Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201307661/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Deurne, Zuid en West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307661/1/R3.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, deels tussenuitspraak (als bedoeld in artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb), in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1], gevestigd te [plaats], en anderen (hierna: [appellant sub 1] en anderen),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 2], gevestigd te [plaats], en anderen (hierna: [appellant sub 2] en anderen),

3. de vennootschap onder firma Auto Italia V.O.F., gevestigd te Deurne, en anderen (hierna: Auto Italia en anderen),

4. de vennootschap onder firma [appellant sub 4], handelend onder de naam Sportcentrum AMES, gevestigd te Deurne (hierna: [appellant sub 4]),

5. de heer en mevrouw [appellant sub 5], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]),

6. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],

7. de vereniging Vereniging Stop de Stank, gevestigd te Deurne (hierna: de vereniging),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Deurne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Deurne, Zuid en West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en anderen, Auto Italia en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en de vereniging beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 4], de vereniging en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2014, waar [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. A.A.P.M. Theunen en Th.A.G. Vermeulen, beiden advocaat te Deurne, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.G. Grijpstra, advocaat te Deurne, Auto Italia en anderen, bijgestaan door mr. P.G. Grijpstra, voornoemd, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.G. Grijpstra, voornoemd, [appellant sub 6], de vereniging, vertegenwoordigd door mr. K.E.P. van Bommel, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.A.A. Span en H.H. Moors, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft ter zitting [appellant sub 2] en anderen en Auto Italia en anderen de gelegenheid geboden om binnen één week na de zitting nog een schriftelijke reactie in te dienen. Dit hebben zij bij brief van 24 juli 2014 gedaan.

Met instemming van partijen is afgezien van het houden van een tweede zitting. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Tussenuitspraak

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor een aantal bedrijventerreinen van de gemeente Deurne en is voornamelijk conserverend van aard.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid van het beroep van de vereniging

4. De vereniging heeft over de in het ontwerpplan geboden mogelijkheid van mestvergistings- en mestverwerkingsinstallaties zienswijzen naar voren gebracht. In haar beroepschrift heeft de vereniging hierover een beroepsgrond naar voren gebracht. Daarnaast heeft zij nog andere beroepsgronden naar voren gebracht. Deze beroepsgronden zien op andere onderdelen van het plan dan de beroepsgrond over de mestvergistings- en mestverwerkingsinstallaties. Het beroep van de vereniging, voor zover gericht tegen de vaststelling van andere planonderdelen dan die voor mestvergistings- en mestverwerkingsinstallaties, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep dient in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het beroep van [appellant sub 6], gedeeltelijk

5. [appellant sub 6] betoogt dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld, voor zover het betreft een aantal beperkingen in de planregels en de verbeelding van het plan. Over de verbeelding merkt [appellant sub 6] op dat het bouwvlak voor de bedrijfswoningen op het perceel [locatie 1] te krap is ingetekend en dit in tegenstelling tot hetgeen in de nota van zienswijze staat niet is aangepast. Verder betoogt hij dat ten onrechte de goothoogte van bedrijfswoningen in de planregels wordt beperkt tot 4,5 m. Dit betekent volgens hem dat een bedrijfswoning met twee verdiepingen niet met een plat dak uitgevoerd kan worden. Voorts worden ten onrechte aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen enkel bij vrijstaande en niet bij inpandige bedrijfswoningen mogelijk gemaakt en wordt ten onrechte onderscheid gemaakt tussen de aan- en bijgebouwen bij bedrijfswoningen in het buitengebied en in stedelijk gebied. Tot slot betoogt hij dat ten onrechte de opslag van goederen voor de voorgevellijn in het plan niet is toegestaan.

5.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.3, sub d, ten eerste, van de planregels geldt voor een niet-inpandige bedrijfswoning dat de goothoogte van een bedrijfswoning ten hoogste 4,5 m mag bedragen.

Ingevolge het bepaalde onder 4.2.4, sub h, geldt bij aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per bedrijfswoning, gelegen buiten de aanduiding "bedrijfswoning", maximaal 75 m² mag bedragen.

Ingevolge lid 4.2.7 mogen in afwijking van het bepaalde in 4.2.1 tot en met 4.2.6 bestaande situaties die niet voldoen aan de bouwregels worden gehandhaafd.

