Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3335

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
10-09-2014
Zaaknummer
201208940/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/922
JM 2014/120 met annotatie van P.B. Bokelaar
JBO 2014/185 met annotatie van D. van der Meijden
OGR-Updates.nl 2014-0216
ABkort 2014/361
Milieurecht Totaal 2014/5910
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6414
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6415

Uitspraak

201208940/1/R3.

Datum uitspraak: 10 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,

2. [ appellant sub 2], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

3. [ appellant sub 3], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

4. [ appellant sub 4], wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze,

5. [ appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], beiden wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 5]),

6. [ appellant sub 6], wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze,

7. [ appellant sub 7] en anderen, allen wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

8. [ appellant sub 8], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

9. [ appellant sub 9], wonend te Vorstenbosch, gemeente Bernheze, en anderen, handelend onder de naam manege L'Avenir,

10. [ appellante sub 10], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze,

11. [ appellante sub 11], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

12. [ appellant sub 12], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

13. [ appellant sub 13], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

14. [ appellant sub 14], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

15. [ appellante sub 15], gevestigd te Vorstenbosch, gemeente Bernheze,

16. de vereniging Afdeling Bernheze van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze (hierna: ZLTO),

17. [ appellant sub 17] en anderen, allen wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

18. [ appellant sub 18], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

19. [ appellant sub 19], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

20. [ appellante sub 20], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze,

21. [ appellant sub 21], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

22. [ appellant sub 22], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,

23. [ appellant sub 23], wonend te Oss, en anderen,

24. [ appellant sub 24], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,

25. [ appellant sub 25], wonend te Heesch, gemeente Bernheze,

26. [ appellant sub 26A] en [appellante sub 26B], beiden wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 26]),

27. [ appellant sub 27], wonend te Vorstenbosch, gemeente Bernheze,

28. [ appellant sub 28], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

29. [ appellant sub 29A] en [appellante sub 29B], beiden wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 29]),

30. [ appellant sub 30A] en [appellant sub 30B], beiden wonend te Vinkel, gemeente Bernheze,

31. [ appellant sub 31], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

32. [ appellant sub 32], wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze,

33. [ appellant sub 33], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

34. [ appellant sub 34], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, en anderen,

35. [ appellante sub 35], gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze,

36. [ appellante sub 36A] en [appellant sub 36B] en [appellante sub 36C], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 36]),

37. [ appellant sub 37], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

38. [ appellante sub 38], gevestigd te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

39. [ appellante sub 39], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

40. [ appellant sub 40], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

41. [ appellant sub 41], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

42. [ appellant sub 42], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

43. [ appellant sub 43A] en [appellante sub 43B], beiden wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze, (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 43]),

44. [ appellant sub 44], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

45. [ appellant sub 45], wonend te Loosbroek, gemeente Bernheze,

46. [ appellant sub 46], wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze,

47. [ appellant sub 47], wonend te Nistelrode, gemeente Bernheze,

48. [ appellante sub 48], gevestigd te Vorstenbosch, gemeente Bernheze,

49. [ appellante sub 49], gevestigd te Nistelrode, gemeente Bernheze,

50. [ appellante sub 50A] en [appellant sub 50B], beiden wonend te Rotterdam (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 50]),

51. [ appellante sub 51A] en [appellant sub 51B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Heeswijk-Dinther, gemeente Bernheze (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 51]),

en

de raad van de gemeente Bernheze,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft raad het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Hiertegen heeft een aantal appellanten een zienswijze naar voren gebracht.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7, 8 en 9 april 2014, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen.

Buiten bezwaren van partijen zijn na de zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Bernheze.

Archeologische dubbelbestemmingen

3. Een aantal appellanten richt zich tegen de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan verscheidene agrarische percelen, en/of het daaraan gebonden omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden.

3.1. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, van de planregels zijn de voor "Waarde - Archeologie 1" aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van (zeer hoge) archeologische waarden.

Ingevolge lid 18.2, onder 18.2.1, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.

