Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3429

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201400039/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:9071, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het college aan [appellante sub 2] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfshal, een kantoor en een scheepshelling op het perceel [locatie] te Maasbracht (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/953
OGR-Updates.nl 2014-0218
Milieurecht Totaal 2014/5901
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6425

Uitspraak

201400039/1/A1.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], gevestigd te Maasbracht, gemeente Maasgouw,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Maasbracht, gemeente Maasgouw,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 november 2013 in zaak nr. 12/1240 in het geding tussen:

[appellante sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het college aan [appellante sub 2] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfshal, een kantoor en een scheepshelling op het perceel [locatie] te Maasbracht (hierna: het perceel).

Bij besluit van 16 juli 2012 heeft het college het door [appellante sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 18 oktober 2011 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 22 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellante sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 juli 2012 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2014, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. G.A.M. van de Wouw, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Helmond, en het college, vertegenwoordigd door N.J.S. Maas-Houben en N.J. Brouwers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het bepaalde onder c is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge het bepaalde onder e is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, zoals dat luidde ten tijde van belang, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

Ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

Ingevolge onderdeel C, categorie 13, onder 13.4, van bijlage I bij het Bor worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, aangewezen inrichtingen voor:

b. het bouwen van metalen pleziervaartuigen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 meter of meer;

c. het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen anders dan pleziervaartuigen.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Wet milieubeheer worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kern Maasbracht" rusten op het perceel de bestemmingen "Handelsdoeleinden III" en "Haven".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, wordt onder bebouwing één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken verstaan.

Ingevolge het bepaalde onder c, wordt onder ander bouwwerk een bouwwerk, geen gebouw zijnde verstaan.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, onder b, mogen de gebouwen op gronden met de bestemming "Handelsdoeleinden III" uitsluitend op het bebouwingsoppervlak worden opgericht.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, zijn de op de bestemmingskaart als "Haven" aangewezen gronden bestemd voor verkeersdoeleinden te water.

Ingevolge het tweede lid, mag op deze gronden geen bebouwing worden opgericht, behoudens andere bouwwerken, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen.

Ingevolge artikel 48, onder a, is het verboden in het plan begrepen gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de uit het plan voortvloeiende bestemming.

2. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bebouwingsoppervlak van het bestemmingsplan wordt overschreden. Daartoe voert zij aan dat de scheepshelling geen onderdeel uitmaakt van het gebouw waarin de bedrijfshal is voorzien omdat de scheepshelling geen constructie betreft die zowel bouwkundig als functioneel één geheel vormt met het gebouw. De helling kan volgens [appellante sub 2] in functioneel opzicht van de bedrijfshal worden onderscheiden omdat deze niet ten dienste daarvan wordt gerealiseerd. De helling kan volgens [appellante sub 2] eveneens in bouwkundig opzicht van de bedrijfshal worden onderscheiden omdat zij los van de bedrijfshal kan worden gerealiseerd. De scheepshelling is een bouwwerk geen gebouw zijnde en kan derhalve buiten het bebouwingsoppervlak worden gerealiseerd, aldus [appellante sub 2].

2.1. Een deel van de scheepsheling en de bedrijfshal zijn voorzien op het gedeelte van het perceel waarop de bestemming "Handelsdoeleinden" rust. Vaststaat dat de scheepshelling, waarin het bouwplan voorziet, buiten het op de plankaart aangeduide bebouwingsoppervlak wordt gerealiseerd. Voorts staat vast dat als de scheepshelling één geheel vormt met het gebouw waarin de bedrijfshal is voorzien, met dit gebouw het bebouwingsoppervlak wordt overschreden, hetgeen in strijd is met artikel 29, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 maart 2013 in zaak nr. 201204249/1/A1) is splitsing van een bouwplan dat uit verschillende onderdelen bestaat in beginsel niet mogelijk. Het bouwplan dient als één geheel te worden beschouwd. Een bouwplan kan alleen worden gesplitst indien het bestaat uit onderdelen die in functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. Dit is niet alleen van belang in het kader van de beantwoording van de vraag of een bouwplan mogelijk op zichzelf beschouwd niet-vergunningsplichtig is maar eveneens in het onderhavige geval, waarin de vraag is opgeworpen of een onderdeel van een bouwplan als een zelfstandig bouwwerk kan worden aangemerkt, dan wel als onderdeel van het (gehele) bouwwerk moet worden beschouwd.

De scheepshelling wordt blijkens de aanvraag voor het grootste gedeelte in de bedrijfshal gerealiseerd. De helling is voorts bevestigd aan en verbonden met de bedrijfshal. De helling zal worden gebruikt om de pleziervaartuigen die in de bedrijfshal zullen worden vervaardigd te water te laten en derhalve wordt de helling ten dienste van de bedrijfshal gerealiseerd. Gelet op de constructie en het gebruik van de helling kan deze bouwkundig noch functioneel los van de bedrijfshal worden gezien en vormt de helling één geheel met het gebouw waarin de bedrijfshal is voorzien. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het op de plankaart ter plaatse aangeduide bebouwingsoppervlak wordt overschreden en het bouwplan derhalve in zoverre in strijd is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

3. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan, voor zover het is voorzien op het gedeelte van het perceel waarop de bestemming "Haven" rust, in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe voert zij aan dat de scheepshelling die op dat gedeelte van het perceel wordt gerealiseerd, niet in strijd is met de bestemming "Haven" omdat de helling ten dienste staat van verkeersdoeleinden te water, nu de helling is bedoeld om schepen te water te laten.