Ingevolge lid 4.5, aanhef en onder a, geldt met betrekking tot het gebruik dat opslag van goederen voor de voorgevelrooilijn niet is toegestaan.

5.2. Over de aanduiding "bedrijfswoning" voor de woningen Energiestraat 4 en 4a wordt overwogen dat de aanduiding voor nummer 4a, in overeenstemming met de zienswijze, is verruimd. Over de aanduiding voor nummer 4 heeft de raad opgemerkt dat hij heeft willen aansluiten bij de feitelijke situatie. Het plan om de bedrijfswoning te vergroten, is tot op heden niet gerealiseerd en daarom heeft de raad dat ook niet willen bestemmen. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de aanduiding niet aan een groter oppervlak is toegekend.

De Afdeling acht een maximale goothoogte van 4,5 m voor bedrijfswoningen evenmin onredelijk. Een maximale goothoogte van 4,5 m betekent dat geen vergunning kan worden verleend voor een woning met twee verdiepingen en een plat dak. Gelet echter op hetgeen is bepaald in artikel 4, lid 4.2.7, van de planregels mogen bestaande situaties die niet voldoen aan de bouwregels worden gehandhaafd. Naar aanleiding van het betoog dat de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen alleen bij vrijstaande woningen en niet bij inpandige bedrijfswoningen mogelijk worden gemaakt, heeft de raad gewezen op artikel 4, lid 4.2.4, sub h, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij vrijstaande woningen en bij inpandige bedrijfswoningen. Het onderscheid tussen de aan- en bijgebouwen bij bedrijfswoningen in het buitengebied en in stedelijk gebied, wordt gerechtvaardigd door het type bedrijven, namelijk agrarische en niet-agrarische, in relatie tot het karakter van beide gebieden. Dit onderscheid is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Over het verbod op opslag van goederen voor de voorgevelrooilijn wordt overwogen dat dit niet onredelijk is, gelet op wens van de raad om een open aanzicht van de weg te behouden in verband met de veiligheid bij in- en uitritten. Voor zover [appellant sub 6] heeft gewezen op bestaande situaties met opslag voor de voorgevelrooilijn betreft dit een handhavingsaspect, dat in deze procedure niet aan de orde kan komen. Het betoog faalt.

Het beroep van [appellant sub 6], gedeeltelijk en het beroep van [appellant sub 4]

6. [appellant sub 4] is eigenaresse van het op het bedrijventerrein De Kranenmortel gelegen perceel [locatie 2] en betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover dat betrekking heeft op dat perceel. [appellant sub 4] betoogt dat zij in een bij de raad naar voren gebrachte ruimtelijke onderbouwing heeft aangegeven dat het perceel bestemd had moeten worden ten behoeve van alle vormen van sport en recreatie. Uit de in de planregels opgenomen regeling voor de bestemming "Sport" volgt niet duidelijk of de opgenomen activiteiten bij de aanduiding "sport- en recreatiecentrum" een limitatieve opsomming vormen. Indien het zou gaan om een limitatieve opsomming dan betoogt [appellant sub 4] dat haar ingebrachte ruimtelijke onderbouwing niet juist is overgenomen en dat zij hierdoor wordt beperkt in haar exploitatiemogelijkheden. Volgens haar volgt uit de ruimtelijke onderbouwing dat alle vormen van sport en recreatie zouden moeten zijn toegelaten.

Verder betoogt [appellant sub 4] dat ten onrechte ter plaatse het houden van evenementen niet is toegestaan, terwijl dit in de ruimtelijke onderbouwing wel is opgenomen. Volgens haar is dit een beperking van haar exploitatiemogelijkheden.

[appellant sub 6], die eigenaar is van het perceel [locatie 3], betoogt dat de omzetting van de tennishal naar een sport- en recreatiecentrum op het perceel [locatie 2] zorgt voor parkeer- en geluidoverlast.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant sub 4] ingediende ruimtelijke onderbouwing is gebruikt bij de opstelling van het ontwerp van het plan, hoewel over deze ruimtelijke onderbouwing geen definitieve besluitvorming door het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) heeft plaatsgevonden. De informatie uit de ruimtelijke onderbouwing is op de juiste wijze verwerkt in het plan.

Verder stelt de raad dat wat binnen een sport- en recreatiecentrum is toegestaan, limitatief is opgenomen in de planregels. Het houden van evenementen binnen 200 m van een spoorlijn is in strijd met de op 14 april 2009 door de raad vastgestelde "Beleidsvisie externe veiligheid".

