Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201306335/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied SpaarneBuiten 2012" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/942

Uitspraak

201306335/1/R1.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Spaarndam, gemeente Haarlem,

2. de vereniging Fietsersbond, gevestigd te Utrecht,

3. [appellant sub 3], wonend te Spaarndam, gemeente Haarlem,

4. het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

5. de vereniging Vereniging De Hollandsche Molen, gevestigd te Amsterdam,

6. [appellant sub 6], wonend te Spaarndam, gemeente Haarlem,

7. [appellant sub 7], wonend te Spaarndam, gemeente Haarlem,

8. [appellant sub 8], wonend te Spaarndam, gemeente Haarlem,

9. de stichting Stichting Dorpsraad Spaarndam, gevestigd te Spaarndam, gemeente Haarlem,

10. [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]), wonend te Spaarndam, gemeente Haarlem,

en

de raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Woongebied SpaarneBuiten 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], de Fietsersbond, [appellant sub 3], het college, De Hollandsche Molen, [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], de stichting en [appellant sub 10] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de Stab) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 3], de stichting, [appellant sub 8] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Fietsersbond, het college, [appellant sub 8], [appellant sub 3], de stichting, de raad en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 10A], de Fietsersbond, vertegenwoordigd door J. Moerman, het college, vertegenwoordigd door mr. M.E. Biezenaar, advocaat te Haarlem, en F.R. Kool, werkzaam bij de gemeente Haarlem, De Hollandsche Molen, vertegenwoordigd door M. Ravesloot, [appellant sub 8], vertegenwoordigd door mr. K. van der Leij, advocaat te Hoofddorp, de stichting, vertegenwoordigd door W. Toppen en mr. B.N. Kloostra, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat te Amsterdam, M.E. Driessen, werkzaam bij de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, en ing. P.A. Kroeze, werkzaam bij Ligtermoet & Partners, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door ir. M.G. Otten, en ir. W. Homan, werkzaam bij Royal Haskoning DHV, gehoord.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. De raad betoogt dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is, zodat zijn beroep tegen het plan niet-ontvankelijk is.

1.1. Ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.2. [appellant sub 1] woont op ongeveer 280 m van het plangebied. Uit het deskundigenbericht blijkt dat hij geen zicht heeft op het plangebied.

Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die door het plan mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 1] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

Formele aspecten

2. De stichting betoogt dat de verschillende versies van het verkeersrapport "Ontsluiting van SpaarneBuiten" van Ligtermoet & Partners ten onrechte niet ter inzage zijn gelegd.

2.1. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de eerste versie van het verkeersrapport ter inzage heeft gelegen bij het ontwerpplan.

Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is een tweede versie van het verkeersrapport opgesteld, omdat een oplossingsrichting die in de eerste versie van het verkeersrapport werd aangegeven, namelijk het instellen van partieel eenrichtingsverkeer op verschillende wegen, in de gemeente op onvoldoende draagvlak kon rekenen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat in de eerste versie de verkeersproblematiek is bezien zowel uitgaande van eenrichtingsverkeer als uitgaande van tweerichtingsverkeer. In de tweede versie is de oplossingsrichting van het eenrichtingsverkeer losgelaten en is de verkeersproblematiek bezien uitgaande van tweerichtingsverkeer, aldus de raad.

2.2. Hoewel uit de Wro, noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat de gemeenteraad gehouden is de indieners van zienswijzen door toezending dan wel terinzagelegging in kennis te stellen van een zodanig stuk, kan er onder omstandigheden uit een oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het bestemmingsplan aanleiding bestaan om de betrokkenen daarvan in kennis te stellen en aan hen de gelegenheid te bieden daarop te reageren. In dit geval hoefde de raad betrokkenen evenwel niet in kennis te stellen van de tweede versie van het verkeersrapport. Daartoe is van belang dat de indieners van de zienswijzen reeds naar aanleiding van de eerste versie van het verkeersrapport desgewenst hadden kunnen reageren op de gevolgen voor het verkeer in een situatie van tweerichtingsverkeer. Het betoog faalt.

3. De stichting betoogt dat het vastgestelde plan wezenlijk afwijkt van het ontwerpplan dat ter inzage heeft gelegen.

3.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen.

3.2. De Afdeling overweegt dat de raad in het besluit heeft aangegeven dat enige maatregelen worden uitgevoerd wat betreft de afwikkeling van het verkeer. De raad heeft het plan evenwel ongewijzigd vastgesteld. Reeds hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de wettelijke procedure opnieuw had moeten worden doorlopen. Het betoog faalt.

4. Voor zover het college betoogt dat de raad in een brief van 11 september 2012, die het college als wegbeheerder van de wegen door Spaarndam voor zover gelegen op Haarlems grondgebied aan de raad heeft gestuurd, aanleiding had moeten zien om verder met elkaar in gesprek te komen, kan dit betoog niet leiden tot het oordeel dat het plan in zoverre op onrechtmatige wijze is vastgesteld. Daarbij is van belang dat de raad het voorontwerp van het bestemmingsplan in het kader van artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) aan het college heeft toegestuurd. Het betoog faalt.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

6. Het plan heeft betrekking op het (voormalige) bedrijventerrein van Koninklijke Volker Wessels Stevin dat ten zuiden van het dorp Spaarndam ligt. Het plan heeft tot doel om dit terrein te herontwikkelen tot een nieuw woongebied met ongeveer 315 woningen, enkele commerciële voorzieningen, een jachthaven en een groengebied.

Behoefte

7. De stichting voert aan dat geen behoefte bestaat aan de 315 voorziene woningen, mede gelet op de huidige economische situatie.

De Hollandsche Molen betwist de behoefte aan de voorziene 8 waterwoningen in het zuiden van het plangebied.

7.1. In de plantoelichting wordt vermeld dat in de in 2010 vastgestelde structuurvisie van de provincie Noord-Holland een woningbouwopgave van 75.000 woningen is aangegeven voor de periode 2010-2020 en dat uit de provinciale woningbouwmonitor 2012 blijkt dat het woningtekort binnen Noord-Holland verder is opgelopen door een toename van het aantal huishoudens. Door de provincie wordt gesteld dat de opgave voor de regio Zuid-Kennemerland (waar Haarlemmerliede en Spaarnwoude toe behoort) momenteel 7.400 woningen bedraagt voor de periode 2011-2019. De realisatie van ongeveer 320 woningen in het plangebied past in deze woningbouwopgave én in het terugdringen van het woningtekort, aldus de plantoelichting.

Nu de stichting en De Hollandsche Molen deze woningbouwopgave en het woningtekort niet gemotiveerd hebben betwist, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de voorziene woningen. Het betoog faalt.

Bestemmingsplan "Vereenigde Binnenpolders"

8. [appellant sub 8] betoogt dat het plan in strijd is met het gemeentelijke beleid zoals vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan "Vereenigde Binnenpolders".

8.1. In de toelichting bij het bestemmingsplan "Vereenigde Binnenpolders", dat de raad op 22 september 2005 heeft vastgesteld, wordt onder het kopje "Het gemeentelijk beleid" onder meer vermeld dat de Lageweg, de Lagedijk, de Liedeweg, Penningsveer en de Spaarndammerdijk lokale verbindingsroutes zijn tussen Spaarndam en Haarlemmerliede/Penningsveer en Halfweg. Desalniettemin worden deze routes ook gebruikt voor niet-lokaal en/of zwaar verkeer. De relatief smalle en bochtige wegen hebben beperkt draagvlak. Fysieke maatregelen (bijvoorbeeld snelheidsremmers, wegversmallingen e.d.) en natuurlijke maatregelen (bijvoorbeeld grazende schapen op en langs de weg) dienen niet-lokaal verkeer te ontmoedigen en zwaar verkeer tegen te houden, aldus deze toelichting.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat een ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied" is opgesteld voor onder meer de gronden van de Lageweg-Lagedijk. In de toelichting daarbij is de hiervoor weergegeven passage uit het bestemmingsplan "Vereenigde Binnenpolders" niet meer opgenomen.

Gelet hierop kan de hiervoor weergegeven toelichting van het bestemmingsplan "Vereenigde Binnenpolders" niet worden aangemerkt als het ten tijde van belang geldende gemeentelijke beleid, zodat het aangevoerde reeds hierom niet leidt tot het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het gemeentelijke beleid. Het betoog faalt.

Verkeer

9. [appellant sub 8] en de stichting betogen dat de projectontwikkelaar en de gemeente ten onrechte invloed hebben kunnen uitoefenen op het rapport, "Ontsluiting van SpaarneBuiten" van 16 mei 2013 van Ligtermoet & Partners (hierna: het verkeersrapport), dat de raad aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.

