Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201400756/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2013, kenmerk 80F018A7, heeft het college van gedeputeerde staten besloten de raad van de gemeente Montfoort een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig de bij de aanwijzing gegeven voorschriften.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/944
JOM 2014/955
AB 2014/381
ABKort 2014/331
NJB 2014/1866
Milieurecht Totaal 2014/5898
Module Ruimtelijke ordening 2015/7258
H.J. de Vries annotatie in TBR 2014/172

Uitspraak

201400756/1/R2.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en anderen,

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te [woonplaats],

3. het college van burgemeester en wethouders van Montfoort,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2013, kenmerk 80F018A7, heeft het college van gedeputeerde staten besloten de raad van de gemeente Montfoort een aanwijzing te geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig de bij de aanwijzing gegeven voorschriften.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en het college van burgemeester en wethouders beroep ingesteld.

Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2014, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door M.T.W.J. Steenbakkers, het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door drs. M.A.G. Dingemans, werkzaam bij de gemeente, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door G.A. de Mello, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Verder zijn ter zitting als partij gehoord het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, vertegenwoordigd door R.S.P. Plaizier en ir. E.J. van der Werf, beiden werkzaam bij het Hoogheemraadschap, en de raad van de gemeente Montfoort, vertegenwoordigd door drs. M.A.G. Dingemans, werkzaam bij de gemeente.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Het college van gedeputeerde staten heeft de bevoegdheid een proactieve aanwijzing te geven die het ter bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college van gedeputeerde staten in redelijkheid van de noodzaak van het geven van de proactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan. De Afdeling toetst de beslissing van het college van gedeputeerde staten om van de bevoegdheid gebruik te maken terughoudend. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Wettelijk kader

2. lngevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, gedeputeerde staten aan de gemeenteraad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 3.8, tweede lid, van de Wro, kunnen, voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een aanwijzing die betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie, waarvan geen afwijking mogelijk is, zienswijzen daarop geen betrekking hebben.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 8:6 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb, kan geen beroep tegen een besluit omtrent een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij de aanwijzing betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is.

De proactieve aanwijzing

3. Bij het bestreden besluit heeft het college van gedeputeerde staten naar aanleiding van het door de raad op 11 maart 2013 vastgestelde plan "Buitengebied 2012" een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro gegeven die ertoe strekt dat in een vast te stellen bestemmingsplan de volgende onderdelen worden opgenomen:

1. Het conform artikel 2.1 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013, vastgesteld door provinciale staten op 4 februari 2013 (hierna: PRV), aangeven van de aanduiding "vrijwaringszone-bodembewerking" voor de aangegeven gronden en het opnemen van regels voor het uitsluiten van bodembewerkingen waarbij veen aan de oppervlakte gebracht wordt/kan worden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor het scheuren en frezen van deze gronden ten behoeve van graslandverbetering;

2. Het conform artikel 4.7 PRV opnemen van een sloopregeling die erin voorziet dat bij functiewijziging van agrarisch naar niet-agrarisch tenminste 50% van de aanwezige bedrijfsgebouwen (historische en karakteristieke bebouwing respectievelijk enkele specifieke functies uitgezonderd) wordt gesloopt;

3. Het conform artikel 2.5 PRV opnemen van "vrijwaringszone versterking regionale waterkering" evenals bijbehorende regels, één en ander zoals in het ontwerp ter visie gelegde bestemmingsplan "Buitengebied 2012" was neergelegd.

Bevoegdheid Afdeling

4. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en het college van burgemeester en wethouders richten zich tegen dat onderdeel van de aanwijzing dat ziet op het conform artikel 4.7 van de PRV opnemen van een sloopregeling.

4.1. Bij het bestreden besluit heeft het college op grond van artikel 4.2, eerste lid, van de Wro een proactieve aanwijzing gegeven.

Ingevolge artikel 8:6 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb, kan geen beroep tegen een besluit omtrent een proactieve aanwijzing worden ingesteld bij de Afdeling, tenzij de aanwijzing betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is.

In de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de Wro (TK 2005-2006, 28 916, nr. 33, p. 2) is over de beroepsmogelijkheid tegen de proactieve aanwijzing onder meer het volgende opgenomen:

"(…) Het wordt mogelijk om bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in beroep te gaan tegen aanwijzingen van rijk en provincie als bedoeld in artikel 4.2 en artikel 4.4, voor zover deze betrekking hebben op een daarbij concreet aangegeven locatie. Hiermee wordt de beroepsmogelijkheid vergelijkbaar met die in de huidige Wet op de Ruimtelijke Ordening, waar de concrete beleidsbeslissing (cbb) zelfstandig voor beroep vatbaar is. Wanneer een aanwijzing géén betrekking heeft op een concreet aangegeven locatie, maar een meer algemene strekking heeft, is beroep alleen mogelijk bij het bestemmingsplan."