Er wordt voldaan aan de normen die gelden voor parkeervoorzieningen.

6.2. Aan het perceel [locatie 2] is de bestemming "Sport" toegekend. Aan gedeelten van dit perceel zijn de aanduidingen "specifieke vorm van sport - sport- en recreatiecentrum" en "specifieke vorm van sport - buitensport" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor:

a. sportvelden;

b. sporthallen;

c. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van sport - sport- en recreatiecentrum": tevens voor een sport- en recreatiecentrum, waaronder begrepen een multifunctionele sporthal, een pool- en snookercentrum, een praktijk voor fysiotherapie, een fitness, ondergeschikte horeca en ondergeschikte detailhandel ten dienste van het sport- en recreatiecentrum;

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van sport - buitensport": tevens voor buitensport;

met daarbij behorende:

e. bouwwerken, zoals clubgebouwen en bergingen;

f. ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen;

g. ondergeschikte horecavoorzieningen;

h. waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Ingevolge lid 7.3, onder c, zijn binnen de bestemming "Sport" evenementen niet toegestaan.

In het vorige bestemmingsplan "Tennishal Energiestraat" had het perceel de bestemming "Bebouwing voor bijzondere doeleinden (tennishal)".

6.3. Het vorige bestemmingsplan "Tennishal Energiestraat" stond alleen het gebruik ten behoeve van de tennissport toe. De tennishal is in 2005, nadat een vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet Ruimtelijke Ordening, was verleend, in gebruik genomen als een sport- en fitnesscentrum. Dit besluit tot verlening van vrijstelling is door het college bij besluit op bezwaar herroepen. Op 30 juni 2008 heeft [appellant sub 4] opnieuw verzocht om medewerking aan het gewijzigd gebruik om de bestaande situatie te legaliseren. Op 7 februari 2011 heeft het college een aangepast verzoek om vrijstelling ontvangen van [appellant sub 4]. Het college heeft op 9 augustus 2011 besloten om de procedure tot het verlenen van vrijstelling niet te vervolgen. Op 27 oktober 2011 heeft [appellant sub 4] een aangepaste ruimtelijke onderbouwing ingediend.

6.4. Zoals uit artikel 7, lid 7.1, onder c, van de planregels volgt zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van sport - sport- en recreatiecentrum" behalve voor sportvelden en sporthallen tevens bestemd voor een sport- en recreatiecentrum. Dit is een ruim begrip, en hetgeen verder volgt in onderdeel c van lid 7.1 is daar een invulling van. Zo is een multifunctionele sporthal toegestaan, hetgeen vele mogelijkheden biedt. De opsomming van activiteiten behelst geen inperking van de toegestane sport- en recreatieactiviteiten, hetgeen onder meer volgt uit het feit dat tevens een praktijk voor fysiotherapie en ondergeschikte horeca zijn toegestaan. Het betoog faalt.

6.5. Over het betoog van [appellant sub 4] dat ten onrechte ter plaatse het houden van evenementen niet is toegestaan, overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 4] heeft op 4 november 2011 haar verzoek tot vrijstelling gewijzigd en kenbaar gemaakt dat het verzoek tot vrijstelling als ingetrokken kan worden beschouwd voor zover het betreft het houden van evenementen. Hiermee is de ruimtelijke onderbouwing van 27 oktober 2011 op dat punt niet meer actueel. De raad heeft op 14 april 2009 de "Beleidsvisie externe veiligheid" (hierna: de beleidsvisie) vastgesteld. Het toestaan van evenementen op het perceel [locatie 2] is op grond van dit beleid niet toegestaan. Mede gelet op het feit dat het begrip evenementen niet in de planregels is gedefinieerd, begrijpt de Afdeling artikel 7, lid 7.3, onder c, van de planregels zo dat evenementen als bedoeld in de beleidsvisie niet zijn toegestaan. Ter zitting is door de raad bevestigd dat het houden van sport- en recreatietoernooien met een vergelijkbaar aantal mensen als reeds regulier aanwezig in het sport- en recreatiecentrum hieronder niet wordt begrepen en derhalve is toegestaan, hetgeen aansluit bij de wens van [appellant sub 4] om geen evenementen met veel lawaai, zoals dans- en motorevenementen te organiseren, maar slechts sporttoernooien.

