarden, en de raad, vertegenwoordigd door M. Streefkerk en B. Zuur, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de stichting Woningbouw Achtkarspelen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Het wijzigingsplan voorziet met een bouwvlak en aanduidingen voor de bouwhoogte en het aantal woningen in een woongebouw met een maximale bouwhoogte van 13 meter en maximaal 19 woningen op gronden aan De Dellen 26-32 te Surhuisterveen. Met de omgevingsvergunning wordt vergunning verleend voor de bouw van een woongebouw met 37 appartementen aan De Dellen 26-32 te Surhuisterveen.

3. [appellant] betoogt dat het college met het wijzigingsplan beoogt een woongebouw met 37 woningen mogelijk te maken en dat dit op grond van de wijzigingsbevoegdheid niet mogelijk is, nu deze maximaal 24 woningen toestaat. Hij betoogt dat de zorgappartementen die het college wenst mogelijk te maken ook als woningen moeten worden aangemerkt en dus meegeteld moeten worden bij het aantal woningen, dat dan in totaal op 37 komt. Het college heeft met het wijzigingsplan slechts 19 appartementen mogelijk gemaakt, hetgeen dus niet overeenkomt met hetgeen beoogd is en de omgevingsvergunning voor 37 woningen had op grond van het wijzigingsplan dan ook niet kunnen worden verleend, aldus [appellant].

3.1. Het college stelt dat de zorgappartementen niet meetellen voor het aantal woningen en verwijst daartoe naar de wijzigingsvoorwaarde van het bestemmingsplan "Surhuisterveen-Centrum" (hierna: het bestemmingsplan), waarin staat dat zorgplaatsen niet meetellen voor het aantal woningen. Het wijzigingsplan maakt dan ook volgens het college het voorziene woongebouw met 37 appartementen mogelijk.

3.2. In het bestemmingsplan heeft het betrokken perceel de bestemming "Bijzondere Woondoeleinden" en de aanduiding "wijzigingsgrens III". Door middel van het wijzigingsplan zijn op de daarbij behorende plankaart een bouwvlak overeenkomstig de grenzen van de aanduiding "wijzigingsgrens III" op de plankaart van het bestemmingsplan, de aanduiding "19" voor het aantal woningen en de aanduiding voor een bouwhoogte van 13 meter geplaatst.

3.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planregels van het bestemmingsplan zijn de gronden met de bestemming "Bijzondere Woondoeleinden" bestemd voor woongebouwen, al dan niet in samenhang met centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging en bijgebouwen, met de daarbij behorende tuinen, groenvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge het tweede lid onder a, sub 2, 3 en 4, mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwblok worden gebouwd, bedraagt het aantal woningen ten hoogste het op de plankaart aangegeven aantal en bedraagt de bouwhoogte van een hoofdgebouw niet meer dan de op de plankaart aangegeven bouwhoogte.

Ingevolge het vijfde lid, onder a, kan het college, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, uitsluitend voor zover de gronden zijn gelegen binnen de op de plankaart met "wijzigingsgrens III" aangegeven lijn, het plan wijzigen in die zin dat een bouwvlak wordt aangebracht met dien verstande dat:

1. In het bouwvlak ten hoogste 24 woningen mogen worden gebouwd, waarbij het aantal woningen moet passen binnen een door gedeputeerde staten geaccordeerd gemeentelijk woonverdelingsplan, met dien verstande dat onder woningen geen zorgplaatsen worden verstaan;

2. De bouwhoogte van woongebouwen niet meer dan 14 m mag bedragen;

3. Bodemsanering van het terrein in voldoende mate dient te zijn afgerond.

Ingevolge dat artikel, onder b, dienen alvorens tot de onder a bedoelde wijziging wordt overgegaan een ecologisch onderzoek en de watertoets te worden uitgevoerd.

3.4. De bestemming "Bijzondere Woondoeleinden" voorziet in "woongebouwen, al dan niet in samenhang met centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging". Vanwege de aanduiding "19" die op de plankaart is geplaatst zijn maximaal 19 woningen toegestaan. Een woongebouw is in artikel 1, onder pp, van de planregels gedefinieerd als een gebouw dat meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd. Een woning is in artikel 1, onder oo, van de planregels gedefinieerd als een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

Uit de plantoelichting blijkt dat het college met het wijzigingsplan heeft willen voorzien in het bouwplan, waarvoor door middel van de gecoördineerde besluitvorming de omgevingsvergunning is verleend. Gelet op de aanvraag om deze omgevingsvergunning en de daarbij behorende bouwtekeningen is vergunning verleend voor de oprichting van 37 appartementen. In de plantoelichting wordt gesproken over 19 (normale) appartementen en 18 appartementen worden aangeduid als "zorgunits". De bestemmingsomschrijving en de definities in de planregels voorzien evenwel slechts in woningen en centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging. De bestemming voorziet niet in specifieke "zorgappartementen". De uitzondering voor zorgplaatsen voor het aantal woningen die in de voorwaarde voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid staat vermeld, komt in de bestemmingsomschrijving niet voor.

Het wijzigingsplan voorziet derhalve in maximaal 19 appartementen en eventueel centrale voorzieningen ten behoeve van verzorging en verpleging, terwijl het college met het wijzigingsplan in een woongebouw met 37 appartementen heeft willen voorzien. Het wijzigingsplan voorziet dus niet in de planologische mogelijkheden waarin het college heeft willen voorzien. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

4. Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) dient het college uitsluitend te beoordelen of zich voor de omgevingsvergunning een van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, moet de omgevingsvergunning worden verleend; als dat wel zo is, moet deze worden geweigerd.

4.1. Nu het wijzigingsplan voorziet in maximaal 19 appartementen en de omgevingsvergunning is aangevraagd voor de bouw van 37 appartementen is het bouwplan in strijd met artikel 5, eerste en tweede lid van de planregels van het bestemminsplan. Het college heeft niet onderkend dat het een omgevingsvergunning heeft verleend in strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 5, eerste en tweede lid, van de regels van het wijzigingsplan, welke bepaling gelijkluidend is aan artikel 5 van de voorschriften van het bestemmingsplan. Het college heeft, gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo, ten onrechte nagelaten te beoordelen of het mogelijk is om in afwijking van het bestemmingsplan en met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo, een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwplan. Het beroep is in zoverre gegrond. Het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van het woongebouw aan de Dellen 26-32 dient wegens strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo in samenhang met het tweede lid van dat artikel te worden vernietigd.

5. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding de overige beroepsgronden te bespreken

Conclusie

6. De beroepen zijn gegrond.

7. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van 9 maart 2014 tot vaststelling van het wijzigingsplan "De Dellen 26-32 Surhuisterveen" van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen gegrond;

II. vernietigt het besluit van 9 maart 2014 tot vaststelling van het wijzigingsplan "De Dellen 26-32 Surhuisterveen" van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 maart 2014 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van een woongebouw met 37 appartementen aan de Dellen 26-32 te Surhuisterveen gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 14 maart 2014 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van 37 appartementen aan de Dellen 26-32 te Surhuisterveen;

V. wijst de verzoeken af;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 330,00 (zegge: driehonderddertig euro) voor de behandeling van het beroep en het verzoek vergoedt;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.029,54 (zegge: duizendnegenentwintig euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Postma

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014

725.