Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3359

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
201311353/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:14488, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft het college [appellant] gelast een naast zijn woonschip gelegen dekschuit te verwijderen en verwijderd te houden onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 ineens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311353/1/A3.

Datum uitspraak: 10 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leiden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 oktober 2013 in zaak nr. 13/6047 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft het college [appellant] gelast een naast zijn woonschip gelegen dekschuit te verwijderen en verwijderd te houden onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 ineens.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft het college de dwangsom ingevorderd.

Bij besluit van 12 december 2012 heeft het college [appellant] dezelfde last opgelegd onder verbeurte van een dwangsom van € 20.000,00 ineens.

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 1 oktober 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 8 november 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de dwangsom gematigd tot € 2.000,00. Het college heeft voorts het door [appellant] tegen het besluit van 12 december 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 1 oktober 2012 ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Hemelaar, advocaat te Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.A.A. van Hooff en C.S. Person, beiden werkzaam bij de gemeente Leiden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3 van de Verordening op de Bedrijfsvaartuigen 2009 (hierna: de Verordening) is het verboden zonder een vergunning van burgemeester en wethouders met een bedrijfsvaartuig, passagiersschip of terrasboot een ligplaats in te nemen.

Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

2. Voor zover [appellant] als beroepsgrond I aanvoert dat de dekschuit sinds eind 2012 is verwijderd en de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de dekschuit ten tijde van de aangevallen uitspraak nog naast zijn woonschip lag, leidt dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat uit het aangevoerde niet volgt dat en waarom de rechtbank tot een onjuist oordeel is gekomen over het besluit van 9 juli 2013.

3. [appellant] voert als beroepsgrond II aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college het door hem tegen het besluit van 1 oktober 2012 gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat hij dit besluit niet heeft ontvangen, dit besluit derhalve niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en niet in werking is getreden. Nadat hem uit het besluit van 12 december 2012 duidelijk was geworden dat het college eerder op 1 oktober 2012 een besluit had genomen, heeft hij daartegen bij brief van 24 december 2012 bezwaar gemaakt. Hij heeft daartegen derhalve tijdig bezwaar gemaakt, aldus [appellant].

Voorts betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom zijn beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 1 oktober 2012, niet-ontvankelijk is.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 3 april 2012 in zaak nr. 201106007/1/V1; www.raadvanstate.nl) moet, indien een besluit aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, worden onderzocht of dit besluit door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van dit besluit niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dit besluit bij het kantoor van PostNL voor rekening van de belanghebbende. Stelt de belanghebbende geen afhaalbericht te hebben ontvangen, dan ligt het op zijn weg feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten.

Uit de door het college overgelegde verzendstukken blijkt dat het college het besluit van 1 oktober 2012 op 2 oktober 2012 per aangetekende post naar het juiste adres aan [appellant] heeft verzonden. PostNL heeft het aangetekende schrijven op 24 oktober 2012 aan het college geretourneerd, omdat dit niet is afgehaald. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit niet op het juiste adres is aangeboden. Voor zover [appellant] stelt dat geen afhaalbericht is achtergelaten komt dat, wat daar ook van zij, voor zijn rekening, nu hij in verband met Leidens Ontzet zijn brievenbus had afgeplakt. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het besluit van 1 oktober 2012 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, in werking is getreden en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen dit besluit is geëindigd op 13 november 2012. Derhalve heeft [appellant] te laat bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 oktober 2012. Hij heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.

Het betoog faalt in zoverre.

3.2. [appellant] betoogt evenwel terecht dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, voor zover gericht tegen het besluit van 1 oktober 2012. De rechtbank had het beroep tegen het besluit van 9 juli 2013, voor zover daarbij het tegen het besluit van 1 oktober 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, ongegrond moeten verklaren.

Het betoog slaagt in zoverre.

4. Hetgeen [appellant] als beroepsgrond III tot en met X aanvoert richt zich tegen rechtsoverwegingen 6, 8 en 10 van de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het college het door [appellant] tegen het invorderingsbesluit van 8 november 2012 gemaakte bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij ook het invorderingsbesluit niet heeft ontvangen. Hij betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het besluit van 1 oktober 2012 ten onrechte de last aan hem heeft opgelegd en wist dat die last hem niet heeft bereikt. Gelet hierop is de begunstigingstermijn niet verstreken en is geen dwangsom verbeurd, aldus [appellant].

