Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3345

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
201310198/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:3330, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de oprichting van een vleeskalverenhouderij op het perceel [locatie] te Lunteren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/932
OGR-Updates.nl 2014-0235
Milieurecht Totaal 2014/5885
BR 2015/25

Uitspraak

201310198/1/A4.

Datum uitspraak: 10 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lunteren, gemeente Ede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 september 2013 in zaak nr. 12/6069 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de oprichting van een vleeskalverenhouderij op het perceel [locatie] te Lunteren.

Bij uitspraak van 26 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. S.M. Andriesse, advocaat te Huizen, en het college, vertegenwoordigd door ing. G.H. Landeweerd, werkzaam bij de gemeente Ede, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vergunningaanvraag onvoldoende informatie bevat om de gevolgen voor het milieu te kunnen beoordelen. Zo ontbreekt bij de aanvraag een akoestisch onderzoek, aldus [appellant].

1.1. In hoofdstuk 4 van de Regeling omgevingsrecht zijn eisen gesteld aan het indienen van een aanvraag voor een vergunning voor het oprichten van een inrichting. Daarin is voor een inrichting als hier in geding het overleggen van een akoestisch onderzoek niet verplicht gesteld. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan de Regeling omgevingsrecht of dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat om een goede beoordeling van gevolgen voor het milieu mogelijk te maken.

Het betoog faalt.

2. Ingevolge artikel 2.14, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Ingevolge artikel 2.22, eerste lid, worden aan een omgevingsvergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20.

Ingevolge artikel 2 van de Wet geurhinder en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de omgevingsvergunning voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

In de artikelen 3 tot en met 9 zijn geurnormen en afstandsnormen opgenomen, bij overschrijding waarvan de vergunning moet worden geweigerd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het verlenen van de vergunning leidt tot een onaanvaardbare geuroverlast nabij zijn woning.

3.1. Gelet op artikel 2 van de Wet geurhinder en veehouderij kan de omgevingsvergunning niet worden geweigerd vanwege de door de dierenverblijven veroorzaakte geurhinder indien aan de in de artikelen 3 tot en met 9 opgenomen vereisten wordt voldaan.

Uit de door het college uitgevoerde berekeningen blijkt dat de geurbelasting op de woning van [appellant], zijnde de dichtst bij de inrichting gelegen woning, 5,7 ou/m3 bedraagt. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de ingevolge artikel 3 geldende norm van 14,0 ou/m3. Aan de voorgeschreven minimale afstand van 25 m wordt eveneens voldaan.

Verder kan in de enkele stelling dat vergunningverlening leidt tot onaanvaardbare geuroverlast geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de vergunning vanwege geurhinder van andere activiteiten dan het houden van vee, zoals de opslag van kuilvoer, zou moeten worden geweigerd.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de vergunning vanwege de geluidhinder niet had mogen worden verleend. Het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van zijn woning is lager dan waarvan het college en de rechtbank zijn uitgegaan, omdat tussen zijn woning en de rijksweg A30 een geluidscherm is geplaatst. In de nacht is het verkeer op de rijksweg A30 niet meer hoorbaar zodat de aan- en afvoer van vleeskalveren in die periode tot extra hinder leidt, aldus [appellant].

4.1. In vergunningvoorschrift 8.1/60 zijn grenswaarden opgenomen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) als etmaalwaarde. Bij het stellen van deze geluidgrenswaarden heeft het college rekening gehouden met het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Ter plaatse van de woning van [appellant] bedraagt dat 49 dB(A). Anders dan [appellant] stelt is bij de vaststelling van het geluidsniveau van de A30 (59 dB(A)) rekening gehouden met het geluidscherm dat tussen de woning van [appellant] en de A30 is geplaatst. De in de voorschrift 8.1 opgenomen geluidgrenswaarden onderschrijden het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Verder zijn deze waarden in overeenstemming met de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: Handreiking), die het college bij de beoordeling van de geluidemissie heeft gehanteerd. Blijkens indicatieve berekeningen kunnen de grenswaarden worden nageleefd.

De in vergunningvoorschrift 8.1/61 opgenomen grenswaarden voor het maximale geluidsniveau van 70, 65 en 60 dB(A) zijn, gelet op de Handreiking, in redelijkheid toereikend te achten.

Voorschrift 8.2/64 (incidentele afwijkingen) ziet slechts op een frequentie van 7 keer per jaar en is in overeenstemming met de Handreiking.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder niet behoeft te worden gevreesd.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit tot waardevermindering van zijn perceel leidt.

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat waardevermindering van een woning niet kan worden begrepen onder het belang van de bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 2.14, derde lid, van de Wabo en de vergunning derhalve niet op die grond kan worden geweigerd.

Het betoog faalt.

6. De overige gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, hebben betrekking op het niet opstellen van een milieueffectrapport, het geldende afvalbeheerplan, het geldende bestemmingsplan, regels voor afvalwater, de toename van zwevende deeltjes, stikstof en ammoniak, de toename van het verkeer van en naar de inrichting, de gevolgen voor flora, fauna en kwetsbare natuurgebieden, de aantasting van het recht op het ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het niet verrichten van bodem- en archeologisch onderzoek, de mogelijkheden voor het uitrijden van mest, het dierenwelzijn en de levensvatbaarheid van het bedrijf.

6.1. [appellant] heeft deze gronden eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom deze gronden niet reeds bij de rechtbank konden worden aangevoerd, en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze gronden buiten beschouwing te blijven.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014

190-811.