Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3417

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201311013/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Putter, Vlijmen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311013/1/R3.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Vlijmen, gemeente Heusden,

2. [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Vlijmen, gemeente Heusden,

en

de raad van de gemeente Heusden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "De Putter, Vlijmen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2014, waar [appellant sub 1] en anderen, van wie [gemachtigden] in persoon, [appellant sub 2B] en de raad, vertegenwoordigd door drs. T.M. Corten en mr. M.T.G. Küper, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door ing. N. Geurts, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Merwestreek Projecten B.V., vertegenwoordigd door ing. G.J.A. van Sorge, gehoord.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ingesteld door [3 appellanten sub 1] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het besluit is weliswaar gewijzigd vastgesteld, maar [3 appellanten sub 1] zijn hierdoor niet in een nadeliger situatie komen te verkeren. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plan maakt de realisatie van 54 woningen mogelijk ter plaatse van de voormalige gemeentewerf en aangrenzende groenstroken. Het plangebied wordt omsloten door de Nassaudwarsstraat in het noorden, de Lavendelweg in het oosten, de Heidijk in het zuiden en bestaande bebouwing van de woonwijk Zuiderpark in het westen.

4. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Woongebied" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

b. aan-huis-verbonden beroep of bedrijf;

c. tuinen, erven en verhardingen;

d. verkeer- en verblijfsgebied en ontsluitingen, met dien verstande dat ten behoeve van de ontsluiting van het woongebied, maximaal 2 ontsluitingen op de Nassaudwarsstraat en de Lavendelweg en maximaal 1 ontsluiting op de Antoni Staringlaan worden gerealiseerd;

e. groenvoorzieningen, met dien verstande dat wordt voldaan aan het gestelde in artikel 8, eerste lid;

f. speelvoorzieningen;

g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

h. nutsvoorzieningen.

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1, gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende bepalingen:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd;

b. er mogen uitsluitend grondgebonden woningen worden gebouwd;

c. het aantal wooneenheden bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding maximum aantal wooneenheden is aangegeven, met dien verstande dat het aantal aaneengebouwde hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan 30;

d. ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" worden uitsluitend vrijstaande, twee-aan-een gebouwde of geschakelde hoofdgebouwen gebouwd;

e. voor het bouwen van vrijstaande, twee-aan-een gebouwde of geschakelde hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:

1. de diepte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal 15 m;

2. de breedte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal 15 m;

3. de afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt minimaal 3 m, met dien verstande dat deze afstand niet van toepassing is voor de zijdelingse perceelgrens waarin de twee-aan-een gebouwde en geschakelde hoofdgebouwen zijn gebouwd;

4. de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte" is aangegeven;

5. een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt slechts verleend indien vaststaat dat per woning minimaal 1,8 parkeerplaats wordt gerealiseerd, waarvan minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein;

f. voor het bouwen van patiowoningen gelden de volgende bepalingen:

1. de diepte van een patiowoning bedraagt maximaal 20 m;

2. de breedte van een patiowoning bedraagt maximaal 15 m;

3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,3 m, met dien verstande dat een dakopbouw van maximaal 36 m² tot een bouwhoogte van 7 m is toegestaan;

4. de oppervlakte van de patio bedraagt minimaal 25 m²;

5. een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt slechts verleend indien vaststaat dat per woning minimaal 1,8 parkeerplaats wordt gerealiseerd, waarvan minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein;

g. voor het bouwen van aaneengebouwde hoofdgebouwen, geen patiowoningen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

1. de diepte van hoofdgebouwen, inclusief aan- en uitbouwen, bedraagt maximaal 15 m;

2. de breedte van hoofdgebouwen, inclusief aan- en uitbouwen, bedraagt maximaal 15 m;

3. de bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte" is aangegeven.

4. een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt slechts verleend, indien vaststaat dat per woning minimaal 1,8 parkeerplaats wordt gerealiseerd.

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.2, gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen de volgende bepalingen:

a. aan- en uitbouwen en bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedraagt maximaal 60 m²;

c. voor zover de oppervlakte van de strook grond achter de achtergevellijn meer bedraagt dan 300 m², mag de onder b geregelde gezamenlijke oppervlakte worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot in totaal maximaal 150 m²;

d. de gronden gelegen achter de achtergevellijn mogen voor maximaal 50% worden bebouwd;

e. bij vrijstaande hoofdgebouwen dient één der zijstroken vrij van aan- en uitbouwen en bijgebouwen te blijven tot de lijn evenwijdig aan en op een afstand van 25 m achter de voorgevellijn;

f. bijgebouwen worden minimaal 3 m achter de voorgevellijn gebouwd;

g. de goothoogte bedraagt maximaal 3,3 m;

h. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, bedraagt de oppervlakte van alle groenvoorzieningen, waaronder ook bedoeld bermen en beplantingen, water en waterhuishoudkundige, fiets- en voetpaden en speelvoorzieningen minimaal 20% van de oppervlakte van het plangebied.