Gelet op het bepaalde in artikel 1 van bijlage 2 bij de Awb en onder verwijzing naar de hiervoor genoemde parlementaire geschiedenis heeft de wetgever bedoeld de beroepsmogelijkheid voor de proactieve aanwijzing uit te sluiten, tenzij deze aanwijzing ziet op een concreet aangegeven locatie, waarvan geen afwijking mogelijk is.

Het onderdeel van de aanwijzing dat ziet op het conform artikel 4.7 van de PRV opnemen van een sloopregeling betreft naar het oordeel van de Afdeling niet een dergelijke concreet aangegeven locatie. Daarbij is van belang dat in het bestreden besluit voor zover het dit onderdeel van de aanwijzing betreft - en in afwijking van de overige onderdelen van de aanwijzing - niet is verwezen naar een locatie die op de bij het bestreden besluit behorende kaart is aangegeven, en ook anderszins uit het bestreden besluit niet blijkt op welke locatie(s) dit onderdeel van de aanwijzing concreet ziet.

Gelet op het voorgaande, is de Afdeling onbevoegd kennis te nemen van de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en het college van burgemeester en wethouders, voor zover zij zich richten tegen dat onderdeel van de aanwijzing dat ziet op het conform artikel 4.7 van de PRV opnemen van een sloopregeling.

4.2. Ter voorlichting van partijen merkt de Afdeling ten aanzien van voornoemd onderdeel van de aanwijzing dat ziet op de sloopregeling nog het volgende op.

Ingevolge artikel 3.8, tweede lid, van de Wro kunnen, voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een aanwijzing die betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie, waarvan geen afwijking mogelijk is, zienswijzen daarop geen betrekking hebben.

Dit leidt ertoe dat tegen het ontwerp van het bestemmingsplan waarin de aanwijzing wordt verwerkt en waarbij geen sprake is van een aanwijzing die betrekking heeft op een concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is, zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht en voorts tegen het besluit tot vaststelling van dat bestemmingsplan beroep kan worden ingesteld. Nu het onderdeel van de aanwijzing dat ziet op de sloopregeling naar het oordeel van de Afdeling niet op een concreet aangegeven locatie, waarvan geen afwijking mogelijk is, ziet, staat in zoverre tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling open. De vraag of bedoeld onderdeel van de aanwijzing in strijd met het recht gegeven is, kan bij dat beroep aan de orde worden gesteld.

Procedureel

5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat niet het college van gedeputeerde staten, maar de minister bevoegd is tot het geven van een proactieve aanwijzing. Voorts betogen zij dat het college van gedeputeerde staten niet tijdig tot het geven van de aanwijzing is overgegaan.

5.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 4.2 van de Wro bevoegd is tot het geven van de aanwijzing.

5.2. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, gedeputeerde staten aan de gemeenteraad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

Aldus geeft dit artikellid het college van gedeputeerde staten onder de daarin opgenomen voorwaarden de bevoegdheid voor het geven van een proactieve aanwijzing. Het betoog dat uitsluitend de minister bevoegd is tot het geven van een proactieve aanwijzing, faalt derhalve.

5.3. De proactieve aanwijzing heeft, gelet op het bepaalde in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, anders dan de zogenoemde reactieve aanwijzing, niet tot doel dat een onderdeel van een bestemmingsplan geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals dit is vastgesteld, maar is daarentegen gericht op het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. In de Wro is gelet hierop, en anders dan in het geval van de reactieve aanwijzing waarbij rekening moet worden gehouden met de bekendmaking en inwerkingtreding van een plan, geen termijn gesteld voor het geven van een proactieve aanwijzing. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat het college van gedeputeerde staten niet tijdig een proactieve aanwijzing heeft gegeven, faalt derhalve. Verder tast het feit dat het college van gedeputeerde staten eerst had aangegeven geen bezwaren tegen het plan te hebben, de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aan.

Inhoudelijk

De aanduiding "vrijwaringszone-bodembewerking"

6. [appellant sub 1] en anderen betogen dat een provinciaal belang ontbreekt bij dit onderdeel van de aanwijzing. Voorts betogen zij dat dit onderdeel van de aanwijzing strijdig is met de Grondwet en leidt tot aantasting van het recht op eigendom. Daarnaast past dit onderdeel van de aanwijzing niet bij het conserverende karakter van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en zijn de betreffende ontwikkelingen niet opgenomen in de in het kader van dat plan opgestelde Nota van uitgangspunten, aldus [appellant sub 1] en anderen.

