Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3387

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201306284/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Zaltbommel" (hierna: het plan) vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/187 met annotatie van D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6440

Uitspraak

201306284/1/R2.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Lucht Wegrestaurants B.V., gevestigd te Bruchem, gemeente Zaltbommel,

2. [appellant sub 2], wonend te Nederhemert, gemeente Zaltbommel,

3. [appellant sub 3], wonend te Delwijnen, gemeente Zaltbommel,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), beiden wonend te Zaltbommel,

5. [appellante sub 5], wonend te Poederoijen, gemeente Zaltbommel,

6. [appellante sub 6A] en [appellant sub 6B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), gevestigd respectievelijk wonend te Brakel, gemeente Zaltbommel,

7. [appellant sub 7], wonend te Aalst, gemeente Zaltbommel,

8. [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]), beiden wonend te Brakel, gemeente Zaltbommel,

9. [appellant sub 9], wonend te Bruchem, gemeente Zaltbommel,

10. [appellante sub 10], gevestigd te Zaltbommel,

11. [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]), beiden wonend te Bern, gemeente Zaltbommel,

12. [appellant sub 12], wonend te Poederoijen, gemeente Zaltbommel,

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Waalwaardwonen B.V., de commanditaire vennootschap Waalwaardwonen C.V. en de stichting Woonstichting De Kernen (hierna tezamen en in enkelvoud: Waalwaardwonen), allen gevestigd te Hedel, gemeente Maasdriel,

14. [appellant sub 14], wonend te Brakel, gemeente Zaltbommel,

en

de raad van de gemeente Zaltbommel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Zaltbommel" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben alle appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De Lucht Wegrestaurants B.V., [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 7], Waalwaardwonen en de raad hebben zienswijzen daarop naar voren gebracht.

De Lucht Wegrestaurants B.V., [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 11], [appellant sub 12], Waalwaardwonen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2014, waar De Lucht Wegrestaurants B.V., vertegenwoordigd door J.E. Martens en mr. A.M. Scharff, advocaat te Tiel, [appellant sub 2], bijgestaan door A. Moonen, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. D van de Weerdt, [appellant sub 4], bijgestaan door mr. G.H. Blom, [appellante sub 5], vertegenwoordigd door mr. J.A.J.M. van Houtum, [appellant sub 6], vertegenwoordigd door [appellant sub 6B] en mr. L.J. Gerritsen, advocaat te Nijmegen, [appellant sub 7], bijgestaan door mr. C.G.P. Goudriaan, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 14], [appellant sub 8], bijgestaan door mr. W. Krijger, [appellant sub 9], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, [appellant sub 10], vertegenwoordigd door W.J.W. van Eijk, advocaat te ’s-Hertogenbosch, [appellant sub 11], vertegenwoordigd door P. Smits, [appellant sub 12], Waalwaardwonen, vertegenwoordigd door M.H.A. Vrensen en mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door A.D. Sybesma en mr. F.A. Pommer, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Planbeschrijving

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de gemeente Zaltbommel, met uitzondering van de bebouwde kommen en de meest recente uitbreidingslocaties hiervan, de bedrijventerreinen en enkele deelgebieden.

Het beroep van De Lucht Wegrestaurants B.V.

3. De Lucht Wegrestaurants B.V. exploiteert een wegrestaurant op het perceel Rijksweg 2 te Bruchem. Zij kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor haar perceel. Zij stelt dat de raad ten onrechte het wegrestaurant heeft bestemd als ondergeschikte functie bij de hoofdbestemming "Bedrijf-Verkooppunt motorbrandstoffen". Voorts stelt zij dat de raad ten onrechte slechts het bestaande wegrestaurant heeft toegelaten. Zij wijst er op dat voor de andere toegelaten functies binnen de bestemming de toevoeging ‘bestaande’ niet is opgenomen. Volgens haar is bovendien op grond van de bestemmingsregeling niet duidelijk in hoeverre zij wordt beperkt in haar uitbreidingsmogelijkheden.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het wegrestaurant geen ondergeschikte functie is bij het verkooppunt voor motorbrandstoffen. Voorts stelt de raad dat alleen het bestaande wegrestaurant als zodanig is bestemd teneinde te waarborgen dat ter plaatse alleen het huidige wegrestaurant gevestigd kan blijven en te voorkomen dat er een nieuw wegrestaurant bijkomt.

3.2. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Bedrijf-Verkooppunt motorbrandstoffen" aangewezen gronden bestemd voor onder meer het bestaande wegrestaurant.

3.3. Gelet op voormelde planregel is het wegrestaurant geen ondergeschikte functie bij het verkooppunt motorbrandstoffen. Dat het plandeel voor het perceel Rijksweg 2 de bestemming "Bedrijf-Verkooppunt motorbrandstoffen" en niet de bestemming "Horeca" heeft, doet daar niet aan af. De stelling van De Lucht Wegrestaurants B.V. dat de raad ten onrechte het wegrestaurant heeft bestemd als ondergeschikte functie bij de hoofdbestemming "Bedrijf-Verkooppunt motorbrandstoffen", mist dan ook feitelijke grondslag.

3.4. Ten aanzien van het betoog dat de raad ten onrechte slechts het bestaande wegrestaurant heeft toegelaten, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft uiteengezet dat het bestaande wegrestaurant als zodanig is bestemd, teneinde te waarborgen dat het huidige wegrestaurant op het perceel gevestigd kan blijven. De raad heeft ter zitting gesteld dat bij het wegrestaurant de term ‘bestaande’ is toegevoegd om te voorkomen dat andere horecagelegenheden of een tweede wegrestaurant op het perceel kunnen worden gevestigd. De vrees van De Lucht Wegrestaurants B.V. dat het op grond van de planregels niet meer mogelijk is het wegrestaurant te exploiteren in een ander franchiseverband, is volgens de raad echter niet gegrond. De raad stelt voorts dat het op grond van de bouwregels eveneens mogelijk is het bestaande wegrestaurant uit te breiden. De Afdeling komt deze uitleg van de planregels niet onjuist voor. De Afdeling ziet in het aangevoerde daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de belangen van De Lucht Wegrestaurants B.V. door de planregeling onevenredig worden geschaad.

4. Verder kan De Lucht Wegrestaurants B.V. zich niet verenigen met de uitbreidingsmogelijkheden die het plan biedt voor De Lucht Tankstations B.V. die tevens is gevestigd op het perceel Rijksweg 2 te Bruchem. Gelet op de maximaal toegestane bouwhoogte van 10 m en het ontbreken van een maximaal bebouwingspercentage, kan het tankstation zodanig uitbreiden, dat het zicht op het wegrestaurant en de lichttoetreding in het wegrestaurant volledig worden weggenomen. Dit heeft onevenredige gevolgen voor haar bedrijfsbelangen, zo stelt De Lucht Wegrestaurants B.V.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan voorziene bouwmogelijkheden voor De Lucht Tankstations B.V. geen onevenredige belemmeringen met zich brengen voor De Lucht Wegrestaurants B.V.

4.2. Ingevolge artikel 10, lid 10.2.2, aanhef en onder b, van de planregels, voor zover van belang, in samenhang gelezen met de verbeelding, mag de maximale bouwhoogte van gebouwen blijkens de aanduiding "maximale bouwhoogte" op het perceel Rijksweg 2 te Bruchem niet meer bedragen dan 10 m. Voor het perceel is geen maximaal bebouwingspercentage vastgesteld. De raad heeft toegelicht dat hij een eenduidige maximale bouwhoogte voor alle gebouwen op het perceel heeft vastgesteld. Voor de gebouwen behorende bij het tankstation geldt aldus dezelfde maximale bouwhoogte als voor de gebouwen behorende bij het wegrestaurant. Voorts heeft de raad er op gewezen dat de maximale bouwhoogte van 10 m niet geldt voor de luifel waaronder de pompen van het tankstation staan, nu daarvoor een maximale bouwhoogte geldt van 7 m.

Niet is uitgesloten dat De Lucht Wegrestaurants B.V. enige mate van hinder zal ondervinden, indien de gebouwen behorende bij het tankstation worden verhoogd naar 10 m. De raad heeft zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze hinder niet zodanig zal zijn dat, gelet op de belangen van De Lucht Wegrestaurants B.V., voor de gebouwen behorende bij de De Lucht Tankstations een lagere maximale bouwhoogte moet worden vastgesteld dan voor de andere gebouwen op het perceel. Het betoog faalt.

5. Voorts kan De Lucht Wegrestaurants B.V. zich niet verenigen met de mogelijkheid die het plan biedt om ter plaatse van het perceel Rijksweg 2 te Bruchem een geldautomaat te realiseren. Zij vreest dat de aanwezigheid van een geldautomaat zal leiden tot criminaliteit.

5.1. De Lucht Wegrestaurants B.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van een geldautomaat een zodanig verhoogd risico op criminaliteit met zich brengt, dat de raad om die reden er van had moeten afzien ter plaatse een geldautomaat te bestemmen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een geldautomaat een passende functie is bij een tankstation. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om in het plan te voorzien in een geldautomaat op het perceel Rijksweg 2 te Bruchem. Het betoog faalt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van De Lucht Wegrestaurants B.V. ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

7. [appellant sub 2] exploiteert op het perceel [locatie 1] te Nederhemert een agrarisch bedrijf. Hij kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor zijn perceel ten aanzien van het recreatieve medegebruik. Hij stelt dat hij door de planregeling in zijn belangen wordt geschaad en hij vreest voor een waardedaling van zijn perceel. Ter zitting heeft [appellant sub 2] uitgelegd dat hij zich alleen richt tegen de bestemmingsregeling, voor zover daarin het recreatieve medegebruik is beperkt tot de periode 15 maart tot en met 31 oktober. Hij stelt dat de raad niet heeft onderkend dat het perceel reeds lange tijd gedurende het hele jaar wordt gebruikt voor recreatief medegebruik. [appellant sub 2] wijst er in dit verband op dat hij sinds een aantal jaren toeristenbelasting betaalt voor het recreatieve gebruik dat is gebaseerd op een forfaitair tarief voor een jaarronde exploitatie. De raad heeft ten onrechte niet onderbouwd waarom deze gebruiksmogelijkheden in het plan worden beperkt.

