Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3414

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201310862/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:14401, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft de minister de inschrijving van [appellant] in het register van artsen (hierna: het BIG-register) doorgehaald.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 1
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 3
Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg 7a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/205
GJ 2014/165
GZR-Updates.nl 2014-0381
BA 2014/195
NJB 2014/1865

Uitspraak

201310862/1/A2.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats] (land),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2013 in zaak nrs. 13/7743 en 13/7744 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft de minister de inschrijving van [appellant] in het register van artsen (hierna: het BIG-register) doorgehaald.

Bij besluit van 30 augustus 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 oktober 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.M. Molema en mr. D.P. de Waal, beiden werkzaam bij het CIBG, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG) worden in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg naast de in het tweede lid omschreven handelingen verstaan alle andere verrichtingen - het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende diens gezondheid te bevorderen of te bewaken.

Ingevolge het tweede lid worden in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder handelingen op het gebied van de geneeskunst verstaan:

a. alle verrichtingen - het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel verloskundige bijstand te verlenen;

b. het bij een persoon afnemen van bloed of wegnemen van weefsel voor andere doeleinden dan die, bedoeld onder a;

c. het wegnemen van weefsel bij een overledene en het verrichten van sectie.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, worden registers ingesteld waarin degenen die aan de daarvoor bij en krachtens deze wet gestelde voorwaarden voldoen, op hun aanvrage als arts worden ingeschreven.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder e, wordt de inschrijving doorgehaald indien zulks voortvloeit uit een maatregel, berustende op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing op grond waarvan de ingeschrevene zijn rechten ter zake van de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven tijdelijk of blijvend geheel heeft verloren.

Ingevolge artikel 7a kan de minister artikel 7, onderdeel e, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2. Sinds 28 oktober 2010 is de bevoegdheid van [appellant] om in het Verenigd Koninkrijk zijn beroep als arts uit te oefenen blijvend geheel beperkt door een maatregel van de General Medical Council (hierna: de GMC). Aan deze maatregel heeft de GMC ten grondslag gelegd dat [appellant] in de periode augustus 2004 - augustus 2006 bij patiënten stamceltherapie heeft toegepast, hetgeen in het Verenigd Koninkrijk niet was toegestaan. Verder heeft [appellant] volgens de GMC, voor zover thans van belang, het belang van zijn patiënten geschaad, misbruik gemaakt van zijn positie als arts, kwetsbare patiënten uitgebuit en patiënten misleidende informatie en hoop op herstel gegeven, onder meer door hen voor te houden dat het ondergaan van stamceltherapie of een zogenoemde Aqua Tilis-therapie hen zou genezen van multiple sclerose en de ziekte van Hodgkin, terwijl daar geen wetenschappelijke of medisch klinische aanwijzingen voor zijn. Voorts is bij de doorhaling betrokken dat [appellant] het aanzien van het beroep als arts heeft geschaad en immoreel heeft gehandeld door een parkeergarage te verlaten zonder te betalen en dat hij de waarschuwing en boete die hij hiervoor heeft gekregen, in strijd met de richtlijnen van de GMC, niet aan de GMC heeft gemeld, aldus de uitspraak.

3. Aan de doorhaling van de inschrijving van [appellant] in het BIG-register op 28 maart 2013 heeft de minister ten grondslag gelegd dat hij door de GMC op de hoogte is gesteld van de doorhaling van [appellant] in het Verenigd Koninkrijk. Nu deze doorhaling het gevolg is van een aldaar afgegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing, is de minister op de voet van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG verplicht de inschrijving van [appellant] ook in Nederland door te halen, aldus het besluit. Voorts is in het besluit uiteengezet dat de wetgever er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat de buitenlandse maatregel in beginsel dient te worden overgenomen en dat die overname niet vooraf mag worden gegaan door een heroverweging van die maatregelen, omdat de wetgever wil voorkomen dat de minister ‘op de stoel van de rechter’ gaat zitten. Gelet hierop zal slechts in uitzonderingsgevallen worden overgegaan tot een afwijking of buiten toepassing laten van het beginsel van automatische overname, als bedoeld in artikel 7a van de Wet BIG, namelijk indien de veiligheid van de patiënt hierdoor niet in het geding komt. Een dergelijk uitzonderingsgeval is hier, gelet op het oordeel van de GMC, niet aan de orde, aldus de minister in het besluit.

4. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de minister de inschrijving van [appellant] in het BIG-register terecht heeft doorgehaald. In dat kader heeft hij overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd dat een in het buitenland opgelegde tuchtrechtelijke beslissing er toe leidt dat de inschrijving in het BIG-register van een beroepsbeoefenaar in Nederland wordt doorgehaald, behoudens een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Daarbij heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen dat geen herbeoordeling plaatsvindt van het incident dat tot de beperking in de beroepsuitoefening heeft geleid omdat voorop staat dat een beroepsbeoefenaar zich heeft te houden aan de in het land waar hij werkzaam is geldende regels inzake de beroepsuitoefening en ook onderworpen is aan de daar geldende tucht-, straf- en bestuursrechtelijke normen. Nu de uitspraak van de GMC een maatregel is als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG en de maatregel in het Verenigd Koninkrijk ten tijde van het bestreden besluit nog voortduurde, leidt deze in beginsel tot doorhaling van de inschrijving van [appellant] in het BIG-register, aldus de voorzieningenrechter.

Over de vraag of de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat overname van de maatregel in dit geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in artikel 7a van de Wet BIG, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt dat een beroep op de hardheidsclausule slechts kans van slagen heeft indien een buitenlandse bevoegdheidsbeperking in het geheel geen verband houdt met de beroepsuitoefening of als evident is dat het gepleegde vergrijp in Nederland in het geheel niet tot een maatregel of bevoegdheidsontneming zou hebben geleid. Uit de uitspraak van de GMC blijkt dat hoewel [appellant] de stamceltherapie en Aqua Tilis-therapie alleen in Nederland, waar toepassing van deze therapieën was toegestaan, heeft uitgevoerd, hij de patiënten bij consulten in het Verenigd Koninkrijk wel over deze therapieën heeft geadviseerd. Aangezien ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet BIG, onder een medische handeling ook het geven van een advies dient te worden verstaan, heeft [appellant], anders dan hij betoogt, de in het Verenigd Koninkrijk verboden therapieën niet slechts in Nederland uitgevoerd, aldus de voorzieningenrechter. Voorts heeft de minister de verweten gedragingen niet als gering hoeven aan te merken en is bewust geen overgangsrecht opgenomen. Gelet hierop, heeft de minister de inschrijving van [appellant] mogen doorhalen, aldus de voorzieningenrechter.

5. Nu de juistheid van de uitspraak van de GMC hier niet ter toetsing voorligt, wordt aan de behandeling van de hoger beroepsgronden waarmee wordt beoogd de onjuistheid van de uitspraak van de GMC aan te tonen, niet toegekomen.

6. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat door de toepassing van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG in strijd wordt gehandeld met artikel 6 van het EVRM, artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 10 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (hierna: UVRM). In dat kader voert hij aan dat hij als gevolg van de inwerkingtreding van artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG per 1 juli 2012, in 2013 nog wordt geconfronteerd met de gevolgen van een doorhaling in het Verenigd Koninkrijk uit 2010, waartegen hij zich in het Verenigd Koninkrijk niet meer kan verdedigen en waartegen hij zich in Nederland niet mag verdedigen, omdat de doorhaling in beginsel automatisch wordt overgenomen. Van belang daarbij is dat hij ten tijde van de door de GMC opgelegde maatregel er niet vanuit hoefde te gaan dat hij als gevolg daarvan zijn beroep ook in Nederland niet meer zou kunnen uitoefenen, zodat hij geen reden had de maatregel van de GMC aan te vechten.

6.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM, en de gelijkluidende artikelen 14, eerste lid, van het IVBPR en 10 van de UVRM heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie. Nu tegen een uitspraak van de GMC hoger beroep bij High Court in het Verenigd Koninkrijk en tegen de doorhaling in Nederland beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter openstaat, kon [appellant] zowel de uitspraak van de GMC als de doorhaling in Nederland aan een onafhankelijke en onpartijdige rechter voorleggen. Dat hij om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de GMC, komt voor zijn rekening. Evenmin kan de omstandigheid dat hij de uitspraak van de GMC niet ter beoordeling aan de Nederlandse rechter kan voorleggen tot een ander oordeel leiden, nu uit voormelde bepalingen niet voortvloeit dat de Nederlandse rechter de uitspraak van een buitenlandse rechter inhoudelijk toetst.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de minister ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast. In dat kader voert hij aan dat hij door de inwerkingtreding van artikel 7, aanhef en onder e, gelezen in verbinding met artikel 7a van de Wet BIG, in juli 2012 ineens in Nederland met de gevolgen wordt geconfronteerd van een doorhaling in het Verenigd Koninkrijk uit 2010, terwijl hij in 2010 niet kon weten dat die doorhaling in Nederland gevolgen zou hebben. Tevens voert hij aan dat hij de stamcel- en Aqua Tilis-therapie niet in het Verenigd Koninkrijk, waar deze therapieën waren verboden, maar alleen in Nederland heeft toegepast, waar deze therapieën op dat moment waren toegestaan. Bovendien is bij de doorhaling ten onrechte niet betrokken dat [appellant] de stamceltherapie inmiddels niet meer toepast en dat zijn Nederlandse collega’s, die in Nederland dezelfde therapieën toepasten, niet zijn doorgehaald, alleen omdat zij toen niet in het Verenigd Koninkrijk waren ingeschreven. Voorts is de doorhaling in het Verenigd Koninkrijk mede gestoeld op een verkeersovertreding, hetgeen in Nederland niet tot een doorhaling zou hebben geleid, aldus [appellant].