Het betoog faalt.

6.6. Over het betoog van [appellant sub 6] dat ter plaatse van zijn perceel overlast zal ontstaan door het parkeerterrein van het voorziene sport- en recreatiecentrum, en met name door de tegenover zijn woning gelegen in- en uitrit van het parkeerterrein, overweegt de Afdeling als volgt. De situering van de in- en uitrit van het parkeerterrein is niet in het plan geregeld. Voor zover het om deze situering gaat, betreft het in dit geval een kwestie van uitvoering. Dat er een verkeersonveilige situatie zal ontstaan bij het verlaten van auto’s van de inrit van het sport- en recreatiecentrum, is niet gebleken. Over de gestelde geluidoverlast, wordt overwogen dat voor het maximaal toegestane geluidsniveau als gevolg van het parkeerterrein als onderdeel van de inrichting milieuregelingen gelden. Indien het sport- en recreatiecentrum zich niet aan deze regelingen houdt, betreft het een kwestie van handhaving. Over het parkeren is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat ter plaatse onvoldoende rekening is gehouden met de toegestane activiteiten en de hiervoor geldende parkeernormen. Niet aannemelijk is geworden dat de verkeersstromen die hiermee gepaard gaan, tot onveilige situaties en onaanvaardbare geluidhinder leiden. Het betoog faalt.

Het beroep van de vereniging en het beroep van [appellant sub 6], beide voor het overige

7. De vereniging betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld voor zover hierin mestvergistings- en mestverwerkingsinstallaties in het plangebied worden toegestaan, er overlast zal ontstaan en dat risico’s voor de volksgezondheid niet zijn uitgesloten.

[appellant sub 6] betoogt dat mestvergistingsinstallaties en mestverwerkingsinstallaties niet thuis horen op de bedrijventerreinen in het plangebied.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om in het gebied dat begrensd wordt door de Energiestraat, de Ampèrestraat, de Voltstraat en de Indumastraat geen mestverwerkingsinstallaties toe te laten.

7.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder a, van de planregels, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in categorie 2 tot en met categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge het bepaalde onder b zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" bedrijven tot en met categorie 4.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan.

Ingevolge het bepaalde onder c zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" bedrijven tot en met categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan.

Ingevolge het bepaalde onder d zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 5" bedrijven tot en met categorie 5 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan.

7.3. Ingevolge de bij het plan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten hoort een mestvergistingsbedrijf tot milieucategorie 3.2 en hoort een mestverwerkingsbedrijf tot milieucategorie 5.1. Uit deze categorie-indeling in samenhang met de verbeelding, volgt dat op vrijwel alle percelen, waaraan in het plan de bestemming "Bedrijf" is toegekend, een mestvergistingsbedrijf gevestigd zou kunnen worden. De vestiging van een mestverwerkingsbedrijf is enkel mogelijk op percelen waar milieucategorie 5.1 is toegestaan. Aan een gedeelte van het bedrijventerrein De Kranenmortel is de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 5" toegekend en wel aan het gebied dat wordt begrensd door de Energiestraat, Ampèrestraat, Voltstraat en Indumastraat.

7.4. Het toestaan van een mestvergistingsbedrijf op vrijwel alle percelen met de bestemming "Bedrijf" in het plangebied, acht de Afdeling niet onredelijk of in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ten tijde van de vaststelling van het plan waren er geen mestvergistingsbedrijven aanwezig in het plangebied. Indien in de toekomst een mestvergistingsbedrijf zich in het plangebied wil vestigen, zullen de milieutechnische aspecten moeten worden beoordeeld in het kader van de aanvraag om een omgevingsvergunning milieu. De betogen falen.

7.5. In het vorige plan bestond in het gebied dat wordt begrensd door de Energiestraat, Ampèrestraat, Voltstraat en Indumastraat bij recht de mogelijkheid van vestiging van een bedrijf tot en met categorie 4 en met een ontheffing tot en met categorie 5. Categorie 5 was niet onderverdeeld in subcategorieën. De raad heeft beoogd in het nieuwe plan aan te sluiten bij de mogelijkheden van het vorige plan. Daarbij heeft hij echter niet onderkend dat categorie 5 thans geen aparte categorie meer is, maar is vervangen door de categorieën 5.1 en 5.2. Gelet hierop maakt artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels niet duidelijk welk gebruik precies is toegestaan op de percelen met de aanduiding tot en met categorie 5. Gelet hierop is deze bepaling in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld. De beroepen van de vereniging en van [appellant sub 6] zijn gegrond.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

