Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201308921/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Weesp" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308921/1/R1.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Weesp,

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], beiden wonend te Weesp,

3. [appellant sub 3], wonend te Weesp,

4. [appellant sub 4], wonend te Weesp,

en

de raad van de gemeente Weesp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Weesp" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 3], bijgestaan door mr. J.J.H. Hulshof, advocaat te Arnhem, [appellant sub 4], en de raad, vertegenwoordigd door J.F. Schutte en W. Gijzen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende] ter zitting gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn door [appellant sub 1] ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bestemmingsplan voorziet in een actualisering van het juridisch planologisch kader voor het landelijke gebied in Weesp en is overwegend conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Het beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Natuur" en de aanduidingen "agrarisch" en "bouwvlak" voor het perceel [locatie 1].

[appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte de bestemming "Natuur" aan haar perceel is toegekend. Zij voert hiertoe aan dat deze bestemming niet zal worden gerealiseerd. Verder had de raad, indien hij van mening was dat het een agrarisch perceel betrof, het perceel als zodanig moeten bestemmen. Met de toegekende aanduiding "agrarisch" is agrarische bedrijfsvoering ten onrechte slechts zeer beperkt mogelijk. Bovendien is onduidelijk wat onder beperkt agrarisch gebruik moet worden verstaan. [appellant sub 1] betoogt voorts dat ten onrechte binnen de bestemming "Natuur" geen bedrijfswoning is toegestaan.

[appellant sub 1] betoogt voorts dat het perceel sinds 2005 niet meer voor agrarische doeleinden wordt gebruikt. De woning op het perceel wordt sindsdien als burgerwoning gebruikt. Aan het gehele perceel had overeenkomstig het huidige gebruik de bestemming "Wonen" moeten worden toegekend. In dit verband voert [appellant sub 1] aan dat de woning op het perceel in het kader van de waardevaststelling als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) als burgerwoning wordt aangemerkt. Voorts bestaan er volgens [appellant sub 1] geen ruimtelijke bezwaren tegen een woonbestemming voor haar perceel. De raad heeft wegens de actualisatieplicht ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een woonbestemming, maar slechts een wijzigingsbevoegdheid voor wonen opgenomen, aldus [appellant sub 1].

Met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid om de aanduiding "agrarisch" te wijzigen in een aanduiding voor wonen, voert [appellant sub 1] aan dat deze planregel rechtsonzeker is, nu onduidelijk is welke gebruiks- en bouwregels dan gelden. Voorts zijn de voorwaarden waaronder gebruik mag worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid onredelijk bezwarend, nu op grond daarvan de vergunde stal zal moeten worden gesloopt of op grond van onderzoek moet worden aangetoond dat de stal bijzondere cultuurhistorische waarde heeft.

3.1. De raad stelt dat met de toegekende bestemming en aanduiding is aangesloten bij het vorige plan. Voorts heeft [appellant sub 1] geen aanvraag om een wijziging van het bestemmingsplan gedaan. Gelet op de zienswijze heeft de raad een wijzigingsbevoegdheid opgenomen zodat wonen op het perceel mogelijk wordt gemaakt. Volgens de raad dient daarvoor echter wel, mede gelet op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Naardermeer, te worden onderbouwd dat de woonfunctie ruimtelijk aanvaardbaar is.

3.2. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het behoud en/of herstel en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke en landschappelijke waarden en de ontwikkeling van potentiële natuurlijke en landschappelijke waarden;

b. beperkt agrarisch gebruik ter plaatse van de aanduiding "agrarisch";

[…];

e. met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verhardingen, erven, tuinen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige doeleinden, alsmede voor voet- en fietsverbindingen.

Ingevolge lid 9.2 mogen op of in de in lid 9.1 bedoelde gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

- ingevolge lid 9.2.1, onder a, de bebouwing uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak, behoudens erfafscheidingen;

- ingevolge lid 9.2.1, onder b, de totale oppervlakte voor vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning niet meer dan 50 m² mag zijn;

- ingevolge lid 9.2.2, onder a, de inhoud van de bedrijfswoning niet meer dan 700 m3 mag zijn inclusief aan- en uitbouwen.