Planopzet

5. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, omdat de globale opzet hiervan rechtsonzeker is. Zij betogen dat de raad ten onrechte geen beeldkwaliteitsplan heeft vastgesteld, zodat onvoldoende inzicht wordt geboden in de verdere uitwerking van het plan. Daarmee is het plan ook in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2013 in zaak nr. 201209663/1/R3. Voorts betogen zij dat belanghebbenden ten onrechte geen inbreng is geboden in de planvorming.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de herontwikkeling van de gemeentewerf tot woonlocatie een flexibel plan wenselijk is en dat daarom is gekozen voor een globaal plan. Ter waarborging van de kwaliteit en leefbaarheid in de omgeving is een aantal regelingen in het plan opgenomen, zodat volgens de raad met het oog op de rechtszekerheid voldoende inzicht is gegeven in de herinrichting van het plangebied, waarbij ook rekening is gehouden met de belangen van omwonenden. Verder stelt de raad dat hij niet was gehouden tot het opstellen van een beeldkwaliteitsplan en dat omwonenden voldoende zijn betrokken bij de voorbereiding en vaststelling van het plan.

5.2. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan een zogeheten globaal eindplan is. Anders dan [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] stellen, bevat het plan geen uitwerkingsplichten, zodat van strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro geen sprake is. Voor zover zij verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2013, gaat een vergelijking hiermee niet op, omdat in die zaak, anders dan hier het geval is, een wijzigingsbevoegdheid aan de orde was.

Het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. In een bestemmingsplan kunnen globale bestemmingen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. De raad heeft voor een globaal eindplan gekozen om ruimte te bieden bij de uitvoering van het plan. Het plan voorziet desalniettemin, gelet op de onder 4 aangehaalde planregels, in voldoende regels waarbinnen de invulling van het plangebied moet plaatsvinden. Zo bevat het plan een bouwvlak en zijn de maximumhoogte, -diepte, en -breedtemaat van de hoofdgebouwen vastgelegd. Ook zijn regels gesteld met betrekking tot het aantal en het type woningen. Voorts is een gebied aangewezen waarbinnen slechts vrijstaande woningen mogen worden gebouwd en voorziet het plan in een regeling voor de ontsluiting van het plangebied. Tot slot bedraagt ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels de oppervlakte van alle groenvoorzieningen minimaal 20% van de oppervlakte van het plangebied en is voor een deel van de gronden een groenbestemming opgenomen. Gelet op het voorgaande is met de planregels voldoende inzicht gegeven in de inrichting van het gebied en is het plan uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar.

De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen beeldkwaliteitsplan vastgesteld behoefde te worden, omdat het plan reeds regels en zones bevat die waarborgen dat de stedenbouwkundige opzet en typologie aansluiten bij de omgeving en het gebied voorts geen specifieke beeldbepalende waarden heeft. Dat in het kader van het bestemmingsplan "Zuiderpark" voor de ontwikkeling van dat gebied wel een beeldkwaliteitsplan zou zijn opgesteld, doet hier niet aan af.

Voorts overweegt de Afdeling dat de betrokkenheid van belanghebbenden is gewaarborgd met de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingplanprocedure. Tevens heeft de raad inspraak geboden met de terinzagelegging van het voorontwerpplan. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat belanghebbenden onvoldoende bij de vaststelling van het plan zijn betrokken.

Het betoog faalt.

Beleid

6. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat in het bestreden besluit en de plantoelichting ongemotiveerd wordt afgeweken van gemeentelijk beleid. Hiertoe voeren zij aan dat de in een eerder bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid om de westelijke groenstrook in het plangebied te onttrekken aan de hoofdgroenstructuur ten behoeve van woningbouw is komen te vervallen met de vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Kom Vlijmen". Daaruit leiden zij af dat woningbouw ten koste van deze groenstrook niet meer tot het geldende gemeentelijke beleid behoort. Voorts betogen zij dat het plan is vastgesteld in strijd met het Visiedocument structuurvisie, de StructuurvisiePlus, de Woonvisie, de Nota Volkshuisvesting 2030, het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan, de Erfgoednota gemeente Heusden (hierna: de Erfgoednota), "De Dijken van Heusden Beleving van cultuurhistorie en landschap, verbinding voor mens en natuur" (hierna: de Visie Dijken), het beeldkwaliteitsplan Zuiderpark en het Groenstructuurplan.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd waarom de woningbouwontwikkeling ter plaatse zich verdraagt met het gemeentelijke beleid.