8. [appellant sub 1] en anderen zijn eigenaren van het op het bedrijventerrein De Kranenmortel gelegen perceel [locatie 2] en de ten zuiden van het plangebied gelegen gronden met de kadastrale nummers […] en […] en betogen dat de raad het plan in zoverre ten onrechte heeft vastgesteld. Volgens [appellant sub 1] en anderen hadden deze gronden bij het bestemmingsplan betrokken moeten worden, nu een gedeelte van deze gronden in het ontwerp van dit plan al was opgenomen en de raad zonder een besluit hiertoe te hebben genomen dit gedeelte uit het plan heeft gelaten. Volgens [appellant sub 1] en anderen is dit in strijd met het zogenoemde verbod op reformatio in peius. Door de gronden buiten het plangebied te laten ontstaat er volgens [appellant sub 1] en anderen een onpraktische en onlogische vorm van het bedrijventerrein. In dit kader brengen [appellant sub 1] en anderen verder naar voren dat deze gronden binnen het stedelijk gebied van de gemeente Deurne liggen en niet behoren tot het agrarisch gebied.

[appellant sub 1] en anderen betogen voorts dat zij met de gemeente hebben onderhandeld over de verplaatsing van het bedrijf van [appellant sub 1] en anderen naar het bedrijventerrein De Kranenmortel en de gemeente volgens hen hierbij te kennen heeft gegeven dat het geven van een bestemming "Bedrijf" aan deze gronden passend zou zijn. Door het niet opnemen van de gronden binnen het plangebied wordt [appellant sub 1] en anderen de mogelijkheid ontnomen om een goede bedrijfsvoering op te zetten op het bedrijventerrein De Kranenmortel.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een gedeelte van de bedoelde gronden abusievelijk in het ontwerpplan was opgenomen. Dit is bij de vaststelling van het plan gewijzigd, zodat de gronden nu buiten het plangebied liggen. De raad stelt verder dat de onderhandelingen om te komen tot een bedrijfsverplaatsing voor de vaststelling van het plan zijn beëindigd. Verder brengt de raad naar voren dat een eventuele ontwikkeling van deze gronden als bedrijventerrein niet voorzien is voor 2020 en het onwenselijk is om tot een solitaire bedrijfsvestiging te komen op deze gronden.

8.2. Het perceel [locatie 2] en een gedeelte van de percelen ten zuiden van de Energiestraat hebben de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2". De gronden met de kadastrale nummers […] en […] liggen niet in het plangebied. Deze percelen zijn opgenomen in het op 28 januari 2014 vastgestelde en inmiddels in werking getreden bestemmingsplan "Tweede herziening bestemmingsplan buitengebied" en hebben de bestemming "Agrarisch".

8.3. In het raadsvoorstel staat onder punt 3 bij de motivering en argumentatie dat de ingekomen zienswijzen zijn samengevat in de nota van zienswijzen, dat deze zienswijzen als bijlage bij het voorstel zijn gevoegd en dat de nota zal worden opgenomen bij het bestemmingsplan. In de nota van zienswijzen is opgenomen of een zienswijze ontvankelijk is, of de zienswijze gegrond dan wel ongegrond is en of de zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 1] en anderen wordt in de nota van zienswijzen opgemerkt dat de planbegrenzing ten zuiden van de Energiestraat wat betreft de percelen […] (gedeeltelijk) en […] zal worden aangepast. Deze percelen worden in de tweede herziening van het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen. In het raadsvoorstel staat vervolgens onder het kopje met de ambtshalve wijzigingen, dat tevens onderdeel is van punt 3, dat naast de wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen er nog een aantal ambtshalve wijzigingen is dat in het plan verwerkt moet worden.

In het besluit tot vaststelling van het plan wordt onder verwijzing naar punt 3 uit het raadsvoorstel aangegeven dat de raad de beantwoording van de zienswijze, zoals opgenomen in de nota van zienswijzen, onderschrijft. Daarnaast wordt in het besluit aangegeven dat de verbeelding zal worden aangepast. De Afdeling is van oordeel dat uit de inhoud van het besluit volgt dat de raad heeft besloten om de verbeelding aan te passen en het plangebied te beperken. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat de raad zonder daartoe een besluit te hebben genomen de planverbeelding heeft gewijzigd, faalt.

