Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3427

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201400685/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 66a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/353

Uitspraak

201400685/1/V1.

Datum uitspraak: 9 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 december 2013 in zaak nr. 13/18349 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit in zoverre vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat zich geen bijzondere individuele omstandigheden voordoen die aanleiding zijn voor het afzien van een inreisverbod voor de duur van tien jaar of verkorting daarvan. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat hij in het besluit de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden in samenhang heeft beoordeeld en dat uit het besluit volgt dat hij daarbij eveneens heeft betrokken dat de vreemdeling een IQ van 54 heeft. De staatssecretaris betoogt voorts dat de vreemdeling geacht kan worden in Suriname opnieuw een bestaan op te bouwen, eventueel met steun van zijn familie in Nederland dan wel door zelfstandig eventueel benodigde hulp te vragen. Dat de vreemdeling geen zeggenschap heeft gehad over zijn illegale komst naar Nederland doet daaraan, gezien alle af te wegen belangen, volgens de staatssecretaris niet af. Daarbij wijst hij erop dat de vreemdeling meermalen is veroordeeld voor het plegen van ernstige misdrijven waarbij er een tendens is naar het plegen van steeds ernstiger misdrijven.

1.1. De rechtbank heeft voor haar bestreden oordeel redengevend geacht dat de staatssecretaris de aangevoerde omstandigheden niet in samenhang heeft beoordeeld en dat hij de omstandigheid dat de vreemdeling met een IQ van 54 zwakbegaafd is, alleen heeft betrokken bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Over het standpunt van de staatssecretaris dat niet is komen vast te staan dat de vreemdeling in Suriname geen hulp kan krijgen, heeft de rechtbank overwogen dat zij hierover in een eerdere uitspraak anders heeft geoordeeld. Dit betreft de in rechte vaststaande uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 12/14502, waarbij een eerder tegen de vreemdeling uitgevaardigd inreisverbod is vernietigd. Daarnaast heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet meegewogen dat het onrechtmatige verblijf van de vreemdeling hem niet kan worden aangerekend.

1.2. De vreemdeling, geboren op 7 januari 1992, is veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur wegens onder meer het op 15 januari 2007 plegen van diefstal met geweld (artikel 310 in samenhang met artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Verder is hij veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens het op 11 januari 2010 plegen van diefstal met geweld door twee of meer verenigde personen (artikel 310 in samenhang met artikel 312, tweede lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht). Voorts is hij veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, in samenhang met artikel 55, derde lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie, gepleegd op 13 maart 2010.

1.3. De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om af te zien van het inreisverbod dan wel om de duur daarvan te verkorten. Uit het besluit kan worden afgeleid dat de staatssecretaris voormelde omstandigheden in samenhang heeft beoordeeld. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte zwaar laten wegen dat de vreemdeling meermalen is veroordeeld wegens het plegen van misdrijven, die bovendien in ernst toenemen. Uit het besluit volgt dat de staatssecretaris de zwakbegaafdheid van de vreemdeling bij de beoordeling van de aangevoerde individuele omstandigheden heeft betrokken. Hij heeft er immers in het besluit op gewezen dat het beroep van de vreemdeling op verschoonbare redenen en omstandigheden niet relevant is, omdat de strafrechter dergelijke omstandigheden reeds heeft betrokken bij de strafmaat. De staatssecretaris heeft de zwakbegaafdheid van de vreemdeling met een soortgelijke redenering bij zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM uitdrukkelijk genoemd. Verder heeft de staatssecretaris niet ten onrechte in aanmerking genomen dat de vreemdeling niet heeft gestaafd dat hij in Suriname, eventueel met steun van zijn familie in Nederland, geen hulp kan krijgen, en voorts dat hij in staat wordt geacht die hulp zelfstandig te vragen. Hierbij is van belang dat de overweging in voormelde uitspraak van de rechtbank van 5 december 2012 ziet op het ontbreken van contacten met zijn familie in Suriname en de omstandigheid dat zij de vreemdeling in het verleden slecht hebben behandeld, maar niet op hulp die de vreemdeling overigens in Suriname zou kunnen krijgen. Verder geven de stukken van de William Schrikker Groep, die zien op de periode tot en met 2009, geen actueel beeld van de situatie van de vreemdeling, zodat hij daarmee niet heeft gestaafd dat hij niet in staat is om hulp te vragen. Voorts is de stelling in deze stukken dat in Suriname niet de voor de vreemdeling benodigde gespecialiseerde zorg aanwezig is, niet gestaafd. De staatssecretaris is in het besluit bij de beoordeling van de problemen die de vreemdeling in zijn jeugd heeft ondervonden en van de gestelde gebrekkige hulpverlening in Nederland ingegaan op de onrechtmatigheid van zijn verblijf. Hij heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling weliswaar zijn illegale komst naar Nederland niet kan worden aangerekend, maar de door hem gepleegde misdrijven wel.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3. Voor zover de vreemdeling heeft betoogd dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM, wordt overwogen dat de staatssecretaris, mede gelet op de onder 1.3 weergegeven standpunten, deugdelijk gemotiveerd alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder die genoemd in voormelde uitspraak van de rechtbank van 5 december 2012, in zijn belangenafweging heeft betrokken. Daarbij heeft hij niet ten onrechte meer gewicht toegekend aan het algemeen belang van bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten dan aan het persoonlijk belang van de vreemdeling bij het onderhouden van familie- en gezinsleven hier te lande. In dat kader heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de band tussen hem en zijn vader zo bijzonder is, dat van een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende, bijzondere afhankelijkheid sprake is. Ook heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat weliswaar banden bestaan tussen de vreemdeling en zijn familie in Nederland, maar dat die niet zo hecht zijn dat van de vreemdeling niet gevergd kan worden terug te keren naar Suriname. Daarbij heeft de staatssecretaris niet ten onrechte betrokken dat de vreemdeling in 2006 uit huis is geplaatst, sindsdien merendeels bij zijn stieftante heeft gewoond en inmiddels enige tijd is gedetineerd, en dat aan het voorgaande niet afdoet dat de vader en stiefmoeder van de vreemdeling hem na zijn vrijlating weer willen opnemen in hun gezin.

