Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3390

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201306971/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2013, kenmerk 951, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/943
JM 2014/143 met annotatie van R. van Bommel

Uitspraak

201306971/1/R2.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Montfoort,

2. [appellant sub 2], wonend te Montfoort,

3. [appellant sub 3] en anderen, allen wonend te Montfoort,

4. [appellant sub 4], wonend te Montfoort,

5. [appellante sub 5A], [appellant sub 5B] en [appellant sub 5C] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), gevestigd respectievelijk beiden wonend te Montfoort,

6. de stichting Stichting G. Ribbius Peletier jr. tot Behoud van het Landgoed Linschoten, gevestigd te Utrecht,

7. de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord, gevestigd te Zwolle,

8. [appellant sub 8], wonend te Montfoort,

9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te Montfoort,

10. [appellant sub 10], thans de curator in zijn faillissement mr. K. van de Peppel,

11. [appellant sub 11], wonend te Montfoort,

12. het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden,

en

de raad van de gemeente Montfoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2013, kenmerk 951, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 9], de curator en [appellant sub 11] hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A], Restaurant De Schans en [belanghebbende B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 en 24 juni 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door ing. G.C.M. Verkleij, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P. de Vries, [appellant sub 4], bijgestaan door mr. J.H. Hartman en ing. G.C.M. Verkleij, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. J.J.M. van Lint, advocaat te Sassenheim, de Stichting, vertegenwoordigd door ing. J.G. van der Linden, LTO Noord, vertegenwoordigd door mr. L.J. van Pelt, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. J.M. Stedelaar, [appellanten sub 9] en de curator, bijgestaan onderscheidenlijk vertegenwoordigd door ing. G.C.M. Verkleij, [appellant sub 11], bijgestaan door mr. Z.M. Nasir, advocaat te Naaldwijk en ing. G.C.M. Verkleij, het Hoogheemraadschap, vertegenwoordigd door R.S.P. Plaizier en ir. E.J. van der Werf, beiden werkzaam bij het waterschap, en de raad, vertegenwoordigd door drs. M.A.G. Dingemans en A. den Braven, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting als partij gehoord [belanghebbende A], bijgestaan door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht en C.G.J. van den Oosten, Restaurant De Schans, vertegenwoordigd door [eigenaar], bijgestaan door ing. G.C.M. Verkleij, en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door ing. G.C.M. Verkleij.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Planbeschrijving

2. Het plan voorziet in een uniform juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de gemeente Montfoort. Het plan is conserverend van aard.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover aan de gronden ter plaatse van de twee bedrijfswoningen aan de voorzijde van het perceel [locatie 1] niet de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsluitend bedrijfswoning" is toegekend. [appellant sub 1] voert aan dat in de Nota van zienswijze bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (hierna: de nota van zienswijzen) is vermeld dat deze aanduiding wordt toegevoegd, maar dat deze wijziging niet in de verbeelding is verwerkt.

3.1. In de verbeelding is weergegeven dat aan de gronden ter plaatse van de twee bedrijfswoningen aan de voorzijde van het perceel [locatie 1] de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "bouwvlak" is toegekend.

3.2. In de nota van zienswijzen is vermeld dat de verbeelding wordt aangepast, in die zin dat ter plaatse van de twee bedrijfswoningen aan de voorzijde van het perceel [locatie 1] de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsluitend bedrijfswoning" wordt opgenomen. De raad heeft ter zitting erkend dat het de bedoeling was dat de aanduiding zou worden opgenomen maar dit per abuis niet is gebeurd. Nu blijkens de verbeelding aan de gronden ter plaatse van de twee bedrijfswoningen aan de voorzijde van het perceel [locatie 1] niet de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsluitend bedrijfswoning" is toegekend, terwijl uit de nota van zienswijzen en het verhandelde ter zitting volgt dat de raad dit uitdrukkelijk heeft beoogd, moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

3.3. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover aan de gronden ter plaatse van de twee bedrijfswoningen aan de voorzijde van het perceel [locatie 1] niet de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsluitend bedrijfswoning" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de planregeling voor de percelen Heeswijk 80, 82, 84 en 86.

[appellant sub 2] betoogt dat aan een groter gedeelte van deze percelen de bestemming "Wonen" had moeten worden toegekend. Volgens hem moet het toegekende vlak met de bestemming "Wonen" aan de achterzijde van de woningen tien meter ruimer zijn. [appellant sub 2] stelt dat bij de vaststelling van het voorgaande bestemmingsplan abusievelijk is uitgegaan van een onjuiste plankaart met daarop een te kort bestemmingsvlak en dat de raad dit heeft miskend.

[appellant sub 2] betoogt voorts dat aan het achterste gedeelte van de percelen ten onrechte de bestemming "Tuin" is toegekend. [appellant sub 2] acht een agrarische bestemming voor deze gronden wenselijker. [appellant sub 2] voert aan dat de bouwmogelijkheden binnen de bestemming "Tuin" zullen leiden tot een verrommeling van het landschap.

[appellant sub 2] betoogt tot slot dat alle bestaande bouwwerken op de gronden met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" in de verbeelding hadden moeten worden aangeduid. Hij acht dit met oog op de rechtszekerheid wenselijk.

4.1. Volgens de raad is het vlak met de bestemming "Wonen" overgenomen uit het voorgaande bestemmingsplan. De raad acht het niet wenselijk om de bestemming "Wonen" te verruimen, omdat dit volgens hem gelet op de bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zal leiden tot een aantasting van de openheid van het gebied. Volgens de raad is het achterste gedeelte van de percelen in gebruik als tuin, zodat de bestemming "Tuin" recht doet aan de huidige feitelijke situatie.

4.2. In de verbeelding is weergegeven dat aan de gronden ter plaatse van de woningen Heeswijk 80, 82, 84 en 86 en aan de gronden hier direct achter de bestemming "Wonen" en de aanduiding "bouwvlak" is toegekend. Voorts is aan de achterste gedeelten van de percelen Heeswijk 80, 82, 84 en 86 de bestemming "Tuin" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.27, van de planregels, wordt onder erf verstaan een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Ingevolge artikel 21, lid 21.1, zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuin en erven;

b. toegangspaden;

c. opstelplaatsen, uitsluitend ter plaatse van toegangspaden;

d. paardenbakken ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden met de bijbehorende voorzieningen in de vorm van longeercircels en carrousels;

[…]

g. ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen": voor bestaande bijgebouwen ten dienste van de bestemming "Wonen";

h. bij deze bestemming behorende groen, water en verhardingen.

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, met bijbehorende bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen van de woning en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 24.2, mogen op de voor "Wonen" aangewezen gronden uitsluitend worden gebouwd woningen, met daarbij behorende bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat:

a. per bouwvlak mag ten hoogste één woning worden gebouwd, tenzij op de plankaart een ander aantal is aangegeven met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden";

b. woningen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd,

bij- en aanbouwen mogen ook buiten een bouwvlak gebouwd worden;

[…].

