Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3438

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201400956/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2012 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400956/1/V6.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2013 in zaak nr. 13/1138 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2012 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 1 februari 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.L.J. Schilt-Thissen, advocaat te Amsterdam, en D. Ahmad, tolk in de Arabische taal, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Magram-Tetteroo, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenoemde rehabilitatieperiode) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Daarbij geldt dat iedere taakstraf (werk- of leerstraf), ongeacht de duur daarvan en ongeacht of die straf is opgelegd in plaats van een gevangenisstraf of een andere straf dan wel in het kader van een transactievoorstel, tot afwijzing van het verzoek leidt.

Een ernstig vermoeden dat de verzoeker een gevaar voor de openbare vormt, wordt volgens de Handleiding niet gebaseerd op zomaar iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn.

Voorts is in de Handleiding vermeld dat het bij de beoordeling van het ernstige vermoeden van gevaar voor de openbare orde gaat om de verwachtingen over het toekomstige gedrag van de verzoeker. Die verwachtingen worden noodzakelijkerwijs gebaseerd op het gedrag van de verzoeker in het heden en recente verleden. Omdat het echter blijft gaan om het toekomstige gedrag, wordt niet iedere sanctie ter zake van een misdrijf of de tenuitvoerlegging daarvan, ook niet als de sanctie zeer zwaar was, blijvend tegengeworpen. De omstandigheid dat iemand in het verleden wegens bepaalde strafbare feiten in aanraking is gekomen met Justitie is op zichzelf onvoldoende grond voor afwijzing. Aan het gedrag van de verzoeker in het verre verleden kunnen geen conclusies worden verbonden, wat betreft zijn toekomstige gedrag.

Daarnaast is het volgens de Handleiding in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels moet worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien er wel sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij volgens de Handleiding niet worden genaturaliseerd. Daarvan kan niet met toepassing van artikel 10 van de RWN worden afgeweken.

2. Vaststaat dat [appellant] op 5 september 2012 een transactievoorstel heeft aanvaard in de vorm van 30 uren werkstraf wegens overtreding van artikel 68, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op 15 mei 2009. De taakstraf is inmiddels uitgevoerd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt en dat zijn verzoek om die reden moet worden afgewezen. Hij voert daartoe het volgende aan. Zijn persoonlijke gedrag vormt geen bedreiging voor de openbare orde. Er is geen rekening gehouden met de achtergrond van de strafzaak. Hij werd destijds verdacht van medeplichtigheid aan het opmaken van valse belastingaangiften door zijn toenmalige belastingadviseur. Hij is als verdachte gehoord en heeft verklaard dat hij zich op advies van vrienden tot de belastingadviseur heeft gewend, deze amper kende en niet op de hoogte was van zijn frauduleuze praktijken. Aan hem is dan ook ten onrechte een taakstraf opgelegd. Verder is slechts een zeer geringe taakstraf opgelegd. Hij is destijds akkoord gegaan met een schikking, maar heeft niet overzien welke gevolgen dit zou kunnen hebben voor zijn naturalisatieverzoek. De desbetreffende parketfunctionaris heeft hem verteld dat de opgelegde werkstraf geen nadelige gevolgen zou hebben voor het verzoek. Indien hij had geweten dat het aanvaarden van het transactievoorstel zou leiden tot een afwijzing van zijn naturalisatieverzoek, zou hij zijn strafzaak op een terechtzitting hebben laten behandelen, omdat er een reële kans bestond op vrijspraak.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr. 200900688/1/V6), mag het beleid neergelegd in de Handleiding dienen als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde. Nu [appellant] op 5 september 2012 in het kader van een transactievoorstel een werkstraf heeft aanvaard ter zake van het plegen van een misdrijf en ten tijde van indiening van het naturalisatieverzoek of de beslissing daarop de rehabilitatieperiode nog niet was verstreken, noopt toepassing van het beleid tot afwijzing van het verzoek om naturalisatie.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 januari 2002 in zaak nr. 200102997/1) volgt dat [appellant] de wijze van afdoening van de strafzaak in het kader van deze naturalisatieprocedure niet ter discussie kan stellen en dat de staatssecretaris dient uit te gaan van de juistheid daarvan. De gestelde omstandigheden dat niet [appellant], maar zijn belastingadviseur het strafbare feit heeft begaan en een reële kans bestond op vrijspraak indien het tot een behandeling ter terechtzitting zou zijn gekomen, zijn gelet hierop dan ook geen bijzondere omstandigheden die tot afwijking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN nopen. De zwaarte van de werkstraf is evenmin een bijzondere omstandigheid die tot afwijking noopt, reeds nu dit aspect bij het beleid is meegewogen.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] aangevoerde omstandigheden geen zeer bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het naturalisatieverzoek alsnog dient te worden ingewilligd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.S.N. Nasrullah-Oemar, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Nasrullah-Oemar

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

404.