Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:334

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
201304886/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:2918, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304886/1/A1.

Datum uitspraak: 5 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 april 2013 in zaak nr. 12/3421 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een berging op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 september 2012 heeft het college, naar aanleiding van het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar, het besluit van 15 mei 2012 na heroverweging gehandhaafd.

Bij uitspraak van 19 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. de Vet, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan ziet op een reeds gerealiseerde berging met een oppervlakte van 24 m² en een hoogte van 3,5 m op het perceel. [appellant] is bewoner van het naastgelegen perceel.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in hoofdzaak Vleuten-De Meern" rust op het perceel de bestemming "Agrarische gronden".

Ingevolge artikel R, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, is het toegestaan om, uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf, op deze gronden gebouwen op te richten.

3. Vast staat dat de berging, die niet ten behoeve van een agrarisch bedrijf is opgericht, in strijd is met de op het perceel rustende bestemming. Bij besluit van 15 mei 2012, in stand gelaten bij besluit van 5 september 2012, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), voor de berging een omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Tevens heeft het bij dat besluit omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Daartoe voert hij aan dat de berging in strijd is met het destijds in voorbereiding zijnde conceptbestemmingsplan "Haarzuilens" (hierna: het conceptbestemmingsplan), waaraan het college naar hij stelt het bouwplan heeft getoetst. Het voldoet immers niet aan het daarin opgenomen vereiste dat een bijbehorend bouwwerk tenminste 1 m achter de voorgevelrooilijn moet staan en op tenminste 5 m afstand van de erfgrens, aldus [appellant]. Voorts heeft het college, naar hij stelt, onvoldoende bij de belangenafweging betrokken dat een eerdere aanvraag om omgevingsvergunning voor de berging is geweigerd en dat hij het college heeft verzocht ten aanzien daarvan handhavend op te treden. Bovendien heeft de berging de boom op zijn perceel beschadigd en heeft het college nagelaten deze schade te onderzoeken.

4.1. Het college heeft aan zijn besluit om omgevingsvergunning te verlenen een stedenbouwkundig advies van 25 april 2012, opgesteld door een ambtenaar, werkzaam bij de gemeente Utrecht, ten grondslag gelegd. Uit dat advies kan worden afgeleid dat daarin is bezien of het bouwplan binnen de globale uitgangspunten van het nieuwe planologische regime past, omdat ten tijde van de opstelling van dat advies en het besluit van 15 mei 2012 het conceptbestemmingsplan in voorbereiding was. Eén van die uitgangspunten is, dat bij bijbehorende bouwwerken een ruime afstand wordt aangehouden tot de perceelgrenzen, waarbij wordt voorzien in uitzonderingen voor ondergeschikte afwijkingen. Volgens het advies is de berging een dergelijke uitzondering, omdat de berging in geringe mate afwijkt van een bouwwerk dat zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd, deze ver achter het verlengde van de voorgevel van de zich op het perceel bevindende woning is gerealiseerd, niet nadrukkelijk aanwezig is in het straatbeeld en er geen nadelige ruimtelijke gevolgen zijn voor de openheid van het lint. Geadviseerd wordt om medewerking te verlenen aan het bouwplan.

4.2. Het college heeft het advies en derhalve de globale uitgangspunten van het toekomstig planologische regime bij zijn beoordeling mogen betrekken. In het advies wordt geconcludeerd dat het bouwplan past binnen de globale uitgangspunten van het toekomstig planologisch regime en de daarin voorziene uitzonderingen. Voor zover [appellant] betoogt dat de berging in strijd is met de bebouwingsvoorschriften van het destijds in voorbereiding zijnde conceptbestemmingsplan, wordt overwogen dat dit plan op 6 september 2012 en derhalve na het besluit op bezwaar ter inzage gelegd. De rechtbank heeft daarom in dat betoog, wat daar verder van zij, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet van zijn bevoegdheid omgevingsvergunning te verlenen gebruik heeft kunnen maken. Dat het college in het verleden een bouwaanvraag voor een vergelijkbaar bouwplan heeft geweigerd en dat [appellant] het college heeft verzocht om ten aanzien van de berging handhavend op te treden, maakt evenmin dat het college gehouden was omgevingsvergunning voor het bouwplan te weigeren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat thans een andere bouwaanvraag aan de orde is en dat ten tijde van het besluit op bezwaar de ten opzichte van het toen geldende bestemmingsplan gewijzigde planologische uitgangspunten bekend waren. Evenmin bestond voor het college aanleiding de omgevingsvergunning te weigeren vanwege de aanwezigheid van de boom op het perceel van [appellant], nu ten tijde van belang er voor het college geen enkele aanwijzing was dat schade aan die boom was ontstaan. Dat die boom door de berging wel is beschadigd, zoals [appellant] voorts stelt, is niet door hem aannemelijk gemaakt. Uit het in dat verband door [appellant] in hoger beroep overgelegde boomonderzoek van Copijn Boomspecialisten van 2 december 2013, kan dit niet zonder meer worden afgeleid, nu daarin wordt vermeld dat er weliswaar door de komst van de berging naar schatting probleempunten kunnen zijn, maar dat de bovengrondse delen van de boom stabiel en gezond zijn en voor een conclusie over de ondergrondse situatie uitgebreider onderzoek plaats zal moeten vinden. Als zich in de toekomst schade bij of door de boom voordoet, kan achteraf vastgesteld worden in hoeverre de aanleg van de berging de oorzaak hiervan was, aldus het boomonderzoek.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in het betoog van [appellant] terecht geen grond gezien voor het oordeel het college, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten omgevingsvergunning te verlenen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014

414-713.