4.3. Op de plankaart van het voorgaande bestemmingsplan, bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort" uit 2000, is weergegeven dat aan de gronden ter plaatse van de woningen Heeswijk 80, 82, 84 en 86 en aan de gronden hier direct achter de bestemming "Woondoeleinden" is toegekend. Aan de achterste gedeelten van de percelen Heeswijk 80, 82, 84 en 86 is voorts de bestemming "Agrarische doeleinden, rivierzone" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Agrarische doeleinden, rivierzone" bestemd voor volwaardige veehouderijbedrijven, fruitteelt-, sierteelt-, en tuinbouwbedrijven alsmede voor akkerbouwbedrijven en intensieve veehouderijbedrijven uitsluitend als neventak.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, zijn de gronden op de kaart aangegeven voor "Woondoeleinden" bestemd voor wonen.

4.4. De Afdeling stelt vast dat het in de verbeelding van het plan opgenomen vlak met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de percelen Heeswijk 80, 82, 84 en 86 overeenkomt met het vlak met de bestemming "Woondoeleinden" op de plankaart van het voorgaande bestemmingsplan.

Voorts is niet in geschil dat de aansluitend aan dit vlak liggende achterste gedeelten van deze percelen feitelijk in gebruik zijn als tuin en de achter de percelen liggende gronden als landbouwgronden. Daargelaten de vraag of bij de vaststelling van het vorige bestemmingsplan van een onjuiste plankaart is uitgegaan, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat verruiming van de bestemming "Wonen" niet wenselijk is omdat dit de openheid van het gebied aantast, niet onredelijk. De raad heeft in dit verband in aanmerking kunnen nemen dat bij uitbreiding van de bestemming "Wonen" op de desbetreffende gronden aan- en bijgebouwen kunnen worden opgericht en bij toekenning van de aanduiding "bouwvlak" zelfs woningen. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van de door [appellant sub 2] gewenste verruiming van de bestemming "Wonen". Het betoog faalt.

4.5. De Afdeling stelt voorts vast dat het achterste gedeelte van de percelen Heeswijk 80, 82, 84 en 86 in het voorgaande bestemmingsplan was bestemd voor agrarisch gebruik en in het plan als tuin. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen anderen bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft in dit geval aansluiting gezocht bij het feitelijke gebruik van de gronden. Nu de gronden in de huidige situatie in gebruik zijn als tuin, heeft de raad de bestemming "Tuin" in redelijkheid passend kunnen achten. [appellant sub 2] heeft weliswaar te kennen gegeven dat hij een agrarische bestemming wenselijker acht, maar hij heeft niet gesteld noch aannemelijk gemaakt dat de gronden binnen de planperiode als zodanig in gebruik zullen worden genomen. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Tuin" gelet op de in artikel 21, lid 21.1, van de planregels opgenomen bouwmogelijkheden niet zal leiden tot een ernstige verrommeling van het landschap. Voor zover [appellant sub 2] heeft beoogd te betogen dat ook de in artikel 1, lid 1.27, van de planregels opgenomen definitie van het begrip "erf" hiertoe zal leiden, overweegt de Afdeling dat dit niet het geval kan zijn nu deze definitiebepaling niet voorziet in zelfstandige bouwmogelijkheden. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" betreffende het achterste deel van de percelen Heeswijk 80, 82, 84 en 86 niet in redelijkheid in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Dit betoog faalt.

4.6. Niet is betwist door [appellant sub 2] dat de op de percelen Heeswijk 80, 82, 84 of 86 aanwezige hoofd- en bijgebouwen als zodanig zijn bestemd. De Afdeling begrijpt zijn betoog aldus, dat volgens [appellant sub 2] alle bouwwerken met het oog op de rechtszekerheid in de verbeelding hadden moeten worden aangeduid. Ingevolge artikel 24.2, aanhef en onder b, van de planregels, zijn ter plaatse van de gronden met de bestemming "Wonen" woningen binnen het bouwvlak toegestaan en bij- en aanbouwen tevens daarbuiten. Ingevolge artikel 21.1, aanhef en onder f, zijn op de voor "Tuin" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen" bijgebouwen toegestaan. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze planregeling leidt tot een rechtsonzekere situatie. Het betoog faalt.

4.7. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

5. [appellant sub 3] en anderen richten zich tegen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbreker" voor een gedeelte van het perceel IJsselveld 1b en tegen artikel 7, lid 7.1, onder r, van de planregels. Zij stellen dat het gebruik van deze gronden voor een puinbreker weliswaar reeds bij omgevingsvergunning is toegestaan, maar dat dit gebruik daarbij is beperkt tot maximaal 12 dagen per jaar en een jaarcapaciteit van maximaal 16.000 ton. Zij voeren aan dat nu deze beperkingen niet in het plan zijn opgenomen, het gebruik van een puinbreker gedurende het hele jaar met een jaarcapaciteit tot meer dan 100.000 ton is toegestaan en dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan niet heeft aangetoond.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij heeft beoogd om het gebruik waarin voornoemde omgevingsvergunning voorziet, planologisch vast te leggen.

5.2. In de verbeelding is weergegeven dat aan het perceel IJsselveld 1b de bestemming "Bedrijf" is toegekend. Ook is aan dit perceel de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - zand en grindhandel" en deels de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbreker" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder r, van de planregels, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbreker" tevens bestemd voor een puinbreker.

5.3. Bij besluit van 28 juli 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in verbinding met artikel 12, lid 12.6, van de voorschriften van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied", een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van een mobiele puinbreker op een gedeelte van het perceel IJsselveld 1b voor maximaal 12 dagen per jaar gedurende de dagperiode met een jaarcapaciteit van maximaal 16.000 ton. Het plan laat op dit perceelsgedeelte het gehele jaar door, zonder maximale jaarcapaciteit, het gebruik van een puinbreker toe. Dit gebruik, voor zover dat meer dan 12 dagen per jaar en/of met een jaarcapaciteit van meer dan 16.000 ton plaatsvindt, betreft een ontwikkeling die niet was voorzien in voornoemde vergunning. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij een dergelijke uitbreiding van het gebruik van de puinbreker niet wenselijk acht en hij heeft erkend dat in het plan op enige wijze een beperking had dienen te worden opgenomen. Nu is gebleken dat de raad heeft nagelaten om de ruimtelijke aanvaardbaarheid te beoordelen van de ontwikkeling waarin het plan voorziet en de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

5.4. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbreker" ter plaatse van het perceel IJsselveld 1b en artikel 7, lid 7.1, onder r, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 4]

Veldschuur

6. Het beroep van [appellant sub 4] heeft betrekking op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" en ten dele de aanduiding "bouwvlak" betreffende het perceel [locatie 2].