[appellant sub 7] betoogt dat onduidelijk is hoe de uitkomsten van het verkeersonderzoek tot stand zijn gekomen. [appellant sub 10] en de Fietsersbond wijzen erop dat de tellingen die aan het verkeersrapport ten grondslag liggen verschillen van de tellingen, die door het Hoogheemraadschap van Rijnland zijn uitgevoerd.

Voorts betogen het college, de stichting, [appellant sub 8] en [appellant sub 10] dat in het verkeersonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met verschillende relevante ontwikkelingen voor het verkeer in Spaarndam en omgeving. Verder betogen [appellant sub 8] en [appellant sub 10] dat in het verkeersonderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de autonome verkeersgroei. [appellant sub 8] en de stichting voeren ook aan dat in het verkeersrapport ten onrechte geen rekening is gehouden met fietsers en voetgangers.

[appellant sub 8] stelt verder dat in het verkeersrapport ten onrechte geen rekening is gehouden met vrachtverkeer.

De Fietsersbond en het college betogen dat in het verkeersrapport wat betreft de analyse van de verkeersveiligheid ten onrechte is volstaan met een verwijzing naar de ongevallenregistratie van de politie.

9.1. Spaarndam-Oost heeft vier ontsluitingsroutes. Dit zijn de route over de Slaperdijk richting Haarlem, die via de route Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg dwars door de oude kern van Spaardam-Oost en Spaarndam-West leidt, de route over de weg Zijkanaal C die richting het westelijke havengebied van Amsterdam leidt, de route over de Spaarndammerdijk die richting Amsterdam leidt en de route over de Lageweg en de Lagedijk die via Penningsveer naar Haarlem leidt.

9.2. Bij uitspraak van 9 november 2011 in zaak nr. 201002780/1/R1 heeft de Afdeling het bestemmingsplan "Woongebied SpaarneBuiten" vernietigd. Aan dat plan lag met name ten grondslag het rapport "Verkeersonderzoek SpaarneBuiten" van 22 oktober 2007 van Goudappel Coffeng. In de uitspraak heeft de Afdeling het plan vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb welke bepaling voorschrijft dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.

9.3. De raad heeft toegelicht dat met het thans aan de orde zijnde plan is beoogd tegemoet te komen aan de eerder door de Afdeling geconstateerde gebreken. Daartoe heeft de raad verwezen naar het ten behoeve van het onderhavige plan opgestelde verkeersrapport. De raad heeft de conclusies van het verkeersrapport overgenomen en betrokken bij de vaststelling van het plan.

9.4. In het verkeersrapport is vermeld dat de bestaande verkeerssituatie nauwgezet in beeld is gebracht door middel van een nieuw verkeersonderzoek.

In het verkeersrapport is, samengevat weergegeven, geconcludeerd dat voor erftoegangswegen in landelijke aanbevelingen geen randvoorwaarden gelden ten aanzien van het maximale gebruik. De benadering in het verkeersrapport houdt in dat bij de verkeerskundige beoordeling van een erftoegangsweg de zogeheten uitwisselfunctie voorop staat en niet de doorstroomfunctie. Vanwege de relatief lage snelheid is het mogelijk dat verkeer van verschillende typen verkeersdeelnemers veilig gemengd worden. Daarbij dient de weg een zodanige inrichting en vormgeving te hebben dat naleving van de ter plaatse geldende maximumsnelheid wordt bevorderd. Niettemin wordt wel uitgegaan van een indicatie van de acceptabel te achten verkeersintensiteit. Voor erftoegangswegen zijn geen specifieke grenswaarden geformuleerd ten aanzien van de intensiteit. In het verkeersrapport staat dat het voor de route door Spaarndam en Penningsveer een aanvaardbaar uitgangspunt is om een indicatieve grenswaarde van 5.000 tot 6.000 motorvoertuigen per etmaal te hanteren die voor 30 km-zones in ieder geval aanvaardbaar is. Volgens het verkeersrapport leidt de toename van het verkeer binnen de bebouwde kom (Spaarndam en op de Penningsveer) niet ertoe dat de indicatieve grenswaarde van 5.000 tot 6.000 motorvoertuigen per etmaal op enig wegvlak wordt overschreden. Volgens het verkeersonderzoek neemt buiten de bebouwde kom het verkeer zodanig beperkt toe dat geen probleem ontstaat als gevolg van de ontwikkeling van SpaarneBuiten. In het verkeersrapport worden voor twee wegen maatregelen voorgesteld.

Voor de (hoge) Spaarndammerdijk wordt geadviseerd om om de 300 meter, een passeer- of uitwijkgelegenheid te realiseren. Voor de Lagedijk wordt geadviseerd de gehele weg te voorzien van kantmarkering, uitwijkstroken en berijdbare bermen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zijn besluitvorming kunnen baseren op bovengenoemde uitgangspunten van het verkeersrapport.

9.5. Wat betreft de verwijzing van [appellant sub 8] naar de omstandigheid dat de projectontwikkelaar het onderzoek, dat tot dit rapport heeft geleid, heeft gefinancierd, overweegt de Afdeling dat die omstandigheid niet met zich brengt dat het onderzoek daarom niet onafhankelijk tot stand is gekomen. Ook uit hetgeen [appellant sub 8] voor het overige heeft aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de opstellers van dit rapport niet onafhankelijk zijn. Hierbij is van belang dat, wat er ook zij van de verwijzing van [appellant sub 8] naar uitspraken van een wethouder, niet is gebleken dat de projectontwikkelaar of de raad invloed hebben gehad op de uitkomsten van het onderzoek. Het betoog faalt.

9.6. Volgens het verkeersonderzoek zijn op tien plaatsen verkeerstellingen uitgevoerd en is een kentekenonderzoek uitgevoerd. Ook is de verkeersveiligheid geanalyseerd aan de hand van een ongevallenregistratie.

Uit de stukken blijkt dat bij het kentekenonderzoek gedurende drie tijdsblokken de kentekens van passerende voertuigen zijn genoteerd.

Bij de verkeerstelling is een onderscheid gemaakt in verschillende typen voertuigcategorieën, zodat ook de samenstelling van het verkeer is vastgelegd. Om een betrouwbaar beeld te verkrijgen is er gedurende twee weken 24 uur per dag geteld op de tien locaties; alleen de telling bij het Rijnlandhuis was gedurende één week.

Gelet op het vorenstaande mist het betoog van [appellant sub 7] dat onduidelijk is hoe de uitkomsten van het verkeersonderzoek tot stand zijn gekomen feitelijke grondslag. Het betoog faalt.

9.7. De verwijzing van [appellant sub 10] en de Fietsersbond naar de tellingen die door het Hoogheemraadschap van Rijnland zijn uitgevoerd geven geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de tellingen die aan het verkeersonderzoek ten grondslag liggen. Daarbij is van belang dat, zoals ook uit het deskundigenbericht blijkt, informatie ontbreekt over de telpunten die zijn gebruikt bij de telling die door het Hoogheemraadschap van Rijnland is uitgevoerd. Ook wordt in dit kader in aanmerking genomen dat in de memo "Second opinion verkeerseffecten" van 13 mei 2014 van Royal Haskoning DHV wordt geconcludeerd dat in het verkeersonderzoek een voldoende betrouwbare prognose is gegeven van de effecten van SpaarneBuiten op de intensiteiten en routekeuze van het gemotoriseerde verkeer en dat in de memo "Second opinion verkeer SpaarneBuiten" van 19 mei 2014 van Arcadis is aangegeven dat de tellingen een goede afspiegeling van de werkelijkheid geven.

In het deskundigenbericht wordt vermeld dat de methode om met kordonpunten te werken en met een beperkt aantal telpunten in het dorp met zich brengt dat een deel van het lokale verkeer zich aan de waarneming onttrekt. Ligtermoet & Partners heeft in een notitie van 21 maart 2014 (hierna: de notitie), in reactie op het deskundigenbericht, het verkeersrapport nader toegelicht en in de notitie is aangegeven dat zich inderdaad een deel van het lokale verkeer aan de waarneming heeft onttrokken. Volgens de notitie gaat het hier om verkeer gerelateerd aan een zeer beperkt aantal woningen, waarmee de hoeveelheid lokaal verkeer die is gemist ook zeer beperkt is. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de omstandigheid dat een deel van het lokale verkeer zich aan de waarneming heeft onttrokken het verkeersrapport niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Het betoog faalt.