Ingevolge het bepaalde onder 18.2.3 wordt de vergunning geweigerd indien uit het in 18.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 18.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen.

Ingevolge lid 18.3, onder 18.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 18.1 bedoelde gronden de volgende andere werken uit te voeren:

a. het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden;

b. het bodemverlagen of afgraven van gronden;

c. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld;

d. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;

e. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

f. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies;

Ingevolge het bepaalde onder 18.3.2 kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Ingevolge het bepaalde onder 18.3.3, is het in 18.3.1 vervatte verbod niet van toepassing, indien:

a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;

b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 100 m² en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld;

c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;

d. de werken en werkzaamheden die

1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;

f. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 2" aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde.

Ingevolge lid 19.2, onder 19.2.1, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 40 cm, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.

Ingevolge het bepaalde onder 19.2.3 wordt de vergunning geweigerd indien uit het in 19.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 19.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen.

Ingevolge lid 19.3, onder 19.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 19.1 bedoelde gronden dezelfde andere werken uit te voeren als opgenomen in artikel 18, lid 18.3, onder 18.3.1.

Ingevolge het bepaalde onder 19.3.2 kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Ingevolge het bepaalde onder 19.3.3, is het in 19.3.1 vervatte verbod niet van toepassing, indien:

a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;

b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 250 m² en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld;

c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;

d. de werken en werkzaamheden die

1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;

f. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, zijn de voor "Waarde - Archeologie 3" aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van gronden van archeologische waarde en gronden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

Ingevolge lid 20.2, onder 20.2.1, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van de vergunningverlener in voldoende mate zijn vastgesteld, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog over de aard van het uit te voeren onderzoek.

Ingevolge het bepaalde onder 20.2.3 wordt de vergunning geweigerd indien uit het in 20.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in 20.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen.

Ingevolge lid 20.3, onder 20.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in 20.1 bedoelde gronden dezelfde andere werken uit te voeren als opgenomen in artikel 18, lid 18.3, onder 18.3.1.

Ingevolge het bepaalde onder 20.3.2 kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

Ingevolge het bepaalde onder 20.3.3, is het in 20.3.1 vervatte verbod niet van toepassing, indien:

a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;

b. er sprake is van bodemingrepen kleiner dan 2.500 m² en niet dieper dan 0,4 m vanaf het maaiveld;

c. op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn;

d. de werken en werkzaamheden die

1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

e. de werken en werkzaamheden op aanvullend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;

f. de werken en werkzaamheden het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen.

3.2. Ingevolge artikel 38a, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 houdt de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 9 december 2009, in zaak nr. 200801932/1 (www.raadvanstate.nl), overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 op het gemeentebestuur de plicht rust zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in het gebied alvorens bij het plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete regels voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn.

3.3. In opdracht van de raad heeft BAAC BV - een onderzoeks- en adviesbureau voor bouwhistorie, archeologie, architectuur en cultuurhistorie - het rapport "Archeologische verwachtings- en beleidskaart" (hierna: archeologisch rapport) en de bijbehorende archeologische verwachtingskaart opgesteld. In dit rapport staat dat op basis van een landschappelijke inventarisatie, waarbij de mogelijke bodemverstoringen in kaart zijn gebracht, en een archeologische inventarisatie, waarbij onder meer waarnemingen uit de database Archis zijn geraadpleegd, de archeolandschappelijke eenhedenkaart is vervaardigd. De bodemverstoringen zijn in kaart gebracht aan de hand van de provinciale ontgrondingenkaart, de bodemkaart, de geomorfologische kaart en het Actueel Hoogtebestand Nederland. Voorts heeft een veldonderzoek plaatsgevonden, waarbij boringen zijn uitgevoerd om de opbouw van de bodem te controleren. Op basis van dit bureau-, waarbij voornoemde bronnen zijn geraadpleegd, en veldonderzoek is de verwachtingskaart opgesteld, waarop tot op perceelsniveau de archeologische verwachtingswaarden voor het grondgebied van de gemeente Bernheze zijn weergegeven.

