Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201310845/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:7304, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310845/1/V2.

Datum uitspraak: 11 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 22 november 2013 in zaken nrs. 13/28647 en 13/28648 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 november 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij aan de enkele omstandigheid dat de in de vorige procedure gestelde bekering tot het christendom van de familie van de vreemdeling ongeloofwaardig is bevonden, niet in redelijkheid de conclusie heeft kunnen verbinden dat wordt getwijfeld aan de bekering van de vreemdeling. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat hij aan zijn afwijzende besluit niet alleen de thans in rechte vaststaande ongeloofwaardige bekering van de familie van de vreemdeling in de eerste procedure ten grondslag heeft gelegd, maar ook andere elementen van diens relaas waaronder de verklaring dat de bekering van zijn familie een belangrijke rol heeft gespeeld bij zijn eigen bekering tot het christendom in Nederland.

1.1. De staatssecretaris betoogt terecht dat de in de eerste procedure ongeloofwaardig bevonden bekering in Afghanistan van de familie van de vreemdeling slechts één element is waarop hij zijn standpunt dat ook de bekering van de vreemdeling zelf ongeloofwaardig is, heeft gebaseerd. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid de verklaringen van de vreemdeling dat de bekering van zijn familie voor hem een belangrijke rol heeft gespeeld bij zijn besluit zich in Nederland te bekeren tot het christendom, bij de beoordeling van de gestelde bekering van de vreemdeling heeft kunnen betrekken.

De grief slaagt.

2. In de grieven 2 en 3 klaagt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij de ongeloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde bekering in Nederland ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat de vreemdeling vaag heeft verklaard over zijn beweegredenen zich te bekeren tot het christendom en zich te laten dopen, zodat hij het bekeringsproces niet inzichtelijk heeft gemaakt. Voorts beschikt hij over onvoldoende bijbelkennis en zijn mede hierdoor ook zijn gestelde evangelisatieactiviteiten niet geloofwaardig. Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter doorslaggevende betekenis gehecht aan de schriftelijke verklaringen van de Rafaël Netwerkkerk en de Father's House Movement, en aan de verklaring van de voorganger van de Rafaël Netwerkkerk ter zitting bij de rechtbank, aldus de staatssecretaris.

2.1. Zoals volgt uit de uitspraak van 24 mei 2013 in zaak nr. 201109839/1/V2 past de staatssecretaris een vaste gedragslijn toe bij het onderzoek naar de door een vreemdeling aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde geloofsovertuiging. Deze vaste gedragslijn houdt in dat de staatssecretaris een vreemdeling vragen stelt die - voor zover toepasselijk in het concrete geval - grofweg worden onderverdeeld in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, waaronder de betekenis en praktische uitvoering van een eventuele doop en doopplechtigheid, en over de persoonlijke betekenis van de bekering of de geloofsovertuiging voor een vreemdeling. Voorts betreft het vragen die betrekking hebben op algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk. Ten slotte verwacht de staatssecretaris dat een vreemdeling die stelt dat kerkgang onderdeel is van zijn geloofsovertuiging, daarover vragen weet te beantwoorden, bijvoorbeeld waar de kerk zich bevindt die hij bezoekt, op welk tijdstip de dienst of de mis plaatsvindt, en hoe deze verloopt. Soortgelijke vragen stelt de staatssecretaris ook over andere door een vreemdeling genoemde uitingen van zijn gestelde geloofsovertuiging, zoals evangelisatieactiviteiten. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van 24 mei 2013 neemt de staatssecretaris terecht tot uitgangspunt dat aan een bekering van een vreemdeling die afkomstig is uit een land waar de bekering tot een andere dan de in dat land lang algemeen gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is, een weloverwogen en welbewuste keuze ten grondslag ligt, waarover een vreemdeling moet kunnen verklaren.

2.2. Anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, heeft de vreemdeling, zoals de staatssecretaris terecht betoogt, tijdens het gehoor opvolgende aanvraag uitsluitend in vage bewoordingen vragen over de motieven voor en het proces van bekering beantwoord. Zo heeft hij verklaard dat hij niet zelf voor het christendom en voor de doop heeft gekozen, maar dat dat de wil van God was, en voorts dat hij denkt dat zijn vader met zijn bekering de verlichte weg had gezien en misschien voor hem heeft gebeden, terwijl hij over de voorbereidingen op de doop heeft verklaard dat hij besloot geen zonden meer te begaan, dat hij iedere zondag naar de huiskerk ging en zich verder op geen enkele wijze op de doop heeft voorbereid. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich op de in het besluit neergelegde gronden niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling onvoldoende inzicht heeft verschaft in - in het bijzonder - zijn motieven voor en het proces van bekering en de bekering aldus niet aannemelijk heeft gemaakt en dat de bekering daarom ongeloofwaardig is.