7.1. De raad stelt zich onder verwijzing naar de gemeentelijke structuurvisie op het standpunt dat het niet wenselijk is dat gedurende het hele jaar kamperen bij de boer mogelijk is. De raad stelt dat kamperen bij de boer van ondergeschikt karakter moet zijn bij het agrarische gebruik.

7.2. Blijkens de verbeelding van het onderhavige plan heeft het perceel [locatie 1] te Nederhemert de bestemming "Agrarisch met Waarden".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met Waarden" aangewezen gronden bestemd voor kleinschalig kamperen tot maximaal 15 mobiele kampeermiddelen in het bouwvlak of direct aansluitend aan het bouwvlak in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober ter plaatse van de [locatie 1] te Nederhemert.

Ingevolge artikel 49, lid 49.2, onder a, mag het gebruik van de grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge het bepaalde onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

7.3. Blijkens de stukken en het deskundigenbericht staan op het perceel van [appellant sub 2] vier stacaravans. In het deskundigenbericht staat dat een deel van de stacaravans op het perceel van [appellant sub 2] wordt gebruikt voor de huisvesting van personeel en niet voor recreatieve doeleinden. [appellant sub 2] heeft dit ter zitting bevestigd. [appellant sub 2] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de overige caravans, die niet worden gebruikt voor de huisvesting van personeel, ten tijde van de inwerkingtreding van het plan wel gedurende het hele jaar werden gebruikt voor recreatief medegebruik. Uit de door [appellant sub 2] overgelegde verklaringen kan immers weliswaar worden afgeleid dat de stacaravans rond de jaren ‘80 en ‘90 van de vorige eeuw voor recreatieve doeleinden werden gebruikt, maar niet dat dit gebruik ook nog plaatsvond ten tijde van de inwerkingtreding van het onderhavige plan. Evenmin heeft [appellant sub 2] de eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling dat gedurende het hele jaar op het perceel mobiele kampeermiddelen worden gestald om te kamperen, onderbouwd. Noch daargelaten het antwoord op de vraag of het op grond van de directe bestemming dan wel op grond van het overgangsrecht onder het vorige plan toegelaten was het hele perceel gedurende het hele jaar te gebruiken voor recreatieve doeleinden in de vorm van kamperen bij de boer, heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat dit gebruik gedurende het hele jaar daadwerkelijk plaatsvond. Reeds daarom is er geen sprake van bestaand gebruik dat ingevolge artikel 49, lid 49.2, van de planregels onder het overgangsrecht is gebracht.

De raad heeft uiteengezet dat hij in het onderhavige plan niet de mogelijkheid wil bieden om gedurende het hele jaar gronden bij agrarische percelen te gebruiken voor kamperen bij de boer. De raad heeft erop gewezen dat in de gemeentelijke Structuurvisie Buitengebied staat dat kleinschalig kamperen alleen is

toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober. De raad heeft toegelicht dat hij een beperking in de periode in dit verband passend vindt om de ondergeschiktheid van de functie bij de agrarische bestemming tot uitdrukking te brengen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid geen reden hoeven zien om in het plan af te wijken van het gemeentelijk beleid waarin staat dat kleinschalig kamperen als nevenactiviteit is toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober. De omstandigheid dat [appellant sub 2] toeristenbelasting betaalt die is gebaseerd op een jaarronde exploitatie is niet relevant bij het vaststellen van een bestemmingsregeling. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beperking in de periode geen onevenredige belemmeringen met zich brengt voor [appellant sub 2], nu de periode is afgestemd op het toeristenseizoen in Nederland. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 2] om gedurende het hele jaar kleinschalig kamperen mogelijk te maken op zijn perceel.

7.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

8. [appellant sub 3] betoogt dat de raad zijn woning op het perceel [locatie 2] te Delwijnen ten onrechte heeft bestemd als bedrijfswoning. Hij voert primair aan dat de raad ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan zijn verzoek om zijn woning als burgerwoning te bestemmen.

8.1. De raad heeft uiteengezet dat het gemeentelijke en provinciale beleid, behoudens in gevallen van functieverandering en herstructurering van glastuinbouw, in de weg staan aan het toestaan van nieuwe burgerwoningen in het buitengebied. Voorts heeft de raad gesteld dat ter plaatse van de woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd en dat het naastgelegen agrarisch bedrijf zou worden beperkt in zijn bedrijfsvoering, indien de woning als burgerwoning wordt bestemd. [appellant sub 3] heeft deze stelling niet gemotiveerd betwist. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 3] om zijn woning in het plan als burgerwoning te bestemmen.

9. [appellant sub 3] voert subsidiair aan dat de raad ten onrechte het plan gewijzigd heeft vastgesteld door zijn woning in het vastgestelde plan niet meer als voormalige agrarische bedrijfswoning, maar als bedrijfswoning te bestemmen. Volgens hem is deze wijziging in strijd met de beantwoording van zijn zienswijze, nu in de nota van zienswijzen staat dat zijn zienswijze om zijn woning als plattelandswoning te bestemmen gegrond wordt verklaard. Daarnaast betoogt [appellant sub 3] dat het huidige gebruik van de woning niet overeenstemt met het in het plan toegelaten gebruik als bedrijfswoning, nu hij het bedrijf dat achter zijn woning staat, niet meer exploiteert. Hij verwijst ter onderbouwing in dit verband onder meer naar het aparte huisnummer dat aan de bedrijfsruimte achter zijn woning is toegekend, naar de huurovereenkomst van de bedrijfsruimte en een grondgebruikverklaring met de nieuwe exploitant en naar zijn aangiften inkomstenbelasting.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de zienswijze van [appellant sub 3] kan worden afgeleid dat [appellant sub 3] nog steeds het achter zijn woning gelegen agrarische bedrijf exploiteert. Daarom is de woning, overeenkomstig het huidige gebruik, bestemd als bedrijfswoning, aldus de raad. De raad heeft er ter zitting op gewezen dat in het plan flexibiliteitsbepalingen zijn opgenomen op grond waarvan het mogelijk is om de woning te bestemmen als voormalig agrarische bedrijfswoning of als burgerwoning. Nu plannen in voorbereiding zijn om op het perceel [locatie 3] woningbouw mogelijk te maken, is het in de toekomst waarschijnlijk mogelijk de woning als burgerwoning te bestemmen.

9.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.15, van de planregels wordt in de regels onder een bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die bedoeld is voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.

9.3. [appellant sub 3] heeft in zijn zienswijze, samengevat weergegeven, verzocht om een andere benaming van de aanduiding ‘voormalige agrarische bedrijfswoning’, om een vergroting van het bouwvlak ter plaatse van de gronden achter de schuur op het perceel, om een uitbreiding van het toegelaten gebruik van de schuur op het perceel [locatie 4] en om een wijziging van de beschermingsregeling voor de archeologische waarden op het perceel. Uit de nota van zienswijzen blijkt dat de raad onder meer de zienswijze van [appellant sub 3] ten aanzien van de definitie van het begrip ‘voormalige agrarische bedrijfswoning’ gegrond heeft verklaard. Mede gezien de beantwoording van de overige zienswijzen van [appellant sub 3] blijkt uit de nota van zienswijzen dat de raad de woning van [appellant sub 3] niet als plattelandswoning, maar als bedrijfswoning wenst te bestemmen. De stelling van [appellant sub 3] dat het besluit van de raad om de woning als bedrijfswoning te bestemmen niet in overeenstemming is met de nota van zienswijzen volgt de Afdeling dan ook niet.

Ten aanzien van het huidige gebruik van de woning wordt evenwel als volgt overwogen. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit de zienswijze van [appellant sub 3] niet zonder meer worden afgeleid dat [appellant sub 3] het agrarische bedrijf op zijn perceel nog exploiteert. Daarbij komt dat in het deskundigenbericht staat dat ten tijde van de vaststelling van het plan de woning van appellant geen functionele bedrijfsrelatie had met het glastuinbouwbedrijf gelegen aan de [locatie 3]. De agrarische nevenactiviteiten die worden uitgevoerd in de bedrijfsruimte op het perceel [locatie 4], die staat achter de woning van [appellant sub 3], worden niet uitgevoerd door [appellant sub 3], zo staat in het deskundigenbericht. Van der Werken heeft dit ter zitting bevestigd.

Gelet op het voorgaande en mede gelet op de door [appellant sub 3] overgelegde stukken heeft de raad met de enkele verwijzing naar de zienswijze van [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat de huisvesting van [appellant sub 3] op het perceel [locatie 2], gelet op de agrarische bestemming, noodzakelijk is. De raad heeft zich dan ook niet zonder nader onderzoek naar de feitelijke situatie ter plaatse op het standpunt kunnen stellen dat het toegelaten gebruik als bedrijfswoning overeenkomt met het feitelijke gebruik van de woning. Nu de raad heeft beoogd het feitelijke gebruik van de woning als zodanig te bestemmen, heeft de raad het plan in zoverre derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

10. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 2] te Delwijnen is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 4]

11. [appellant sub 4] kan zich niet verenigen met de uitbreidingsmogelijkheden die het plan biedt voor het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 5] te Zaltbommel.

11.1. Het beroep van [appellant sub 4], voor zover gericht tegen de vaststelling van de planregeling voor het perceel [locatie 5] te Zaltbommel, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ter zitting heeft [appellant sub 4] gesteld dat hij zich niet richt tegen de gewijzigde vaststelling van het plan.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 4], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "glastuinbouw" voor het perceel [locatie 5] te Zalbommel, is niet-ontvankelijk.