[appellant sub 4] betoogt dat de op dit perceel aanwezige veldschuur aan de Willeskop ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Volgens hem dienen alle schuren binnen het bouwvlak te worden opgenomen.

6.1. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de bedoelde veldschuur wel als zodanig had moeten worden bestemd. De raad heeft toegelicht dat hij het, vanwege de afgezonderde ligging van de schuur aan de weg, passend acht om aan de gronden ter plaatse van de veldschuur de aanduiding "bijgebouw" toe te kennen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

Paardenbak

7. [appellant sub 4] betoogt voorts dat de op het perceel aanwezige paardenbak ten onrechte niet als zodanig is bestemd. [appellant sub 4] voert daartoe aan dat deze voorziening noodzakelijk is voor de productiegerichte paardenhouderij die hij op het perceel exploiteert. [appellant sub 4] betoogt verder dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nu meerdere paardenbakken in de omgeving wel als zodanig zijn bestemd.

7.1. Volgens de raad is de paardenbak illegaal. In verband met een handhavingszaak, over het gebruik van het perceel voor de handel in paarden hetgeen de raad onwenselijk acht, is deze niet als zodanig bestemd in het plan.

7.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch - Rivierzone" aangewezen gronden bestemd voor hobbymatige en productiegerichte paardenhouderijen met de bijbehorende voorzieningen.

Ingevolge lid 4.4.1, onder a, zijn paardenbakken ten behoeve van het houden van paarden uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan, met uitzondering van dergelijke paardenbakken ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - paardenbak".

7.3. Niet in geschil is dat voor de paardenbak geen bouw- of omgevingsvergunning is verleend. Dit neemt niet weg dat de raad bij de vaststelling van het plan diende te beoordelen of de aanwezigheid van de paardenbak vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niettemin aanvaardbaar is. In dit verband acht de Afdeling van belang dat de raad de exploitatie van een productiegerichte paardenhouderij door [appellant sub 4] op het perceel op zichzelf aanvaardbaar acht. De raad heeft bovendien ter zitting gesteld dat hij een paardenbak als een noodzakelijke voorziening voor een paardenhouderij beschouwt, nu een paardenbak nodig is voor het africhten en trainen van paarden. De raad heeft evenwel niet onderbouwd waarom een regeling in het plan voor de paardenbak vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is. Naar het oordeel van de Afdeling is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt.

Conclusie

8. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" ter plaatse van de veldschuur op het perceel [locatie 2], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts grond voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" ter plaatse van de paardenbak op het perceel [locatie 2], niet berust op een deugdelijke motivering.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wat deze onderdelen betreft wegens strijd met artikel 3:2 onderscheidenlijk 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 5]

Zeilmakerij [locatie 3]

9. [appellant sub 5], voor zover het betreft [appellante sub 5A], betoogt dat ten onrechte persoonsgebonden overgangsrecht is opgenomen voor het gebruik van de gebouwen op het perceel [locatie 3] als zeilmakerij. Zij voert aan dat de raad heeft nagelaten te voorzien in een passende planregeling, waarbij ook rekening wordt gehouden met haar belangen, welke tevens zijn gelegen in het uitbreiden van de zeilmakerij en een eventuele verkoop van het bedrijf. Zij acht een positieve bestemming gerechtvaardigd. Zij betoogt dat het plan in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld, omdat het college van burgemeester en wethouders bij brief van 1 februari 2011 heeft toegezegd dat een bedrijfsbestemming zou worden toegekend. Zij betoogt dat ook het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nu [belanghebbende C] wel als zodanig is bestemd.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik als zeilmakerij onder het algemene gebruiksovergangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan is komen te vallen. Nu dit gebruik niet nogmaals onder dit overgangsrecht mag worden gebracht, maar het als zodanig bestemmen van het gebruik ruimtelijk niet gewenst is, heeft de raad het betreffende gebruik onder persoonsgebonden overgangsrecht gebracht. De raad stelt dat het als zodanig bestemmen van het gebruik niet wenselijk is omdat zijn beleid erop is gericht de vestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied tegen te gaan. Door het gebruik onder het persoonsgebonden overgangsrecht te brengen blijft de huidige situatie bestaan voor de bestaande gebruiker zodat geen sprake is van een onevenredige beperking van diens belangen, aldus de raad.

9.2. Ingevolge artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) kan, indien toepassing van het overeenkomstig artikel 3.2.2 van het Bro in het plan opgenomen gebruiksovergangsrecht zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan gronden en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, de gemeenteraad met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan persoonsgebonden overgangsrecht opnemen.

9.3. In de verbeelding is weergegeven dat aan het perceel [locatie 3] de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" met ten dele de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van agrarisch - persoonsgebonden overgangsrecht" is toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch - Rivierzone" aangewezen gronden bestemd voor volwaardige agrarische bedrijven, fruitteelt-, sierteelt- en tuinbouwbedrijven.

Ingevolge artikel 43, lid 43.2, aanhef en onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge lid 43.3.1, geldt voor de gebouwen ter plaatse van de aanduiding " specifieke vorm van agrarisch - persoonsgebonden overgangsrecht" dat deze gebouwen in strijd met het bestemmingsplan in gebruik zijn genomen als zeilmakerij. Dit gebruik mag worden voortgezet door diegene die de gebouwen gebruikt als zeilmakerij ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan. Uitbreiding van de bestaande gebouwen is niet toegestaan. Zodra het gebruik van de gebouwen als zeilmakerij door de bestaande gebruiker wordt beëindigd, vervalt het recht op het gebruik van deze gebouwen als zeilmakerij. Als bestaande gebruiker wordt aangemerkt de rechtspersoon die op het moment van het van kracht worden van deze regels in het kadaster als eigenaar en/of gebruiker van de gronden, waarop de gebouwen zich bevinden, staat ingeschreven.

9.4. Aan het perceel [locatie 3] was in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort, 1e herziening" uit 2009 de bestemming "Agrarische doeleinden, rivierzone" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de voorschriften van dit bestemmingsplan, zijn de op de kaart voor "Agrarische doeleinden, rivierzone" aangewezen gronden bestemd voor volwaardige veehouderijbedrijven, fruitteelt-, sierteelt- en tuinbouwbedrijven.

Ingevolge artikel 34, mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt worden voortgezet of gewijzigd mits daardoor de bestaande afwijkingen van het plan naar aard en/of intensiteit niet worden vergroot.

9.5. Over het betoog dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan zou voorzien in het gebruik van de gebouwen op het perceel [locatie 3] als zeilmakerij. Voor zover in dit verband op een toezegging van het college van burgemeester en wethouders is gewezen, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

9.6. Over de gemaakte vergelijking met [belanghebbende C] wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijn de situatie nu ten behoeve van dit bedrijf eerder een vrijstelling is verleend die in het plan is overgenomen. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Dit betoog faalt.