9.8. Wat betreft de ontwikkelingen op de zogenoemde Poldermanlocatie, op het terrein van het Rijnlandhuis, op het terrein van het winkelcentrum aan de Dokter W. Nijestraat, in het Westhoffbos, aan de Zuiderscheg en bij het Fort benoorden Spaarndam is, naar het oordeel van de Afdeling, niet gebleken van besluitvorming in een zodanig concreet stadium dat de verkeersgevolgen daarvan bij de berekeningen van de verkeersintensiteiten in en om het plangebied hadden kunnen en/of moeten worden betrokken.

Volgens het deskundigenbericht valt niet te verwachten dat het verkeer veroorzaakt door de herontwikkeling van de school aan de Ringweg grote gevolgen heeft voor de in het verkeersrapport berekende intensiteiten. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de omstandigheid dat in het verkeersrapport geen rekening is gehouden met de herontwikkeling van de school aan de Ringweg het verkeersrapport niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

Het betoog faalt.

9.9. Wat betreft de autonome groei is in het verkeersrapport toegelicht dat daarmee geen rekening gehouden is, omdat Spaarndam juist een lichte afname laat zien van verkeersintensiteiten. Hetgeen [appellant sub 8] en [appellant sub 10] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op deze conclusie uit het verkeersrapport mocht baseren. In dit verband overweegt de Afdeling dat [appellant sub 8] haar stelling dat het additionele verkeer tussen december 2008 en juli 2012 is toegenomen met 965 motorvoertuigen per etmaal, niet heeft gestaafd. Voorts overweegt de Afdeling in dit verband dat uit de memo van 13 mei 2014 naar voren komt dat Royal Haskoning DHV zich kan vinden in de keuze in het verkeersrapport dat geen rekening is gehouden met autonome groei en dat ook in de memo van Arcadis wordt aangegeven dat het legitiem is om autonome groei buiten beschouwing te laten.

Het betoog faalt.

9.10. Voorts blijkt uit het stuk "Verkeersonderzoek - kern Spaarndam - van januari 2014 van BVA Verkeersadviezen dat bij het in opdracht van Ligtermoet & Partners in april 2012 door BVA Verkeersadviezen verrichte verkeersonderzoek, dat ten grondslag heeft gelegen aan het verkeersrapport, ook het vrachtverkeer is betrokken. Ook blijkt uit dat stuk dat een fietstelling is gedaan. De stelling dat in het verkeersrapport geen rekening is gehouden met vrachtverkeer en fietsers mist dan ook feitelijke grondslag. Het betoog faalt.

Verder ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de omstandigheid dat ten behoeve van het verkeersrapport geen telling van voetgangers is verricht het verkeersrapport niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Daartoe acht de Afdeling van belang dat in de memo van Royal Haskoning DHV is gesteld dat uit oogpunt van verkeersveiligheid, bereikbaarheid en oversteekbaarheid niet kan worden gesproken van een onacceptabele situatie na realisatie van het plan.

Het betoog faalt.

9.11. In het deskundigenbericht wordt gesteld dat de subjectieve verkeersveiligheid van belang is. Bijna-ongevallen, dreigende situaties en ongevallen met uitsluitend materiële schade kunnen voor bewoners een werkelijkheid zijn die niet in de registratie tot uitdrukking komt. Volgens de Stab zou de mate waarin de historische dijkweg door Spaarndam als verkeersonveilig wordt ervaren nader onderzocht moeten worden.

In de notitie is toegelicht dat het beleid van de overheid zich vooral richt op de objectieve verkeersveiligheid en dat in het verkeersrapport is geconcludeerd dat de situatie feitelijk niet onveilig is. Dit neemt niet weg dat de ervaring met de verkeersveiligheid een andere kan zijn, maar, volgens de notitie, legt de Stab te veel de nadruk op de subjectieve veiligheid zonder veel aandacht te geven aan de feitelijke ongevals- en slachtofferproblematiek.

In de memo van Royal Haskoning DHV is gesteld dat het feit dat er geen ongevallen zijn geregistreerd nog niet wil zeggen dat er geen ongevallen gebeuren, nu de registratiegraad laag is, met name bij ongevallen met alleen materiële schade of licht letsel. Ernstige ongevallen (met doden of ziekenhuisgewonden) worden, volgens de memo, in de regel wel adequaat geregistreerd. Er is daarom, volgens de memo, geen reden om aan te nemen dat de situatie in en rond Spaarndam objectief gezien onveilig is.

Voorts is in de memo van Royal Haskoning DHV aangegeven dat de subjectieve verkeersveiligheid niet eenvoudig objectief is vast te stellen. De meningen zullen naar verwachting sterk uiteenlopen, afhankelijk van het soort weggebruiker en de persoonlijke omstandigheden. Bovendien kan, volgens de memo, enige mate van subjectieve onveiligheid juist leiden tot voorzichtig gedrag waardoor ongevallen worden voorkomen. Onderzoek naar de subjectieve verkeersveiligheid levert daarom, volgens de memo, geen relevante informatie op voor de besluitvorming.

Gelet op hetgeen in de notitie en memo is toegelicht, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestond om een onderzoek naar de eventueel subjectief ervaren verkeersveiligheid te verrichten.

Het betoog faalt.

Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg

10. Het college, [appellant sub 3], [appellant sub 10] en [appellant sub 7] betogen dat het plan ernstige gevolgen heeft voor de verkeerssituatie op de historische dijkweg door Spaarndam. Volgens het college is 4.000 motorvoertuigen per etmaal te veel op een erftoegangsweg voor een plattelandskern. [appellant sub 3], het college, de Fietsersbond, [appellant sub 10] en [appellant sub 7] betogen dat de weg niet geschikt dan wel breed genoeg is om een toename van verkeer te verwerken. Voorts staan de woningen, zo stellen het college en [appellant sub 10], op de dijk dicht op de straat en hinderen smalle en bochtige weggedeeltes de doorstroming en het overzicht. Daarbij wijst [appellant sub 10] erop dat de ophaalbrug over de sluis de doorstroming van het verkeer belemmert. Verder wijst het college erop dat ook bussen gebruik maken van de Spaarndammerdijk. [appellant sub 8] betoogt dat het onzeker is of de verkeersmaatregelen daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd. Volgens het college is het niet waarschijnlijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland de benodigde vergunningen zal verlenen. De stichting voert aan dat de maatregelen niet het beoogde effect zullen hebben. [appellant sub 10], het college, en [appellant sub 7] betwisten in het bijzonder de effectiviteit van de flitspaal.

Volgens [appellant sub 3] leveren de passeerplekken om de 300 meter op de dijkweg een onveilige situatie op. Het college betoogt dat de raad ten onrechte de indruk wekt dat reeds is besloten dat aan de Kerklaan een parkeerterrein zal worden aangelegd en dat het op de dijk zal worden verboden te parkeren. Verder betoogt het college dat de bereikbaarheid van de Spaarndammerdijk voor hulpdiensten in geval van calamiteiten in het geding is.

10.1. Wat betreft de Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg, wordt in het deskundigenbericht aangegeven dat in het verkeersrapport de vraag of een toename van het verkeer op deze krappe historische dijkweg zonder voetpaden verantwoord is niet wordt beantwoord. Verder is volgens het deskundigenbericht het effect van een openstaande brug over de Grote Sluis niet in het onderzoek betrokken.

10.2. In de notitie wordt er, in reactie op het deskundigenbericht, op gewezen dat door de bebouwing die dicht op de weg staat, de bochten in de weg, geparkeerde auto's, het ontbreken van voetpaden, nauwe uitstraling, er geen enkel misverstand over kan bestaan welk gedrag op de weg wordt verwacht; de uitwisselfunctie is zeer eenduidig aanwezig, aldus de notitie.

10.3. Wat betreft het betoog dat een adequate doorstroming van het verkeer op de Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg wordt belemmerd, wordt overwogen dat in het verkeersrapport gemotiveerd is uiteengezet dat deze weg niet primair een doorstromingsfunctie heeft, maar, als erftoegangsweg, een uitwisselfunctie. In hetgeen is aangevoerd, ziet de Afdeling, mede gezien de onder 10.2 weergegeven toelichting in de notitie, geen aanleiding om de conclusie van het verkeersrapport, dat deze weg een erftoegangsweg met uitwisselfunctie is, in twijfel te trekken. Daarbij is mede van belang dat in de memo van Royal Haskoning DHV wordt vermeld dat het karakter van de historische dijkweg onmiskenbaar dat van een erftoegangsweg is.