Op basis van het archeologisch rapport en de daarvan deel uitmakende verwachtingskaart is het gemeentelijke archeologiebeleid, zoals vervat in de "Nota Archeologiebeleid gemeente Bernheze" (hierna: archeologiebeleid) en de bijbehorende archeologische beleidskaart, vastgesteld. Op basis van die archeologische beleidskaart zijn de archeologische waarden bepaald en de daarmee samenhangende dubbelbestemmingen toegekend aan delen van het plangebied. Voor gronden met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" is in de planregels het (laten) verrichten van archeologisch onderzoek, waarbij advies wordt ingewonnen van een senior-archeoloog, als vereiste voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte van, onderscheidenlijk, meer dan 100 m², 250 m² en 2.500 m² en vanaf een diepte van meer dan 0,4 m opgenomen. Voorts is in de planregels het vereiste van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van onder meer grondbewerkingen over een oppervlakte van, onderscheidenlijk, meer dan 100 m², 250 m² en 2.500 m² en vanaf een diepte van meer dan 0,4 m vanaf het maaiveld opgenomen, echter onder meer tenzij op basis van bureauonderzoek, inventariserend of aanvullend archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn.

3.4. De gronden binnen de bouwvlakken zijn niet uitgezonderd van de archeologische dubbelbestemmingen. Ter zitting heeft de raad erkend dat - daar waar het betreft de binnen een bouwvlak gelegen gronden die ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming ten tijde van de vaststelling van het plan volledig zijn bebouwd - slechts in overeenstemming met de beleidskaart tot het daaraan toekennen van een archeologische dubbelbestemming had kunnen worden overgegaan, indien uit een van gemeentewege uitgevoerd archeologisch onderzoek zou zijn gebleken dat zich aldaar, ondanks de aanwezigheid van bebouwing, nog behoudenswaardige archeologische relicten in de bodem bevinden. Naar het oordeel van de Afdeling valt evenwel niet in te zien waarom wel zonder een van gemeentewege uitgevoerd archeologisch onderzoek in overeenstemming met de beleidskaart tot het toekennen van een archeologische dubbelbestemming is overgegaan, waar het betreft de binnen een bouwvlak gelegen gronden die ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming ten tijde van de vaststelling van het plan niet volledig, maar wel gedeeltelijk zijn bebouwd. Of een bouwvlak ter plaatse van de dubbelbestemmingen volledig is bebouwd, is in zoverre niet relevant voor de vraag of zich ter plaatse van de bebouwing nog behoudenswaardige archeologische relicten in de bodem bevinden.

Voorts heeft de raad ter zitting erkend dat in het plan niet is verankerd dat de op de omgevingsvergunning voor het bouwen en het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden betrekking hebbende onderzoeksverplichtingen niet van toepassing zijn indien op een andere wijze dan in de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels staat aangegeven, kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk of de werken en/of werkzaamheden als bedoeld in die artikelen.

3.5. Voor het opnemen van een beschermingsregeling als neergelegd in de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels is niet vereist dat de aanwezigheid van de archeologische sporen ter plaatse vast staat, doch dat aannemelijk is dat dergelijke sporen in het gebied voorkomen. De raad heeft de aanwezigheid van die waarden gebaseerd op voormeld bureau- en veldonderzoek. Het laten verrichten van veldonderzoeken met betrekking tot het gehele buitengebied heeft de raad te verstrekkend kunnen achten in relatie tot de daarvan te verwachten resultaten. Gelet hierop heeft de raad, behoudens het voorgaande onder 3.4, voldoende onderzoek gedaan naar de archeologische waarden in het plangebied teneinde op basis daarvan tot het toekennen van archeologische dubbelbestemmingen te kunnen overgaan. Daarbij is ook van belang dat werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen in ieder geval zijn uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van de betreffende werken en/of werkzaamheden.

3.6. In het navolgende zal de Afdeling met inachtneming van het hiervoor overwogene de beroepen die zijn gericht tegen de archeologische dubbelbestemmingen en/of het daaraan gebonden omgevingsvergunningstelsel per appellant beoordelen.