8.4. De Afdeling ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de raad de begrenzing van het plangebied in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bedoelde percelen zijn aangemerkt als agrarisch gebied en de raad heeft aangegeven dit gebied niet te willen ontwikkelen als bedrijventerrein. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Dat in het verleden onderhandelingen hebben plaatsgevonden over een mogelijke verplaatsing van het bedrijf, laat onverlet dat de raad beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzing van het plan, nog daargelaten dat de onderhandelingen voor de vaststelling van het plan zijn gestaakt en de onderhandelende partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen. Het betoog faalt.

8.5. Ten aanzien van de gestelde zogenoemde reformatio in peius overweegt de Afdeling als volgt. De raad wijst in zijn verweerschrift terecht op de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2012 (in zaak nr. 201102123/1/R1), waarin is geoordeeld dat de raad bevoegd is, al dan niet naar aanleiding van ingediende zienswijzen, het ontwerpplan gewijzigd vast te stellen. Er is geen wettelijk voorschrift of algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat een indiener van een zienswijze niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren als gevolg van zijn zienswijze. Het betoog omtrent de zogenoemde reformatio in peius treft geen doel.

8.6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 2] en anderen en Auto Italia en anderen

9. Ter zitting hebben [appellant sub 2] en anderen hun beroepsgrond over het ontbreken van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - autohandel" voor hun bedrijfswoning, ingetrokken.

10. Auto Italia en anderen zijn eigenaar van het op het bedrijventerrein De Leemkuilen gelegen perceel [locatie 4]. Zij betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, omdat aan het perceel niet een aanduiding voor milieucategorie 4.1 of 4.2 is toegekend, terwijl wel de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - autohandel" is toegekend. Volgens Auto Italia en anderen volgt uit de beantwoording van hun zienswijze dat de raad bij de vaststelling van het plan alsnog een categorie zou opnemen. Dit heeft de raad ten onrechte nagelaten.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toekennen van een aanduiding met een milieucategorie in strijd is met de systematiek van het plan. Het perceel ligt op het bedrijventerrein De Leemkuilen en volgens de toelichting zijn bedrijven in milieucategorie 4.1, 4.2 en 5.1 in beginsel alleen toegestaan op het bedrijventerrein De Kranenmortel. Volgens de raad kan uit zijn beantwoording van de zienswijze niet volgen dat een milieucategorie zou worden toegekend, nu de zienswijze alleen betrekking had op de gebruiksmogelijkheden met betrekking tot detailhandel en perifere detailhandel. De beantwoording van hun zienswijze waar Auto Italia en anderen op doelen, is abusievelijk in de reactie van de raad opgenomen, aldus de raad.

10.2. Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de planregels zijn ter plaatse van de bestemming "Bedrijf" bedrijven in categorie 2 tot en met categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan.

Ingevolge het bepaalde onder c zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.2" bedrijven tot en met categorie 4.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan.

10.3. De Afdeling stelt vast dat Auto Italia en anderen in hun zienswijze naar voren hebben gebracht dat volgens hen op hun perceel detailhandel en perifere detailhandel is toegestaan en dat zij van de raad willen weten welke gebruiksmogelijkheden zijn toegestaan op hun perceel. De raad heeft in zijn nota van zienswijze hierop geantwoord dat er voor het bedrijventerrein De Kranenmortel de aanduidingen 4.1 of 4.2 zullen worden opgenomen op de verbeelding van het plan. Zoals de raad in zijn verweerschrift naar voren brengt, sluit dit deel van de beantwoording niet aan op hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht en is duidelijk dat dit niet de beantwoording is van de zienswijze van Auto Italia en anderen. Nu blijkt dat dit deel van de beantwoording niet aansluit op de inhoud van de zienswijze en duidelijk is dat het perceel van Auto Italia en anderen niet op het bedrijventerrein De Kranenmortel ligt, maar op het bedrijventerrein De Leemkuilen, kan het betoog van Auto Italia en anderen dat een aanduiding met een milieucategorie zou worden toegekend, niet slagen. Uit de beantwoording van de raad is af te leiden dat de raad niet heeft besloten ter plaatse van het perceel van Auto Italia en anderen een milieucategorie toe te kennen. Het betoog faalt.

