Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3382

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
201300787/3/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:BY4984, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2011 heeft het college aanvragen van [appellant] en anderen om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300787/3/A2.

Datum uitspraak: 17 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Bunschoten,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 december 2012 in zaak nr. 12/602 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten.

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2011 heeft het college aanvragen van [appellant] en anderen om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2012 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover het op de woningen aan de [locatie A] en [locatie b] te Bunschoten betrekking heeft en voor het overige ongegrond.

Bij uitspraak van 4 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2013, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. D.A. Zeilstra, juridisch adviseur te Vinkeveen, bijgestaan door mr. K.J. van der Laar, werkzaam bij Next Vastgoed Consultancy Rotterdam B.V., en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A.M. Bosboom, werkzaam in dienst van de gemeente, bijgestaan door mr. W.A.M. van Eeuwen, zijn verschenen.

Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 4 december 2013 in zaak nr. 201300787/1/A2 heeft de Afdeling de uitspraak van 4 december 2012, voor zover de rechtbank daarbij het door de eigenaren van de woningen aan de [drie verschillende locaties] te Bunschoten tegen het besluit van 11 januari 2012 ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard, bevestigd en het college opgedragen om binnen twintig weken na de verzending van de uitspraak met inachtneming van de overwegingen ervan het gebrek in het besluit van 11 januari 2012, voor zover dat ziet op de eigenaren van de overige woningen, te herstellen, de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en dit ook aan de Afdeling toe te zenden. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 17 april 2014 in zaak nr. 201300787/2/A2 heeft de Afdeling de termijn verlengd tot 21 mei 2014.

Bij besluit van 20 mei 2014 heeft het college het besluit van 23 maart 2011 gehandhaafd.

[appellant] en anderen hebben een zienswijze naar voren gebracht.

Desgevraagd heeft het college een reactie op deze zienswijze ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 49, eerste en zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde, heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat het onderzoek wordt gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak van 4 december 2013 is overwogen dat het besluit van 11 januari 2012 niet op een deugdelijke planvergelijking is gebaseerd. Voor zover dat besluit betrekking heeft op de aanvragen van de eigenaren van de woningen aan de [diverse locaties] te Bunschoten, volgt uit de tussenuitspraak dat het hoger beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door deze eigenaren tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaren en dat besluit, voor zover het op deze eigenaren betrekking heeft, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb, vernietigen, omdat het niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.

2. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een nader advies gevraagd aan Haute Equipe Partners in Public B.V. (hierna: Haute Equipe). In afzonderlijke adviezen van 8 april 2014 heeft Haute Equipe uiteengezet dat de planologische verandering voor de eigenaren van de woningen aan de [locatie C] en [locatie D] te Bunschoten ten tijde van de aankoop van die woningen voorzienbaar was en de planschade van de overige eigenaren binnen het normale maatschappelijke risico, als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), valt. Volgens Haute Equipe dient de schade derhalve in alle gevallen voor rekening van de aanvragers te worden gelaten.

Het college heeft de adviezen van Haute Equipe aan het besluit van 20 mei 2014 ten grondslag gelegd. Dat besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19 van deze wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

3. [appellant] en anderen betogen in de zienswijze naar aanleiding van het besluit van 20 mei 2014 dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de schade volledig binnen het normale maatschappelijke risico valt. Daartoe voeren zij aan dat, gezien de bestaande ruimtelijke structuur en het gevoerde planologische beleid, de planologische ontwikkeling niet in de lijn der verwachtingen lag en dat de aard van de schade - aantasting van het uitzicht vanuit de woningen - daarbij van belang is. Voorts voeren zij aan dat, nu de aanvragen vóór 1 september 2010 zijn ingediend en artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro niet op de aanvragen van toepassing is, het voor het normale maatschappelijke risico hanteren van een drempel van twee procent van de waarde van de woningen in strijd met het overgangsrecht is.

3.1. In de adviezen van Haute Equipe van 8 april 2014 is uiteengezet dat de planologische ontwikkeling op de bestaande ruimtelijke structuur aansluit en dat het bij een uitbreiding van de bestaande woonkern voor de hand lag dat die uitbreiding in oostelijke richting - op het plangebied - zou plaatsvinden. Daartoe is volgens Haute Equipe redengevend dat bij uitbreiding in oostelijke richting een open ruimte tussen het woongebied aan de noordzijde van het plangebied en het bedrijventerrein aan de zuidzijde ervan wordt ingevuld en de bebouwing van de bestaande woonkern daardoor wordt afgerond, dat met de aanleg van de Oostelijke Randweg een goede verkeersaansluiting van het nieuwe woongebied afdoende is gewaarborgd, dat uitbreiding in oostelijke richting in die zin een logische keuze is en op reeds eerder ingezette ruimtelijke ontwikkelingen voortborduurt, dat uitbreiding in noordelijke en zuidelijke richting niet mogelijk is en dat de westelijke flank van de bestaande woonkern in het gemeentelijke en provinciale beleid als afgerond wordt beschouwd.

