Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3411

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201310826/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:14985, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college de door [appellant] ingediende aanvraag om reguliere bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een woning op Kavel [..] van de nieuwbouwlocatie "Parkeiland" in de wijk Oosterheem te Zoetermeer (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310826/1/A1.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zoetermeer,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 november 2013 in zaak nr. 11/9929 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college de door [appellant] ingediende aanvraag om reguliere bouwvergunning eerste fase voor het bouwen van een woning op Kavel [..] van de nieuwbouwlocatie "Parkeiland" in de wijk Oosterheem te Zoetermeer (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college, naar aanleiding van het door [appellant] tegen het besluit van 28 juni 2011 gemaakte bezwaar, dat besluit ingetrokken en vervangen voor een nieuw gemotiveerd besluit om de aangevraagde bouwvergunning te weigeren.

Bij uitspraak van 11 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde] en mr. F.H. Damen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.O. Berghuis en mr. W.H. van Essen, beiden werkzaam bij de gemeente, en [deskundige], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Naar aanleiding van een door [appellant] op 1 oktober 2009 ingediende aanvraag om bouwvergunning voor de bouw van een woning op het perceel heeft het college bij besluit van 19 april 2010, met toepassing van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening een bouwvergunning aan [appellant] verleend. Het vergunde bouwplan is vervolgens door [appellant] gewijzigd uitgevoerd. [appellant] heeft daarom op 26 juli 2010 een nieuwe aanvraag om bouwvergunning ingediend. In de nieuwe aanvraag is de vorm van de kap veranderd van een zadeldak in een combinatie van een zadel- en een schilddak. Voorts zijn de kopgevels, de entree en de gevel aan de waterkant gewijzigd. Het college heeft de aangevraagde bouwvergunning in het besluit van 28 juni 2011 geweigerd vanwege strijd met redelijke eisen van welstand. In het besluit van 22 november 2011 is het bouwplan, naast in strijd met de redelijke eisen van welstand, ook in strijd met het bestemmingsplan geacht.

2. Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, beslissen burgemeester en wethouders omtrent een aanvraag om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het tweede lid, kunnen burgemeester en wethouders hun beslissing omtrent een aanvraag om reguliere bouwvergunning, dan wel, indien die vergunning overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend, hun beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning eerste of tweede fase, eenmaal met ten hoogste zes weken verdagen.

Ingevolge het derde lid, is het eerste lid niet van toepassing, indien de in artikel 44, eerste lid, onderdeel c of f, bedoelde situatie zich voordoet. In dat geval wordt de aanvraag om bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om:

a. een ontheffing als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel c, 3.22, 3.23 of 3.38, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro);

b. een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, 3.27 of 3.29 van de Wro of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die wet, of

c. een ontheffing van de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of artikel 4.3, derde lid, van de Wro, voor zover de betrokken regels een dergelijke ontheffing mogelijk maken.

Ingevolge het vierde lid, wordt, in de situatie als bedoeld in het derde lid, tweede volzin, de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wro. Daarbij beslissen burgemeester en wethouders omtrent de aanvraag om bouwvergunning, voor zover van toepassing in afwijking van artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), binnen vier weken nadat is beslist omtrent de aanvraag of een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wro.

Ingevolge het vijfde lid, mag slechts en moet, indien wordt beslist omtrent een aanvraag om bouwvergunning op een moment dat ten behoeve daarvan een ontheffing, projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wro is genomen, maar nog niet in werking is getreden, die bouwvergunning worden geweigerd, in afwijking van artikel 44, eerste lid, aanhef en onderdeel c, indien het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan in samenhang met die ontheffing, dan wel in strijd is met dat projectbesluit of dat besluit. Indien burgemeester en wethouders niet omtrent een aanvraag om bouwvergunning beslissen binnen de daarvoor in het eerste of het vierde lid gestelde termijn en, indien het derde lid van toepassing is, een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wro is genomen, is de vergunning van rechtswege verleend. Deze verlening wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan Oosterheem (hierna: het bestemmingsplan) rusten op het perceel de bestemmingen "Woongebied" en "Groen".

Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften, mag, bij niet gestapelde woningen, niet meer dan 60% van het bouwperceel worden bebouwd of overdekt, met dien verstande dat bouwpercelen groter dan 400 m², maar kleiner dan 1.000 m², tot een maximum van 240 m² mogen worden bebouwd of overdekt.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, zijn de op de plankaart voor "groen" aangewezen gronden bestemd voor bovenwijkse en wijkgebonden groenvoorzieningen alsmede bij woningen behorende tuinen.

Ingevolge artikel 15, vierde lid, voor zover hier van belang, mag op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vergunning van rechtswege is verleend. Daartoe voert hij aan dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college niet binnen de daarvoor ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet gestelde termijn op de aanvraag om bouwvergunning heeft beslist. In dat verband wijst [appellant] er op dat het bouwplan voldoet aan de maximaal toegestane oppervlakte en het maximaal toegestane bebouwingspercentage. Voorts is het bouwplan volgens [appellant] niet in strijd met de bestemming "Groen", omdat deze bestemming op het perceel niet van toepassing is. Ook wanneer het bouwplan wel in strijd met het bestemmingsplan zou zijn, is volgens [appellant] een vergunning van rechtswege verleend, omdat de strijdigheid is opgeheven met de verlening van de bij besluit van 19 april 2010 verleende ontheffing voor een, behoudens ondergeschikte wijzigingen, vergelijkbaar bouwplan.