Aan de door [appellant sub 10] genoemde omstandigheid dat de ophaalbrug over de sluis de doorstroming van het verkeer belemmert, kan, nu de uitwisselfunctie voorop staat, niet de betekenis worden toegekend die [appellant sub 10] daaraan toegekend wenst te zien.

Het betoog faalt.

10.4. De omstandigheid dat in het verkeersrapport geen rekening is gehouden met het openen van de brug geeft geen grond voor het oordeel dat de raad de besluitvorming niet op het verkeersrapport mocht baseren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de memo van Royal Haskoning DHV is vermeld dat niet valt te verwachten dat de omstandigheid dat meer voertuigen zullen moeten wachten voor een geopende brug tot grote problemen zal leiden.

Het betoog faalt.

10.5. Voor zover het college heeft gesteld dat 4.000 motorvoertuigen per etmaal te veel is op een erftoegangsweg voor een plattelandskern, wordt overwogen dat de raad nader heeft toegelicht dat plattelandsgemeenten vallen in de laagste verstedelijkingsgraad die het Centraal Bureau voor de Statistiek hanteert, namelijk de categorie "niet stedelijke gemeenten" en dat Haarlemmerliede en Spaarnwoude is aangeduid als "weinig stedelijke gemeente". Nu het college dit niet gemotiveerd heeft betwist, biedt hetgeen het college heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in het verkeersrapport ten onrechte een indicatieve grenswaarde van 5.000 tot 6.000 motorvoertuigen per etmaal is gehanteerd. In hetgeen de stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat in het verkeersonderzoek ten onrechte is aangesloten bij deze grenswaarde van het CROW. Het betoog faalt.

10.6. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat de intensiteiten op de Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg na realisatie van het plan onder deze indicatieve grenswaarde blijven. De Afdeling ziet mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 9.6 tot en met 9.10 is overwogen, geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen.

Voorts is in het verkeersrapport toegelicht dat in de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom van het CROW de aanbevolen minimale wegbreedtes voor erftoegangswegen zijn opgenomen. Voor tweerichtingsverkeer auto, gebaseerd op ontwerpvoertuig personenauto en tweerichtingsverkeer fiets is daarin een minimaal profiel van 4,80 m opgenomen. In het verkeersrapport is verder aangegeven dat in Spaarndam, een 30 km/uur gebied, het uitgangspunt uit het Handboek Wegontwerp 2012, deel erftoegangswegen, kan worden gevolgd. Daarin is voor een personenauto als verkeersruimte bij een snelheid van 30 km/uur 2,05 m opgenomen. Dit betekent dat in totaal 4,10 m, zijnde twee maal 2,05 m, als daadwerkelijk minimumprofiel volstaat. Hetgeen de Fietsersbond heeft aangevoerd, geeft, gelet op de daarvoor in het verkeersrapport gegeven motivering en de nadere toelichting in de notitie, geen aanleiding voor het oordeel dat in het verkeersrapport ten onrechte is aangesloten bij de minimumprofielen zoals vermeld in het Handboek Wegontwerp 2012. Het betoog faalt.

10.7. Wat betreft het betoog van het college dat in het verkeersrapport niet van de verkeersruimte van personenauto's, maar van die van vrachtverkeer had moeten worden uitgegaan, wordt overwogen dat in de notitie nader is toegelicht dat het aandeel zwaar verkeer zeer laag is en dat niet-lokaal doorgaand verkeer over de Spaarndammerdijk slechts in zeer beperkte omvang aan de orde is. De Afdeling ziet hiervan bevestiging in de bevinding van het deskundigenbericht dat ervan uit kan worden gegaan dat er gemiddeld bijna 9 voertuigen per uur over de dijk rijden die als zwaar verkeer kunnen worden aangemerkt. Gelet op het zeer lage aandeel vrachtverkeer geeft hetgeen het college heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in het verkeersonderzoek wat betreft de minimale breedte aangesloten had moeten worden bij de verkeersruimte voor vrachtverkeer.

Voorts heeft de raad toegelicht dat met afstanden in verband met obstakelvrees ten opzichte van trottoirband en voorwerpen geen rekening hoeft te worden gehouden bij een snelheid van 30 km per uur. Nu het college dit niet gemotiveerd heeft betwist, en in de kern een maximum snelheid van 30 km per uur geldt, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat in het verkeersrapport rekening gehouden had moeten worden met afstanden in verband met obstakelvrees.

Voorts heeft de raad onweersproken toegelicht dat in het verkeersonderzoek rekening is gehouden met de zogenoemde vetergang, zijnde de ruimte ten behoeve van zijdelingse bewegingen tijdens het rijden, nu die deel uitmaakt van de verkeersruimte.

Verder heeft de raad het standpunt mogen innemen dat de omstandigheid dat ter plaatse bussen rijden vanuit verkeersveiligheidsoogpunt niet tot ernstige gevolgen leidt, nu in het verkeersrapport is aangegeven dat op een erftoegangsweg menging van verkeersdeelnemers het uitgangspunt is. Voorts neemt de Afdeling in dit verband in aanmerking dat het aantal bussen ten opzichte van het aantal auto's relatief beperkt is. Het betoog faalt.

10.8. In het verkeersonderzoek wordt geconcludeerd dat op de historische dijkweg vrijwel overal wordt voldaan aan de minimale wegbreedte van 4,10 m. Die conclusie is niet gemotiveerd betwist.

Voor zover de Fietsersbond heeft verwezen naar de Ontwerpwijzer Fietsverkeer van het CROW, waarin is vermeld dat, binnen de bebouwde kom, de breedte van de rijbaan 4,85 m moet bedragen (gebaseerd op combinatie personenauto/fiets/fiets), wordt overwogen dat de raad heeft toegelicht dat, zelfs als wordt uitgegaan van 4,85 m, de route door de bebouwde kom voldoet, nu de wegbreedte daar 4,90 tot 6,25 m is, met als enige uitzondering de bruggen. Aan de omstandigheid dat ten aanzien van de bruggen niet aan die wegbreedte wordt voldaan, heeft de raad geen overwegende betekenis hoeven toekennen. Daartoe is van belang dat in het verkeersonderzoek is uiteengezet dat, waar incidenteel niet aan de wegbreedte van 4,10 m wordt voldaan, dat niet problematisch is, omdat lokale versmallingen passend zijn bij de functie en weginrichting van een erftoegangsweg en bijdragen aan een lage snelheid van het verkeer. Niet valt in te zien dat dit anders is indien wordt uitgegaan van een wegbreedte van 4,85 m. Het betoog faalt.

10.9. Verder heeft de raad erop gewezen dat met het oog op de verkeersveiligheid tot het nemen van enige verkeersmaatregelen is besloten, waaronder die dat op de Lagedijk tussen SpaarneBuiten en Penningsveer aan beide zijden grasbetontegels en kantbelijning komt en over 500 meter een nieuwe toplaag asfalt komt en dat op de Spaarndammerdijk tussen de Lageweg en de Kerkweg passeerstroken worden gemaakt om de 300 meter. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad deze maatregelen als noodzakelijk beschouwd, gelet op het gestelde in het verkeersrapport. Daarnaast is tot het nemen van enige wenselijk geachte aanvullende verkeersmaatregelen besloten, waarbij de raad erop heeft gewezen dat in het verkeersrapport niet wordt gesteld dat deze maatregelen noodzakelijk zijn. Dit betreft onder meer de maatregelen dat:

- de Spaarndammerdijk, betreffende het deel tussen Lageweg en Zijkanaal C een 30 km/zone wordt en de rijweg ter hoogte van het Rijnlandhuis met 20 cm wordt verbreed;

- over het terrein van het Rijnlandshuis een langzaam verkeersroute wordt aangelegd;

- de kruising bij de sluis technisch zo zal worden ingericht dat het autoverkeer de afvoer via de Zijkanaal C weg als meest aannemelijke route kiest om SpaarneBuiten te verlaten.

10.10. Wat betreft het betoog van [appellant sub 3] dat de in het verkeersrapport geadviseerde maatregel op de Spaarndammerdijk, dat om de 300 meter een passeer- of uitwijkgelegenheid wordt geboden, onveilig is, wordt overwogen dat de passeer- of uitwijkgelegenheid kennelijk juist wordt geboden met het oog op de verkeersveiligheid. [appellant sub 3] heeft geen informatie aangedragen die aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een passeer- of uitwijkgelegenheid om de 300 meter kan bijdragen aan de verkeersveiligheid op de historische dijkweg. Hetgeen de stichting heeft aangevoerd, geeft naar het oordeel van de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de verkeerssituatie geen betekenis mocht toekennen aan de verkeersmaatregelen.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 8] dat de uitvoering van deze maatregelen onzeker is, wordt overwogen dat uit het deskundigenbericht blijkt dat één maatregel reeds is uitgevoerd, namelijk een snelheidsregime van 30 km/uur op de Spaarndammerdijk bij het Rijnlandhuis en dat tot het nemen van de andere maatregelen is besloten.