Het beroep van ZLTO

Ingetrokken beroepsgronden

4. ZLTO heeft ter zitting haar procedurele grond en de beroepsgronden over de gehanteerde lettercodering voor een burger- en bedrijfswoning, het ontbreken van een wijzigingsbevoegdheid van een intensieve veehouderij naar een grondgebonden agrarisch bedrijf en het verbod op uitbreidingen ten behoeve van geiten¬- en schapenhouderijen ingetrokken.

Intensieve veehouderij

5. ZLTO kan zich niet verenigen met de aanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" en "milieuzone - 250m cluster woningen". Ter plaatse van de gronden waarop deze aanduidingen rusten, kan de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van het bouwvlak van een intensieve veehouderij geen toepassing vinden. ZLTO voert onder verwijzing naar de uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3 (www.raadvanstate.nl), aan dat het Rijk, noch het provinciebestuur een aan te houden afstand tussen intensieve veehouderijen en woningen voorschrijft. Verder betoogt ZLTO dat de keuze van de raad om vaste afstanden tussen intensieve veehouderijen en woningen te hanteren niet berust op een deugdelijke motivering. Zij voert aan dat uit de interimrapportage "Mogelijke effecten van bedrijven met intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar blootstelling en gezondheidsproblemen" van 7 juni 2011 van het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht, het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) en het RIVM (hierna: het IRAS-rapport) niet kan worden afgeleid dat dergelijke afstanden in acht moeten worden genomen. ZLTO voert ook aan dat de raad de intensieve veehouderijen die zijn gevestigd in het gebied waarop de aanduidingen rusten op slot zet, waardoor hun mogelijkheden om op een duurzame wijze te kunnen produceren juist worden beperkt.

5.1. De raad stelt dat hij streeft naar het realiseren van een gezonde en evenwichtige leef-, woon- en werkomgeving voor zowel burgers als bedrijven. De raad heeft gekozen voor een terughoudende opstelling ten opzichte van onder meer schaalvergroting van agrarische bedrijven, gelet op het grote aantal intensieve veehouderijen in de gemeente en de maatschappelijke onrust over de gezondheidsrisico's vanwege die intensieve veehouderijen. Om de gezondheidsrisico’s te beperken, heeft de raad, naar hij stelt als voorzorgsprincipe, afstanden gehanteerd die moeten worden aangehouden tussen intensieve veehouderijen en kwetsbare functies, omdat ontwikkelingen van intensieve veehouderijen op voldoende afstand van kernen of andere bebouwingsconcentraties volgens de raad minder gezondheidsrisico’s met zich brengen dan in de nabijheid daarvan.

5.2. In de artikelen 3, 5, 6, en 7 zijn planregels opgenomen die van toepassing zijn op gronden met onderscheidenlijk de bestemming "Agrarisch", "Agrarisch met waarden - Landschappelijk, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - leefgebied struweelvogels" en "Agrarisch met waarden - leefgebied dassen".

Ingevolge artikel 3, lid 3.9.1, onder d, artikel 5, lid 5.9.1 onder c, artikel 6, lid 6.9.1, onder c, en artikel 7, lid 7.9.1, onder c, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…)

2. sprake is van een 'duurzame locatie intensieve veehouderij' en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

(…).

5.3. In opdracht van de gemeente Bernheze heeft het Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland ten behoeve van het plan advies uitgebracht over verschillende gezondheidsaspecten. Onder meer zijn de infectierisico’s van veehouderijen vanwege biologische agentia, zoönosen en antibioticaresistentie bezien. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Gezondheidseffectscreening Ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Gemeente Bernheze" van 21 mei 2012 (hierna: het GGD-advies).