4.1. Uit de door het college overgelegde verzendstukken blijkt dat het college het invorderingsbesluit van 8 november 2012 op 13 november 2012 per aangetekende post naar het juiste adres aan [appellant] heeft verzonden. PostNL heeft het aangetekend schrijven aan het college geretourneerd, omdat dit niet door [appellant] is afgehaald. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het besluit niet op het juiste adres is aangeboden, noch dat redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. Derhalve heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat [appellant] dit besluit niet heeft ontvangen.

Nu het college blijkens hetgeen in 3.1 is overwogen het door [appellant] tegen het besluit van 1 oktober 2012 gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard moet van de rechtmatigheid daarvan worden uitgegaan. Nu dit besluit op 2 oktober 2012 is verzonden en de begunstigingstermijn is gesteld op vier weken na verzending ervan, is de begunstigingstermijn verstreken op 30 oktober 2012. [appellant] heeft niet aangevoerd dat de dekschuit op die datum reeds was verwijderd. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het invorderingsbesluit terecht heeft gehandhaafd.

Het betoog faalt.

5. [appellant] voert als beroepsgrond XI aan dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de beroepsgrond dat het college in het besluit van 9 juli 2013 ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom de dwangsom is gematigd tot € 2.000,00 en niet het gehele bedrag is kwijtgescholden.

5.1. De klacht is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe is het volgende van belang.

In het bij de rechtbank ingediende verweerschrift heeft het college toegelicht dat een verbeurde dwangsom moet worden geïnd. Indien een verbeurde dwangsom geheel wordt kwijtgescholden, wordt de prikkel om binnen de begunstigingstermijn aan de last te voldoen teniet gedaan en het handhavingssysteem ondermijnd, aldus het college. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat het illegaal aanmeren van schepen en dekschuiten in Leiden vaker voorkomt en een probleem vormt.

Gegeven deze toelichting heeft het college naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk gemotiveerd waarom de verbeurde dwangsom niet geheel is kwijtgescholden (vergelijk ook de uitspraak van 19 september 2012 in zaak nr. 201201654/1/A1). Er bestaat dan ook gaan aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank het besluit van 9 juli 2013 op dit punt had moeten vernietigen.

6. [appellant] voert als beroepsgrond XII aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college terecht het besluit van 12 december 2012 heeft gehandhaafd. Daartoe voert hij aan dat hij artikel 3 van de Verordening niet heeft overtreden. Dat hij zich niet heeft verzet tegen het aanmeren van de dekschuit aan zijn woonschip, maakt niet dat hij verantwoordelijk is voor de overtreding die de eigenaar van de dekschuit daarmee heeft begaan. Dat hij de dekschuit heeft verplaatst om te voorkomen dat de dwangsom werd verbeurd, betekent niet dat hij daartoe gerechtigd was. Voorts heeft het college hem eveneens ten onrechte gelast de dekschuit verwijderd te houden. Nu hij geen zeggenschap over de dekschuit heeft, kan hij niet garanderen dat de dekschuit verwijderd blijft. Het is dan ook onredelijk hem deze last op te leggen, aldus [appellant].

6.1. Ter zitting bij de rechtbank is gebleken dat [appellant] ermee heeft ingestemd dat de eigenaar de dekschuit aan zijn woonschip aanmeerde. [appellant] had derhalve invloed op de overtreding van de Verordening. [appellant] kon zijn instemming onthouden, dan wel de eigenaar van de dekschuit verbieden de dekschuit zonder vergunning aan zijn woonschip aan te meren. Om de dekschuit te (laten) verwijderen behoeft [appellant] geen zeggenschap over de dekschuit te hebben. Voorts kan [appellant] invloed uitoefenen op het opnieuw aanmeren van de dekschuit aan zijn woonschip. Derhalve is [appellant] overtreder en heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het besluit 12 december 2012 bij besluit van 9 juli 2013 terecht heeft gehandhaafd.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het beroep gericht tegen het besluit van 1 oktober 2012 niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 juli 2013, voor zover daarbij het tegen het besluit van 1 oktober 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, alsnog ongegrond verklaren.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 oktober 2013 in zaak nr. 13/6047, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 1 oktober 2012 niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2013, voor zover daarbij het tegen het besluit van 1 oktober 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, ongegrond;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014

382-773.