6.2. De Afdeling overweegt dat het vervallen van de bedoelde wijzigingsbevoegdheid in het vorige bestemmingsplan "Kom Vlijmen" niet betekent dat de gemeentelijke visie op toekomstige woningbouw ter plaatse is gewijzigd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het vorige plan volgens de raad conserverend van aard was en de bestaande functies vastlegde. Omdat de woningbouwontwikkeling destijds nog onvoldoende concreet was, is deze niet opgenomen in het vorige bestemmingsplan. Verder acht de Afdeling van belang dat deze locatie voor woningbouw volgens de raad aansluit bij de in het "Visiedocument structuurvisie" genoemde locaties die op korte termijn voor woningbouw in aanmerking komen. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat in het beeldkwaliteitsplan van het bestemmingsplan "Zuiderpark" weliswaar het behoud van groen wordt genoemd, maar dat in dat plan, gelet op de wijzigingsbevoegdheid, ook rekening is gehouden met woningbouw.

Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat het plan is vastgesteld in strijd met de in de StructuurvisiePlus, de Nota Volkshuisvesting 2030, de Woonvisie, of het Gemeentelijke Verkeers- en Vervoersplan in algemene termen verwoorde kwaliteit van woon- en leefmilieu.

Ook heeft de raad terecht gesteld dat de tot de dijk aan te houden afstand van 50 m zoals aangehaald door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] met verwijzing naar het beeldkwaliteitsplan Zuiderpark is komen te vervallen met de aanpassing van de Welstandsnota en niet meer genoemd wordt in de Visie Dijken. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een afstand van 20 m van de dijk tot de woningbouwlocatie, overeenkomstig de afstand tot de voormalige gemeentewerf, aanvaardbaar is, omdat de dijk door de aanwezigheid van een bossage niet los in het open landschap ligt. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben met de enkele verwijzing naar een passage in de Erfgoednota dat ten aanzien van het erfgoed, waarvan de dijken deel uitmaken, zorgvuldig en kwalitatief instandhoudingsbeleid moet worden gevoerd niet aannemelijk gemaakt dat een afstand van 20 m zich niet met deze nota verdraagt.

Het Groenstructuurplan bepaalt dat onderdelen van de groenstructuren in beginsel gehandhaafd blijven en dat in geval van ontwikkelingen rekening wordt gehouden met de aanwezigheid en het behoud van groenstructuren. Volgens het Groenstructuurplan kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als sprake is van een groot maatschappelijk/openbaar belang, er geen maatschappelijk verantwoorde alternatieven zijn voor de ontwikkeling en compensatie is geregeld.

De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het onttrekken van de groenstrook in het westen van het plangebied wordt voldaan aan de voorwaarden voor het onttrekken van groen aan de hoofdgroenstructuur. Een groot maatschappelijk/openbaar belang als bedoeld in het Groenstructuurplan wordt volgens de raad gevormd door het belang van het voorzien in de behoefte aan woningbouw op bestaande inbreidingslocaties en de ten tijde van het bestreden besluit noodzakelijk geachte ruimte voor een optimale verkaveling van het woningbouwprogramma. Eventuele alternatieve uitbreidingslocaties voor woningbouw zijn volgens de raad geen maatschappelijk verantwoorde alternatieven, zolang een inbreidingslocatie als de onderhavige voorhanden is, waarmee kan worden ingespeeld op de concrete behoefte aan woningen. Daar komt volgens de raad bij dat inbreidingslocaties zo goed mogelijk moeten worden benut binnen de kaders van de Wro en dat de zogenoemde SER-ladder voor duurzame verstedelijking voorschrijft dat inbreidingslocaties worden benut alvorens wordt overgegaan tot uitbreidingslocaties. Voorts is met het oog op een verantwoorde stedenbouwkundige invulling van deze locatie afgezien van een volledige instandhouding van het groen binnen het plangebied. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat de groenstrook aan de westelijke zijde van het plangebied in natuurwaarden verschilt van het groen langs de Heidijk. Het groen langs de Heidijk heeft bovendien een bovenplanse waarde en heeft in het plan de bestemming "Groen" gekregen. De westelijke groenstrook vertegenwoordigt deze waarde niet. Uit flora- en faunaonderzoek is gebleken dat de westelijke groenstrook slechts een beperkte ecologische betekenis heeft. Deze groenzone heeft in het verleden vooral gefungeerd als buffer tussen de voormalige gemeentewerf en de woonwijk. Voor de onttrekking van deze groenstrook aan de hoofdgroenstructuur is voorts financiële compensatie geboden. De Afdeling stelt vast dat het Groenstructuurplan een dergelijke compensatie niet uitsluit.