3.1. Een deel van de scheepshelling is voorzien op het gedeelte van het perceel waarop de bestemming "Haven" rust. Ingevolge artikel 45, tweede lid, van de planvoorschriften mogen, voor zover hier van belang, op de gronden met de bestemming "Haven" alleen andere bouwwerken worden gerealiseerd. Andere bouwwerken zijn volgens artikel 1, aanhef en onder c, van de planvoorschriften bouwwerken, geen gebouw zijnde. Nu het bouwplan, zoals hiervoor onder 2.1 is overwogen, voorziet in één gebouw waarvan de scheepshelling onderdeel uitmaakt, is het bouwplan, zoals het college ter zitting heeft bevestigd, in strijd met de daarop rustende bestemming en is de rechtbank, zij het op andere gronden, terecht tot de conclusie gekomen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

4. [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het verlenen van omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo in strijd is met artikel 2.7 van de Wabo, nu tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is vereist. Daartoe voert zij aan dat met het bouwplan een vergunningplichtige inrichting wordt veranderd. In dit verband merkt zij op dat de scheepswerf één inrichting vormt met de overige bedrijven van [appellante sub 2], nu de bedrijven door dezelfde c.q. gelieerde rechtspersonen worden gedreven, op nabijgelegen percelen en er volgens haar tussen deze bedrijven een technische, functionele en organisatorische binding bestaat.

4.1. Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, zoals dat luidde ten tijde van belang, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

4.2. Niet in geschil is dat, indien wordt geoordeeld dat het onderhavige bouwplan dat voorziet in de realisering van een scheepswerf en waarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is gedaan, tevens een omgevingsvergunningsplichtige activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo, sprake is van twee onlosmakelijk samenhangende activiteiten als bedoeld in artikel 2.7 van de Wabo, zoals dat luidde ten tijde van belang.

4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 juni 2013 in zaak nr. 201209737/1/A1) mag, indien een aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op één fysieke activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo, uitsluitend een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor elk van die activiteiten gezamenlijk. Indien niet voor alle categorieën omgevingsvergunning is aangevraagd, dient het college de aanvrager met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid te bieden om de aanvraag aan te vullen en indien aanvulling uitblijft, de aanvraag buiten behandeling te stellen.

4.4. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van één inrichting is bepalend of aan de in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer neergelegde criteria wordt voldaan. Ingevolge dat artikel worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

Op 23 augustus 2011 heeft [appellante sub 2] een melding ingevolge het Activiteitenbesluit gedaan voor het oprichten van een inrichting voor het vervaardigen van pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 25 meter ten behoeve waarvan het bouwplan wordt gerealiseerd. Uit de melding blijkt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet dat de inrichting waarvoor de melding is ingediend samen met de door [appellante sub 1] bedoelde bedrijven als één inrichting dient te worden beschouwd. Daartoe wordt overwogen dat van een binding als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer niet is gebleken zodat de inrichting waarvoor de melding is gedaan reeds om die reden niet als één inrichting dient te worden beschouwd met de door [appellante sub 1] bedoelde bedrijven. In hetgeen [appellante sub 1] in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Het enkele feit dat de bedrijven, als gesteld, onderdeel uitmaken van hetzelfde concern maakt weliswaar dat van enige organisatorische binding sprake is, maar niet dat een zodanige binding bestaat dat de inrichting waarvoor de melding is gedaan als één dient te worden beschouwd met de door [appellante sub 1] bedoelde bedrijven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat gelet op de stukken, waaronder de aanvraag en de melding, en hetgeen is verhandeld ter zitting, niet is gebleken dat er gezamenlijke voorzieningen zijn, dat de onderdelen die nodig zijn voor de pleziervaartuigen in de door [appellante sub 1] bedoelde bedrijven worden vervaardigd dan wel dat er uitwisseling van personeel plaatsvindt, zodat er tussen de inrichtingen geen technische of functionele binding bestaat.

4.5. Nu het hier, gelet op het voorgaande, een inrichting betreft waar pleziervaartuigen met een lengte van minder dan 25 meter worden vervaardigd, is daarvoor, gelet op artikel 2.1, tweede lid, van het Bor gelezen in verbinding met onderdeel C, categorie 13, onder 13.4, van bijlage I bij het Bor geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo vereist en heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 2.7 van de Wabo, zoals dat luidde ten tijde van belang, is verleend.

Het betoog faalt.

5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dorst

voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

357-712.