Voorts is uiteengezet dat de planologische ontwikkeling binnen het gevoerde planologische beleid past. Daartoe is volgens Haute Equipe redengevend dat uit verscheidene gemeentelijke beleidsvoornemens sinds het jaar 1989 blijkt van een ontwikkelingswens voor woningbouw op het plangebied na het jaar 2000.

3.2. In het betoog van [appellant] en anderen is geen grond te vinden voor het oordeel dat het college, door de adviezen van Haute Equipe te volgen, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Dat, zoals [appellant] en anderen hebben gesteld, de gronden van het plangebied voorheen als weidegrond in gebruik waren, betekent niet dat woningbouwontwikkeling niet op de bestaande ruimtelijke structuur aansluit. Daarbij is van belang dat, zoals in de adviezen van Haute Equipe is vermeld, er geen agrarische bedrijfscomplexen op de gronden van het plangebied aanwezig waren. Voorts kan niet staande worden gehouden dat de planologische ontwikkeling niet binnen het gevoerde planologische beleid past. Uit de beslissing van het college van gedeputeerde staten van Utrecht om de gemeentelijke ontwikkelingswens voor woningbouw in het plangebied niet in het eerstvolgende provinciale streekplan voor het jaar 1994 te verwerken, valt niet af te leiden dat, zoals [appellant] en anderen hebben gesteld, het plangebied niet langer in beeld was als toekomstige locatie voor woningbouw. Tussen de provincie en de gemeente heeft, zoals in de adviezen van Haute Equipe is vermeld, slechts een verschil van mening bestaan over de termijn waarop woningbouw zal plaatsvinden. Dit doet op zichzelf niet af aan die ontwikkelingswens. Verder zijn de woningbouwplannen voor het plangebied in een gemeentelijk beleidsdocument van 26 april 2001 concreet omschreven. Uit dat beleidsdocument valt niet af te leiden dat, zoals [appellant] en anderen hebben betoogd, is gekozen voor een scenario waarin woningbouw in het plangebied achterwege zal blijven. Woningbouw dient als een normale maatschappelijke ontwikkeling in het algemeen belang te worden beschouwd. Door de planologische verandering is het uitzicht vanuit de woningen van [appellant] en anderen in enige mate aangetast. De aard van de schade, uitzichtschade die zich manifesteert in waardevermindering van de woningen, staat op zichzelf niet in de weg aan het toepassen van een drempel of korting vanwege het normale maatschappelijke risico. De ligging van de woningen leidt, gelet op de ruimtelijke structuur van de omgeving, tot een verhoogde kans op het ontstaan van uitzichtschade als gevolg van uitbreiding van de bestaande woonkern.

Voorts is de schade, gezien de door Haute Equipe verrichte taxaties, relatief gering van omvang. Volgens de adviezen is de waardevermindering van de woningen van [appellant] en anderen ten gevolge van de planologische verandering maximaal 2,33 procent. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de schade niet uitstijgt boven de financiële nadelen die behoren tot het normale maatschappelijke risico dat elke burger behoort te dragen. Dat artikel 6.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wro, gelet op artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wro, niet op de aanvragen van toepassing is, laat onverlet dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de schade krachtens artikel 6.2, eerste lid, van de Wro volledig voor rekening van [appellant] en anderen mag worden gelaten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012 in zaak nr. 201104750/1/A2 (www.raadvanstate.nl).

Het betoog faalt.

4. Het beroep van rechtswege van [appellant] en anderen tegen het besluit van 20 mei 2014 is ongegrond.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

[appellant] en anderen hebben ter zitting van de Afdeling verzocht om vergoeding van de kosten van het deskundigenrapport van 18 oktober 2011. Zij hebben dat rapport in de bezwaarfase overgelegd.

Omdat het besluit van 23 maart 2011 niet is herroepen, bestaat geen aanleiding, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, het college te veroordelen in de kosten die [appellant] en anderen in verband met het opstellen van het deskundigenrapport van 18 oktober 2011 hebben gemaakt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 december 2012 in zaak nr. 12/602, voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten van 11 januari 2012, voor zover door de eigenaren van de woningen aan de [diverse locaties] te Bunschoten ingesteld, ongegrond heeft verklaard;

III. verklaart het door die eigenaren bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten van 11 januari 2012, voor zover dat besluit op die eigenaren betrekking heeft;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten van 20 mei 2014 ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.191,50 (zegge: tweeduizend honderdeenennegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bunschoten aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2014

452.