Ingevolge lid 9.6.2 is het bevoegd gezag bevoegd het plan te wijzigen wat betreft het opheffen van het agrarisch bouwvlak en het opnemen van een aanduiding voor wonen, na bedrijfsbeëindiging, onder de voorwaarde dat wordt voldaan aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, waarbij de volgende eisen gelden:

a. monumentale, cultuurhistorische en karakteristieke bebouwing blijft behouden;

b. het wonen geen aanleiding mag vormen om het bouwvlak te vergroten;

c. het splitsen van karakteristieke boerderijen op de gronden met de aanduiding "cultuurhistorische waarden", indien geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijk karakter van de bebouwing, met dien verstande dat maximaal één extra woning mag ontstaan;

d. eventuele extra parkeerplaatsen op eigen terrein (op het bouwperceel) worden gerealiseerd;

e. geen sprake is van een aantoonbaar onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem en waterhuishoudkundige alsmede milieuhygiënische waarden;

f. van de overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen moet een substantieel deel gesloopt worden, tenzij deze gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben;

g. vooraf deskundig advies dient te worden ingewonnen.

3.3. In het vorige bestemmingsplan "Landelijk gebied ten oosten van de Vecht", vastgesteld door de raad bij besluit van 19 oktober 1994 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland bij besluit van 6 juni 1995, was aan het perceel de bestemming "Natuurgebied met beperkt agrarisch gebruik" met een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid van de voorschriften van dat plan waren de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor

- het behoud en/of herstel van de aanwezige natuurlijke en landschappelijke waarden en de opbouw van de natuurlijke en landschappelijke waarden;

- de uitoefening van een veehouderijbedrijf met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen, één bedrijfswoning per bouwvlak, bijgebouwen, aanbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. […].

3.4. Met betrekking tot het betoog dat het plan niet voorziet in een bedrijfswoning op het perceel, wordt het volgende overwogen. Aan het perceel is een bouwvlak toegekend waarbinnen de woning is gesitueerd.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, onder e, van de planregels zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan. Voorts zijn ingevolge lid 9.2.1, onder b, en 9.2.2, onder a, bouwregels met betrekking tot een bedrijfswoning opgenomen. Uit het vorenstaande volgt dat ter plaatse een bedrijfswoning is toegestaan. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

3.5. De raad heeft ter zitting toegelicht dat gelet op de omschrijving van de aanduiding "agrarisch", het agrarisch gebruik ondergeschikt dient te zijn aan de bestemming "Natuur" of daarmee samen dient te hangen. Verder staat vast dat onder het vorige plan eveneens beperkt agrarisch gebruik was toegestaan. [appellant sub 1] oefent geen agrarisch bedrijf uit en heeft evenmin concrete plannen daartoe. Derhalve wordt zij in dit opzicht niet beperkt in het agrarisch gebruik van haar perceel. Het betoog van [appellant sub 1] biedt gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de aanduiding "agrarisch" heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

3.6. Niet in geschil is dat het huidige gebruik van het perceel voor burgerbewoning onder het vorige plan niet was toegestaan. Dat het perceel volgens [appellant sub 1] reeds gedurende negen jaar als burgerwoning wordt gebruikt, betekent niet dat het gebruik als woning als zodanig had moeten worden bestemd, nu aan gebruik in strijd met een geldende bestemming in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat het pand in een opvolgend bestemmingsplan als burgerwoning zou worden aangemerkt.

Verder kon [appellant sub 1] aan de omstandigheid dat bij de waardevaststelling van de woning in het kader van de Wet WOZ deze als burgerwoning is aangemerkt, niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de woning bij de procedure omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan als zodanig wordt bestemd. De waardevaststelling in het kader van de Wet WOZ is niet relevant bij het vaststellen van een bestemming in het kader van een bestemmingsplan in het belang van een goede ruimtelijke ordening. Voorts liet het vorige plan weliswaar een bedrijfswoning toe, maar dat betreft een andere planologische situatie dan een woonbestemming voor een burgerwoning. Het betoog faalt.