9.7. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de gebouwen op het perceel [locatie 3] in 2001 in gebruik zijn genomen als zeilmakerij. Nu de gebouwen ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort, 1e herziening" uit 2009 als zeilmakerij in gebruik waren, is dit gebruik gelet op hetgeen is bepaald in artikel 34 van de voorschriften van het voorgaande bestemmingsplan onder het algemene gebruiksovergangsrecht van dat bestemmingsplan gevallen.

De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit gebruik, zonder nadere regeling, gelet op het bepaalde in artikel 43, lid 43.2, aanhef en onder a, van de planregels, wederom onder het algemene gebruiksovergangsrecht zou komen te vallen in dit plan, en dat dit slechts onder bijzondere omstandigheden is toegestaan. Voorts acht de Afdeling het standpunt van de raad dat het vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is het gebruik als zodanig te bestemmen, niet onredelijk. Daarbij heeft de raad zijn beleid, dat erop is gericht de vestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied tegen te gaan, in aanmerking kunnen nemen.

De Afdeling begrijpt het betoog verder aldus dat de raad in overweging had moeten nemen of een zogenoemde uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 22 augustus 2012 in zaaknr. 201101467/1/R2 had het op de weg van de raad gelegen om te overwegen of in het voorliggende plan voor het onderhavige geval een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen in plaats van persoonsgebonden gebruiksovergangsrecht. Een dergelijke uitsterfregeling kan bijvoorbeeld inhouden dat de zeilmakerij als zodanig wordt bestemd, maar dat op het moment dat het gebruik als zeilmakerij wordt beëindigd, dit hierna niet meer is toegelaten. Een dergelijk uitsterfregeling is niet persoonsgebonden en biedt meer rechtszekerheid. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of in het onderhavige geval in het plan een uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen, berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

De Afdeling overweegt ten overvloede dat persoonsgebonden overgangsrecht uitsluitend aan natuurlijke personen kan worden toegekend en niet aan een rechtspersoon zoals in artikel 43, lid 43.3.1, van de planregels.

Bouwvlakken [locatie 3] en [locatie 4]

10. [appellant sub 5], voor zover het betreft [appellante sub 5A] en [appellant sub 5C], betoogt voorts dat de bouwvlakken ter plaatse van de percelen [locatie 3] en [locatie 4] ten onrechte ten opzichte van het ontwerpplan zijn verkleind aan de westzijde. Zij voert aan dat verkleining van de bouwvlakken niet nodig is om het door de raad daarmee beoogde doel te bereiken. Zij stelt voorts dat de bouwvlakken met ongeveer vijf meter zijn versmald, terwijl de raad maar een verkleining van drie meter heeft beoogd.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij heeft beoogd om de bouwvlakken ter plaatse van de percelen [locatie 3] en [locatie 4] aan de westzijde met drie meter te verkleinen. De raad stelt dat dit in feite geen wijzigingen met zich brengt, nu de realisatie van gebouwen op een afstand korter dan drie meter van de perceelsgrens niet is toegestaan op grond van de planregels.

10.2. Zoals in overweging 9.3 reeds is vermeld, is aan het perceel [locatie 3] de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" met ten dele de aanduiding "bouwvlak" toegekend. In de verbeelding is weergegeven dat aan het perceel [locatie 4] eveneens de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" met ten dele de aanduiding "bouwvlak" is toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, onder e, van de planregels, bedraagt de afstand van gebouwen ten opzichte van een perceelsgrens ten minste drie meter.

Ingevolge lid 4.3.3, onder e, zijn kuilplaten uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan.

10.3. In de nota van zienswijzen is vermeld dat [belanghebbende A] er bezwaar tegen heeft dat het bouwvlak ter plaatse van de percelen [locatie 3] en [locatie 4] grenst aan het perceel [locatie 5]. Dit betekent immers dat bebouwing mogelijk is binnen twee meter van de erfgrens. Als reactie hierop is in de nota van zienswijzen vermeld dat in de planregels is voorgeschreven dat gebouwen op een afstand van drie meter van de perceelsgrens opgericht dienen te worden. Het bouwvlak van de percelen [locatie 3 en 4] wordt daarom aan de westzijde met drie meter versmald, omdat op deze strook het oprichten van gebouwen toch niet mogelijk is.

10.4. Blijkens de planverbeelding bedraagt de afstand tussen de gronden met de aanduiding "bouwvlak" ter plaatse van de percelen [locatie 3] en [locatie 4] en het perceel [locatie 5] ongeveer vijf meter. Uit de nota van zienswijzen en het verhandelde ter zitting volgt dat de raad uitdrukkelijk heeft beoogd te voorzien in een afstand van drie meter. Voorts is gebleken dat de beoogde verkleining van de bedoelde bouwvlakken volgens de raad geen wijzigingen met zich brengt nu ingevolge artikel 4, lid 4.2.2, onder e, van de planregels, de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens reeds drie meter dient te bedragen. [appellant sub 5C] heeft ter zitting toegelicht dat de beoogde verkleining van drie meter evenwel als gevolg heeft dat ter plaatse van deze gronden geen kuilplaten meer zijn toegelaten en dat hij hier nadeel van ondervindt. De raad heeft dit miskend. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het plan, voor zover dit betrekking heeft op de gronden tussen de bouwvlakken ter plaatse van de percelen [locatie 3] en [locatie 4] en het perceel [locatie 5], is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

[locatie 6]

11. [appellant sub 5], voor zover het betreft [appellant sub 5B], betoogt verder dat de woning [locatie 6] ten onrechte als agrarische bedrijfswoning is bestemd. Hij stelt dat de woning conform het huidige gebruik als burgerwoning dient te worden bestemd of als niet-agrarische bedrijfswoning. Dit zal volgens hem geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van de melkrundveehouderij op het perceel [locatie 4], nu deze onder het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit milieubeheer) valt en niet vergunningplichtig is.

11.1. Volgens de raad is de woning [locatie 6] opgericht als tweede bedrijfswoning bij de melkrundveehouderij die op het perceel [locatie 4] is gevestigd. Het niet als zodanig bestemmen van de woning leidt wel degelijk tot een aantasting van de bedrijfsvoering van de melkrundveehouderij, aldus de raad.

11.2. Ook de woning [locatie 6] maakt deel uit van het onder 10.2 vermelde agrarisch bouwperceel [locatie 4] waaraan de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" met de aanduiding "bouwvlak" is toegekend. Daaraan is ook de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend.