7.1. Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren de hardheidsclausule toe te passen. Hierbij is in de eerste plaats van belang dat de mogelijkheid van automatische overname van een doorhaling in het buitenland, als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder e, van de Wet BIG, nog niet bestond ten tijde van de uitspraak van de GMC in oktober 2010, zodat [appellant] toen geen rekening behoefde te houden met de mogelijkheid dat zijn inschrijving in het BIG-register als gevolg van die uitspraak ook in Nederland zou worden doorgehaald. Ten tweede is van belang dat de doorhaling van de inschrijving van [appellant] in het Verenigd Koninkrijk, behalve op een verkeersboete, is gebaseerd op handelingen die in Nederland niet zouden hebben geleid tot een gehele of gedeeltelijke doorhaling, omdat de behandelingen in het kader van de stamcel- en Aqua Tilis-therapieën in Nederland hebben plaatsgevonden en hier waren toegestaan. Voorts heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de doorhaling van de inschrijving van [appellant] noodzakelijk is voor de patiëntveiligheid in Nederland. [appellant] heeft in de periode tussen de uitspraak van de GMC van 28 oktober 2010 en de doorhaling van zijn inschrijving in het BIG-register in Nederland op 28 maart 2013 in Nederland gepraktiseerd. In deze periode zijn geen - tuchtrechtelijke - klachten tegen hem gebleken noch andere aanwijzingen dat hij de patiëntveiligheid in gevaar heeft gebracht. Voorts heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg, naar ter zitting is gebleken, de Nederlandse kliniek van [appellant] onderzocht en geoordeeld dat niet in strijd met de regels werd gehandeld. Nu de doorhaling van de inschrijving van [appellant] in het Verenigd Koninkrijk heeft plaatsgevonden naar aanleiding van handelingen die in Nederland waren toegestaan, is voor het standpunt dat [appellant] de patiëntveiligheid in gevaar brengt onvoldoende grond.

8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van de minister van 30 augustus 2013 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen dat besluit alsnog gegrond verklaren. Het besluit komt wegens strijd met artikel 7a van de Wet BIG voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien. Het besluit van 28 maart 2013 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

9. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. In het onderhavige geschil ligt alleen de vraag voor of de minister in redelijkheid tot doorhaling van de inschrijving van [appellant] in het BIG-register heeft mogen overgaan en niet de vraag of de uitspraak van de GMC juist is. Gelet hierop, mocht [appellant] er niet van uitgaan dat de door hem ingeschakelde deskundigen uit het Verenigd Koninkrijk een bijdrage zouden kunnen leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag, zodat de door hen gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Om dezelfde reden komen ook de reis- en verletkosten van de door [appellant] naar de zitting bij de Afdeling meegenomen getuige niet voor vergoeding in aanmerking. Nu [appellant] op het ter zitting ingediende proceskostenformulier een adres in Rotterdam heeft opgegeven, dient zijn verzoek om vergoeding van reiskosten met vertrekpunt Londen (Verenigd Koninkrijk) te worden afgewezen. Voor de berekening van de hoogte van de te vergoeden reiskosten zal, zowel in beroep als in hoger beroep, van het opgegeven adres in Rotterdam worden uitgegaan.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2013 in zaken nrs. 13/7743 en 13/7744, voor zover daarin het beroep van [appellant] ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 augustus 2013 met kenmerk DWJZ-2013000311;

V. herroept het besluit van 28 maart 2013 met kenmerk CIBG-000550625-007;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 augustus 2013;

VII. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.976,22 (zegge: negentienhonderdzesenzeventig euro en tweeëntwintig cent), waarvan € 1.948,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Borman w.g. Poot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

362-752.