12. [appellant sub 4] betoogt dat zijn woning op het perceel [locatie 6] te Zaltbommel ten onrechte als voormalige agrarische bedrijfswoning is bestemd. Volgens hem heeft de raad ten onrechte geen medewerking verleend aan zijn verzoek om zijn woning als burgerwoning te bestemmen. [appellant sub 4] stelt dat de raad niet heeft onderkend dat het toekennen van een woonbestemming past binnen het beleid dat is neergelegd in de gemeentelijke structuurvisie, nu het perceel [locatie 6] in de structuurvisie in gemengd landelijk gebied ligt alwaar een grote afwisseling van functies mogelijk is. Daarnaast stelt [appellant sub 4] dat de raad er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat vanwege schaalvergroting zijn woning geen deel meer uitmaakt van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 5] te Zaltbommel. Voorts betoogt [appellant sub 4] dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het desbetreffende glastuinbouwbedrijf in zijn bedrijfsvoering zal worden belemmerd, indien de woning van [appellant sub 4] als burgerwoning wordt bestemd. Volgens [appellant sub 4] heeft de raad ten onrechte een groter belang gehecht aan de bedrijfsbelangen van het glastuinbouwbedrijf dan aan de belangen van [appellant sub 4]. Voorts wijst [appellant sub 4] erop dat bij de waardevaststelling in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) het gebouw op zijn perceel als woning wordt aangemerkt. Tot slot doet [appellant sub 4] een beroep op het gelijkheidsbeginsel. In dit verband wijst [appellant sub 4] erop dat de woning op het perceel Toepadweg 33 wel als burgerwoning is bestemd.

12.1. De raad stelt dat geen medewerking kan worden verleend aan het verzoek van [appellant sub 4] om zijn woning als burgerwoning te bestemmen, omdat het toekennen van een woonbestemming het naastgelegen glastuinbouwbedrijf onevenredig in zijn bedrijfsvoering zou belemmeren.

12.2. In het deskundigenbericht is vermeld dat [appellant sub 4] in 1993 het voormalige tuinbouwbedrijf aan [locatie 6] heeft gekocht. Op het perceel stond destijds een bloemenkwekerij met voornamelijk teelt op koude grond. Ongeveer 1 ha van het perceel is enige tijd later verkocht aan het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 5]. De woning wordt sindsdien als burgerwoning gebruikt. Partijen hebben het deskundigenbericht in zoverre niet bestreden.

De raad heeft toegelicht dat de gemeentelijke structuurvisie "Structuurvisie Buitengebied" in het gebied waar het perceel van [appellant sub 4] ligt als voorwaarde voor functieverandering naar wonen stelt dat de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende bedrijven niet mogen worden beperkt. De raad heeft bij de keuze voor de bestemming op het perceel aansluiting gezocht bij de richtafstanden die zijn vermeld in de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). De VNG-brochure bevat informatie over de milieukenmerken van bedrijven en geeft aanbevelingen voor aan te houden afstanden tussen bedrijven en gevoelige bestemmingen, zoals woonbestemmingen. De VNG-brochure beveelt voor glastuinbouwbedrijven een richtafstand aan van 30 m tussen de voor het glastuinbouwbedrijf bestemde gronden en de woning. In het verweerschrift staat dat de omgeving waarin het glastuinbouwbedrijf en de woning van [appellant sub 4] zijn gelegen, kan worden aangemerkt als het omgevingstype gemengd gebied. Hierdoor kan de door de VNG-brochure aanbevolen richtafstand worden verlaagd naar 10 m. De afstand van de gronden die zijn bestemd voor glastuinbouw tot de woning van [appellant sub 4] bedraagt in dit geval ongeveer 15 m. Omdat aan de VNG-brochure wordt voldaan, kan de woning van [appellant sub 4] worden bestemd als voormalige agrarische bedrijfswoning, zo heeft de raad gesteld. De raad stelt dat de woning echter niet als burgerwoning kan worden bestemd, omdat het gebruik als burgerwoning verdergaande milieubescherming geniet dan het gebruik als voormalige agrarische bedrijfswoning. De raad heeft evenwel niet gemotiveerd waarom de omstandigheid dat een burgerwoning meer milieubescherming geniet dan een voormalige agrarische bedrijfswoning ertoe leidt dat bij de beoordeling van de vraag of in dit geval een woonbestemming kan worden toegekend de richtafstanden uit de VNG-brochure niet kunnen worden toegepast. Nu aan de richtafstanden uit de VNG-brochure wordt voldaan, had het in dit geval op de weg van de raad gelegen inzichtelijk te maken wat de gevolgen zijn voor de bedrijfsvoering van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 5], indien de woning van [appellant sub 4] als burgerwoning wordt bestemd. De niet onderbouwde stelling van de raad dat, gelet op de afstand van het glastuinbouwbedrijf tot de woning, nader onderzoek naar de toelaatbaarheid van een woonbestemming niet zinvol is, volgt de Afdeling niet.

Gelet op het voorgaande heeft de raad niet zonder nader onderzoek kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 4] om zijn woning te bestemmen als burgerwoning. Het besluit is in zoverre derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

13. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarische bedrijfswoning" voor het perceel [locatie 6] te Zaltbommel, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

Het beroep van [appellante sub 5]

14. [appellante sub 5] kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het perceel kadastraal bekend gemeente Zaltbommel, sectie M, nr. 223. Zij stelt dat het perceel ten onrechte niet voor woondoeleinden is bestemd. Volgens haar is de verbeelding niet aangepast overeenkomstig het besluit van de raad om aan het hele perceel een woonbestemming te geven. Voorts wijst [appellante sub 5] erop dat het naastgelegen perceel, dat in eigendom is van haar buren, wel in zijn geheel voor woondoeleinden is bestemd.

14.1. In tegenstelling tot hetgeen [appellante sub 5] betoogt kan uit haar zienswijze, in samenhang gelezen met de bij de zienswijze gevoegde bijlagen, niet worden afgeleid dat zij heeft verzocht het hele perceel kadastraal bekend gemeente Zaltbommel, sectie M, nr. 223, te bestemmen voor woondoeleinden. In haar zienswijze wordt namelijk alleen uitdrukkelijk verzocht de bestemming "Bedrijf" te wijzigen in de bestemming "Wonen". De raad heeft het plan overeenkomstig dit verzoek gewijzigd vastgesteld.

Gelet op het voorgaande steunt het beroep van [appellante sub 5] dat gericht is tegen het plandeel met de bestemming "Natuur" niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellante sub 5] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 6]

15. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor de percelen tussen de Langerakseweg en de Van Heemstraweg te Zaltbommel. Hij betoogt dat de raad ten onrechte via een wijzigingsbevoegheid en niet door middel van een directe bestemming op de desbetreffende percelen bedrijfsactiviteiten mogelijk heeft gemaakt. [appellant sub 6] bestrijdt het standpunt van de raad dat het bouwplan onvoldoende concreet was om de ontwikkeling middels een rechtstreekse bestemming mogelijk te maken. Volgens hem is reeds voldoende duidelijk hoe de bestaande voorzieningen op de percelen worden uitgeplaatst en welke nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien. Verder stelt de raad ten onrechte dat niet inzichtelijk is hoe de gewenste bedrijvigheid zich verhoudt tot het provinciale beleid inzake de "Nieuwe Hollandse waterlinie". Tot slot betoogt [appellant sub 6] dat de raad ten onrechte stelt dat [appellant sub 6] nader onderzoek moet verrichten voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de percelen, gezien hun ligging, geschikt zijn voor bedrijvigheid, maar dat het initiatief van [appellant sub 6] onvoldoende concreet is om de bedrijvigheid door middel van een rechtstreekse bestemming mogelijk te maken.

15.2. Ingevolge artikel 46, lid 46.6.6, van de planregels, voor zover van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 6" de bestemming te wijzigen ten behoeve van:

1. de uitbreiding, verplaatsing en/of (nieuw)vestiging van bedrijfsactiviteiten zoals vermeld in de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 van Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten, onder de voorwaarden dat:

a. de betreffende bedrijfsactiviteiten naar aard en functie passend zijn op een lokaal bedrijventerrein;

b. de uitbreiding van het oppervlak aan gebouwen van het bestaande landbouw-, loonwerk- en aannemersbedrijf ([locatie 7]) mag maximaal 16.500 m² bedragen;

c. de oppervlakte van de (bouw)percelen mag per (bouw)perceel maximaal 5.000 m² bedragen;

d. de oppervlakte van één (bouw)perceel voor een handel- en transportbedrijf mag maximaal 7.000 m² bedragen;

e. het bebouwingspercentage mag per (bouw)perceel maximaal 70% bedragen;

f. maximaal één nieuwe bedrijfswoning ten behoeve van een te vestigen handel- en transportbedrijf mag worden opgericht;

g. de bebouwing landschappelijk wordt ingepast, in welk kader een inrichtings- en beplantingsplan wordt opgesteld;

h. rekening wordt gehouden met omliggende waarden en omliggende functies.

15.3. Het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad om gebruik te maken van de in artikel 3.6 van de Wro opgenomen bevoegdheid om bij een bestemmingsplan te bepalen dat het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.

Op de percelen tussen de Langerakseweg en de Van Heemstraweg zijn thans een ijsbaan en een paardensportvoorziening gevestigd. In het "Memo overzicht particuliere initiatieven en toelichting Wro-zones" (hierna: het memo) dat deel uitmaakt van de plantoelichting is vermeld dat de ijsbaan, tenzij op korte termijn een betere hervestigingslocatie wordt gevonden, wordt verplaatst van de huidige locatie naar de noordrand van het gebied. De aanwezige paardensportvoorziening wordt verplaatst naar een andere (buiten het gebied gelegen) locatie. Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat nog onduidelijk is of de ijsbaan zal worden verplaatst naar de noordrand van de percelen alwaar [appellant sub 6] bedrijvigheid wenst of naar een andere locatie. Evenmin is een definitieve keuze gemaakt over de locatie waarnaar de manege kan worden uitgeplaatst.