2.3. De vreemdeling heeft weliswaar ter staving van zijn bekering een verklaring van de Father's House Movement, regio Noord, van 31 oktober 2013 overgelegd en gewezen op de verklaring die de voorganger van de Rafaël Netwerkkerk ter zitting bij de rechtbank heeft afgelegd, doch aan deze verklaringen komt, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, geen doorslaggevende betekenis toe. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2014 in zaak nr. 201311217/1/V2 betoogt de staatssecretaris terecht dat een verklaring van een kerkelijke instantie of persoon weliswaar kan dienen ter staving van een bekering, maar dat dat de verantwoordelijkheid van de betrokken vreemdeling onverlet laat zelf overtuigende verklaringen af te leggen met betrekking tot zijn bekering en het proces dat tot de bekering heeft geleid.

2.4. De grieven 2 en 3 slagen.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden voor zover deze na het vorenstaande nog bespreking behoeven.

4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris met het tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een onjuist kader heeft toegepast aangezien voor een asielrelaas dat zich in Nederland afspeelt, zoals zijn bekering, de toepassing van dit artikel er niet toe mag leiden dat reeds één enkel hiaat, vaagheid, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot de conclusie kan leiden dat het relaas ongeloofwaardig is.

4.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2013 in zaak nr. 201211932/1/V2 biedt de Vw 2000, noch enig ander algemeen verbindend voorschrift of enige beleidsregel grondslag voor een onderscheid in het door de staatssecretaris te hanteren beoordelingskader al naar gelang de plaats waar de gestelde gebeurtenissen die aanleiding vormden in Nederland bescherming te vragen, zich hebben voorgedaan. De jurisprudentie van de Afdeling biedt die grondslag evenmin. Voorts volgt uit meergenoemde uitspraak van 24 mei 2013 dat, indien zich in een geval als het onderhavige één van de omstandigheden van artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet, de staatssecretaris de eis van positieve overtuigingskracht in die zin toepast dat niet reeds één tekortschietend antwoord op de in het kader van de vaste gedragslijn gestelde vragen, die het niveau van de relevante bijzonderheden betreffen, ertoe leidt dat van het relaas geen positieve overtuigingskracht meer uitgaat. In overeenstemming hiermee heeft de staatssecretaris in het besluit de vreemdeling niet tegengeworpen dat reeds één enkel hiaat, vaagheid, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden tot ongeloofwaardigheid van het relaas over de bekering leidt. De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat hij aan de hand van zijn pagina op Facebook heeft onderbouwd dat hij bekeringsactiviteiten verricht en reeds daardoor bij terugkeer in Afghanistan het reële risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

5.1. De staatssecretaris heeft de door de vreemdeling op zijn Facebook-pagina geplaatste afbeelding als te weinig aanknopingspunten bevattend kunnen aanmerken om in verband te worden gebracht met zijn - gestelde - bekering tot het christendom en bekeringsactiviteiten. Voorts heeft de staatssecretaris het betoog van de vreemdeling dat derden in Afghanistan van die afbeelding hebben kunnen kennisnemen, niet aannemelijk kunnen achten, te meer nu de vreemdeling niet heeft gesteld in Nederland in verband hiermee te zijn bedreigd. De beroepsgrond faalt.

6. Voorts heeft de vreemdeling, met een beroep op het rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees "Darstellungnahme zu Fragen der potentiellen Rückkehrgefährdung von jungen männlichen afghanischen Staatsangehörigen" van augustus 2013 (hierna: het UNHCR-rapport), aangevoerd dat hij als jonge mannelijke Afghaan bij terugkeer in het land van herkomst een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling wegens gedwongen rekrutering door de Taliban.

6.1. Het UNHCR-rapport vermeldt dat op grond van het nog altijd voortdurende gewapende conflict in Afghanistan mannen en jongens in de dienstplichtige leeftijd een risicogroep vormen. Dit hangt samen met het feit dat jongens en mannen van die leeftijd vaak als strijder worden gerekruteerd door zowel regeringsgezinde als regeringsvijandige groepen, zowel in gebied dat door regeringsgezinde groepen wordt gecontroleerd als in gebied waar beide groepen met elkaar om de macht strijden.

6.2. De vreemdeling heeft niet met concretere aanwijzingen dan het algemeen gestelde UNHCR-rapport aannemelijk gemaakt waarom het in dat rapport vermelde risico van rekrutering door de Taliban zich ook in zijn geval bij terugkeer in Afghanistan zal voordoen. Het enkele feit dat hij volgens het UNHCR-rapport op grond van zijn leeftijd tot de bedoelde risicogroep behoort, is daarvoor onvoldoende. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de staatssecretaris niet in redelijkheid het betoog van de vreemdeling dat hij een reëel risico loopt op rekrutering door de Taliban, met diens verwijzing naar het UNHCR-rapport niet aannemelijk heeft kunnen achten. De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 22 november 2013 in zaak nr. 13/28647;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Wolff

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2014

238.