Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
201400216/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:10972, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2011 heeft de raad besloten niet in te stemmen met het door [appellant] en anderen ingediende burgerinitiatief.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Gemeentewet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/934

Uitspraak

201400216/1/A3.

Datum uitspraak: 10 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te Uitgeest,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 november 2013 in zaak nr. 13/2431 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

de raad van de gemeente Uitgeest.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2011 heeft de raad besloten niet in te stemmen met het door [appellant] en anderen ingediende burgerinitiatief.

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het besluit van 23 juni 2011 ingetrokken, het door [appellant] en anderen ingediende burgerinitiatief niet-ontvankelijk verklaard en het college van burgemeester en wethouders geadviseerd om het verzoek tot het nemen van een verkeersbesluit af te wijzen.

De raad heeft het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar aan de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroep.

Bij uitspraak van 29 november 2013 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 maart 2012 vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2011 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2014, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. N.A.E. van Offeren, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1 van de Verordening Burgerinitiatief van de gemeente Uitgeest (hierna: de Verordening) wordt in deze verordening onder een burgerinitiatief verstaan: een voorstel van een initiatiefgerechtigde om een onderwerp op de agenda van de vergadering van de raad te plaatsen.

Ingevolge artikel 2 plaatst de raad een burgerinitiatiefvoorstel op de agenda van zijn vergadering, indien daartoe door een initiatiefgerechtigde een geldig verzoek is ingediend. Ongeldig is het verzoek dat niet door ten minste 45 initiatiefgerechtigden wordt ondersteund.

Ingevolge artikel 4 houdt een burgerinitiatiefvoorstel niet in:

a. een klacht in de zin van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) over een gedraging van het gemeentebestuur;

b. een bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Awb tegen een besluit van het gemeentebestuur, of

c. een onderwerp waarover korter dan twee jaren voor de indiening van het burgerinitiatief door de raad een besluit is genomen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, agendeert de raad binnen ten minste drie maanden na de datum van indienen van het verzoek het burgerinitiatief voor zijn vergadering.

Ingevolge het derde lid wordt, zo spoedig mogelijk nadat de raad over het burgerinitiatiefvoorstel een besluit heeft genomen, dit besluit bekend gemaakt door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan op de gebruikelijke wijze en in een dag-, nieuws-, of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

Ingevolge het vierde lid wordt tegelijkertijd met de bekendmaking van het besluit mededeling gedaan aan de verzoeker.

Ingevolge het vijfde lid kan de raad, indien het burgerinitiatief een onderwerp inhoudt, dat niet tot zijn bevoegdheid behoort, een aanbeveling doen aan het ter zake bevoegde orgaan, c.q. de ter zake bevoegde instantie.

Ingevolge artikel 7 kan de raad besluiten een burgerinitiatiefvoorstel niet op de agenda te plaatsen indien het een onderwerp betreft dat niet behoort tot zijn bevoegdheid.

2. Bij brief van 25 oktober 2010 heeft [appellant], ondersteund door 45 andere inwoners van Uitgeest, een burgerinitiatief ingediend. Daarin is de vraag gesteld of de raad zich realiseert wat de onoverzichtelijke hoek Langebuurt en Meerpad met een verkeersaanbod van 58 auto’s teweeg zal brengen en of de raad daaraan zijn instemming wil verlenen. In het burgerinitiatief is de suggestie gedaan inhoudende een verkeersveilige ontsluiting van 38 te bouwen woningen aan de Langebuurt en het Meerpad.

Omdat het burgerinitiatief zag op de verkeersveiligheid als gevolg van het bestemmingsplan ‘Inbreidingslocatie Meerpad’ waar op 23 juni 2011 een besluit over zou worden genomen, zijn beide agendapunten, ondanks dat het burgerinitiatief formeel geen deel uitmaakt van de bestemmingsplanprocedure, naast elkaar aan de orde geweest. Tijdens de vergadering op 23 juni 2011 heeft de raad besloten niet met het burgerinitiatief in te stemmen.

Bij het besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het besluit van 23 juni 2011 ingetrokken en het burgerinitiatief niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet aan het bepaalde in artikel 4 van de Verordening voldoet en het nemen van een verkeersbesluit een bevoegdheid van het college is.

3. De rechtbank heeft het besluit van 29 maart 2012 vernietigd, omdat de raad bedoeld heeft de weigering in te stemmen met het burgerinitiatief in bezwaar te handhaven en daarom het bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2011 ongegrond had moeten verklaren.

4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de raad de termijn waarbinnen de behandeling van het burgerinitiatief volgens de Verordening had moeten plaatsvinden, ruimschoots heeft overschreden. Voorts zijn zij niet in de gelegenheid gesteld om beroep in te stellen. Verder is een wethouder zijn toezegging dat later dat jaar een verkeersbesluit zou worden genomen niet nagekomen. Ten slotte is het besluit inzake het burgerinitiatiefvoorstel niet bekendgemaakt overeenkomstig artikel 6, derde lid, van de Verordening, aldus [appellant] en anderen.

4.1. Ter beoordeling ligt voor de uitspraak van de rechtbank over het besluit van 29 maart 2012 inzake het burgerinitiatief. De betogen dat [appellant] en anderen niet in de gelegenheid zijn gesteld om beroep in te stellen en tot op heden geen verkeersbesluit is genomen slagen niet, nu deze zien op de procedure inzake het bestemmingsplan en de weigering tot het nemen van een verkeersbesluit en de rechtmatigheid van het besluit van 29 maart 2012 niet kunnen aantasten.

Wat betreft de overschrijding van de termijn voor de behandeling van het burgerinitiatief wordt overwogen dat de Verordening aan overschrijding van de in artikel 6, eerste lid, van de Verordening neergelegde termijn van drie maanden als zodanig geen gevolgen verbindt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, leidt de omstandigheid dat de raad het burgerinitiatief tezamen met het bestemmingsplan heeft behandeld niet tot het oordeel dat het besluit van 29 maart 2012 onrechtmatig moet worden geacht.

Voorts leidt het betoog dat het besluit inzake het burgerinitiatiefvoorstel niet volgens het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Verordening bekend is gemaakt, niet tot het ermee beoogde doel. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, nu zowel het besluit van 23 juni 2011 als het besluit op bezwaar van 29 maart 2012 aan [appellant] als initiatiefnemer van het burgerinitiatief is toegezonden, niet is gebleken dat hij dan wel de andere ondersteuners van het burgerinitiatief hierdoor in enig belang zijn geschonden.

De betogen falen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Polak w.g. Sparreboom

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014

176-697.