Reeds gelet op deze omstandigheden heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om de door [appellant sub 6] gewenste bedrijvigheid op de percelen tussen de Langerakseweg en de Van Heemstraweg te Zaltbommel mogelijk te maken door middel van een wijzigingsbevoegdheid. Het betoog van [appellant sub 6] dat de raad ten onrechte stelt dat nog een inrichtings- en beplantingsplan moet worden opgesteld en dat [appellant sub 6] nog nader onderzoek moet verrichten naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, doet hier, wat hier verder ook van zij, niet aan af.

16. [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met de in artikel 46, lid 46.6.6, van de planregels neergelegde wijzigingsvoorwaarde dat de bedrijfsactiviteiten naar aard en functie passend zijn op een lokaal bedrijventerrein. Hij voert aan dat deze voorwaarde niet noodzakelijk en in strijd met de rechtszekerheid is. In dit verband stelt hij dat reeds vaststaat dat zijn bedrijfsactiviteiten naar aard en functie passend zijn op een lokaal bedrijventerrein, nu andere wijzigingsvoorwaarden reeds betrekking hebben op zijn eigen bedrijf.

16.1. De raad heeft uiteengezet dat hij de bedrijfsactiviteiten die [appellant sub 6] verricht naar aard en functie passend vindt op een lokaal bedrijventerrein. De raad heeft in het plan evenwel de mogelijkheid geboden dat ook andere bedrijven zich op het bedrijventerrein kunnen vestigen. Het is daarom noodzakelijk om in het plan de voorwaarde op te nemen dat deze bedrijven naar aard en functie passend moeten zijn op een lokaal bedrijventerrein.

De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Voorts ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsvoorwaarde leidt tot rechtsonzekerheid voor [appellant sub 6]. Het betoog faalt.

17. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

18. [appellant sub 7] betoogt dat de raad ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan haar verzoek om de ligplaats voor haar woonboot op het adres [locatie 8] te Aalst als zodanig te bestemmen. Volgens haar heeft de raad ten onrechte aan het besluit op dit punt ten grondslag gelegd dat tegen de ingebruikname van de ligplaats handhavend moet worden opgetreden. Dat een besluit tot handhaving is genomen dat onherroepelijk is geworden, ontslaat de raad namelijk niet van de verplichting om een ruimtelijke afweging te maken of in het voorliggende plan de ligplaats alsnog als zodanig wordt bestemd. De raad heeft dit niet onderkend, omdat hij hieromtrent onjuist is voorgelicht door het college van burgemeester en wethouders.

[appellant sub 7] betoogt verder dat de raad er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat haar ligplaats reeds sinds 1986 wordt gebruikt en dat aan haar bij besluit van 5 november 2003 een vergunning is verleend voor de ingebruikname van de ligplaats op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV). Volgens haar stelt de raad ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2013 in zaak nr. 201209422/1/A1 (www.raadvanstate.nl) dat het gebruik van haar ligplaats onder het vorige plan op grond van het overgangsrecht niet was toegelaten. In dit verband voert zij aan dat het gebruik van de ligplaats niet eind 2002 is gestaakt, maar medio 2003. Doordat het enige tijd heeft geduurd voordat de benodigde vergunning tot ingebruikname van de ligplaats werd verleend en doordat de ligplaats moest worden aangepast alvorens het mogelijk was de woonboot van [appellant sub 7] af te meren, is het gebruik van de ligplaats voorts door overmacht langer onderbroken dan in beginsel nodig was. Daarnaast voert [appellant sub 7] aan dat de raad ten onrechte niet bij de afweging heeft betrokken dat in het vorige plan per abuis haar ligplaats niet als zodanig is bestemd, maar een ligplaats aan de oostzijde van de havenmond, alwaar geen ligplaats aanwezig was. [appellant sub 7] betoogt voorts dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom ter plaatse wel een aanlegsteiger kan worden toegestaan, maar geen ligplaats voor een woonboot. Verder doet [appellant sub 7] een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zij voert hiertoe aan dat alle bestaande ligplaatsen in het plan als zodanig zijn bestemd. Bovendien zijn tevens in het plan nieuwe ligplaatsen voorzien, zoals bij het eiland Nederhemert-Zuid en bij de steenfabriek, zo stelt [appellant sub 7]. Tot slot stelt [appellant sub 7] dat de raad ten onrechte geen alternatieve ligplaats mogelijk heeft gemaakt. Dit klemt te meer, nu in het plan geen mogelijkheid meer is opgenomen om de woonboot te verplaatsen naar de oostzijde van de havenmond.

18.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik als ligplaats in strijd is met de planvoorschriften van het vorige plan. De raad acht het niet wenselijk om het gebruik alsnog als zodanig te bestemmen of om de ligplaats aan de oostzijde van de havenmond in het onderhavige plan te behouden, omdat hij het gebruik niet passend vindt in een gebied met een recreatieve functie.

18.2. Blijkens de plankaart van het vorige plan "Buitendijks gebied" had het plandeel ter plaatse van de ligplaats van [appellant sub 7] de bestemming "Rivier". Ter plaatse van de ligplaats was geen aanduiding "ligplaatsen voor woonboten" opgenomen.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder f, van de planvoorschriften van dat plan zijn de op de plankaart voor "Rivier" aangewezen gronden bestemd voor het op de plankaart door middel van de aanduiding "ligplaatsen voor woonboten" aangegeven aantal woonboten.

Ingevolge artikel 32, lid 32.1, eerste volzin, is het verboden de grond en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 36, lid 36.1, mag een gebruik van de onbebouwde grond en/of opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond en dat afwijkt van de bestemming en/of de voorschriften worden voortgezet en/of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate gaat afwijken van het plan.

18.3. De Afdeling stelt voorop dat de raad op basis van de feiten en omstandigheden, zoals die onder meer naar voren zijn gebracht in de zienswijze van [appellant sub 7], een eigen afweging heeft kunnen maken omtrent de vaststelling van het plan op dit punt. Het betoog dat het college van burgemeester en wethouders de raad onjuist heeft voorgelicht over het antwoord op de vraag of de woonboot alsnog als zodanig kon worden bestemd, kan, wat daar verder ook van zij, reeds daarom niet tot het oordeel leiden dat het besluit van de raad onzorgvuldig is voorbereid.

18.4. Blijkens de hiervoor vermelde planvoorschriften van het vorige plan, was het gebruik van de ligplaats voor een woonboot in strijd met de op grond van het bestemmingsplan "Buitendijks gebied" geldende bestemming "Rivier", nu op de plankaart ter plaatse geen aanduiding "ligplaatsen voor woonboten" was aangegeven. In de uitspraak van 5 juni 2013, in zaak nr. 201209422/1/A1, stond het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaltbommel van 27 mei 2010 ter beoordeling, waarbij het college [appellant sub 7] onder oplegging van een dwangsom gelast het bouwwerk en de woonboot van de ingenomen plek in recreatiegebied "de Neswaarden" in Aalst te verwijderen en verwijderd te houden. In de uitspraak van 5 juni 2013 heeft de Afdeling geoordeeld dat het gebruik van de ligplaats ook niet was toegestaan op grond van de beschermende werking van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitendijks gebied", omdat het gebruik als ligplaats voor een woonboot vanaf eind 2002 tot juni 2004 gestaakt is geweest. De Afdeling ziet in het aangevoerde thans geen aanleiding om anders te oordelen. Daartoe wordt overwogen dat [appellant sub 7] haar stelling dat het gebruik niet vanaf eind 2002, maar vanaf medio 2003 is gestaakt, niet heeft onderbouwd met nadere stukken. Dat het voorts enige tijd heeft geduurd voordat de benodigde vergunning tot ingebruikname van de ligplaats werd verleend en dat de ligplaats moest worden aangepast alvorens het mogelijk was de woonboot van [appellant sub 7] af te meren, vormen voorts niet zulke bijzondere omstandigheden dat ondanks de lange duur van de onderbreking moet worden uitgegaan van voortgezet gebruik.

Gelet op het voorgaande was het gebruik als ligplaats in strijd met de planvoorschriften van het vorige plan. Daarnaast kunnen aan de ligplaatsvergunning die is verleend op grond van de APV als zodanig geen rechten worden ontleend op een planologische inpassing in het plan, omdat deze vergunning ziet op andere dan ruimtelijke aspecten. De raad heeft verder toegelicht dat hij het gebruik van de ligplaats niet alsnog als zodanig wil bestemmen. Hieraan heeft de raad ten grondslag gelegd dat de ligplaats niet past in het herinrichtingsplan voor het recreatiepark "Het Esmeer". Een ligplaats voor een woonboot met een woonfunctie acht de raad niet wenselijk in een gebied met een (water)recreatieve functie. Dit in tegenstelling tot de mogelijkheid om ter plaatse aanlegsteigers te realiseren, welke mogelijkheid het vorige plan volgens de raad overigens ook reeds bood, nu het gebied het zwaartepunt vormt voor de waterrecreatie in de gemeente. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Over de door [appellant sub 7] gemaakte vergelijking met ligplaatsen die wel in het plan zijn voorzien, heeft de raad zich voorts op het standpunt gesteld dat die situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat die ligplaatsen niet in een gebied liggen dat een recreatieve functie vervult. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 7] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten geen medewerking te verlenen aan het verzoek van [appellant sub 7] om de ligplaats voor haar woonboot op het adres [locatie 8] te Aalst alsnog als zodanig te bestemmen.