3.7. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

De raad heeft toegelicht dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een woonbestemming voor het perceel van [appellant sub 1] niet kon worden beoordeeld, omdat [appellant sub 1] deze wens niet had onderbouwd. De raad heeft in dit verband toegelicht dat de woning op een afstand van ongeveer 200 m van het Natura 2000-gebied Naardermeer ligt. Het betoog van [appellant sub 1] dat tussen het Natura 2000-gebied Naardermeer en haar perceel een dijk is gelegen, maakt niet dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gevolgen van een bestemmingswijziging voor onder meer het Natura 2000-gebied Naardermeer dienen te worden onderzocht. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet op voorhand kan worden uitgegaan dat de dijk ervoor zorgt dat een woonbestemming voor het perceel geen enkele invloed heeft op het Natura 2000-gebied Naaardermeer. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat het op de weg van de raad had gelegen om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een woonbestemming te onderzoeken, wordt overwogen dat de woonbestemming uitsluitend wordt gewenst door [appellant sub 1]. Daarin verschilt haar situatie van de situatie in de door haar genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2011 met zaak nr. 200906463/1/R1, waarin de raad zich op het standpunt had gesteld dat de door appellanten gewenste bestemming de voorkeur verdiende boven de toegekende bestemming. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Wonen" niet heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

3.8. Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met andere percelen in de nabijheid van haar perceel waaraan wel een woonbestemming is toegekend, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze percelen verschillen van het aan orde zijnde perceel omdat dat legale situaties betreffen die als zodanig zijn bestemd, anders dan het perceel van [appellant sub 1] waar uitsluitend een bedrijfswoning was toegestaan. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde percelen niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

3.9. Met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid van artikel 9, lid 9.6.2, van de planregels wordt overwogen dat de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat met deze planregel is beoogd een wijzigingsbevoegdheid op te nemen voor de bestemming "Wonen". Indien toepassing wordt gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid dienen de bouwregels met betrekking tot de bestemming "Wonen" te gelden, aldus de raad. De wijzigingsbevoegdheid ziet echter op het opnemen van een aanduiding voor wonen en niet op een bestemmingswijziging. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

4. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant sub 1] voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking meer.

5. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de regeling van de wijzigingsbevoegdheid voor het perceel [locatie 1], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B]

6. Het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], dat is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Water" ter plaatse van het perceel [locatie 2], voor zover daaraan de aanduiding "woonschepenligplaats" is toegekend, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Bij de vaststelling van het plan zijn weliswaar wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp, doch tegen de gewijzigde planvaststelling kan - zonder het tijdig indienen van zienswijzen - uitsluitend worden opgekomen voor zover de bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen voor betrokkenen een ongunstiger positie bewerkstelligen. Hiervan is geen sprake. In het ontwerp van het bestemmingsplan was reeds de aanduiding "woonschepenligplaats" aan het plandeel met de bestemming "Water" aan het perceel [locatie 2] toegekend. In het vastgestelde plan is de omvang van het plandeel waaraan de aanduiding "woonschepenligplaats" is toegekend, vergroot. Nu zij in beroep betogen dat de omvang van het plandeel waaraan de aanduiding "woonschepenligplaats" is toegekend nog groter had moeten zijn, heeft de gewijzigde vaststelling van het plan niet tot gevolg gehad dat [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] in een nadeliger positie zijn gebracht. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 3]

7. Het beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 3]. [appellant sub 3] betoogt dat de raad ten onrechte de naast de voormalige bedrijfswoning gelegen zelfstandige woning die sinds 1984 onafgebroken in gebruik is geweest als woning, niet als zodanig heeft bestemd. De raad heeft ten onrechte het gebruik van de woning opnieuw onder het overgangsrecht gebracht, aldus [appellant sub 3].