Voor zover het college betoogt dat de raad ten onrechte de indruk heeft gewekt dat reeds is besloten dat aan de Kerklaan een parkeerterrein zal worden aangelegd en dat het zal worden verboden op de dijk te parkeren, overweegt de Afdeling dat uit het verkeersrapport niet blijkt dat een parkeerverbod op de historische dijkweg noodzakelijk is in verband met de verkeersveiligheid. Reeds daarom leidt het betoog van het college niet tot het ermee beoogde doel.

Eén mogelijke maatregel betreft een verzoek aan de gemeente Haarlem om de geslotenverklaring van de dijk voor het gemotoriseerde verkeer zonder ontheffing en de controle daarop door middel van een flitspaal (die nu functioneert in de ochtendspits van 7.00 uur tot 9.00 uur) uit te breiden tot 15.00-17.00 uur. Het betoog van [appellant sub 10] dat reeds bij de vaststelling van het plan in een verlenging van de duur van de periode waarin de flitspaal werkt had moeten worden voorzien leidt niet tot het ermee beoogde doel. Datzelfde geldt voor het betoog van het college dat de maatregel van de flitspaal niet ver genoeg gaat. Daartoe is van belang dat uit het verkeersrapport niet blijkt dat de maatregel van de flitspaal noodzakelijk is in verband met de verkeersveiligheid.

Wat betreft de verkeersmaatregelen op de Spaarndammerdijk blijkt uit het deskundigenbericht dat geen vergunningaanvraag bij het Hoogheemraadschap van Rijnland is ingediend, omdat de raad verwacht dat de maatregelen binnen het bestaande wegprofiel uitgevoerd kunnen worden.

Niet is gebleken dat dit niet mogelijk is.

Het betoog faalt.

10.11. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het aan het plan ten grondslag gelegde verkeersrapport, gelet ook op de uitgebrachte nadere memo's, waaronder die van Arcadis, waarin is aangegeven dat de rapportage van Ligtermoet & Partners professioneel en goed onderbouwd is, zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat de raad deze niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. De raad heeft dan ook uit deze rapportages in redelijkheid kunnen afleiden dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeerssituatie op de Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg. Daarbij is van belang dat de intensiteiten op de Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg na realisatie van het plan onder de indicatieve grenswaarde liggen en dat vrijwel overal op de historische dijkweg wordt voldaan aan de minimale wegbreedte. Ook wordt in aanmerking genomen dat de genomen verkeersmaatregelen een bijdrage aan de verkeersveiligheid kunnen leveren. Verder wordt hierbij betrokken dat in het memo van Royal Haskoning DHV wordt geconcludeerd dat de verwachte verkeersgroei weliswaar de verblijfskwaliteit in enige mate vermindert, maar niet zodanig dat vanuit veiligheid of oversteekbaarheid een onacceptabele situatie ontstaat. Voorts heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat het plan ernstige gevolgen heeft voor de bereikbaarheid van de Spaarndammerdijk voor hulpdiensten. Het betoog faalt.

Lageweg-Lagedijk

11. Het college betoogt dat het plan wat betreft de ontsluiting via de Lagedijk niet uitvoerbaar is. [appellant sub 3] heeft aangevoerd dat ten aanzien van de Lagedijk de richtlijnen van het CROW voor erftoegangswegen onjuist zijn toegepast. [appellant sub 3] betoogt dat bij meer dan 4.000 motorvoertuigen per etmaal buiten de bebouwde kom fietsvoorzieningen nodig zijn. De Fietsersbond heeft in dit verband gesteld dat de Lagedijk ten onrechte geen afzonderlijke fietsvoorziening heeft. Voorts betoogt [appellant sub 6] dat de raad ten onrechte stelt dat er langs de Lagedijk een vrijliggend fietspad aanwezig is. Er is volgens hem sprake van een toeristische fietsroute die door het weidegebied slingert en aan de zuidzijde plotseling eindigt.

11.1. Blijkens het deskundigenbericht verandert de naam van de Lageweg ten zuiden van de molen "De Slokop" in Lagedijk.

De raad heeft met het oog op de verkeersveiligheid onder meer ertoe besloten dat langs de weg op de Lagedijk grasbetonblokken worden hersteld dan wel geplaatst. Blijkens het deskundigenbericht is daarvoor een vergunning aangevraagd bij het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Ter zitting is gebleken dat die vergunning inmiddels is verleend.

Hetgeen het college heeft aangevoerd geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan wat betreft de ontsluiting via de Lagedijk niet uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

11.2. Wat betreft de fietsvoorzieningen aan de Lagedijk, vermeldt het verkeersrapport dat de Lagedijk over de gehele lengte tussen Spaarndam en Penningsveer een vrijliggende fietsroute heeft, zodat aanvullende fietsvoorzieningen op de rijbaan van de Lagedijk niet noodzakelijk zijn. Voorts is er in de notitie op gewezen dat blijkens het Handboek wegontwerp 2013 -Erftoegangswegen van het CROW op erftoegangswegen alle verkeerssoorten in beginsel gebruik maken van dezelfde rijbaan. Bij verkeersintensiteiten hoger dan 2.000 tot 2.500 motorvoertuigen per etmaal zijn fietsvoorzieningen noodzakelijk. Fietsvoorzieningen op erftoegangswegen kunnen bestaan uit suggestiestroken, fietsstroken of vrijliggende fietspaden. Ook kan worden gekozen voor solitaire fietspaden. Een solitair fietspad volgt een eigen tracé. In de notitie is toegelicht dat suggestiestroken of fietsstroken niet noodzakelijk zijn, in geval sprake is van een lage fietsintensiteit of smalle weg, waarvan sprake is bij de Lagedijk.

Gezien deze toelichting in de notitie heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat een fietspad bij de Lagedijk niet noodzakelijk is. Dit brengt met zich dat de door [appellant sub 6] gestelde omstandigheid dat het fietspad nabij de Lagedijk deels door het weidegebied slingert en aan de zuidzijde plotseling eindigt en de stelling van de Fietsersbond dat dit fietspad niet voldoet aan de geldende CROW-richtlijnen voor fietspaden, geen bespreking behoeft. Fietsers kunnen immers gebruik maken van de Lagedijk. Voor zover de Fietsersbond in dit verband heeft beoogd te stellen dat fietsers niet veilig gebruik kunnen maken van de Lagedijk en meer in het bijzonder dat in het verkeersonderzoek geen onderscheid is gemaakt tussen een zogenoemd krap en kritisch profiel, wordt overwogen dat in het deskundigenbericht wordt vermeld dat het opvolgen van de aanbeveling in het verkeersrapport niet leidt tot het creëren van een zogenoemd kritisch profiel. Wat betreft de stelling van de Fietsersbond dat ook een krap profiel onwenselijk is, gelet op de verkeersdrukte, wordt erop gewezen dat uit het verkeersrapport naar voren komt dat de verkeersintensiteiten ter plaatse onder de genoemde indicatieve grenswaarde blijven. De Afdeling ziet, mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 9.6 tot en met 9.10 is overwogen, geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen.

Voor zover de Fietsersbond in dit verband heeft gesteld dat het voor fietsers niet mogelijk is om op de Lagedijk een landbouwvoertuig te passeren, omdat een fietser niet over de grasbetonblokken zou kunnen fietsen, heeft de raad toegelicht dat ook niet van fietsers wordt verlangd over de grasbetonblokken te fietsen. In een situatie dat een fietser een landbouwvoertuig wenst te passeren kan juist het desbetreffende landbouwvoertuig gebruik maken van de grasbetonblokken zodat voldoende ruimte over blijft voor de fietser, aldus de raad. Voorts heeft de raad gewezen op de al bestaande passeer- en uitwijkmogelijkheden. Verder heeft de raad onweersproken gesteld dat het aantal fietsers ter plaatse beperkt is. Onder deze omstandigheden kan, naar het oordeel van de Afdeling, aan de omstandigheid dat de Lagedijk zelf geen afzonderlijke fietsvoorziening dan wel een krap profiel heeft niet de betekenis worden toegekend die de Fietsersbond daaraan toegekend wenst te zien. Daarbij betrekt de Afdeling tevens dat in het verkeersrapport is aangegeven dat voor de Lagedijk erftoegangswegtype I als meest passende beoordelingskader wordt genomen, en dat uit het Handboek wegontwerp 2013 - Erftoegangswegen van het CROW blijkt dat ten aanzien van erftoegangswegen type I buiten de bebouwde kom een minimale inrichting ontbreekt. Het betoog faalt.