18.5. Voor zover [appellant sub 7] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in een nieuwe alternatieve ligplaats overweegt de Afdeling het volgende. [appellant sub 7] heeft als alternatieve locatie gewezen op de locatie aan de oostzijde van de havenmond, alwaar in het vorige plan een ligplaats was voorzien. De Afdeling stelt in dit verband voorop dat aan een geldend bestemmingsplan in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad heeft toegelicht dat ook een ligplaats ten oosten van de havenmond niet past in de gewijzigde inrichting van (dag)recreatieterrein "Het Esmeer". Een permanente woonfunctie acht de raad niet passend in een gebied met een (water)recreatieve functie. In dat verband acht de raad van belang dat de ligplaats via het recreatieterrein ontsloten zou moeten worden. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten geen ligplaats aan de oostzijde van de havenmond meer mogelijk te maken. Voor zover [appellant sub 7] heeft gewezen op de alternatieve locatie Nederhemert-Zuid, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft gesteld dat reeds eerder is getracht aldaar een ligplaats voor een woonboot als zodanig te bestemmen, maar dat daartegen bezwaren bestonden. De raad ziet daarom geen mogelijkheden om een ligplaats voor de woonboot voor [appellant sub 7] op de locatie Nederhemert-Zuid mogelijk te maken. De Afdeling ziet in het aangevoerde thans geen aanleiding voor het oordeel dat dit standpunt onredelijk is. Het betoog faalt.

18.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 8]

19. [appellant sub 8] betoogt dat ten onrechte geen bouwvlak is toegekend aan het plandeel dat ziet op zijn perceel [locatie 9]. [appellant sub 8] stelt dat hij reeds in 2008 heeft verzocht om ter plaatse de oprichting van een paardenfokkerij mogelijk te maken. Hij voert aan dat de raad zijn verzoek ten onrechte lange tijd heeft aangehouden en niet heeft meegenomen bij de vaststelling van het plan. [appellant sub 8] betoogt subsidiair dat in het plan een wijzigingsbevoegdheid had moeten worden opgenomen.

19.1. Volgens de raad bestond geen aanleiding om in het plan te voorzien in het gewenste bouwvlak of in een wijzigingsbevoegdheid daartoe. De raad stelt dat de door [appellant sub 8] voorgestane paardenfokkerij niet kan worden gekwalificeerd als een volwaardig agrarisch bedrijf. De raad wijst hiertoe op het advies van de Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen van 2 april 2013 (hierna: het SAAB-advies van 2 april 2013).

19.2. Blijkens de verbeelding heeft het perceel [locatie 9] de bestemming "Agrarisch met waarden".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 4.2.2, onder a, voor zover hier van belang, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

19.3. Blijkens de plankaart van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied, integrale herziening", zoals ten dele herzien bij het bestemmingsplan "Buitengebied, integrale herziening, partiële herziening 2002 (wijzigingsbevoegdheid artikel 11 WRO)", had het perceel [locatie 9] de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planvoorschriften van dat plan, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf.

Ingevolge lid 6.2, voor zover hier van belang, dient bedrijfsbebouwing te worden geconcentreerd in de op de plankaart aangegeven agrarische bouwpercelen.

Ingevolge lid 6.6, onder 1, aanhef en sub a, voor zover hier van belang, kunnen Burgemeester en Wethouders met toepassing van het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de bestemming wijzigen wat betreft het opnemen van nieuwe agrarische bouwpercelen ten behoeve van volwaardige grondgebonden agrarische bedrijven, mits de oppervlakte maximaal 1 hectare zal bedragen en overigens met inachtneming van het bepaalde in het voorafgaande en gehoord de provinciale dienst aangaande agrarische aangelegenheden in de provincie Gelderland.

19.4. In het SAAB-advies van 2 april 2013 is vermeld dat indien de voorgestane paardenfokkerij in zijn geheel is gerealiseerd, sprake is van een reëel agrarisch bedrijf op grond van het voorziene aantal paarden. De in het ondernemingsplan opgenomen opbrengsten zijn, naast dat deze aan de hoge kant zijn, daarentegen onvoldoende voor het genereren van een volwaardig agrarisch inkomen. In het ondernemingsplan wordt bovendien gesteld dat de overige privé-opnamen kunnen worden gedaan uit de resultaten van de andere ondernemingen. Doelstelling van een volwaardig agrarisch bedrijf dient naar de mening van de SAAB conform het beleid echter te zijn, het realiseren van een volwaardig agrarisch inkomen. In het SAAB-advies van 2 april 2013 wordt geconcludeerd dat in de beoogde situatie geen sprake zal zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf.

19.5. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad verzoeken tot opname van een agrarisch bouwvlak heeft beoordeeld op basis van de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid die in artikel 6, lid 6.6, onder 1, aanhef en sub a, van het vorige bestemmingsplan is opgenomen. Één van deze voorwaarden is dat sprake moet zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. Gebleken is dat de raad het verzoek van [appellant sub 8] aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid heeft getoetst en daarbij het SAAB-advies van 2 april 2013 heeft betrokken. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit advies gebreken dan wel leemten in kennis vertoont en dat de raad zich derhalve niet in redelijkheid daarop heeft mogen baseren. Nu uit het SAAB-advies van 2 april 2013 blijkt dat de door [appellant sub 8] voorgestane paardenfokkerij niet als een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden gekwalificeerd, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het toekennen van het door [appellant sub 8] gewenste bouwvlak of een wijzigingsbevoegdheid hiertoe. Overigens wordt de conclusie van de SAAB dat geen sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf door de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) in zijn advies van 9 mei 2014 bevestigd. Het betoog faalt.

19.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

20. [appellant sub 9] betoogt dat ten onrechte geen bouwvlak is toegekend aan het plandeel dat ziet op het perceel ten westen van het perceel [locatie 10]. [appellant sub 9] stelt dat hij reeds in 2011 heeft verzocht om ter plaatse de oprichting van een melkvee- en vleesveehouderij mogelijk te maken. Hij voert aan dat de raad niet heeft onderkend dat het door hem voorgestane bedrijf kan worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf. [appellant sub 9] wijst hiertoe op het in zijn opdracht opgestelde advies van DLV Rundvee advies B.V. van 22 maart 2013 (hierna: het DLV-advies van 22 maart 2013), waarin wordt gereageerd op het advies van de SAAB van 11 oktober 2012 (hierna: het SAAB-advies van 11 oktober 2012). Hij betoogt subsidiair dat in het plan een wijzigingsbevoegdheid had moeten worden opgenomen.

20.1. Volgens de raad bestond geen aanleiding om in het plan te voorzien in het gewenste bouwvlak of in een wijzigingsbevoegdheid daartoe. De raad stelt hiertoe dat hij zich voorafgaand aan de planvaststelling heeft gebaseerd op het SAAB-advies van 11 oktober 2012, waarin wordt geconcludeerd dat in de voorgestane situatie geen sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf zal zijn.

20.2. Blijkens de verbeelding heeft het perceel ten westen van het perceel [locatie 10] de bestemming "Agrarisch met waarden".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 4.2.2, onder a, voor zover hier van belang, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.

20.3. Blijkens de plankaart van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 1991" had het perceel ten westen van het perceel [locatie 10] de bestemming "Agrarisch gebied".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planvoorschriften van dat plan, voor zover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" primair bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid 5.2, voor zover hier van belang, dient bedrijfsbebouwing te worden geconcentreerd in de op de plankaart aangegeven bouwpercelen.

20.4. In het SAAB-advies van 11 oktober 2012 is vermeld dat [appellant sub 9] voornemens is een agrarisch bedrijf te starten met ongeveer 60 melkkoeien met bijbehorend jongvee en 180 rosé-kalveren. Een volwaardige melkrundveehouderij kent thans een omvang van ongeveer 90 melkkoeien met bijbehorend jongvee. Bovendien is de verwachting dat bij de afschaffing van het melkquotum in 2015 een groter aantal melkkoeien met bijbehorend jongvee zal moeten worden gehouden om een volwaardig arbeidsinkomen te behalen. Een aantal van 60 melkkoeien is in ieder geval te beperkt, ook in de huidige markt. Voorts kent de neventak rosé-kalveren gelet op de omvang een arbeidsbehoefte van slechts circa 0,2 volwaardige arbeidskracht. In het SAAB-advies van 11 oktober 2012 wordt geconcludeerd dat het beoogde bedrijf qua omvang niet als een volwaardig agrarisch bedrijf kan worden gekwalificeerd en dat er onvoldoende waarborg bestaat voor continuïteit in de toekomst.

20.5. In het DLV-advies van 22 maart 2013 wordt gesteld dat in het uitgebrachte SAAB-advies van 11 oktober 2012 voorbij wordt gegaan aan het bedrijfsplan van [appellant sub 9]. In dit bedrijfsplan is onderbouwd dat het beoogde bedrijf een omvang zal hebben van ruim 100 NGE, waardoor er sprake zal zijn van 1,5 arbeidskracht. Verder volgt uit de onderbouwing in het bedrijfsplan dat een volledig inkomen kan worden behaald. Ook is de bedrijfsopzet in al zijn facetten duurzaam, onder meer nu 33 hectare grond in eigendom is. In het DLV-advies van 22 maart 2013 wordt voorts gesteld dat in het SAAB-advies van 11 oktober 2012 voorbij wordt gegaan aan het voornemen van [appellant sub 9] om op termijn door te groeien naar 70 tot 80 melkkoeien. Bovendien wordt de stelling dat een bedrijf als volwaardig kan worden beschouwd bij 90 melkkoeien niet onderbouwd. Eerder is van belang om te weten hoe de bedrijfsopzet is, hoeveel melk er wordt geproduceerd, of er financiering is en of er voldoende grond aanwezig is.