3.1. De planvoorschriften van het bestemmingsplan voorzien niet in bepalingen omtrent ondergrondse bouw. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 mei 2008 in zaak nr. 200706138/1), betekent dat evenwel niet dat aan het bestemmingsplan en de daarbij behorende voorschriften niet voldaan behoeft te worden ingeval van ondergrondse bouw. Nu niet is gebleken dat de planwetgever heeft beoogd een onderscheid te maken tussen ondergrondse en bovengrondse bouw, zullen de planvoorschriften inzake onder meer de toelaatbaarheid van gebouwen en de aard, de situering en de omvang ervan op overeenkomstige wijze moeten worden toegepast bij ondergrondse bouw. Bij het verweerschrift is een kadastrale kaart gevoegd met daarop weergegeven het perceel en de woning van [appellant]. Verder is op deze kaart met een rode lijn de grens tussen de bestemming "Woongebied" en de bestemming "Groen" weergegeven. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor twijfel aan de juistheid van de weergave van de bestemmingsgrens door middel van de rode lijn. Deze is door landmeters aan de hand van bestaande bebouwing met behulp van coördinaten bepaald. De voorziene en gerealiseerde kelder overschrijdt deze lijn en is derhalve dus gesitueerd op het gedeelte van het perceel met de bestemming "Groen". Nu deze bestemming ook betrekking heeft op de toelaatbaarheid van ondergrondse gebouwen en de kelder strijdig is met de bestemming "Groen", is het bouwplan reeds om die reden terecht in strijd met het bestemmingsplan geacht.

Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de strijdigheid met het bestemmingsplan niet is weggenomen door de bij besluit van 19 april 2010 verleende ontheffing. De rechtbank heeft terecht overwogen dat als eenmaal met ontheffing een bouwvergunning is verleend, niet op basis van dezelfde ontheffing nadien voor een nieuw bouwplan bouwvergunning kan worden verleend (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012 in zaak nr. 201107615/1/A1). De op 19 april 2010 verleende ontheffing heeft betrekking op het op 1 oktober 2009 ingediende bouwplan en biedt voor het nieuwe bouwplan waarvoor op 26 juli 2010 een bouwvergunning is aangevraagd, daargelaten of dat zou passen binnen de bij die ontheffing geboden mogelijkheden, geen grondslag. Voor het onderhavige bouwplan is, nu het in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, een nieuwe ontheffing vereist. De door [appellant] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2014 in zaak nr. 201304982/1/A1 geeft geen grond voor een ander oordeel, omdat in die zaak, anders dan in het onderhavige geval, twee bouwvergunningen waren aangevraagd voor twee afzonderlijke delen die tezamen het project vormden waarop de verleende vrijstelling zag. De uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2013 in zaak nr. 201113059/1/A1 geeft evenmin grond voor een ander oordeel. Die zaak had betrekking op het aanbrengen van wijzigingen in een bouwplan waarvoor de verleende bouwvergunning nog niet onherroepelijk was in verband waarmee wijzigingen van ondergeschikte aard daarbij nog zouden kunnen worden betrokken. In de onderhavige zaak was de bij besluit van 19 april 2010 met ontheffing verleende bouwvergunning ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag op 26 juli 2010 echter reeds onherroepelijk. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat geen vergunning van rechtswege is verleend. Dat het college zich in een brief van 20 juni 2011 akkoord heeft verklaard met tekeningen van de wapening van de eerste verdiepingsvloer en de houten dooskap met details en berekenbladen, maakt dat niet anders, omdat de omstandigheid of deze stukken al dan niet zijn goedgekeurd niet bepalend is voor beantwoording van de vraag of een vergunning van rechtswege is verleend.

Het betoog faalt.

4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet heeft opgenomen dat in het deskundigenbericht dat op 10 april 2013 is opgesteld door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) is geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand die zijn opgenomen in de criteria één tot en met drie van de in totaal zeven algemene criteria van Welstandsnota Zoetermeer van 25 maart 2010 mist feitelijke grondslag. In de aangevallen uitspraak is onder meer opgenomen dat de StAB in haar rapport van 10 april 2013 heeft geconcludeerd dat wordt voldaan aan de redelijke eisen van welstand voor zover het gaat op de relatie van het bouwplan met de belendende percelen en met het openbaar gebied. Voorts is in de aangevallen uitspraak overwogen dat er geen aanleiding is om de StAB niet in haar conclusies te volgen. Vastgesteld wordt dat de door [appellant] gewenste conclusie in de aangevallen uitspraak is opgenomen, hetgeen bovendien ter zitting door het college is bevestigd.

5. Voor zover [appellant] de Afdeling verzoekt om de StAB te verzoeken een deskundigenbericht op te stellen teneinde te onderzoeken of de door hem bij zijn hogerberoepschrift overgelegde tekeningen van de woning de door de StAB op het bouwplan geuite kritiek wegnemen, wordt overwogen dat deze procedure betrekking heeft op de bij besluit van 22 november 2011 geweigerde aanvraag om bouwvergunning en de daarbij behorende bouwtekeningen. De door [appellant] bij zijn hogerberoepschrift overlegde tekeningen kunnen derhalve niet in de onderhavige procedure worden betrokken.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Hoekstra w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

270-724.