Artikel 4, lid 4.2.4, van de planregels, luidt als volgt:

a. binnen een bouwvlak is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "wonen uitgesloten" geen bedrijfswoningen mogen worden gebouwd;

b. in afwijking van het bepaalde in dit lid onder a zijn ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" tevens de ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpplan aanwezige, overige bedrijfswoningen toegestaan.

11.3. Niet in geschil is dat de woning [locatie 6] als agrarische bedrijfswoning is opgericht. De woning was in het vorige bestemmingsplan niet als burgerwoning of als niet-agrarische bedrijfswoning bestemd. De raad heeft het uitgangspunt gehanteerd dat zodanige woningen als burgerwoning of als niet-agrarische bedrijfswoning kunnen worden bestemd, mits dit niet leidt tot een belemmering van de bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval sprake is van een dergelijke belemmering. De raad heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat het feit dat de op het perceel [locatie 4] aanwezige melkrundveehouderij niet vergunningplichtig is, onverlet laat dat dit bedrijf onder het Activiteitenbesluit milieubeheer valt en dientengevolge aan de hierin opgenomen normen moet voldoen. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het toekennen van de gewenste bestemming ertoe zou leiden dat de woning [locatie 6] aangemerkt moet worden als gevoelig object, waardoor het bedrijf niet meer aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer zou kunnen voldoen. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid ervan kunnen afzien om de woning [locatie 6] te bestemmen als burgerwoning dan wel als niet-agrarische bedrijfswoning. Het betoog faalt.

Conclusie

12. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - persoonsgebonden overgangsrecht" ter plaatse van het perceel [locatie 3], niet berust op een deugdelijke motivering.

In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts grond voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dit betreking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" ter plaatse van de gronden tussen de bouwvlakken op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] en het perceel [locatie 5], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wat deze onderdelen betreft wegens strijd met artikel 3:46 onderscheidenlijk 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van de Stichting

13. De Stichting kan zich niet verenigen met het plan, voor zover aan de gronden ter plaatse van de buitenplaats en de beheerderswoning op het Landgoed Linschoten (hierna: het landgoed) niet de dubbelbestemming "Waarde - Landgoed" is toegekend. De Stichting voert aan dat in de nota van zienswijzen is vermeld dat deze dubbelbestemming wordt toegevoegd, maar dat deze wijziging niet in de verbeelding is verwerkt.

13.1. In de verbeelding is weergegeven dat aan de gronden ter plaatse van de buitenplaats de bestemming "Buitenplaats" is toegekend. Aan de gronden ter plaatse van de beheerderswoning is de bestemming "Wonen" toegekend.

13.2. In de nota van zienswijzen is vermeld dat de verbeelding wordt aangepast, in die zin dat ter plaatse van het volledige landgoed de dubbelbestemming "Waarde - Landgoed" wordt opgenomen. De raad heeft ter zitting erkend dat het de bedoeling was dat de dubbelbestemming ook zou worden opgenomen ter plaatse van de op het landgoed aanwezige buitenplaats en beheerderswoning, maar dat dit per abuis niet is gebeurd.

Nu blijkens de verbeelding aan de gronden ter plaatse van de buitenplaats en de beheerderswoning niet de dubbelbestemming "Waarde - Landgoed" is toegekend, terwijl uit de nota van zienswijzen en het verhandelde ter zitting volgt dat de raad dit uitdrukkelijk heeft beoogd, moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

13.3. In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover aan de gronden ter plaatse van de buitenplaats en de beheerderswoning op het landgoed niet de dubbelbestemming "Waarde - Landgoed" is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van LTO Noord

14. LTO Noord kan zich niet verenigen met het plan, voor zover in de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheden is bepaald dat een agrarisch bouwvlak kan worden uitgebreid tot maximaal 1,5 hectare.

LTO Noord betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft voorzien in de mogelijkheid om een agrarisch bouwvlak uit te breiden tot 2,5 hectare. Volgens LTO Noord staat de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2013 (hierna: PRV) hier niet aan in de weg. LTO Noord voert voorts aan dat een oppervlakte van ten hoogste 1,5 hectare onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt voor agrarische bedrijven. Dit is verder niet in overeenstemming met het uitgangspunt om flexibiliteit op te nemen in de planregeling, aldus LTO Noord.

14.1. Volgens de raad is in de wijzigingsbevoegdheden opgenomen dat een agrarisch bouwvlak kan worden uitgebreid tot maximaal 1,5 hectare, nu in artikel 4.13, vierde lid, van de PRV is bepaald dat in deze oppervlakte mag worden voorzien. De raad stelt dat een maximum van 1,5 hectare voldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt en dat de planregeling voldoende flexibel is. De raad stelt voorts dat zich binnen de planperiode weinig situaties zullen voordoen waarin kan worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.13, vijfde lid, van de PRV, op grond waarvan kan worden uitgebreid tot 2,5 hectare en dat het in dergelijke gevallen de voorkeur verdient om middels een afzonderlijk bestemmingsplan maatwerk te bieden.

14.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.6.1, onder a, van de planregels, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen ten aanzien van het vergroten van een bouwvlak, indien dit in verband met een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling noodzakelijk is, met dien verstande dat:

1. de vergroting is afgestemd op de voorgenomen bedrijfsuitbreiding;

2. de bestaande bij het agrarisch bedrijf behorende bebouwing binnen de gewijzigde grenzen van het bouwvlak gelegen blijft;

3. het grondoppervlak van het bouwvlak ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

4. de uitbreiding van het bouwvlak voorzien is van een landschappelijk inpassingsplan.

Artikel 4, lid 4.1.1, onder a, van de planregels luidt hetzelfde. Ook artikel 5, lid 5.5, van de planregels, alsmede artikel 6, lid 6.6.1, onder a, van de planregels, luiden hetzelfde, met dien verstande dat in deze artikelen nog een extra voorwaarde is opgenomen.

14.3. Ingevolge artikel 4.13, vierde lid, van de PRV kan een ruimtelijk plan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in een maximale oppervlaktemaat van 1,5 hectare bouwperceel ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven. Hierbij is per bouwperceel een bedrijfswoning toegestaan en is binnen de agrarische bouwpercelen verbreding van de agrarische activiteiten mogelijk. Van de maximale oppervlaktemaat van 1,5 hectare kan afgeweken worden tot maximaal 2,5 hectare als dit noodzakelijk is voor plaatsing van gebouwen, bouwwerken voor het opwekken van duurzame energie.

Ingevolge het vijfde lid kan een ruimtelijk plan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel tot maximaal 2,5 hectare voor bestaande grondgebonden veehouderijen en in een landbouwontwikkelingsgebied ook voor bestaande niet-grondgebonden veehouderijen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. waar de uitbreiding plaatsvindt in waterbergingsgebieden, mag het belang van de waterwinning niet aangetast worden;

b. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing;

c. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn;

d. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting;

e. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.