20.6. Zoals in 21.5 is overwogen, heeft de raad verzoeken tot opname van een agrarisch bouwvlak beoordeeld op basis van de voorwaarden van de eerder genoemde wijzigingsbevoegdheid en is één van deze voorwaarden dat sprake moet zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. De raad heeft tevens het verzoek van [appellant sub 9] getoetst aan deze voorwaarden en heeft daarbij het SAAB-advies van 11 oktober 2012 betrokken. Hoewel hierin wordt geconcludeerd dat de melkvee- en vleesveehouderij niet zal kunnen worden aangemerkt als een volwaardig agrarisch bedrijf, geeft het door [appellant sub 9] ter onderbouwing van zijn standpunt overgelegde DLV-advies van 22 maart 2013 aanleiding voor een ander oordeel. De raad heeft bij de planvaststelling desalniettemin niet onderbouwd waarom volgens hem evenwel geen sprake kan zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd. Overigens wordt door de AAB in zijn advies van 17 september 2013 geconcludeerd dat het bedrijf wel als een volwaardig agrarisch bedrijf aangemerkt kan worden. Het betoog slaagt.

20.7. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" ter plaatse van het perceel ten westen van het perceel [locatie 10], is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 10]

21. [appellant sub 10] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid haar gronden aan de Uilkerweg te gebruiken voor glastuinbouw. [appellant sub 10] voert aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. Zij wijst erop dat toen zij de gronden in 2005 kocht, deze behoorden tot een concentratiegebied voor glastuinbouw. [appellant sub 10] voert voorts aan dat zij op basis van

het handelen en toezeggingen van ambtenaren van de gemeente, van een wethouder en van provinciewege erop mocht vertrouwen dat de gronden zouden worden bestemd voor glastuinbouw.

21.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmen van de desbetreffende gronden voor glastuinbouw in strijd is met de Ruimtelijke Verordening Gelderland (hierna: de Verordening). Voorts is van strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake.

21.2. Blijkens de verbeelding hebben de aan de Uilkerweg gelegen gronden van [appellant sub 10] de bestemming "Agrarisch met waarden".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;

[…];

d. glastuinbouw, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "glastuinbouw";

[…].

21.3. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de Verordening wordt in een bestemmingsplan nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven slechts toegestaan in de concentratiegebieden glastuinbouw, tevens wordt uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven met meer dan 20% toegestaan in de concentratiegebieden glastuinbouw. De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVRVGcons2-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Glastuinbouw.

Ingevolge lid 9.2, mag in afwijking van het bepaalde in 9.1 in reserveconcentratiegebieden geen nieuwvestiging plaatsvinden en wordt geen uitbreiding met meer dan 20% toegestaan, totdat de nieuwvestigingsmogelijkheden in het intensiveringsgebied en overig concentratiegebied zijn benut of indien wordt aangetoond dat er voor nieuwe ontwikkeling geen ruimte is in deze gebieden. De geometrische plaatsbepaling is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.9925.PVRVGcons2-vst1 en is verbeeld op de bij deze verordening behorende kaart Glastuinbouw.

Op de kaart Glastuinbouw, behorend bij de Verordening, zijn de in geding zijnde gronden niet aangewezen als concentratiegebied glastuinbouw of als reserveconcentratiegebied glastuinbouw.

21.4. Op grond van het vorige bestemmingsplan was het gebruik van de gronden van [appellant sub 10] aan de Uilkerweg voor glastuinbouw niet toegelaten. Nu deze gronden op de bij de Verordening behorende kaart Glastuinbouw niet als concentratiegebied of reserveconcentratiegebied zijn aangewezen, waar de nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de Verordening is toegestaan of dit ingevolge lid 9.2 onder voorwaarden is toegestaan, heeft de raad zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmen van de desbetreffende gronden voor glastuinbouw in strijd zou zijn met deze bepalingen uit de Verordening. Gelet hierop heeft de raad terecht hiervan afgezien.

Over het betoog van [appellant sub 10] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat de betreffende gronden in het plan zouden worden bestemd voor glastuinbouw. Voor zover [appellante sub 10] in dit verband heeft gewezen op toezeggingen hiertoe van ambtenaren van de gemeente, van een wethouder en van provinciewege, wordt overwogen dat van dergelijke toezegging niet is gebleken. Bovendien berust de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan niet bij hen, maar bij de raad. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

21.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 11]

Intrekking

22. [appellant sub 11] heeft ter zitting de beroepsgrond dat het plan ten onrechte wijzigingsbevoegdheden bevat ten behoeve van een herbegrenzing van de EHS, wijzigingen naar de bestemming "Natuur" en wijzigingen naar de bestemming "Water", ingetrokken.

Bouwvlak

23. [appellant sub 11] betoogt dat ten onrechte geen groter bouwvlak is toegekend aan het plandeel dat ziet op het perceel [locatie 11], waar hij een melkrundveehouderij exploiteert. [appellant sub 11] voert aan dat hij in zijn zienswijze reeds hierom heeft verzocht. [appellant sub 11] acht het toegekende bouwvlak niet functioneel en hij wenst meer ruimte voor opslag. Hij stelt dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld, nu aan het plandeel dat ziet op het perceel Moffendijk 2 wel een groter bouwvlak is toegekend.

23.1. De raad stelt het bouwvlak te hebben overgenomen uit het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied Kerkwijk". Volgens de raad heeft [appellant sub 11] eerst in zijn beroepschrift te kennen gegeven dat hij een groter bouwvlak wenst. Indien dit planologisch aanvaardbaar is, dan kan in een uitbreiding worden voorzien met toepassing van de in het plan voorziene wijzigingsbevoegdheid.

23.2. Blijkens de verbeelding heeft het perceel [locatie 11] de bestemming "Agrarisch met waarden" met deels de aanduiding "bouwvlak".

Vast staat dat de bestaande bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak vallen en dientengevolge als zodanig zijn bestemd. Voorts is ter plaatse van twee sleufsilo’s de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bouwwerken, geen gebouwen zijnde" opgenomen waarmee deze ook als zodanig zijn bestemd. Niet is gebleken dat [appellant sub 11] ten tijde van de vaststelling van het plan concrete plannen voor uitbreiding van het bouwvlak naar voren heeft gebracht waarmee de raad rekening had dienen te houden. De Afdeling overweegt in dit verband dat [appellant sub 11] in zijn zienswijze slechts in algemene zin heeft gesteld dat bouwvlakken tot meer dan 1,5 hectare zouden moeten kunnen worden vergroot. Gelet op het vorenstaande behoefde de raad met de wens van [appellant sub 11] dan ook geen rekening te houden bij de vaststelling van het plan en heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien om een groter bouwvlak toe te kennen.

Over de door [appellant sub 11] gemaakte vergelijking met het bouwvlak op het perceel Moffendijk 2 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat in dat geval wel sprake was van een concreet plan tot uitbreiding van het bouwvlak dat tijdig kenbaar is gemaakt. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 11] genoemde situatie niet overeenkomt met de op zijn perceel aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

Definitiebepalingen

24. [appellant sub 11] betoogt voorts dat het onderscheid tussen een grondgebonden agrarisch bedrijf en een intensieve veehouderij onvoldoende duidelijk volgt uit de in het plan opgenomen definitiebepalingen. Hij vreest dat melkrundveehouderijen op basis hiervan zullen worden aangemerkt als intensieve veehouderij zodra deze niet over voldoende gronden beschikken om alle dieren te voeren.

24.1. De raad stelt dat de begrippen "grondgebonden agrarisch bedrijf" en "intensieve veehouderij" duidelijk worden gedefinieerd in de planregels. Volgens de raad worden melkrundveehouderijen doorgaans aangemerkt als grondgebonden agrarische bedrijven.

24.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.45, van de planregels, wordt in deze planregels onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf, waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het voortbrengingsvermogen van de grond waarover het bedrijf beschikt bij de bedrijfsvoering.

Ingevolge lid 1.49, wordt in deze planregels onder intensieve veehouderij verstaan een agrarisch bedrijf, waarbij de bedrijfsoefening geheel of nagenoeg geheel in gebouwen plaatsvindt of rechtens mag plaatsvinden, dat gericht is op het houden van dieren alsmede naar aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen en dat beschikt over onvoldoende cultuurgrond om de dieren op het bedrijf grotendeels zelf te kunnen voeren, omvattende in ieder geval het houden van mestvarkens, mestkalveren, geiten, pelsdieren, konijnen, slachtkuikens, leghennen, parelhoenders, eenden en overig (slacht)pluimvee.

24.3. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1.45 en 1.49 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende duidelijk is wat in het plan wordt verstaan onder een grondgebonden agrarisch bedrijf en een intensieve veehouderij, noch dat het onderscheid daartussen onvoldoende kenbaar is. Ten aanzien van de vrees dat melkrundveebedrijven worden aangemerkt als intensieve veehouderij zodra zij niet over voldoende gronden beschikken om geheel in hun eigen voedselproductie te voorzien, overweegt de Afdeling dat uit artikel 1.45 volgt dat tevens bedrijven die niet geheel maar overwegend afhankelijk zijn van het voortbrengingsvermogen van de gronden waarover het bedrijf beschikt, worden aangemerkt als grondgebonden agrarisch bedrijf, zodat deze vrees ongegrond is. Dit betoog faalt.

"Ehs - verweving"

25. [appellant sub 11] betoogt verder dat aan de percelen met de kadastrale nummers L 194, L 195, L 224 en L 226 ten onrechte de aanduiding "ehs - verweving" is toegekend. Hij stelt dat dit leidt tot een ernstige beperking van het agrarisch gebruik van deze percelen. Hij stelt voorts dat ter plaatse binnen de planperiode geen natuur zal worden gerealiseerd.