6.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat het provinciaal belang daarin is gelegen dat door bodembewerkingen bij veengrond een forse toename van bodemdaling kan ontstaan ten gevolge van oxidatie. Deze bodemdaling heeft gevolgen voor het waterpeil, aldus het college van gedeputeerde staten.

6.2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de PRV wordt als "veengebied kwetsbaar voor oxidatie" aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Bodem.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een ruimtelijk plan geen bestemmingen en regels die bodembewerkingen toestaan die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht, tenzij de bodembewerkingen plaatsvinden ten behoeve van graslandverbetering.

In de toelichting in de PRV behorend bij het tweede lid van dit artikel staat dat het hier gaat om een regeling voor bodembewerkingen, onder meer voor scheuren en ploegen. Deze bodembewerkingen zijn onaanvaardbaar vanwege de versnelde bodemdaling die hiervan het gevolg is. Bodembewerkingen die worden uitgevoerd ten behoeve van graslandverbeteringen zijn wel toegestaan, vanwege het beperkter effect op de bodemdaling, het minder frequente voorkomen en het grote belang dat dit kan hebben voor de bedrijfsvoering op een grondgebonden veehouderijbedrijf.

6.3. Uit artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, volgt dat het college bevoegd is een proactieve aanwijzing te geven, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2011 in zaak nr. 201005138/1/R3), is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een provinciaal belang, bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten.

6.4. Blijkens het bestreden besluit en de toelichting op artikel 2.1 van de PRV is het provinciaal bestuur van mening dat met het uitvoeren van bodembewerkingen op veengronden grote terughoudendheid moet worden betracht, gelet op het feit dat dergelijke bodembewerkingen kunnen leiden tot versnelde bodemdaling en daarmee tot een verlaging van het waterpeil. Niet valt in te zien dat het college van gedeputeerde staten zich deze belangen niet in redelijkheid als provinciaal belang heeft kunnen aantrekken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat een versnelde bodemdaling en de daarmee samenhangende aanpassing van het waterpeil een aspect betreft dat de schaal van de afzonderlijke gemeenten overstijgt. In zoverre kan de bewerking van veengronden worden aangemerkt als een belang van bovengemeentelijke aard dat zich leent voor behartiging op provinciaal niveau.

Het betoog faalt.

6.5. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 1] en anderen ten aanzien van de Grondwet en het eigendomsrecht aldus, dat zij een beroep doen op artikel 14 van de Grondwet en artikel 1 van het Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Ingevolge artikel 1 van het Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Grondwet kan onteigening alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.

De Afdeling is van oordeel dat een aanwijzing die ziet op het aanduiden van gronden als "vrijwaringszone-bodembewerking" geen onteigening is als bedoeld in artikel 14 van de Grondwet. Onteigening als bedoeld in dit artikel leidt ertoe dat het eigendomsrecht van de betrokkene komt te vervallen. Daarvan is bij het als gevolg van de aanwijzing toekennen van deze aanduiding geen sprake: het eigendomsrecht blijft berusten bij de eigenaar; slechts de uitoefening ervan wordt aan nadere voorwaarden gebonden.

Evenmin is sprake van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, laat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM onverlet de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren (vergelijk de uitspraak van 14 april 2010, zaaknr. 200907391/1/H2). De PRV en de daarop gebaseerde proactieve aanwijzing betreffen zodanige reguleringen. In dit verband is voorts van belang dat niet is gebleken dat de aanwijzing voor [appellant sub 1] en anderen gevolgen heeft die onevenredig zijn ten opzichte van het met de aanwijzing te dienen doel, zoals hiervoor is geoordeeld.

Het betoog faalt.

6.6. Wat betreft het verder door [appellant sub 1] en anderen aangevoerde inzake het conserverende karakter van het bestemmingsplan en het feit dat de ontwikkelingen niet in de Nota van uitgangspunten zijn genoemd, overweegt de Afdeling dat uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.3 volgt dat de aanwijzing ziet op een nieuw vast te stellen bestemmingsplan. De door [appellant sub 1] en anderen genoemde omstandigheden die zien op het karakter van het reeds vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2012" en de in verband daarmee opgestelde stukken doen dan ook niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

De aanduiding "vrijwaringszone versterking regionale waterkering"

7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat een provinciaal belang ontbreekt bij dit onderdeel van de aanwijzing. Zij voeren hiertoe aan dat er op grond van de PRV geen verplichting bestaat tot het beschermen van waterkeringen in bestemmingsplannen. Voorts voeren zij aan dat in het Provinciaal waterplan 2010-2015, zoals vastgesteld door het college van gedeputeerde staten op 29 september 2009, de bedoelde vrijwaringszones niet staan aangegeven, en dat deze ook niet waren opgenomen in het voorheen geldend plan "Buitengebied 2000". Daarnaast voorziet de bij de aanwijzing behorende kaart in een bredere zone dan gelet op de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 (hierna: Keur) noodzakelijk is. Bovendien bieden deze Keur en de Leggers "Legger van de regionale waterkeringen met de daartoe behorende kunstwerken van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden", zoals vastgesteld door het algemeen bestuur op 1 maart 2011, en "Legger van de primaire waterkeringen langs de Gekanaliseerde Hollandse IJssel met bijbehorende kunstwerken", zoals vastgesteld door het algemeen bestuur op 3 oktober 2007, volgens [appellant sub 1] en anderen voldoende bescherming.

