Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3409

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201310777/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2011 heeft het college aan [appellant sub 2] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het wijzigen van de gebruiksfunctie van de begane grond van een cultuurhistorisch waardevol bijgebouw en een hooimijt naar een bijeenkomstruimte op het perceel [locatie] te Zegveld (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310777/1/A1.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1] en anderen (hierna: [appellant sub 1] en anderen), wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

3. [appellant sub 3 A] en [appellante sub 3 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 oktober 2013 in zaken nrs. 12/273 en 12/349 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en anderen,

[appellant sub 3]

en

het college van burgemeester en wethouders van Woerden.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2011 heeft het college aan [appellant sub 2] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het wijzigen van de gebruiksfunctie van de begane grond van een cultuurhistorisch waardevol bijgebouw en een hooimijt naar een bijeenkomstruimte op het perceel [locatie] te Zegveld (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 18 oktober 2013 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 19 december 2011 vernietigd en bepaald dat het college binnen 26 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hoger beroep ingesteld.

Het college, [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2014, waar [appellant sub 1] en anderen, bijgestaan door mr. Y.M.G. van den Heerik, advocaat te Mijdrecht, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.H. Hartman en [appellant sub 3], bijgestaan door mr. J. de Vet, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied Woerden, Kamerik Zegveld" rust op het perceel de bestemming "Bedrijf" met de nadere bestemming "Galerie". Het perceel heeft voorts de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing (vab)" en het bijgebouw heeft de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol bijgebouw".

Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven met de nadere bestemming die is vermeld per adres en voor daarbij behorende voorzieningen, waaronder begrepen parkeerplaatsen, watergangen en tuinen. In de in deze bepaling opgenomen lijst is aan het perceel de nadere bestemming "Galerie" toegekend.

Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder b, zijn de op de plankaart als "Bedrijf" aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor de instandhouding van de waardevolle bebouwingskenmerken en -elementen van de ter plaatse voorkomende cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, voorzover de gebouwen op de plankaart als "cultuurhistorisch waardevol bijgebouw" zijn aangeduid.

Ingevolge artikel 35.5, sub f, l en v, zijn burgemeester en wethouders, onder voorwaarden, ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol bijgebouw" bevoegd vrijstelling te verlenen voor het gebruiken en verbouwen van het bestaande gebouw voor bed and breakfast- appartementen buiten de woning, educatie en voorlichting en kleinschalige horecagelegenheid zoals een theeschenkerij of ontvangstruimte.

Ingevolge artikel 37.2, sub f, l en v, zijn burgemeester en wethouders, onder voorwaarden, bevoegd vrijstelling te verlenen van de hoofdactiviteiten bij de huidige bestemming ten behoeve van gebruik en eventueel herbouw van bestaande gebouwen binnen een bouwvlak of bestemmingsvlak met de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing" voor de ondergeschikte nevenactiviteiten tot een oppervlakte van ten hoogste 100 m², bed and breakfast- appartementen buiten de woning, educatie en voorlichting en kleinschalige horecagelegenheid zoals een theeschenkerij of ontvangstruimte.

2. De op het perceel aanwezige hooimijt zal als ontvangstruimte, expositieruimte en ruimte voor kleine workshops worden gebruikt. Het bijgebouw zal worden gebruikt voor het houden van workshops, galerie en Bed & Breakfast. Het beoogd gebruik van zowel de hooimijt als het bijgebouw is volgens het college in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Om het gebruik van de hooimijt niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wet ruimtelijke ordening zoals dat luidde ten tijde van belang (hierna: de Wro), gelezen in verbinding met artikel 37.2 van de planvoorschriften, ontheffing verleend. Om het gebruik van het bijgebouw mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 35.5 van de planvoorschriften, ontheffing verleend.

3. [appellant sub 3] en [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was om met toepassing van de artikelen 35.5 en 37.2 van de planvoorschriften ontheffing te verlenen. Daartoe voeren zij aan dat enkel artikel 5.4.1 van de planvoorschriften de bevoegdheid geeft ter zake ontheffing te verlenen maar deze bepaling hier toepassing mist.

[appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet bevoegd was om met toepassing van artikel 35.5 van de planvoorschriften ontheffing te verlenen voor het gebruik van het bijgebouw zonder daarbij artikel 37.2 van de planvoorschriften, waarin de voorwaarde is neergelegd dat de beoogde nevenactiviteiten ondergeschikt dienen te zijn, in acht te nemen. Daartoe voert hij aan dat slechts artikel 35 van de planvoorschriften van toepassing is op het bijgebouw omdat dit de aanduiding "cultuurhistorisch waardevol bijgebouw" heeft. Volgens hem heeft de raad met deze aanduiding een exclusief regime toegekend aan de als zodanig aangemerkte gebouwen, zodat voor zodanige gebouwen niet de beperking geldt dat de beoogde nevenactiviteiten ondergeschikt dienen te zijn.

3.1. Voor zover [appellant sub 1] en anderen hebben beoogd te betogen dat aan het perceel ten onrechte de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing" is toegekend en aan het bijgebouw ten onrechte de aanduiding "cultuurhistorische waardevol bijgebouw" is toegekend, wordt overwogen dat indien [appellant sub 1] en anderen daar bezwaar tegen hebben, zij daartegen rechtsmiddelen hadden kunnen aanwenden.

3.2. Ingevolge artikel 5.4.1 van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders onder voorwaarden bevoegd, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 35 en 37, vrijstelling te verlenen van onder meer het bepaalde in lid 5.1 a ten behoeve van het per geval (be)bouwen en gebruiken van gronden en bouwwerken voor een ander soort bedrijf, dan het in dat lid bedoelde, met uitzondering van bedrijven die in lid 5.1 zijn aangemerkt als "vab". Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het perceel de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing", zodat artikel 5.4.1 hier toepassing mist, en deze bepaling derhalve geen grondslag biedt om ten behoeve van het bouwplan ontheffing te verlenen. Zoals de rechtbank voorts terecht heeft overwogen volgt evenwel uit de planvoorschriften noch uit de plansystematiek dat de artikelen 35 en 37 niet van toepassing zijn op gronden met de bestemming "Bedrijf". Hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat artikel 5.4.1 een regeling bevat die voor de bestemming "Bedrijf" uitputtend is bedoeld. Gelet hierop is de rechtbank in navolging van het college terecht tot de conclusie gekomen dat de in de artikelen 35 en 37 van de planvoorschriften neergelegde ontheffingsbepalingen, indien aan de gegeven voorwaarden is voldaan, de bevoegdheid geven terzake ontheffing te verlenen.

3.3. De rechtbank is voorts terecht tot de conclusie gekomen dat het college bij het verlenen van de ontheffing ten onrechte niet tevens artikel 37.2 van de planvoorschriften, in het bijzonder het daarin neergelegde vereiste dat de beoogde activiteit nevengeschikt moet zijn, in acht heeft genomen. Daarbij is terecht in aanmerking genomen dat het gehele perceel, waaronder het gedeelte van het perceel waarop het bijgebouw is gelegen, de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing" heeft. Uit het bestemmingsplan volgt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet dat het als "cultuurhistorisch waardevol bijgebouw" aangeduide bijgebouw moet worden geacht te zijn uitgezonderd van de voor het perceel geldende aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing". In de door het college aangehaalde passage van artikel 37.2 van de planvoorschriften heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel nu daaruit, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, slechts volgt dat het aantal m² gezamenlijke oppervlakte van met toepassing van deze bepaling toe te staan gebruik wordt gemaximeerd, waarbij de oppervlakte in onder meer een cultuurhistorische waardevol bijgebouw buiten beschouwing blijft. Daarmee worden weliswaar de maximale mogelijkheden voor dergelijk gebruik verruimd voor zover op gronden met de aanduiding "vrijkomende agrarische bebouwing" ook een cultuurhistorisch waardevol bijgebouw aanwezig is, maar daaruit volgt niet dat de door de planwetgever beoogde beperkingen aan en voorwaarden voor de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid voor de met "vrijkomende agrarische bebouwing" aangeduide gronden geheel buiten toepassing blijven voor een cultuurhistorisch waardevol bijgebouw dat op dergelijke gronden is gelegen.

De betogen falen.

4. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dorst

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

357-712.