11.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het aan het plan ten grondslag gelegde verkeersrapport, gelet ook op de uitgebrachte nadere memo's, waaronder die van Arcadis, waarin is aangegeven dat de rapportage van Ligtermoet & Partners professioneel en goed onderbouwd is, zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat de raad deze niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. De raad heeft dan ook uit deze rapportages in redelijkheid kunnen afleiden dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeerssituatie aan de Lageweg-Lagedijk. Daarbij is van belang dat de intensiteiten op de Lageweg-Lagedijk na realisatie van het plan onder de indicatieve grenswaarde blijven. Verder wordt hierbij betrokken dat in de memo van Royal Haskoning DHV wordt geconcludeerd dat, hoewel door de ruimtelijke beperkingen op de Lagedijk niet kan worden voldaan aan het standaard dwarsprofiel van het CROW, de door de gemeente voorgestelde maatregelen voor een verbetering van de doorstroming en de verkeersveiligheid zorgen en dat deze verbetering ruimschoots opweegt tegen de (licht) negatieve effecten ten gevolge van de geringe verkeersgroei door de ontwikkeling van het plan. Het betoog faalt.

Penningsveer

12. Het college, de stichting en [appellant sub 8] betogen dat de hogere verkeersintensiteiten als gevolg van het plan negatieve effecten hebben voor de afwikkeling van het verkeer en de verkeersveiligheid in Penningsveer.

12.1. In het deskundigenbericht wordt aangegeven dat Penningsveer een zogenoemde flessenhals is waardoor in de huidige situatie al weggedrag voorkomt (over het trottoir rijden) dat ongewenst is. Met een groeiende intensiteit van het gemotoriseerde verkeer zal dat toenemen, aldus het deskundigenbericht.

In de notitie is, in reactie op de bevindingen van het deskundigenbericht, toegelicht dat in Penningsveer geen sprake is van een trottoir, uitgevoerd met trottoirbanden, maar veel meer van een loopstrook, uitgevoerd in hetzelfde verhardingsmateriaal als de rijbaan ter plaatse en met nauwelijks een hoogteverschil tussen rijbaan en loopstrook. Het gebruik van deze loopstrook door voertuigen is niet verboden en/of ongewenst, maar wordt juist gefaciliteerd, aldus de notitie.

12.2. Mede gelet op de in de notitie gegeven toelichting, ziet de Afdeling in hetgeen het college, de stichting en [appellant sub 8] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het aan het plan ten grondslag gelegde verkeersrapport, gelet ook op de uitgebrachte nadere memo's, waaronder die van Arcadis, waarin is aangegeven dat de rapportage van Ligtermoet & Partners professioneel en goed onderbouwd is, zodanige gebreken of leemten in kennis bevatten dat de raad deze niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. De raad heeft dan ook uit deze rapportages in redelijkheid kunnen afleiden dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de verkeerssituatie op de weg Penningsveer. Daarbij is - in aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 10.11 over de Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg is overwogen - ook van belang dat uit het verkeersonderzoek blijkt dat de intensiteiten in Penningsveer aanmerkelijk lager zijn dan die op de Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg en de weg Penningsveer aanmerkelijk korter is dan de Spaarndammerdijk-IJdijk-Visserseinde-Slaperdijkweg. Verder is van belang dat volgens het verkeersrapport de weg Penningsveer op het smalste deel 4,10 m breed is, maar over het geheel genomen iets breder. Ter plaatse van de brug is de breedte wel iets minder, maar volgens het verkeersrapport kan de beperkte toename van het verkeer ook hier op een toereikende wijze worden afgewikkeld. Het college en de stichting hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Verder neemt de Afdeling bij dit oordeel in aanmerking dat in de memo van Royal Haskoning DHV wordt geconcludeerd dat de verwachte verkeersgroei in Penningsveer weliswaar de verblijfskwaliteit in enige mate vermindert, maar niet zodanig dat vanuit veiligheid of oversteekbaarheid een onacceptabele situatie ontstaat.

Het betoog faalt.

13. Voor zover [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 8] het college en [appellant sub 10] erop hebben gewezen dat het plan nagenoeg gelijk is aan het plan "Woongebied SpaarneBuiten", dat de Afdeling bij uitspraak van 9 november 2011 heeft vernietigd, overweegt de Afdeling dat aan het thans voorliggende plan een nieuw verkeersonderzoek ten grondslag ligt dat heeft geleid tot het verkeersrapport. In het verkeersrapport wordt aangegeven dat in de verkeersrapportages die ten grondslag hebben gelegen aan het oorspronkelijke, door de Afdeling vernietigde bestemmingsplan, onjuiste uitgangspunten ten grondslag hebben gelegen. Er werd teveel de nadruk gelegd op aspecten van beheer en onderhoud en de (indicatieve) kans op het ontstaan van bermschade in plaats van op verkeerskundige en planologische aspecten, aldus het verkeersrapport. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet op de inhoud van het verkeersrapport, daarbij in aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen en mede gezien hetgeen in de memo's van Royal Haskoning DHV en Arcadis is gesteld, kan de raad worden gevolgd in zijn standpunt dat de gebreken die aan het voorheen geldende plan wat betreft het verkeer kleefden in het thans voorliggende plan zijn hersteld. Het betoog faalt.

Beschermd dorpsgezicht

14. De stichting en [appellant sub 7] betogen dat het plan, voor zover dat in een nieuwe woonwijk voorziet, afbreuk doet aan de aanwijzing van Spaarndam tot beschermd dorpsgezicht. [appellant sub 7] wijst er in dit verband op dat het zicht vanuit het beschermd dorpsgezicht over het open water zal veranderen.

14.1. Ingevolge artikel 9, lid 9.1.1, van de planrege zijn de voor "Wonen - 1 "aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 9, lid 9.2.2, onder a, geldt voor hoofdgebouwen een maximum bouwhoogte zoals is aangeduid.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Wonen - 2" aangewezen gronden onder meer bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 10, lid 10.2.2, aanhef en onder a, sub 2, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen de maximum bouwhoogte zoals aangeduid.

14.2. Op de verbeelding is aan de gronden waaraan de bestemming "Wonen - 1" en "Wonen - 2" is toegekend een maximum bouwhoogte aangeduid. Die bedraagt overwegend 10 tot 14 m, met uitzondering van enkele bouwblokken van 16 m en een woontoren van 20 m.

14.3. De raad heeft toegelicht dat de vorm van de bebouwing, net als de bouwhoogten van de bebouwing van Spaarndam-West, gedifferentieerd is. Voorts heeft de raad toegelicht dat de afstand tussen de voorziene bebouwing en de grens van het beschermd dorpsgezicht ongeveer 200 m bedraagt. Verder wordt in het deskundigenbericht vermeld dat, hoewel de bouwhoogten in het plangebied afwijken van die in het beschermde dorpsgezicht, geen aantasting zal plaatsvinden van het beschermd dorpsgezicht. Ook is in het deskundigenbericht vermeld dat een verandering van het zicht vanuit een beschermd dorpsgezicht niet kan leiden tot een aantasting van het beschermd dorpsgezicht. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om dit onjuist te achten. Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene bouwhoogten dan wel de verandering van het zicht vanuit het oude dorp niet leiden tot een aantasting van het beschermd dorpsgezicht. Het betoog faalt.

Aantasting landelijk gebied

15. [appellant sub 7] betoogt dat het plan, voor zover dat in een nieuwe woonwijk voorziet, leidt tot een aantasting van het landelijk gebied.

15.1. In het deskundigenbericht is aangegeven dat blijkens het kaartmateriaal behorend bij de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie van maart 2013 (hierna: de PRVS) het voormalige bedrijventerrein bijna geheel is aangeduid als Bestaand Bebouwd Gebied; alleen de rand van het gebied behoort niet tot het Bestaand Bebouwd Gebied. Gelet hierop geeft hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, met uitzondering van het zuidelijke deel van het plangebied waar de waterwoningen zijn voorzien, waarop hierna onder 21 tot en met 21.7 wordt ingegaan, het plangebied niet behoort tot landelijk gebied. Voorts heeft [appellant sub 7] niet geconcretiseerd dat, voor zover de thans in geding zijnde gronden behoren tot het Bestaand Bebouwd Gebied, daar landschappelijke waarden aanwezig zijn. Het betoog faalt.