De staatssecretaris heeft aan de omstandigheid dat de vreemdeling sinds zijn tiende levensjaar in Nederland woont niet ten onrechte weinig gewicht toegekend. De vreemdeling heeft deze door de staatssecretaris gemaakte afweging bestreden onder verwijzing naar de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna het EHRM), Jakupovic tegen Oostenrijk, van 6 februari 2003, nr. 36757/97, (hierna: het arrest Jakupovic; te raadplegen op www.echr.coe.int evenals de hierna vermelde arresten), Radovanovic tegen Oostenrijk, van 22 april 2004, nr. 42703/98, en Maslov tegen Oostenrijk, van 23 juni 2008, nr. 1638/03, (hierna: het arrest Maslov). Deze arresten bieden echter geen grond voor het oordeel dat de door de staatssecretaris gemaakte afweging strijdig is met artikel 8 van het EVRM. In de arresten Jakupovic en Maslov heeft het EHRM namelijk van belang geacht dat de betreffende vreemdelingen als minderjarigen delicten hadden gepleegd en dat dit, afgezien van een enkel geweldsdelict van minder serieuze aard, geen geweldsdelicten betroffen, terwijl de vreemdeling meerderjarig was toen hij een geweldsdelict pleegde. Radovanovic was veroordeeld wegens beroving onder verzwarende omstandigheden. Het EHRM heeft van belang geacht dat hij daarvóór geen strafblad had en dat zijn straf grotendeels bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf. Die omstandigheden onderscheiden zich eveneens van deze zaak.

Verder heeft de staatssecretaris niet ten onrechte in aanmerking genomen dat de vreemdeling sinds zijn laatste onherroepelijke veroordeling steeds gedetineerd is geweest, zodat geen gewicht toekomt aan de omstandigheid dat hij sindsdien geen strafbare feiten heeft gepleegd. De staatssecretaris heeft voorts niet ten onrechte van belang geacht dat de vreemdeling tot ongeveer zijn tiende levensjaar in Suriname heeft gewoond en, ook al heeft zijn familie hem daar slecht behandeld, daarom banden heeft met dat land, zodat voor hem mogelijkheden bestaan om daar, eventueel met steun van zijn familie in Nederland, een nieuw bestaan op te bouwen. De staatssecretaris heeft in de Nederlandse nationaliteit van de vader van de vreemdeling en diens gezinsleven met zijn Nederlandse partner, voorts terecht geen objectieve belemmering voor de vader aanwezig geacht om met de vreemdeling naar Suriname terug te keren.

De beroepsgrond faalt.

4. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit waarop deze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 december 2013 in zaak nr. 13/18349;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2014

154-768.