De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan de voorwaarden uit het Groenstructuurplan, zodat het plan ook in overeenstemming met de in dit plan vervatte beleidsuitgangspunten is vastgesteld.

Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid, verkeersgevolgen en gevolgen voor natuur

7. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het plan niet financieel uitvoerbaar is. Hiertoe voeren zij aan dat een financiële paragraaf ontbreekt waarin wordt berekend wat de gevolgen zijn van het betrekken van de westelijke groenstrook bij de woningbouwlocatie voor het woningbouwprogramma en het financiële resultaat. Verder betogen zij dat de verkeersgevolgen van het plan en de effecten op nabijgelegen natuurgebieden onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt en dat de raad de sociale functie van de groenstrook heeft miskend.

7.1. Volgens de raad is de financiële uitvoerbaarheid voldoende verzekerd en zijn financiële risico’s waar nodig vertaald in de grondexploitatie. De raad verwijst voorts naar de financiële paragraaf in de plantoelichting.

Verder stelt hij dat gevolgen voor het verkeer voldoende inzichtelijk zijn gemaakt in de plantoelichting en dat geen onaanvaardbare verkeershinder valt te verwachten als gevolg van het plan.

Volgens de raad is het beroep voor zover het betreft de argumenten van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] met betrekking tot externe effecten van het plan op natuurgebieden niet-ontvankelijk, omdat deze argumenten niet in de zienswijze zijn aangevoerd. Voorts stelt de raad dat de effecten op natuurwaarden met het natuuronderzoek en de aanvulling hierop van 17 juli 2013 voldoende zijn onderzocht.

Tot slot stelt de raad dat de sociale functie niet in het bijzonder is gebonden aan de groenstrook in het westen van het plangebied. In het plangebied worden op andere plaatsen nieuwe groenvoorzieningen gerealiseerd die op hun beurt een sociale functie zullen vervullen, aldus de raad.

7.2. Ten tijde van de vaststelling van het plan was de gemeente eigenaar van de gronden. Volgens het bestreden besluit en de plantoelichting wordt, gelet op de boekwaarde van de aan marktpartijen te verkopen gronden en de overige kosten, een negatief resultaat verwacht. Hiervoor is een reservering getroffen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet financieel kan worden uitgevoerd.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de verkeersgevolgen van het plan voldoende inzichtelijk gemaakt en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen onaanvaardbare verkeershinder valt te verwachten. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ontsluitingswegen zijn aangewezen en dat in de verkeersparagraaf van de plantoelichting is berekend dat het plan leidt tot een gemiddelde extra verkeersbelasting van 360 tot 420 motorvoertuigenbewegingen per etmaal, welke bewegingen zich zullen verplaatsen over de Lavendelweg en de Nassaudwarsstraat. Voorts is per ontsluitingsweg een prognose voor belasting van motorvoertuigen in het jaar 2022 gegeven. Geconcludeerd wordt dat de ontsluiting in de directe omgeving de verkeersbelasting kan verwerken. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek is gebaseerd op onjuiste gegevens of anderszins gebrekkig is.

Ten aanzien van het standpunt van de raad dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] niet-ontvankelijk is voor zover het betreft het betoog over de externe effecten van het plan op natuurgebieden, overweegt de Afdeling als volgt. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Het beroep is ook in zoverre ontvankelijk. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het natuuronderzoek de effecten op nabijgelegen gronden met een natuurwaarde voldoende zijn onderzocht en dat uit deze onderzoeken blijkt dat, gelet op de aard van de ingrepen en de afstand tot het plangebied, geen relevante effecten zijn te verwachten voor deze natuurwaarden. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben niet, met bijvoorbeeld een tegenonderzoek, aannemelijk gemaakt waarom dit onderzoek onvoldoende of onjuist is. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat een ecologische verbindingszone wordt doorbroken door het plan.

De raad heeft zich tot slot in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de sociale functie van het groen niet gebonden is aan de bestaande westelijke groenstrook en dat andere groenvoorziening binnen het plangebied deze sociale functie wederom zouden kunnen vervullen.

Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen voor het overige ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen, voor zover ingesteld door [3 appellanten sub 1], niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

429-813.