7.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat het provinciaal belang daarin is gelegen dat wordt voorzien in een vrijwaringszone aan beide zijden van de regionale waterkeringen. Daarnaast wijst het college van gedeputeerde staten op artikel 2.5 van de PRV, waarin is bepaald dat een ruimtelijk plan bestemmingen en regels bevat die de waterkerende functie beschermen en voorzien in een vrijwaringszone aan weerszijden van de waterkering.

7.2. Ingevolge artikel 2.5, eerste lid, van de PRV wordt als "Vrijwaringszone versterking regionale waterkering" aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Water.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een ruimtelijk plan bestemmingen en regels die de waterkerende functie beschermen en voorzien in een vrijwaringszone aan weerszijden van de waterkering.

Blijkens de toelichting op het tweede lid van artikel 2.5 van de PRV biedt een strook van 30 meter voor de vrijwaringszone in algemene zin voldoende ruimte voor versterking of reconstructie van de regionale waterkering. De exacte maat die van toepassing is op een regionale waterkering is opgenomen in de vastgestelde Leggers van de waterbeheerders. De primaire waterkeringen worden door rijksregelingen beschermd.

7.3. Gelet op artikel 2.5, tweede lid, volgt uit de PRV, anders dan waar [appellant sub 1] en anderen kennelijk vanuit gaan, dat een bestemmingsplan moet voorzien in bestemmingen en regels die de waterkerende functie beschermen, waartoe de aanduiding "Vrijwaringszone versterking regionale waterkering" strekt. Dat de keur voldoende bescherming zou bieden, zoals [appellant sub 1] en anderen stellen, doet aan deze verplichting niet af.

Het betoog faalt.

7.4. Uit artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, volgt dat het college bevoegd is een proactieve aanwijzing te geven, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

Zoals de Afdeling hiervoor onder 6.3 heeft overwogen is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een provinciaal belang, bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten.

7.5. Blijkens het bestreden besluit en de toelichting op artikel 2.5 van de PRV is het provinciaal bestuur van mening dat de regionale waterkeringen met bijbehorende zones dienen te worden beschermd, om zodoende de waterkerende bescherming van de keringen te kunnen beschermen. Niet valt in te zien dat het college van gedeputeerde staten zich deze belangen niet in redelijkheid als provinciaal belang heeft kunnen aantrekken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bescherming van de functies van de waterkering gelet op het risico van overstromingen een aspect betreft dat de schaal van afzonderlijke gemeenten overstijgt. In zoverre kan de bescherming van de waterkering worden aangemerkt als een belang van bovengemeentelijke aard dat zich leent voor behartiging op provinciaal niveau. Dat in het Provinciaal waterplan niets over deze beschermingszones staat aangeven, mocht dit al zo zijn, maakt dit niet anders. Dat geldt ook voor zover [appellant sub 1] en anderen erop hebben gewezen dat deze bestemming in het voorheen geldend plan "Buitengebied 2000" niet was opgenomen.

Het betoog faalt.

7.6. Voor zover [appellant sub 1] en anderen betogen dat op de bij de proactieve aanwijzing behorende kaart ten behoeve van de versterking regionale waterkering bredere zones zijn opgenomen dan op grond van de Keur noodzakelijk is, is ter zitting door het Hoogheemraadschap verklaard dat deze zones wel degelijk overeenkomen en dat de benodigde breedte per type waterkering verschilt. [appellant sub 1] en anderen hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Het betoog faalt.

Conclusie en proceskostenveroordeling

8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

10. Redelijke toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb brengt met zich dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 2] en het college van burgemeester en wethouders het door hen betaalde griffierecht voor het beroep terugbetaalt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van:

a. de beroepen van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] en het college van burgemeester en wethouders van Montfoort;

b. het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover gericht tegen dat onderdeel van de aanwijzing dat ziet op het conform artikel 4.7 PRV opnemen van een sloopregeling;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige ongegrond;

III. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht als volgt terugbetaalt:

a. aan [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] € 318,00 (zegge driehonderdachttien euro), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. en aan het college van burgemeester en wethouders van Montfoort € 318,00 (zegge driehonderdachttien euro).

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Jager, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. De Jager

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

704.