14.4. In de nota "Bestemmingsplan Buitengebied Montfoort. Inventarisatie en uitgangspunten" van 29 maart 2011 is opgenomen dat de afgelopen jaren is gebleken dat bedrijfsuitbreidingen niet altijd passen binnen een aangeduid bouwvlak. Voorts is vermeld dat in het plan uit een oogpunt van flexibiliteit een wijzigingsbevoegdheid wordt opgenomen met toepassing waarvan een bouwvlak tot maximaal 2 hectare kan worden uitgebreid. De raad heeft toegelicht dat hij de maximale omvang van het bouwvlak heeft beperkt omdat nadien op 4 februari 2013 de PRV in werking is getreden en in artikel 4.13, vierde lid, is bepaald dat in een oppervlakte van 1,5 hectare mag worden voorzien. In hetgeen LTO Noord heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan door het maximum van 1,5 hectare onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt voor agrarische bedrijven. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat LTO Noord weliswaar heeft gesteld dat deze ontwikkelruimte onvoldoende is, maar geen concrete situaties heeft benoemd waarin dit het geval is. LTO Noord heeft niet aannemelijk gemaakt dat de stelling van de raad, dat binnen de planperiode weinig situaties zullen voordoen waarin kan worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.13, vijfde lid, van de PRV, onjuist is. Voorts neemt de omstandigheid dat niet is voorzien in de mogelijkheid om een agrarisch bouwvlak tot 2,5 hectare uit te breiden, niet weg dat met toepassing van de wijzigingsbevoegdheden die in het plan zijn opgenomen flexibiliteit kan worden geboden. Het betoog faalt.

14.5. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

15. [appellant sub 8] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)", grenzend aan de achterzijde van zijn perceel [locatie 7] te Montfoort. [appellant sub 8] vreest dat de aan het perceel toegekende bestemming zal leiden tot overlast in de vorm van bebouwing en gebruik, en betoogt dat dit door de raad niet in de belangenafweging is betrokken. Voorts is [appellant sub 8] niet gebleken dat rekening is gehouden met de landschappelijke inpassing, de invloed van de ontwikkelingen waarin de bestemming voorziet op de flora en fauna, of cultuurhistorische aspecten in overweging zijn genomen en of de gevolgen van de voorziene ontwikkelingen voor het verkeer, het parkeren en geluid is bezien. Hij betoogt voorts dat het besluit gebrekkig is gemotiveerd, nu in de Nota van zienswijzen slechts verwezen wordt naar de Totaalvisie Montfoort 2030, zoals vastgesteld door de raad op 12 december 2011. Volgens [appellant sub 8] is de toegekende bestemming in strijd met dit beleid en met provinciale beleidsuitgangspunten.

15.1. De raad stelt dat de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)" aan de betreffende gronden is toegekend, vanwege de ligging hiervan in de nabijheid van de Hollandse IJsselzone waar goede kansen liggen voor recreatie. De raad verwijst in dit verband naar de Totaalvisie, waarin vermeld staat dat de zone langs de Hollandse IJssel geoptimaliseerd moet worden tot een hoogwaardig landschappelijk en recreatief gebied.

15.2. Ingevolge artikel 19, lid 19.1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)" aangewezen gronden bestemd voor:

a. extensieve dagrecreatie;

b. verblijfsrecreatie, met uitzondering van recreatief nachtverblijf;

e. de bij deze bestemming behorende (ontsluitings)wegen, paden, parkeer- en nutsvoorziening, groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen.

15.3. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de raad de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)", die ingevolge artikel 19, lid 19.1, van de planregels onder meer voorziet in extensieve dagrecreatie en verblijfsrecreatie, op verzoek van eigenaar [belanghebbende B] aan de betreffende gronden toegekend om het recreatieve netwerk langs de Hollandsche IJssel te kunnen versterken. Gebleken is echter dat de eigenaar de gronden in gebruik wenst te nemen voor privédoeleinden en niet voor openbaar toegankelijke recreatie. De raad heeft ter zitting dan ook te kennen gegeven dat hij de bestemming voor de betreffende gronden nader dient te bezien. Voorts heeft de raad er in het bestreden besluit geen blijk van gegeven rekening te hebben gehouden met de belangen van [appellant sub 8]. Dat hiervan niet is gebleken klemt temeer nu gelet op de aard van de toegekende bestemming niet is uitgesloten dat de recreatieve activiteiten op het betreffende perceel gevolgen kunnen hebben voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 8]. Het plan is in zoverre dan ook vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

15.4. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)" ter plaatse van de gronden tussen de percelen [locatie 8 en 7] te Montfoort betreft, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

De overige beroepsgronden met betrekking tot dit plandeel behoeven derhalve geen bespreking meer.

De beroepen van [appellanten sub 9] en de curator

16. [appellanten sub 9] en de curator richten zich ertegen dat voor het gebruik van hun gebouwen als woning op respectievelijk de percelen [locatie 9] en [locatie 10] te Montfoort persoonsgebonden overgangsrecht is opgenomen. Volgens [appellanten sub 9] en de curator had het gebruik in het plan als zodanig moeten worden bestemd. Primair betogen zij, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2011, met zaak nr. 201011137/1/H1, dat nu het gebruik van het gebouw als woning past in de doeleindenomschrijving van de aan de percelen in het voorheen geldend plan toegekende bestemming "Woondoeleinden", het gebruik niet als strijdig met dat plan kan worden geacht. Subsidiair betogen zij dat het gebruik van de gebouwen als woning onder het algemene overgangsrecht van de voorheen geldende plannen viel, en het daarom in de rede lag het betreffende gebruik als zodanig te bestemmen. In dit verband wijzen zij erop dat het op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling niet is toegestaan gebruik meerdere keren onder het overgangsrecht brengen. Verder voeren [appellanten sub 9] en de curator aan dat in de Nota van zienswijzen ten aanzien van andere percelen is gesteld dat, omdat het gebruik onder het overgangsrecht viel, de gemeente niet anders kan dan het gebruik in het plan als zodanig te bestemmen.

Voorts wijzen zij erop dat als gevolg van het persoonsgebonden overgangsrecht, vertrek van de huidige huurder dan wel gebruiker ertoe zal leiden dat de woning niet meer door een andere huurder dan wel gebruiker in gebruik kan worden genomen. Zij vrezen voor de financiële schade die dit met zich zal brengen. De curator wijst er voorts op dat het betreffende gebouw op zijn perceel [locatie 10] te koop staat en dat het persoonsgebonden overgangsrecht ertoe leidt dat dit gebouw niet langer als woning verkocht kan worden. Ook voert hij aan dat aan het gebouw een huisnummer was toegekend, en dat voor het gebruik als woning van het gebouw regionale en gemeentelijke belastingen zijn geheven.