11. [appellant sub 2] en anderen en Auto Italia en anderen betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, omdat er, in tegenstelling tot hetgeen in de nota van zienswijze staat, niet in het plan is geregeld dat er uitbreidingsmogelijkheden zijn voor detailhandel en/of perifere detailhandel. De planregeling staat voorts haaks op de uitgangspunten die worden gehanteerd voor het Bedrijventerrein Zuid. In de plantoelichting staat volgens [appellant sub 2] en anderen en Auto Italia en anderen immers dat bestaande bedrijven voldoende ontwikkelmogelijkheden krijgen op de huidige locatie. Door de nu vastgestelde planregeling is het bedrijventerrein op slot gezet.

11.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder l, van de planregels is naast het bepaalde onder a, tevens detailhandel en/of perifere detailhandel toegestaan, uitsluitend ter plaatste van de aanduiding 'detailhandel/detailhandel perifeer' op de in Bijlage 2 opgenomen kaart 'Bestaande situatie' en met dien verstande dat op de in Bijlage 3 lijst adressen detailhandel/perifere detailhandel genoemde locaties enkel detailhandel en/of perifere detailhandel is toegestaan in de genoemde categorieën.

Ingevolge lid 4.2.1, onder b is ten behoeve van detailhandel en/of perifere detailhandel uitsluitend de bestaande bebouwing toegestaan in de zin dat uitbreiding en/of nieuwbouw niet is toegestaan.

11.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de regeling voor uitbreiding van detailhandel en/of perifere detailhandel niet goed is verwerkt in de planregels, omdat geen afwijkingsmogelijkheid voor deze uitbreiding is opgenomen. Het gevolg hiervan is dat onbedoeld bepaalde vormen van detailhandel niet kunnen uitbreiden.

Nu de raad zich over de uitbreiding van detailhandel en/of perifere detailhandel op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover daarin niet een regeling voor uitbreidingsmogelijkheden voor detailhandel en/of perifere detailhandeld is opgenomen, is genomen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid. De betogen slagen en de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en Auto Italia en anderen zijn gegrond.

11.3. De raad heeft aan de Afdeling verzocht de planregeling aan te passen en hiertoe ter zitting een gewijzigd tekstvoorstel gedaan. De Afdeling heeft vervolgens [appellant sub 2] en anderen en Auto Italia en anderen in de gelegenheid gesteld om binnen één week na de zitting te reageren op het voorstel van de raad om de planregeling te wijzigen, teneinde te bezien of de Afdeling zelf in de zaak zou kunnen voorzien. [appellant sub 2] en anderen en Auto Italia en anderen hebben in hun brief van 24 juli 2014 evenwel te kennen gegeven niet te kunnen instemmen met het voorstel van de raad. Onder die omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het vaststellen van een planregel.

Het beroep van [appellant sub 5]

12. [appellant sub 5], die woont op het op het bedrijventerrein De Kranenmortel gelegen perceel [locatie 5], betoogt dat de raad ten onrechte het naastgelegen plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" heeft vastgesteld, omdat de raad ten onrechte uitgaat van een gemengd gebied zoals bedoeld in de brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). De raad ging eerder uit van een rustig gebied en in de toelichting bij het plan staat ook dat het gaat om een rustig gebied. Voorts betoogt [appellant sub 5] dat uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2002, zaak nr. 200104186/1, volgt dat op het naastgelegen perceel maximaal categorie 2-bedrijven zijn toegestaan. Ter plaatse zijn nu categorie 3.1-bedrijven toegestaan, maar de afstand van 50 meter wordt niet gehaald.

12.1. De raad stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het kleine woongebied en de omliggende bedrijvigheid kunnen worden aangemerkt als gemengd gebied met een matige tot sterke functiemenging. De vestiging van een categorie 3.1-bedrijf is ter plaatse aanvaardbaar. De raad wijst op de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2002, waarin volgens hem is bevestigd dat het gaat om een gemengd gebied.

12.2. Het naast het perceel [locatie 5] gelegen perceel heeft de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1".

Voor de planregeling behorende bij deze bestemming verwijst de Afdeling naar overweging 8.2.