Water

16. [appellant sub 7] betoogt dat de watertoets niet correct is geweest. Daartoe wijst hij erop dat met het plan het verhardingspercentage zal toenemen ten opzichte van de situatie waarbij ter plaatse een bedrijventerrein aanwezig was. Ook stelt [appellant sub 7] dat in het plangebied te weinig oppervlaktewater is gecreëerd.

16.1. Uit de plantoelichting blijkt dat ten tijde van het bedrijventerrein het verhard oppervlak ongeveer 95.250 m² bedroeg en dat na de transformatie van het bedrijventerrein naar een woongebied het totale verharde oppervlak ongeveer 75.250 m² zal bedragen. In het deskundigenrapport is vermeld dat de gemeente de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd bij de berekening van de bestaande oppervlakte aan verharding. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte heeft gesteld dat het oppervlak aan verharding zal afnemen ten opzichte van de situatie dat ter plaatse een bedrijventerrein aanwezig was, zodat geen compensatie als gevolg van verharding hoeft plaats te vinden.

Verder blijkt uit de plantoelichting dat ten behoeve van de transformatie 2.090 m² boezemwater en 280 m² overig polderwater is gedempt. Het verlies aan boezemwater en overig polderwater is in het plan gecompenseerd door een verruiming van De Mooie Nel door middel van een inham en voorts is direct ten noorden van deze inham een vijver gemaakt.

In het deskundigenbericht is vermeld dat de hoeveelheid oppervlaktewater in het plan volstaat om aan de voorwaarden van het Hoogheemraadschap van Rijnland te voldoen. Voorts blijkt uit een brief van 11 februari 2014 dat het Hoogheemraadschap vanuit waterstaatkundig oogpunt geen aanleiding ziet tot het maken van opmerkingen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de watertoets niet correct is geweest. Het betoog faalt.

17. [appellant sub 6] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Water", betreffende de inham van De Mooie Nel. [appellant sub 6] voert aan dat hier voorheen een weiland aanwezig was, waar hij schapen weidde.

[appellant sub 6] betoogt dat de eigenaar van de gronden hem heeft toegezegd dat zijn schapen daar zouden kunnen blijven lopen. Voorts voert [appellant sub 6] aan dat met deze bestemming een openbare functie aan deze gronden kan worden gegeven, hetgeen ten koste gaat van de rust in het landelijk gebied.

17.1. Wat betreft de verwijzing naar de toezegging van de eigenaar van de in geding zijnde gronden, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van 31 oktober 2012 in zaak nr. 201103853/1/R2 dat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de vaststelling en de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan slechts aanleiding bestaat wanneer deze een evident karakter heeft. In dit geval doet zich, naar het oordeel van de Afdeling, een dergelijke evidente privaatrechtelijke belemmering niet voor. Daartoe is van belang dat de waterbestemming reeds is gerealiseerd. Voorts wordt overwogen dat uit het deskundigenbericht blijkt dat in het kader van het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan geen nadere regeling is getroffen tussen [appellant sub 6] en de eigenaar van de grond.

Verder heeft [appellant sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de waterbestemming een dusdanige verstoring van de rust in het landelijk gebied moet worden verwacht, dat de raad daaraan doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Daarbij is van belang dat het bestreden plandeel een relatief beperkte omvang heeft.

Gelet op het vorenstaande, daarbij in aanmerking genomen dat [appellant sub 6] de noodzaak van watercompensatie niet heeft bestreden, biedt hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een waterbestemming aan de in geding zijnde gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

18. [appellant sub 3] en de stichting betogen dat het plan ertoe leidt dat de bewoners langs de historische dijkweg onevenredig zwaar worden belast met extra uitstoot van stoffen als gevolg van stagnerend verkeer.

18.1. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek van Aveco de Bondt van 10 oktober 2012 blijkt dat het extra wegverkeer ten gevolge van de ontwikkelingen in het plangebied in de jaren 2012, 2015 en 2020 niet leidt tot overschrijding van de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. In het deskundigenbericht wordt aangegeven dat in het luchtkwaliteitsonderzoek geen rekening is gehouden met stagnatie van verkeer bij een openstaande brug over de Grote Sluis. Uit het deskundigenbericht volgt evenwel ook dat, indien hier wel rekening mee zou worden gehouden, dit niet leidt tot de conclusie dat de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof worden overschreden. [appellant sub 3] en de stichting hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onevenredige gevolgen wat betreft de luchtkwaliteit. Het betoog faalt.

Leefbaarheid

19. De stichting en het college betogen dat het plan ernstige gevolgen heeft voor de leefbaarheid van Spaarndam.\

19.1. De raad heeft toegelicht dat het verkeer weliswaar zal toenemen, maar dat dit niet onacceptabel is. Ook heeft de raad erop gewezen dat de verkeerstoename niet leidt tot knelpunten op het gebied van geluid of luchtkwaliteit.

Gezien hetgeen hiervoor onder 10.11 over het verkeer en hiervoor onder 18.1 over de luchtkwaliteit is overwogen, alsmede in aanmerking genomen dat niet is betwist dat er geen knelpunten terzake van het geluid aan de orde zijn, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisering van het plan geen ernstige gevolgen heeft voor de leefbaarheid van Spaarndam. Het betoog faalt.

Landschapsheuvel

20. [appellant sub 7] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Groen", betreffende de zogenoemde landschapsheuvel in het zuidwestelijke deel van het plangebied. Hij betoogt dat het plan onvoldoende duidelijkheid geeft wat betreft de maximaal toegestane hoogte van deze heuvel.

Voorts voert hij aan dat de landschapsheuvel een negatieve invloed heeft op de mogelijkheden om te zeilen in het water ten westen ervan.

20.1. Op de verbeelding is ter plaatse van de landschapsheuvel de bestemming "Groen" opgenomen en is daaraan de aanduiding "milieuzone - bodembeschermingsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor onder meer groenvoorzieningen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, onder a, is het ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - bodembeschermingsgebied" verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) (omgevingsvergunning voor het aanleggen) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren:

[…]

2. het planten van bomen en diepwortelende beplanting;

[…]

4. het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem en/of gronden; […].

20.2. Gelet op artikel 3, lid 3.4, onder a, van de planregels is het zonder omgevingsvergunning voor het aanleggen niet toegestaan om de landschapsheuvel te verhogen. Verder blijkt uit de gedingstukken dat de landschapsheuvel is ontstaan door sanering van de grond in het plangebied, dat de sanering van de grond is afgerond en dat de landschapsheuvel thans 9 tot 10 m hoog is. Onder deze omstandigheden geeft hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een maximale hoogte van de landschapsheuvel in het plan had moeten vastleggen.

Voorts heeft [appellant sub 7] zijn stelling dat de landschapsheuvel een negatieve invloed heeft op de zeilmogelijkheden niet nader geconcretiseerd, zodat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat landschapsheuvel tot een ernstige verstoring leidt van de mogelijkheden om in het water ten westen ervan te zeilen.

Het betoog faalt.

Waterwoningen

21. Voorts richten [appellant sub 6], De Hollandsche Molen, [appellant sub 7] en de stichting zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - 2", voor zover daarmee aan de oever van De Mooie Nel wordt voorzien in waterwoningen. Volgens De Hollandsche Molen, [appellant sub 7] en de stichting zijn de waterwoningen in strijd met de PRVS. De Hollandsche Molen kan zich met name niet verenigen met het standpunt van de raad dat wordt voldaan aan de voorwaarde dat de nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen Bestaand Bebouwd Gebied. De stichting stelt in dit verband dat er voldoende locaties zijn die niet als landelijk gebied zijn aan te merken waar woningbouw kan worden gerealiseerd. [appellant sub 7] wijst er daarbij op dat hij eerder bezwaar heeft gemaakt tegen de door het college van gedeputeerde staten verleende ontheffing van het verbod op woningbouw, waarop volgens hem nimmer is beslist. [appellant sub 6] betoogt dat het toestaan van waterwoningen tot een aantasting van het landschap en het water van De Mooie Nel leidt. Ook voert hij aan dat de waterwoningen de recreatieve mogelijkheden van het gebied beperken. De Hollandsche Molen en [appellant sub 6] betogen voorts dat onvoldoende rekening is gehouden met de molen "De Slokop".

21.1. Volgens pagina 8 van de plantoelichting zijn aan de oever van De Mooie Nel acht watervilla's voorzien. Deze woningen worden vrijstaand en krijgen een maximale bouwhoogte van 11 m. Rond de woningen komen onder meer vlonders en steigers, aldus de plantoelichting.