25.1. De raad stelt zich op het standpunt dat deze aanduiding aan de desbetreffende percelen is toegekend omdat de Verordening voorschrijft dat dient te wordt voorkomen dat de wezenlijke kenmerken of waarden van de EHS significant worden aangetast. Volgens de raad is rekening gehouden met de belangen van [appellant sub 11] en zijn de gronden derhalve conform het huidige gebruik en niet voor natuurdoeleinden bestemd.

25.2. Blijkens de verbeelding hebben de percelen met de kadastrale nummers L 194, L 195, L 224 en L 226 de bestemming "Agrarisch met waarden" en de aanduiding "ehs - verweving".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;

b. bescherming, instandhouding en versterking van de landschaps- en natuurwaarden zoals landschapsvisuele, cultuurhistorische en ecologische waarden (zie ook 44.1, 44.2, 44.3, 44.5, 44.6, 44.7, 44.11 en 44.12;

[…];

Ingevolge artikel 44, lid 44.3.1, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "ehs - verweving" tevens bestemd voor bescherming, behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van landbouwgebieden met natuurwaarden en landbouwgebieden met een hoge dichtheid aan natuur- en boselementen.

25.3. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de Verordening worden in een bestemmingsplan in een gebied gelegen binnen de EHS geen bestemmingen toegestaan waardoor de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied, zoals aangegeven in de streekplanuitwerking "Kernkwaliteiten en omgevingscondities van de Gelderse ecologische hoofdstructuur" en het Waterplan Gelderland 2010 - 2015, welke zijn opgenomen als bijlage 4 en bijlage 10 bij de Verordening, significant worden aangetast.

25.4. De percelen met de kadastrale nummers L 194, L 195, L 224 en L 226 zijn op de kaart EHS, behorend bij de Verordening, aangewezen als "EHS Verweving". De raad dient de regels uit de Verordening, waaronder het hiervoor aangehaalde artikel 18, lid 18.1, bij het vaststellen van het plan in acht te nemen. De Afdeling is van oordeel dat de raad daartoe in redelijkheid de aanduiding "ehs - verweving" aan de desbetreffende percelen heeft kunnen toekennen. De raad heeft hierbij in aanmerking kunnen nemen dat de gronden primair overeenkomstig het bestaande gebruik zijn bestemd voor agrarische doeleinden en dat ingevolge artikel 44, lid 44.13.1, aanhef en onder b, van de planregels, uitvoering van werkzaamheden in de bodem tot 0,60 meter - volgens de raad werkzaamheden in het kader van het normale agrarisch gebruik - zonder omgevingsvergunning is toegestaan. Voorts overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat op de percelen geen natuur zal worden ontwikkeld, niet wegneemt dat de raad op grond van artikel 18, lid 18.1, van de Verordening een beschermingsregeling in het plan diende op te nemen voor de aanwezige waarden. Het betoog faalt.

"Waarde - Archeologie 3"

26. [appellant sub 11] betoogt dat aan zijn landbouwgronden in de polder van Bern ten onrechte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend. Hij stelt dat ter plaatse geen sprake kan zijn van archeologische waarden, onder meer omdat hier nooit mensen hebben gewoond. Hij stelt voorts dat dit een onaanvaardbare aantasting van het agrarisch gebruik van de gronden met zich brengt.

26.1. De raad stelt dat uit de Archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart blijkt dat ter plaatse van de betreffende landbouwgronden archeologische waarden kunnen voorkomen. Ter bescherming van deze waarden heeft de raad de dubbelbestemming opgenomen.

26.2. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de eventueel aanwezige of te verwachten archeologische monumenten.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verplicht worden gesteld.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, kan bij een bestemmingsplan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wabo een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.

Ingevolge artikel 41a, voor zover hier van belang, zijn de artikelen 39 en 40 niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen.

26.3. Ingevolge artikel 36, lid 36.1, van de planregels, zijn de voor "Waarde - Archeologie 3" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.

Ingevolge lid 36.4.1, aanhef en onder i, is het verboden op of in gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 3" zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, grondbewerkingen uit te voeren op een grotere diepte dan 30 centimeter; waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt.

Ingevolge lid 36.4.2, onder a, sub 1, is het in 36.4.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke het normale onderhoud en/of gebruik betreffen.

26.4. Zoals de Afdeling in de uitspraken van 9 december 2009 in zaak nr. 200801932/1 en van 29 september 2010 in zaak nr. 200809200/1/R1 heeft overwogen, rust met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan en teneinde gevolg te geven aan de verplichting voortvloeiende uit artikel 38a van de Monumentenwet 1988 op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan bestemmingen die nog niet zijn verwezenlijkt aan te wijzen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen vast te stellen. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 (Kamerstukken II 2003/04, 29259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.

26.5. Voor het opnemen van een beschermingsregeling is niet vereist dat de aanwezigheid van archeologische sporen ter plaatse vast staat, doch slechts dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in een gebied voorkomen. Op grond van de Archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart is de mogelijke aanwezigheid van archeologische sporen in dit geval aannemelijk gemaakt. In de enkele stelling van [appellant sub 11] dat geen sprake kan zijn van archeologische waarden, onder meer omdat hier nooit mensen hebben gewoond, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is.

Vast staat dat het plan ten opzichte van het voorgaande plan niet beoogt nieuwe planologische ontwikkelingen mogelijk te maken op de in de polder van Bern liggende landbouwgronden van [appellant sub 11]. Voorts acht de Afdeling niet aannemelijk dat de toegekende dubbelbestemming zal leiden tot een belemmering van het normale gebruik, onderhoud en beheer van de gronden in verband met de daaraan toegekende bestemming "Agrarisch met waarden". Hoewel op grond van artikel 36, lid 36.4.1, van de planregels een omgevingsvergunning is vereist voor het uitvoeren van de in deze bepaling genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden, is dit vereiste niet van toepassing op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en/of gebruik betreffen.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan de landbouwgronden van [appellant sub 11] in de polder van Bern heeft kunnen toekennen. Dit betoog faalt.

De percelen met de kadastrale nummers C 584 en C 318

27. [appellant sub 11] betoogt dat het westelijke gedeelte van het perceel met het kadastrale nummer C 584 ten onrechte voor agrarische doeleinden is bestemd, nu dit perceelsgedeelte feitelijk als natuur is ingericht. Hij stelt voorts dat het perceel met het kadastrale nummer C 318 ten onrechte voor natuurdoeleinden is bestemd, nu dit perceel juist als landbouwgrond wordt gebruikt.

27.1. Volgens de raad heeft [appellant sub 11] in zijn zienswijze verzocht om de gronden tussen kasteel Nederhemert en de jachthaven aan de Veerweg te voorzien van een agrarische bestemming. Nu het westelijke gedeelte van het perceel met het kadastrale nummer C 584 deel uitmaakt van dit gebied heeft de raad dit perceelsgedeelte bestemd voor agrarische doeleinden. Het perceel met het kadastrale nummer C 318 ligt volgens de raad niet tussen voormeld kasteel en de jachthaven zodat de raad geen aanleiding zag om deze gronden voor agrarische doeleinden te bestemmen.

27.2. Blijkens de verbeelding heeft het westelijke gedeelte van het perceel met het kadastrale nummer C 584 de bestemming "Agrarisch met waarden". Het perceel met het kadastrale nummer C 318 heeft de bestemming "Natuur".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor natuurgebieden, ten behoeve van de bescherming van natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden.

27.3. Vast staat dat het westelijke gedeelte van het perceel met het kadastrale nummer C 584 als natuur is ingericht. Blijkens de verbeelding is dit perceelsgedeelte daarentegen voor agrarische doeleinden bestemd. Vast staat dat het perceel met het kadastrale nummer C 318 als landbouwgrond wordt gebruikt. Dit perceel is voor natuurdoeleinden bestemd. De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat het verzoek van [appellant sub 11] om een agrarische bestemming volgens de raad betrekking had op eerstgenoemd perceelsgedeelte maar niet zag op laatstgenoemd perceel, onverlet laat dat de raad bij het opstellen van het plan de relevante feiten dient vast te stellen en de nodige kennis dient te vergaren omtrent de af te wegen belangen. Dit betekent onder andere dat de raad zich op de hoogte dient te stellen van het bestaande gebruik en of dit legaal of illegaal is, teneinde dit te betrekken in zijn afweging omtrent welk gebruik hij in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht. Uit het bestreden besluit en het gestelde ter zitting is echter niet gebleken dat de raad zich bij de vaststelling van het plan op de hoogte heeft gesteld van het bestaande gebruik ter plaatse. De raad heeft reeds hierom gehandeld in strijd met de bij de voorbereiding van het besluit te betrachten zorgvuldigheid. het betoog slaagt.

28. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" ter plaatse van het westelijke gedeelte van het perceel met het kadastrale nummer C 584 en het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van het perceel met het kadastrale nummer C 318, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 12]

29. [appellant sub 12] betoogt dat de raad ten onrechte geen woonbestemming heeft toegekend aan het perceel met het kadastrale nr. M 227. Hij voert hiertoe aan dat dit perceel een eenheid vormt met het perceel [locatie 12], nu op de percelen samen voorheen een agrarisch bedrijf was gevestigd. [appellant sub 12] stelt voorts dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn wens om op het betreffende perceel een woning te bouwen. [appellant sub 12] betoogt ten slotte dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld, omdat aan Nieuwendijk 1 en 3 wel een woonbestemming is toegekend.

29.1. De raad stelt met het plan te hebben beoogd om de bestaande situatie te bestemmen. Volgens de raad was geen sprake van een concreet voornemen om op het perceel met het kadastrale nr. M 227 een woning te bouwen. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake.