12.3. De Afdeling heeft eerder in voornoemde uitspraak van 29 mei 2002 haar oordeel gegeven over het bestemmingsplan "Bedrijf Industrieweg/Grote Bottel" dat ook betrekking had op de percelen aan de Grote Bottel. De Afdeling was van oordeel dat de omgeving van het plangebied niet kan worden aangemerkt als een rustige woonwijk als bedoeld in de VNG-brochure, zodat een correctie op de in de brochure gegeven afstanden mogelijk was. Niet aannemelijk was echter gemaakt dat een dermate grote afwijking van de indicatieve afstanden als in het plan voorzien voor bedrijven in de categorie 3-‘licht’, uit planologisch oogpunt aanvaardbaar was. Gelet op de in het plan vervatte mogelijkheid om in het te bouwen bedrijfsgebouw een categorie 3-‘licht’ bedrijf te vestigen en in aanmerking genomen de aangehouden afstand tussen de woning van [appellant sub 5] en de gronden met een bedrijfsbestemming, was de Afdeling van oordeel dat niet aannemelijk was gemaakt dat ondanks dit plan een goed woon- en leefklimaat voor [appellant sub 5] was gegarandeerd.

12.4. Volgens de VNG-brochure wordt onder een "gemengd gebied" verstaan een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waarbij naast woningen ook andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In de omgeving van de gronden waarop het bestreden plandeel ziet, zijn naast woningen een snelweg, spoorbanen en enkele bedrijven aanwezig. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de omgeving is aan te merken als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. Dat in de plantoelichting staat dat voor de woningen grenzend aan de bedrijventerreinen is uitgegaan van een rustige woonwijk, doet aan het voorgaande niet af, omdat deze passage betrekking heeft op de wijken buiten het plangebied.

Voorts volgt uit de VNG-brochure dat de richtafstand bij milieucategorie 3.1 tot het omgevingstype gemengd gebied 30 meter bedraagt. De richtafstand geldt volgens de VNG-brochure tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De Afdeling stelt vast dat de aanbevolen afstand van 30 meter niet wordt gehaald. De raad heeft in de toelichting noch in de nota van zienswijze, ondanks de eerdere uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2002, een motivering gegeven voor het afwijken van de richtafstand. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het niet mogelijk is om op het hele perceel een categorie 3.1-bedrijf te realiseren, maar dat het perceel groot genoeg is om een dergelijk bedrijf te realiseren en daarbij een afstand van 30 m tot de woning van [appellant sub 5] aan te houden. Ook deze toelichting biedt geen afdoende motivering waarom aan het gehele perceel de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" is toegekend. Daar komt bij dat in de planregels niet is vastgelegd welk gebruik met deze aanduiding wordt toegestaan. Gelet hierop slaagt het betoog en is het beroep gegrond.

Bestuurlijke lus

13. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beslechting van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe:

a. met inachtneming van overweging 7.5 in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels te definiëren welk gebruik wordt toegestaan op de percelen met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 5";

b. met inachtneming van overweging 11.2 in de planregels een regeling op te nemen voor uitbreidingsmogelijkheden voor detailhandel en/of perifere detailhandel;

c. met inachtneming van overweging 12.4 een nieuw planologisch regime vast te stellen voor het perceel naast het perceel [locatie 5];

Bij de voorbereiding van het te nemen besluit tot wijziging hoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Het besluit tot wijziging van het plan dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en te worden medegedeeld.

13.1. Nadat het gebrek inzake de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 5" is hersteld zal de Afdeling in de einduitspraak de beroepsgronden van de vereniging en van [appellant sub 6] over de mogelijkheden voor mestverwerking, zoals toegelicht ter zitting van 17 juli 2014, beoordelen.

Proceskosten

14. In de einduitspraak zal ten aanzien van de beroepen van de vereniging, [appellant sub 6], [appellant sub 2] en anderen, Auto Italia en anderen en [appellant sub 5] worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Deurne op om binnen zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de gebreken in het besluit van 25 juni 2013 te herstellen door:

a. in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder d, van de planregels te definiëren welk gebruik wordt toegestaan op de percelen met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 5";

b. in de planregels een regeling op te nemen voor uitbreidingsmogelijkheden voor detailhandel en/of perifere detailhandel;

c. een nieuw planologisch regime vast te stellen voor het perceel naast het perceel [locatie 5];

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het besluit tot wijziging van het plan op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

II. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellant sub 1] en anderen en de vennootschap onder firma [appellant sub 4], handelend onder de naam Sportcentrum AMES ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Hagen w.g. Kegge

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

350-774.