16.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het als zodanig bestemmen van de woningen in strijd is met zowel het gemeentelijk als het provinciaal beleid. Het feit dat aan het gebouw op [locatie 10] een huisnummer is toegekend, maakt dit niet anders. Daarom is voor het gebruik van beide gebouwen gekozen voor het opnemen van persoonsgebonden overgangsrecht.

16.2. Blijkens de verbeelding is aan zowel het gebouw aan [locatie 9] als aan het gebouw op [locatie 10] de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht" toegekend.

16.3. De Afdeling overweegt dat de raad bij het opstellen van het plan de relevante feiten dient vast te stellen en de nodige kennis dient te vergaren over de af te wegen belangen. Dit betekent dat de raad zich op de hoogte dient te stellen van de aard en omvang van bestaand gebruik en tevens of dit gebruik legaal of illegaal is, zodat een keuze gemaakt kan worden of een, en zo ja welke, regeling met betrekking tot het gebruik in het plan wordt opgenomen. Uit het bestreden besluit en het gestelde ter zitting is echter gebleken dat de raad zich bij de vaststelling van het plan, voor zover het de gebouwen op de percelen [locatie 9] en [locatie 10] betreft, niet op de hoogte heeft gesteld van de aard en omvang van het bestaand gebruik. De raad heeft reeds hierom gehandeld in strijd met de bij de voorbereiding van het besluit te betrachten zorgvuldigheid. De betogen slagen.

16.4. In hetgeen [appellanten sub 9] en de curator hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht (sw-pogr)" voor de percelen [locatie 9] en [locatie 10], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen zijn gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 11]

17. [appellant sub 11] richt zich ertegen dat op zijn percelen aan de [locatie 11 en 12] te Montfoort nog maar één bedrijfswoning is toegestaan. Hij betoogt dat het voorheen geldend bestemmingsplan ter plaatse in vier bedrijfswoningen voorzag, en dat de raad dit aantal ten onrechte heeft teruggebracht tot één. Hij voert hiertoe aan dat deze vier bedrijfswoningen nodig zijn gelet op de lopende plannen voor de revitalisering van het bedrijventerrein [locatie 11 en 12] en hij concrete plannen heeft tot het realiseren van de bedrijfswoningen. Verder voert hij aan dat sprake is van strijdigheid met de Nota van uitgangspunten "Bestemmingsplan Buitengebied Montfoort, Inventarisatie en uitgangspunten" (hierna: Nota), zoals die door de raad op 20 juni 2011 is vastgesteld. Ook zouden schriftelijke toezeggingen zijn gedaan dat het plan in vier bedrijfswoningen zou voorzien. Voorts doet hij met verwijzing naar het perceel Heeswijk 49 een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Daarnaast betoogt hij dat de aan de percelen toegekende bebouwingspercentages onduidelijk zijn, zodat het plan in zoverre niet rechtszeker is.

17.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet gebleken is dat noodzaak bestaat voor het realiseren van de bedrijfswoningen. De door [appellant sub 11] ingediende aanvragen voor omgevingsvergunningen voor de bouw van de bedrijfswoningen zijn om die reden afgewezen. De raad wijst er daarbij op dat voor de enige bedrijfswoning op het perceel waarvoor een bouwvergunning is verleend thans slechts de fundering is gerealiseerd. Verder stelt de raad dat hij het niet wenselijk acht meer bedrijfswoningen in het buitengebied te realiseren, omdat deze kunnen leiden tot beperkingen voor omliggende bedrijven. De raad stelt dat hij om die reden ook van het algemene uitgangspunt betreffende bestaande ongebruikte rechten zoals dat in de Nota staat opgenomen, is afgeweken. Voor zover [appellant sub 11] verwijst naar het perceel Heeswijk 49, stelt de raad dat dit een ander geval betreft nu het daar ging om het verwijderen van een bouwvlak als geheel.

Ten aanzien van het maximale bebouwingspercentage, stelt de raad dat in zoverre geen wijziging heeft plaatsgevonden ten opzichte van het voorheen geldend plan.

17.2. Blijkens de verbeelding is aan de percelen [locatie 11 en 12] één bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2.2, onder a, van de planregels, voor zover van belang, is per bouwvlak ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan.

Vaststaat dat op de percelen ten tijde van de vaststelling van het plan één bedrijfswoning in aanbouw was.

17.3. In de Nota staat als algemeen uitgangspunt onder meer genoemd dat bestaande, ongebruikte rechten worden gerespecteerd en als zodanig bestemd in het plan.

17.4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 30 april 2014, met zaak nr. 201303772/1/R2, is in het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Indien en voor zover een initiatief voldoende concreet en onderbouwd is en tijdig bekend is gemaakt bij het gemeentebestuur, vergt de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb dat het gemeentebestuur beziet of hieraan medewerking kan worden verleend.

Het gemeentebestuur heeft hieraan voldaan, nu het de initiatieven van [appellant sub 11] heeft beoordeeld op de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan, maar daarbij heeft geconcludeerd dat geen noodzaak tot de bouw van de bedrijfswoningen bestaat.

17.5. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De raad heeft toegelicht dat het gemeentelijk beleid erop is gericht het aantal bedrijfswoningen in het buitengebied te verminderen en de latente bedrijfswoningbouwcapaciteit ongedaan te maken. Reden hiervoor is dat bedrijfswoningen in het buitengebied kunnen leiden tot belemmeringen voor de bedrijfsvoering van de aanwezige bedrijven.

In overeenstemming met dit beleid heeft de raad het aantal mogelijke bedrijfswoningen op het perceel van [appellant sub 11] gereduceerd tot één. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Hetgeen [appellant sub 11] aanvoert, geeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de uitvoering van dit beleid zodanig onevenredige gevolgen voor [appellant sub 11] heeft dat de raad niet in redelijkheid aan de uitvoering van dit beleid vast heeft kunnen houden. Daarbij betrekt de Afdeling dat bij de vaststelling van het plan de initiatieven van [appellant sub 11] door het gemeentebestuur zijn beoordeeld en niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van noodzaak voor de bedrijfswoningen. In dit verband is van belang dat van de bedrijfswoning waarvoor in 2005 een bouwvergunning is verleend, ten tijde van de vaststelling van het plan slechts de fundering was gelegd. Voorts heeft de raad gelet op voornoemd beleid kunnen afwijken van het in de Nota opgenomen uitgangspunt dat van alle percelen in het plangebied de bestaande, ongebruikte rechten zullen worden gerespecteerd en als zodanig in het plan zullen worden bestemd. Voor zover [appellant sub 11] heeft gewezen op de brief van het college van burgemeester en wethouders van 7 november 2012 waarin toezeggingen zouden zijn gedaan over het handhaven van drie bouwvlakken op zijn perceel en daarmee meerdere bedrijfswoningen, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college, maar bij de raad. Hoewel de brief een zekere inspanningsverplichting voor het college met zich brengt, is de raad daaraan niet gebonden, te minder wegens voornoemde gewijzigde beleidsinzichten. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Verder is ten aanzien van de door [appellant sub 11] gemaakte vergelijking met het perceel Heeswijk 49 niet gebleken dat die situatie zodanig overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie, dat de raad om deze reden het plan niet heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

17.6. Ten aanzien van de aan de percelen toegekende bebouwingspercentages overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 1, lid 1.13, van de planregels wordt onder bebouwingspercentage verstaan het in het bestemmingsplan aangegeven percentage dat de grootte aangeeft van het deel van een bestemmingsplan, bouwperceel of bouwvlak dat maximaal mag worden bebouwd.