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de woning naast de voormalige bedrijfswoning als zodanig werd gebruikt voordat het vorige plan inwerking trad. Weliswaar hebben naast de bewoners van de voormalige bedrijfswoning, verschillende bewoners volgens de gemeentelijke basisadministratie op het adres ingeschreven gestaan, maar daaruit volgt niet dat zij ook in de woning woonden.

Voorts stelt de raad dat indien het overgangsrecht van toepassing is geweest, het is uitgewerkt, nu het gebruik als woning onderbroken is geweest. Daartoe voert de raad aan dat de woning tussen 4 augustus 2008 en 14 april 2011 niet bewoond is geweest door [appellant sub 3], nu zij in die periode stond ingeschreven op een ander adres.

7.2. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, onder a, van de planregels, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep of bedrijf, zoals bedoeld in artikel 33, lid 33.1.

Ingevolge lid 19.2.2, onder a, zijn woningen uitsluitend toegestaan binnen het aangegeven bouwvlak;

Ingevolge het bepaalde onder b mag het aantal woningen per bestemmingsvlak niet meer dan één zijn, tenzij ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" een ander aantal is aangegeven.

7.3. Het vorige bestemmingsplan "Landelijk gebied ten oosten van de Vecht" is op 4 april 1997 in rechte onaantastbaar geworden. Blijkens de plankaart van dat plan was aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met natuurlijke en landschappelijke waarden" met een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 1 van de voorschriften van dat plan was per bouwvlak één bedrijfswoning toegestaan.

Ingevolge artikel 29 mochten gronden en bouwwerken, die ten tijde van het in rechte onaantastbaar worden van het plan gebruikt werden op een wijze of voor een doel, hetwelk krachtens artikel 25, eerste lid, was verboden op die wijze of voor dat doel, in gebruik blijven.

7.4. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 3] niet met een bouwvergunning voor een woning is opgericht. Gelet op het betoog van [appellant sub 3] ziet de Afdeling zich eerst voor de vraag gesteld of het ten tijde van het in rechte onaantastbaar worden van het vorige plan "Landelijk gebied ten oosten van de Vecht" in gebruik was als woning. Vast staat dat [appellant sub 3] op 4 april 1997 als bewoner van het perceel [locatie 3] stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Zij heeft verklaard dat zij op dat moment woonde in de woning naast de voormalige bedrijfswoning. Een aantal personen hebben dit schriftelijk bevestigd. In hetgeen de raad heeft betoogd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 3] ten tijde van de peildatum voor het overgangsrecht van het vorige plan niet in de woning naast de voormalige bedrijfswoning woonde. Derhalve viel het gebruik van de woning onder het overgangsrecht van het vorige plan.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of het gebruik ononderbroken is voortgezet. Tot en met 4 augustus 2008 hebben tevens een aantal andere bewoners op het adres ingeschreven gestaan. Deze voormalige bewoners hebben schriftelijk verklaard te hebben gewoond in de woning naast de voormalige bedrijfswoning. In hetgeen de raad aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het gebruik als woning niet is voortgezet.