29.2. Blijkens de verbeelding heeft het perceel [locatie 12] de bestemming "Wonen". Het perceel met het kadastrale nr. M 227 heeft de bestemming "Agrarisch met waarden".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;

b. bescherming, instandhouding en versterking van de landschaps- en natuurwaarden zoals landschapsvisuele, cultuurhistorische en ecologische waarden (zie ook 44.1, 44.2, 44.3, 44.5, 44.6, 44.7, 44.11 en 44.12;

[…].

Ingevolge artikel 26, lid 26.1, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge lid 26.2.2, onder b, sub 1, voor zover hier van belang, is per bestemmingsvlak één hoofdgebouw toegestaan, met dien verstande dat per hoofdgebouw maximaal 1 woning is toegestaan.

29.3. Blijkens de plankaart van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied, integrale herziening" had het perceel [locatie 12] de bestemming "Agrarisch gebied" met de nadere bestemming "Woonbebouwing". Het perceel met het kadastrale nr. M 227 had de bestemming "Bos- en natuurgebied" met de aanduiding "N".

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften van dat plan, zijn de gronden met de bestemming "Bos- en natuurgebied" in de bestemmingscategorie N bestemd voor de bescherming van natuurwaarden, waarbij aan de Eendenkade ook het extensieve dagrecreatieve gebruik is toegestaan.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, zijn de gronden met de bestemming "Woonbebouwing" bestemd voor al dan niet vrijstaande woningen met bijbehorende tuinen en erven.

Ingevolge lid 12.2, is uitsluitend de volgende bebouwing toegestaan:

1. De op het moment van de terinzagelegging van het ontwerpplan bestaande al dan niet vrijstaande woning met als inhoud, hoogte en goothoogte de op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan bestaande inhoud, hoogte en goothoogte;

[…].

29.4. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan was op het perceel [locatie 12] een woonboerderij aanwezig. Het aan de andere zijde van de Maasdijk liggende perceel met het kadastrale nr. M 227 was in gebruik als grasland en was overwoekerd met struikgewas. [appellant sub 12] heeft gesteld dat hij op laatstgenoemd perceel tevens een woning wenst te bouwen. De Afdeling stelt vast dat het vorige bestemmingsplan niet voorzag in deze mogelijkheid en het plan evenmin. Gebleken is dat de raad bij de vaststelling van het plan het uitgangspunt heeft gehanteerd bestaande burgerwoningen als zodanig te bestemmen. De bestemmingsvlakken zijn afgestemd op de woningen zelf en de aanwezige tuinen en erven. Aan de woonpercelen grenzende gronden die bijvoorbeeld als paardenwei of grasland in gebruik waren zijn bestemd voor agrarische doeleinden en dit uitgangspunt is ook toegepast voor het perceel met het kadastrale nr. M 227. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Voorts is niet gebleken van een concreet bouwplan dat voorziet in de bouw van een woning op het perceel met het kadastrale nr. M 227, waarmee de raad rekening had behoren te houden. Gelet hierop heeft de raad dan ook in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien om aan dit perceel een woonbestemming toe te kennen.

Over de door [appellant sub 12] gemaakte vergelijking met de percelen Nieuwendijk 1 en 3 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat op deze percelen woningen aanwezig zijn die er al lang staan, terwijl op het perceel tegenover het perceel [locatie 12] geen woning aanwezig is en dit ook nimmer het geval is geweest. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 12] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

29.5. Aan hetgeen [appellant sub 12] voor het overige in zijn beroepschrift heeft vermeld kan geen beroepsgrond worden ontleend.

29.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 12] ongegrond.

Het beroep van Waalwaardwonen

30. Waalwaardwonen betoogt dat de raad haar gronden aan de Krangstraat 5 ten onrechte heeft bestemd voor agrarische doeleinden. Zij wenst ter plaatse woningbouw te realiseren. Waalwaardwonen betoogt dat de raad een directe woonbestemming had moeten toekennen aan de gronden. Zij wijst daartoe op de intentieovereenkomst met de gemeente Zaltbommel en stelt dat haar woningbouwplannen ten tijde van de vaststelling van het plan voldoende concreet waren. Zo hadden onder meer reeds een aantal informatiebijeenkomsten plaatsgevonden en stond het te realiseren woningbouwprogramma nagenoeg vast. Waalwaardwonen stelt subsidiair dat de raad op zijn minst een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van een woonbestemming in het plan had moeten opnemen.

30.1. De raad acht de aan de desbetreffende gronden toegekende agrarische bestemming passend. Volgens de raad was het voornemen van Waalwaardwonen om op de gronden woningbouw te realiseren onvoldoende concreet om in het plan op te nemen. Volgens de raad stond de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het woningbouwinitiatief voorts nog niet vast en was er nog veel onduidelijkheid zodat het evenmin mogelijk was om voorwaarden te bepalen ten behoeve van een wijzigingsbevoegdheid. Dit neemt niet weg dat bij de gemeente in beginsel de bereidheid bestaat om medewerking te verlenen aan woningbouw op de beoogde locatie. Dan moet echter wel sprake zijn van een concreet bouwplan, aldus de raad.

30.2. Blijkens de verbeelding hebben de gronden aan de Krangstraat 5 de bestemming "Agrarisch" met ten dele de aanduiding "bouwvlak".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

30.3. In het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 1991" was aan de gronden aan de Krangstraat 5 eveneens een agrarische bestemming toegekend. De raad heeft weliswaar te kennen gegeven bereid te zijn om medewerking te verlenen aan woningbouw op deze locatie, maar hij heeft tevens aangegeven bij het ontbreken van een concreet bouwplan daartoe het gebruik van deze gronden voor agrarische doeleinden nog immer passend te achten.

De raad heeft daarnaast gesteld dat het voornemen van Waalwaardwonen ten tijde van de planvaststelling onvoldoende concreet en onderbouwd was nu toentertijd de stedenbouwkundige invulling van de woningbouwlocatie, de ruimtelijke aanvaardbaarheid alsmede de financiële uitvoerbaarheid nog niet vaststonden. De raad heeft toegelicht dat nog geen overeenstemming over het aantal en het type te bouwen woningen bestond alsmede evenmin over de exacte ligging van de bouwvlakken en de bouwhoogten. Plannen variërend van 30 tot 60 woningen zijn bezien, waarbinnen het aantal zorgwoningen onderwerp van discussie was. Voorts was ten tijde van de planvaststelling weliswaar onderzoek verricht naar onder meer de bodemgesteldheid, maar bijvoorbeeld niet naar de verkeers- en parkeersituatie. De Afdeling overweegt dat hetgeen de raad heeft gesteld wordt ondersteund door hetgeen vermeld is in het "Projectplan Bruchem, Krangstraat, Veldzicht" van 29 januari 2013. Waalwaardwonen heeft daarentegen haar standpunt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds meer duidelijkheid bestond over voornoemde aspecten niet met stukken onderbouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het inititief van Waalwaardwonen niet dermate concreet en onderbouwd was dat dit zonder meer in het plan kon worden opgenomen.

De Afdeling overweegt voorts dat het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Gelet op de ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande onduidelijkheid over voormelde aspecten en het woningbouwinitiatief in het algemeen, heeft de raad in redelijkheid kunnen afzien van het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid. Het betoog faalt.

30.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van Waalwaardwonen ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 14]

31. [appellant sub 14] is eigenaar van een perceel aan de Pinkweg te Brakel, kadastraal bekend gemeente Brakel, sectie M, nr. 90. Onder verwijzing naar zijn zienswijze richt hij zich tegen de bestemmingsregeling voor dit perceel. Hij kan zich niet verenigen met de beantwoording van zijn zienswijze. Hij stelt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Volgens hem heeft de raad voorts in strijd gehandeld met een algemeen verbindend voorschrift en het verbod op willekeur. Bovendien is het besluit in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

31.1. [appellant sub 14] heeft in het beroepschrift verwezen naar de inhoud van zijn zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 14] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het niet onderbouwde betoog in het beroepschrift dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen en in strijd heeft gehandeld met een algemeen verbindend voorschrift, het verbod op willekeur en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, is hiertoe onvoldoende.

31.2. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 14] ongegrond.

Opdrachten

32. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de onder 10, 13 en 28 genoemde plandelen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

32.1. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling voorts aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

33. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 9] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van [appellant sub 11] niet gebleken.

Wat betreft De Lucht Wegrestaurants B.V., [appellant sub 2], [appellante sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 10], [appellant sub 12], Waalwaardwonen en [appellant sub 14] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 5], geheel, en het beroep van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "glastuinbouw" voor het perceel [locatie 5] te Zaltbommel, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 9], [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B], geheel, en het beroep van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zaltbommel van 27 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, Zaltbommel", voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 2] te Delwijnen;

b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarische bedrijfswoning" voor het perceel [locatie 6] te Zaltbommel;

c. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" ter plaatse van het perceel ten westen van het perceel [locatie 10];

d. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" ter plaatse van het westelijke gedeelte van het perceel met het kadastrale nummer C 584 en het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van het perceel met het kadastrale nummer C 318;

IV. draagt de raad van de gemeente Zaltbommel op:

a. om binnen twintig weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de plandelen genoemd onder III.a, III.b en III.d en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

b. om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III.c wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Lucht Wegrestaurants B.V., [appellant sub 2], [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], [appellant sub 7], [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B], [appellant sub 10], [appellant sub 12], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Waalwaardwonen B.V., de commanditaire vennootschap Waalwaardwonen C.V. en de stichting Woonstichting De Kernen en [appellant sub 14] ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Zaltbommel tot vergoeding van bij partijen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. ten aanzien van [appellant sub 3] tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. ten aanzien van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] tot een bedrag van € 1.010,54 (zegge: duizendtien euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. ten aanzien van [appellant sub 9] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Zaltbommel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 3];

b. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

c. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 9];

d. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 11A] en [appellant sub 11B].

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Westland, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Westland

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

683-694.