Blijkens de verbeelding zijn binnen het bouwvlak dat aan het perceel van [appellant sub 11] is toegekend drie verschillende percentages opgenomen, elk behorend bij een deel van het bouwvlak. Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee voldoende duidelijk voor welk deel van het bouwvlak welk maximum bebouwingspercentage geldt.

Het betoog faalt.

17.7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van het Hoogheemraadschap

18. Het Hoogheemraadschap richt zich tegen het niet opnemen van de (dubbel)bestemming "Waterstaat-waterkering (WS-WK)" voor de bestaande primaire, regionale en overige waterkeringen en de daarbij behorende zones in het plangebied. Hij voert daartoe aan dat met het niet toekennen van de bestemming de waterbelangen in het plan onvoldoende zijn geborgd. Het Hoogheemraadschap wijst in dit verband op artikel 2.11.2 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: het Barro), waaruit volgt dat primaire waterkeringen inclusief beschermingszones op de verbeelding van een bestemmingsplan moeten worden opgenomen.

18.1. Ingevolge artikel 2.11.2, eerste lid, van het Barro bevat een bestemmingsplan de bestemming "Waterkering" voor gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering hebben.

18.2. Vaststaat dat zich in het plangebied de primaire waterkering de Gekanaliseerde Hollandsche IJssel bevindt. Nu ingevolge artikel 2.11.2, eerste lid, van het Barro een bestemmingsplan de bestemming "Waterkering" bevat voor gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering hebben, heeft de raad door het niet toekennen van de bestemming "Waterstaat-waterkering (WS-WK)" of een daaraan gelijkwaardige bestemming aan de primaire waterkering in strijd gehandeld met dit artikel.

Voorts heeft de raad in het verweerschrift en ter zitting gesteld dat het toekennen van de door het Hoogheemraadschap gewenste bestemming "Waterstaat-waterkering (WS-WK)" geen extra belemmeringen zal opleveren voor het gebruik van de desbetreffende gronden, hetgeen voor de raad blijkens het bestreden besluit de reden was voor het niet-toekennen van deze bestemming aan de betreffende gronden. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

18.3. In hetgeen het Hoogheemraadschap heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarin niet de bestemming "Waterstaat-Waterkering (WS-WK)" aan de primaire waterkring is toegekend in strijd met artikel 2.11.2, eerste lid, van het Barro is vastgesteld, en voor zover deze bestemming niet aan de primaire, regionale en overige waterkeringen met de daarbij behorende zones is toegekend, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Opdracht

19. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen.

Proceskosten

20. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], de Stichting, [appellant sub 8], [appellanten sub 9] en de curator op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van het Hoogheemraadschap niet gebleken.

Ten aanzien van [appellant sub 2], LTO Noord en [appellant sub 11] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart gegrond de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 5], [appellant sub 5B] en [appellant sub 5C], de stichting Stichting G. Ribbius Peletier jr. tot Behoud van het Landgoed Linschoten, [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], K. van de Peppel, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellant sub 10] en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Montfoort van 11 maart 2013, kenmerk 951,

a. voor zover aan de gronden ter plaatse van de twee bedrijfswoningen aan de voorzijde van het perceel [locatie 1] niet de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - uitsluitend bedrijfswoning" is toegekend;

b. voor zover dit betrekking heeft op de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - puinbreker" ter plaatse van het perceel IJsselveld 1b en artikel 7, lid 7.1, onder r, van de planregels;

c. voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" ter plaatse van de veldschuur op het perceel [locatie 2];

d. voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" ter plaatse van de paardenbak op het perceel [locatie 2];

e. voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - persoonsgebonden overgangsrecht" ter plaatse van het perceel [locatie 3];

f. voor zover dit betreking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" ter plaatse van de gronden tussen de bouwvlakken op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] en het perceel [locatie 5];

g. voor zover aan de gronden ter plaatse van de buitenplaats en de beheerderswoning op het Landgoed Linschoten niet de dubbelbestemming "Waarde - Landgoed" is toegekend;

h. voor zover de bestemming "Recreatie-Dagrecreatie (R-DR)" ter plaatse van de gronden tussen de percelen [locatie 8 en 7] te Montfoort is toegekend;

i. voor zover dit betrekking heeft op de plandelen met de bestemming "Wonen (W)" en de aanduiding "specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht (sw-pogr)" ter plaatse van de percelen [locatie 9] en [locatie 10];

j. voor zover niet de bestemming "Waterstaat-Waterkering (WS-WK)" aan de primaire, regionale en overige waterkeringen met de daarbij behorende zones is toegekend;

III. draagt de raad van de gemeente Montfoort op om binnen 36 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit, voor zover dit onder II. is vernietigd, te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart ongegrond de beroepen van [appellant sub 2], de vereniging Land- en Tuinbouw Organisatie Noord en [appellant sub 11];

V. veroordeelt de raad van de gemeente Montfoort tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. aan [appellant sub 1] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellant sub 3] en anderen tot een bedrag van € 991,54 (zegge: negenhonderdéénennegentig euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. aan [appellant sub 4] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 5], [appellant sub 5B] en [appellant sub 5C] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. aan de stichting Stichting G. Ribbius Peletier jr. tot Behoud van het Landgoed Linschoten tot een bedrag van € 28,54 (zegge: achtentwintig euro en vierenvijftig cent);

f. aan [appellant sub 8] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. aan [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

h. aan K. van de Peppel, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellant sub 10], tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Geldermalsen vergoedt aan

a. [appellant sub 1],

b. [appellant sub 3] en anderen,

c. [appellant sub 4],

d. [appellant sub 8],

e. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B],

f. K. van de Peppel, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [appellant sub 10],

het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) elk;

en aan

g. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 5], [appellant sub 5B] en [appellant sub 5C],

h. de stichting Stichting G. Ribbius Peletier jr. tot Behoud van het Landgoed Linschoten,

i. het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden,

het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) ieder.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Jager, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. De Jager

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

694-704.