De raad heeft verder betoogd dat, afgezien van de bewoner van de voormalige bedrijfswoning, tussen 4 augustus 2008 en 14 april 2011 geen andere bewoner op het adres stond ingeschreven. De Afdeling overweegt dat het feit dat er in deze periode geen bewoner stond ingeschreven bij de gemeentelijke basisadministratie, een aanwijzing is dat de woning mogelijk niet meer als zodanig werd gebruikt. [appellant sub 3] heeft betoogd dat zij zich weliswaar in de periode van de zomer van 2008 tot 14 april 2011 nog niet had ingeschreven op het adres, maar dat zij wel woonde in de woning naast de voormalige bedrijfswoning. Daartoe heeft [appellant sub 3] aangevoerd dat zij in die periode in scheiding lag en dat inschrijving bij de gemeentelijke basisadministratie op het adres pas is geschied op het moment dat duidelijk was dat de woning die zij met haar toenmalige partner had, moest worden verkocht. Ter staving van haar stelling omtrent bewoning in deze periode heeft [appellant sub 3] gewezen op een aan haar gerichte brief van het college van burgemeester en wethouders van 3 september 2010 waarin wordt aangegeven dat handhaving van het illegale gebruik van de woning geen prioriteit heeft en dat het illegale gebruik op de handhavingslijst is gezet. Voorts heeft [appellant sub 3] gewezen op een taxatierapport van 3 december 2008 waarin staat dat de woning werd verhuurd aan [appellant sub 3]. Voorts heeft [appellant sub 3] twee brieven betreffende een lijfrenteverzekering en een koopsompolis overgelegd van 4 december 2009 onderscheidenlijk 9 september 2010 die aan [appellant sub 3] waren gericht met als postadres [locatie 3]. Verder heeft de voormalige partner van [appellant sub 3] schriftelijk verklaard dat [appellant sub 3] sinds 2008 in de woning woont en sindsdien niet meer woonde in hun toenmalige gezamenlijke woning. Gelet op het samenstel van deze gegevens, doch met name de brief van het college van burgemeester en wethouders van 3 september 2010, heeft [appellant sub 3] aannemelijk gemaakt dat ook in de periode van 4 augustus 2008 tot 14 april 2011 het gebruik van de woning als zodanig is voortgezet. Nu voorts niet in geschil is dat de woning vanaf 14 april 2011 tot op heden als zodanig wordt gebruikt, is het gebruik ononderbroken voortgezet. Dit betekent dat het overgangsrecht opnieuw van toepassing is op het gebruik van de woning.

Het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van gebruik kan onder omstandigheden aanvaardbaar zijn. Hiervoor is in een geval als het voorliggende in ieder geval vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Niet aannemelijk is echter gemaakt dat het gebruik van de woning binnen de planperiode zal worden beëindigd. Gelet hierop heeft de raad niet in redelijkheid het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht kunnen brengen.

Hoewel gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen doet ontstaan dat een woonbestemming wordt toegekend, had het op de weg van de raad gelegen om te onderzoeken of de woning naast de voormalige bedrijfswoning als zodanig kon worden bestemd. Indien het als zodanig bestemmen van die woning niet mogelijk is, had het op de weg van de raad gelegen om te overwegen om voor het perceel een zogenoemde uitsterfregeling in het plan op te nemen. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat de woning weliswaar als bijgebouw of aanbouw met de daarbij behorende bouwregels wordt bestemd, maar dat in afwijking van het verbod van bewoning, bewoning van de woning wordt toegestaan, met dien verstande dat bij beëindiging van de bewoning, dit gebruik niet langer is toegestaan.

Nu de raad niet in redelijkheid het gebruik voor bewoning van de woning op het perceel [locatie 3] opnieuw onder de beschermende werking van het overgangsrecht heeft kunnen brengen en de raad evenmin inzichtelijk heeft gemaakt of voor dit perceel in het plan een andere regeling had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Gelet hierop behoeft hetgeen [appellant sub 3] voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking meer.

7.5. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 3], in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 4]

8. Het beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 4]. [appellant sub 4] betoogt dat de raad ten onrechte de woning in de loods op het perceel niet als zodanig heeft bestemd. Hij voert hiertoe aan dat het gebruik van de woning onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan "Gooiboog" valt. In dit verband voert hij aan dat de woning van 27 januari 2001 tot en met 10 maart 2001, van 14 januari 2003 tot 14 januari 2004 en van 1 juni 2004 tot op heden, als woning is gebruikt. Ter staving hiervan heeft hij drie huurovereenkomsten overgelegd die zien op deze huurperioden.

[appellant sub 4] betoogt verder dat een deel van de loods is aangemerkt als woning in het kader van de waardevaststelling als bedoeld in de Wet WOZ. [appellant sub 4] betoogt voorts dat hij had mogen vertrouwen op een brief van het college van burgemeester en wethouders waarin staat dat de woning voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit en dat de woning in de woningvoorraad van de gemeente wordt opgenomen.

