Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201400225/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:8772, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2011 heeft het college het aan de parochie in eigendom toebehorende object Mariaplein 2 te Breda, zijnde de Mariakerk, aangewezen als gemeentelijk monument.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Monumentenwet 1988
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/949

Uitspraak

201400225/1/A2.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Roomskatholieke Jeruzalemparochie (hierna: de parochie), gevestigd te Breda,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 november 2013 in zaak nr. 12/7541 in het geding tussen:

de parochie

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2011 heeft het college het aan de parochie in eigendom toebehorende object Mariaplein 2 te Breda, zijnde de Mariakerk, aangewezen als gemeentelijk monument.

Bij besluit van 21 december 2011 heeft het college het door de parochie daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2013 heeft de rechtbank het door de parochie daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de parochie hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2014, waar de parochie, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat de Mariakerk monumentwaardig is. Het geschil spitst zich toe op het betoog van de parochie dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat de aanwijzing ertoe leidt dat de parochie, in geval zij zou besluiten de inrichting van het kerkgebouw ten behoeve van de eredienst te wijzigen, verplicht is daarvoor bij het college een zogenoemde monumentenvergunning aan te vragen. Deze inmenging van het college is volgens de parochie in strijd met het recht op het vrij belijden van de godsdienst, neergelegd in artikel 6, eerste lid, van de Grondwet.

Ter zitting heeft het college desgevraagd verklaard dat de inrichting van de Mariakerk niet in de redengevende omschrijving is opgenomen en daardoor niet onder de aanwijzing valt. Daaruit vloeit voort dat het de parochie vrijstaat de inrichting van het kerkgebouw ten behoeve van de eredienst te wijzigen, zodat het betoog feitelijke grondslag mist.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Dallinga

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

18-799.