21.2. Op de verbeelding is aan de gronden waarop de waterwoningen zijn voorzien de bestemming "Wonen - 2" toegekend. Voorts is op de verbeelding ter plaatse een maximum bouwhoogte aangeduid van 11 m.

21.3. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de PRVS, zoals die gold ten tijde van belang, voorziet een bestemmingsplan niet in woningbouw in het landelijk gebied.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw indien:

a. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de provinciale woonvisie 2010-2020 (vastgesteld bij besluit van 27 september 2010, nr. 62) en de door het college van gedeputeerde staten en de regiogemeenten vastgestelde regionale actieprogramma's;

b. nieuwe woningbouw in overeenstemming is met de door het college van gedeputeerde staten vastgestelde provinciale woningbouwmonitor en provinciale woningbouwprognose;

c. nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen Bestaand Bebouwd Gebied en;

d. het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

21.4. Vast staat dat de waterwoningen zijn voorzien in het landelijk gebied, als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de PRVS.

21.5. De raad heeft in het verleden op basis van de PRVS, zoals deze destijds gold, voor de waterwoningen om ontheffing verzocht van het verbod tot woningbouw in het landelijk gebied. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft die ontheffing bij besluit van 24 mei 2011 verleend. De Afdeling overweegt dat, nu niet binnen twee jaar na het verlenen van de ontheffing een bestemmingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing, die ontheffing gelet op artikel 41 van de PRVS, zoals die bepaling destijds luidde, is vervallen. Derhalve komt reeds daarom aan de ontheffing in de thans aan de orde zijnde procedure geen betekenis toe.

21.6. Wat betreft artikel 13, tweede lid, onder a en b, ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat de voorziene woningbouw aan de daarin neergelegde voorwaarden voldoet. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat het hier een relatief beperkt aantal woningen betreft. Ook verwijst de Afdeling in dit verband naar hetgeen hiervoor onder 7.1 is overwogen.

21.7. Ten aanzien van de voorwaarde van artikel 13, tweede lid, onder c, van de PRVS heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de woningen niet elders in het plangebied kunnen worden gerealiseerd, waarbij de raad erop heeft gewezen dat de landschapsheuvel, vanwege de daar aanwezige vervuilde grond, niet geschikt is voor woningen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad echter niet draagkrachtig gemotiveerd dat de woningen niet elders binnen het plangebied kunnen worden gerealiseerd en voorts ten onrechte niet bezien of de woningbouw kan worden gerealiseerd binnen het Bestaand Bebouwd Gebied voor zover dat buiten het plangebied ligt. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een voldoende deugdelijke motivering en is in zoverre onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen.

Het betoog slaagt.

Steigers

22. Voorts richt de stichting zich tegen het plan, voor zover daarmee aan de oever van De Mooie Nel wordt voorzien in steigers. Daartoe voert de stichting aan dat de voorziene steigers de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) aantasten. Volgens de stichting heeft de raad in dit verband niet mogen volstaan met een verwijzing naar de "Quick Scan" van 9 oktober 2012 van Aveco de Bondt, nu daarin de gevolgen van het gebruik van de steigers niet zijn betrokken.

22.1. Aan een deel van de in geding zijnde gronden is de bestemming "Natuur" toegekend, zonder de functieaanduiding "steiger".

Ingevolge artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.1, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders (lees: bevoegd gezag) bevoegd om in afwijking van het bepaalde in lid 4.2.2., onder a, een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van steigers […] buiten de aanduiding "steiger", met dien verstande dat:

a. steigers uitsluitend ten behoeve van openbaar gebruik zijn toegestaan;

b. het gezamenlijke oppervlak van de steigers, vlonders en drijvende terrassen buiten de aanduiding "steiger" maximaal 45 m² bedraagt binnen de bestemming "Natuur";

c. de bouwhoogte van de steigers maximaal 1 m bedraagt.

22.2. Vast staat dat de in geding zijnde gronden deel uitmaken van de EHS.

22.3. De raad stelt dat de voorziene steigers niet leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken van de EHS.

Daartoe verwijst de raad naar voormelde "Quick scan" van 9 oktober 2012, alsmede naar een reactie van Aveco de Bondt van 10 maart 2014 op het deskundigenbericht. Volgens de raad kan het college van burgemeester en wethouders bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid een onderzoek verlangen naar de ter plaatse voorkomende natuurwaarden.

22.4. Uit het deskundigenbericht blijkt dat in de "Quick scan" van 9 oktober 2012 geen aandacht is besteed aan de mogelijke effecten van het gebruik van de steigers op watergebonden vegetatie, vissen en watervogels.

22.5. Wat betreft de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.1, van de planregels, overweegt de Afdeling dat het na verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk is om buiten de functieaanduiding "steiger" steigers op te richten langs de oever van De Mooie Nel ten behoeve van openbaar gebruik. Volgens het deskundigenbericht kan deze bouwmogelijkheid leiden tot een toename van de recreatieve druk op het gebied omdat het aantal gebruikers van de steigers niet is beperkt. Aangezien dit gebruik niet is onderzocht, is, volgens het deskundigenbericht, niet aan te geven of en in welke mate er sprake zal zijn van een aantasting van de EHS. In het licht van deze bevinding van het deskundigenbericht, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat, nu de gevolgen van het gebruik van de na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid mogelijk op te richten steigers voor de EHS niet zijn onderzocht, de "Quick scan" onvolledig is geweest, zodat de raad het besluit wat betreft de afwijkingsbevoegdheid niet heeft mogen baseren op de "Quick scan" en het besluit derhalve in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De verwijzing van de raad naar een reactie van Aveco de Bondt van 10 maart 2014 op het deskundigenbericht maakt dit niet anders, omdat in die summiere reactie niet inzichtelijk is gemaakt hoeveel gebruikers de desbetreffende steigers zouden kunnen krijgen.

Wat betreft de verwijzing van de raad naar de mogelijkheid dat in het kader van de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid een onderzoek wordt verlangd naar de ter plaatse voorkomende natuurwaarden, overweegt de Afdeling dat met het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid de steigers in beginsel planologisch aanvaardbaar moeten worden geacht. Dit brengt met zich dat de raad reeds bij de vaststelling van het plan moet hebben afgewogen of de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid planologisch aanvaardbaar is.

Het betoog slaagt in zoverre.

22.6. Nu de beroepen, gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - 2", voor zover daarmee aan de oever van de Mooie Nel wordt voorzien in waterwoningen, slagen, laat de Afdeling de mogelijkheid van het oprichten van steigers binnen dit plandeel buiten bespreking.

Relativiteit

23. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.

Conclusie

24. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van de Fietsersbond, [appellant sub 3], het college, [appellant sub 8] en [appellant sub 10] ongegrond en zijn de beroepen van [appellant sub 6], de stichting, [appellant sub 7] en De Hollandsche Molen gegrond.

Gelet op hetgeen onder 21.7 is overwogen, dient het besluit wegens strijd met artikel artikel 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - 2", voor zover daarmee aan de oever van De Mooie Nel wordt voorzien in waterwoningen. Gelet hierop behoeft hetgeen voor het overige tegen dit plandeel is aangevoerd geen bespreking meer. Gelet op hetgeen onder 22.5 is overwogen, dient het besluit eveneens te worden vernietigd, voor zover het betreft artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.1, van de planregels.

Proceskosten

25. Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1], de Fietsersbond, [appellant sub 3], het college, [appellant sub 8] en [appellant sub 10] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Met betrekking tot de beroepen van [appellant sub 6], [appellant sub 7] en De Hollandsche Molen is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Met betrekking tot het beroep van de stichting dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de vereniging de Vereniging De Hollandsche Molen, de stichting Stichting Dorpsraad Spaarndam, [appellant sub 6] en [appellant sub 7] gegrond;

III. vernietigt het besluit van 25 juni 2013 van de raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, waarbij het bestemmingsplan "Woongebied SpaarneBuiten 2012" is vastgesteld, voor zover het betreft:

a. het plandeel met de bestemming "Wonen - 2", voor zover daarmee aan de oever van De Mooie Nel wordt voorzien in waterwoningen;

b. artikel 4, lid 4.3, onder 4.3.1, van de planregels;

IV. verklaart de beroepen van de vereniging Fietsersbond, mr. [appellant sub 3], het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, [appellant sub 8] en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude tot vergoeding van bij de stichting Stichting Dorpsraad Spaarndam in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de vereniging Vereniging De Hollandsche Molen;

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de stichting Stichting Dorpsraad Spaarndam;

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 6];

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 7].

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Loo

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014