Voorts heeft [appellant sub 4] gewezen op de brief van het college van burgemeester en wethouders van 20 oktober 2006 waarin staat dat de woning onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Gooiboog" is komen te vallen, omdat de woning ten tijde van het in rechte onaantastbaar worden van dat bestemmingsplan aanwezig was.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de woning niet onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan "Gooiboog" is komen te vallen. Volgens de raad was de woning in de loods niet als zodanig in gebruik ten tijde van het in rechte onaantastbaar worden van het vorige bestemmingsplan. Volgens de raad is het gebruik pas aangevangen op 4 november 2003, nu vanaf dat moment een bewoner op het adres staat ingeschreven bij de gemeentelijke basisadministratie. Derhalve is het gebruik van een deel van de loods als woning volgens de raad altijd in strijd geweest met het bestemmingsplan.

Met betrekking tot de overgelegde huurovereenkomsten stelt de raad dat daaruit niet blijkt dat het verhuur betreft van de onderhavige woning, nu in de huurovereenkomsten het perceel [locatie 5] wordt aangeduid als het verhuurde, terwijl de woning nu is aangeduid als [locatie 4].

8.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven genoemd in de categorie 1 en/of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals bepaald in bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten;

b. ter plaatse van de aanduiding "agrarisch loonbedrijf": een agrarisch loonbedrijf:

c. een bedrijfswoning per bestaand bedrijf, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen, al dan niet in combinatie met een aan huis gebonden beroep of bedrijf, zoals bepaald in artikel 33, lid 33.1;

d. ter plaatse van de aanduiding "kantoor", een kantoor;

e. een wegensteunpunt;

f. met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verhardingen, erven, tuinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige doeleinden.

Ingevolge lid 4.2, mogen op of in de in lid 4.1 bedoelde gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, ten dienste van de in dat lid genoemde bestemming […].

8.3. Het vorige bestemmingsplan "Gooiboog" is op 20 mei 1998 door de raad vastgesteld en in rechte onaantastbaar geworden op 19 februari 2001. In dat plan was aan het perceel de bestemming "Agrarisch hulpbedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de voorschriften van dat plan waren de op de plankaart als "Agrarisch hulpbedrijf" aangewezen gronden bestemd voor het uitoefenen van handel en nijverheid ten behoeve van de agrarische sector en het verlenen van diensten met een direct dienstverlenend karakter ten opzichte van de agrarische sector waaronder geen detailhandel begrepen werd, met de daarbij behorende bedrijfswoning, bijbehorend erf en eigen parkeerplaatsen, zulks met inachtneming van wat in de navolgende leden van dit artikel was bepaald.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, was het verboden de gronden en bouwwerken binnen het plangebied in strijd met de bestemming of in strijd met een gebruik, waarvoor ingevolge de bepalingen van het plan toestemming was verleend, te gebruiken.

Ingevolge artikel 15 mochten gronden en bouwwerken, die ten tijde van het in rechte onaantastbaar worden van het plan gebruikt werden op een wijze of voor een doel, hetwelk krachtens artikel 13, eerste lid, was verboden, op die wijze of voor dat doel in gebruik blijven.

8.4. Aan de omstandigheid dat bij de waardevaststelling van de loods in het kader van de Wet WOZ een deel van de loods als woning is aangemerkt, kan [appellant sub 4] niet het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat de woning bij de procedure omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan als zodanig wordt bestemd. Zoals in 3.6 is overwogen, is de waardevaststelling in het kader van de Wet WOZ niet relevant bij het vaststellen van een bestemming in het kader van een bestemmingsplan in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

Aan de brief van het college van burgemeester en wethouders van 19 november 2003 waarin staat dat de woning voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit en geschikt wordt geacht als woning en in het woningbestand wordt opgenomen, kan evenmin het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat de woning in het bestemmingsplan als zodanig wordt bestemd. Deze omstandigheden betekenen immers niet zonder meer dat de woning in de loods ruimtelijk aanvaardbaar is. Evenmin bevat de brief een toezegging dat de woning in de loods als zodanig wordt bestemd. Het betoog faalt.

8.5. Het gebruik van een deel van de loods als woning was niet als zodanig toegestaan op grond van het vorige bestemmingsplan "Gooiboog". Ingevolge artikel 15 van de voorschriften van dat plan mocht het gebruik dat op het tijdstip van het in rechte onaantastbaar worden - 19 februari 2001 - van dat plan in afwijking daarvan bestond, worden voortgezet. Niet in geschil is dat er op dat tijdstip geen bewoner van de woning stond ingeschreven bij de gemeentelijke basisadministratie. De Afdeling overweegt dat dit een aanwijzing is dat de loods niet werd gebruikt als woning. [appellant sub 4] heeft zijn stelling dat een deel van de loods op dat moment in gebruik was als woning echter gestaafd met een overeenkomst betreffende verhuur van de woning in de periode van 27 januari 2001 tot en met 10 maart 2001. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze huurovereenkomst niet ziet op de onderhavige woning. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in 2001 nog geen apart huisnummer voor de woning was aangevraagd en derhalve het huisnummer van de loods op het perceel werd gebruikt om de woning aan te duiden. Derhalve was een deel van de loods als woning in gebruik ten tijde van het in rechte onaantastbaar worden van het vorige bestemmingsplan "Gooiboog".

Gelet op het vorenstaande is van belang of het gebruik ononderbroken is voortgezet. Daartoe wordt als volgt overwogen. [appellant sub 4] heeft weliswaar twee huurovereenkomsten overgelegd waaruit blijkt dat de woning in de loods verhuurd is geweest en ten tijde van het bestreden besluit werd verhuurd, maar wat betreft de periode tussen 10 maart 2001 en 14 januari 2003 is niet door overlegging van een huurovereenkomst of anderszins aannemelijk gemaakt dat de woning als zodanig werd gebruikt. Het betoog ter zitting dat de woning in deze periode verhuurd is geweest aan werknemers van een nabijgelegen betonfabriek heeft [appellant sub 4] niet onderbouwd. Evenmin betekent het als woning ingericht zijn dat bewoning is voortgezet.

Dit betekent dat het gebruik van een deel van de loods als woning aanvankelijk onder de beschermende werking van het overgangsrecht was toegestaan, maar dat door de onderbreking van de bewoning niet langer met succes een beroep op het overgangsrecht als opgenomen in artikel 15 van de voorschriften van het vorige plan "Gooiboog" kan worden gedaan.

De brief van het college van burgemeester en wethouders van 20 oktober 2006, waarin is vermeld dat de woning onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan is komen te vallen, maakt het voorgaande niet anders. In dit verband wordt overwogen dat een brief niet kan afdoen aan de werking van het overgangsrecht en dat deze brief bovendien nadien is herroepen. Het betoog faalt.

8.6. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een woonbestemming voor het perceel [locatie 4] ruimtelijk niet aanvaardbaar is. Hierbij wordt overwogen dat op korte afstand van de loods percelen met een bedrijfsbestemming liggen die door een woonbestemming in het gebruik kunnen worden beperkt.

8.7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Opdracht

9. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde onderdelen van het bestreden besluit met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe planregeling vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

10. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 3] in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat alle in verband met de procedure gemaakte kosten dienen te worden vergoed op grond van artikel 8:75 van de Awb, overweegt de Afdeling het volgende. Het door de raad aan [appellant sub 3] te betalen forfaitaire bedrag in verband met verleende rechtsbijstand is bepaald met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb in samenhang met de bepalingen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb). De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb, een hogere vergoeding toe te kennen.

Ten aanzien van [appellant sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Weesp tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Weesp" van 27 juni 2013 voor zover het betreft:

1. de regeling van de wijzigingsbevoegdheid voor het perceel [locatie 1];

2. het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van het perceel [locatie 3];

IV. draagt de raad van de gemeente Weesp op om binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 4] ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Weesp tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Weesp aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1] en € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 3] vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Melse

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

191-763.