Hierin staat dat uit onderzoek blijkt dat op 250 m rondom intensieve veehouderijen nog verhoging van endotoxinen zijn gemeten. Blootstelling kan leiden tot ademklachten en griepachtige verschijnselen. Wegens het ontbreken van een beoordelingskader om de effecten op de gezondheid te kwantificeren en in afwachting van een advies van de Gezondheidsraad, wordt geadviseerd om bij nieuwvestiging van intensieve veehouderijen dan wel ontwikkeling van nieuwe woonwijken een afstand van 250 m in acht te nemen. Het advies daarbij is om binnen een afstand van 250 tot 1.000 m tussen een intensieve veehouderij tot een woonkern of lintbebouwing een aanvullende gezondheidkundige risicobeoordeling uit te voeren. Ook wordt in het GGD-advies geadviseerd om uitbreiding, omschakeling of nieuwbouw binnen een bestaand bouwblok of vergroting van het bouwblok van intensieve veehouderijbedrijven die liggen op een afstand van minder dan 250 m van een woning alleen toe te staan wanneer deze niet leidt tot milieuhygiënische belemmeringen en wanneer deze voor de gezondheid van omwonenden aanvaardbaar is. Vermeld is dat voor deze gezondheidkundige beoordeling nog geen direct bruikbaar instrument of beoordelingskader voorhanden is. Vermeld is verder dat het risico op zoönosen voor omwonenden voor een groot deel wordt bepaald door de hygiënestatus op een veehouderijbedrijf. Een bedrijf waar de hygiënemaatregelen correct worden gehanteerd heeft minder insleep en uitstoot van micro-organismen die schadelijk kunnen zijn voor omwonenden.

5.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3; www.raadvanstate.nl) zijn aspecten van volksgezondheid, zoals de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven, een bij de vaststelling van een bestemmingsplan mee te wegen belang. De bestrijding van besmettelijke dierziekten vindt echter zijn regeling primair in andere regelgeving. Voorts kunnen aan te verlenen omgevingsvergunningen voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. Hieruit volgt dat de mogelijke besmetting van dierziekten een ruimtelijk relevant belang is. Voorts volgt uit het voorgaande dat de Wro in dit kader een aanvullend karakter heeft.

Dat het Rijk, noch het provinciebestuur ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een afstandsmaat had vastgesteld of aanbevolen die moet of zou kunnen worden aangehouden tussen intensieve veehouderijen en woningen, laat de bevoegdheid van de raad om in een bestemmingsplan een regeling op te nemen ter behartiging van ruimtelijk relevante belangen, bijvoorbeeld door het hanteren van een afstand tussen bepaalde functies, onverlet, mits hieraan een voldoende draagkrachtige motivering ten grondslag ligt.

Uit het aan het plan ten grondslag liggende GGD-advies volgt evenwel niet dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij vanuit het oogpunt van volksgezondheid moet worden verboden binnen een bepaalde afstand tot een woning. De keuze van de raad om bij gebreke van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen uit te gaan van maximale afstanden die in het GGD-advies worden genoemd, acht de Afdeling onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Dat binnen de gemeente Bernheze een groot aantal intensieve veehouderijen is gevestigd en dat maatschappelijke onrust is ontstaan over de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid, biedt op zichzelf onvoldoende grond voor de in het voorliggende plan neergelegde vergaande beperking van intensieve veehouderijen, welke ertoe leidt dat op geen enkele locatie binnen de opgenomen milieuzones, ook in niet in de situatie waarin sprake is van een duurzame locatie als bedoeld in artikel 1, onder 1.31, van de planregels, nog uitbreiding mogelijk is. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat, naar ZLTO terecht betoogt, het vergroten van het bouwvlak een mogelijkheid kan bieden voor een verbetering van de bedrijfsvoering en daarmee voor een terugdringen van de milieubelasting van het bedrijf voor de omgeving. Het betoog slaagt.

6. ZLTO betoogt dat de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden in het plan ten onrechte afwijkt van de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden zoals die in de Verordening 2012 zijn aangeduid.

6.1. De raad brengt naar voren dat hij is uitgegaan van de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden zoals die op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" zijn aangeduid. De raad stelt dat in het plan binnen de landbouwontwikkelingsgebieden deelgebieden zijn aangeduid waar uitbreiding van intensieve veehouderijen is toegestaan. Aan die deelgebieden is de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" toegekend. De raad acht de uitbreiding van intensieve veehouderijen op de overige gronden binnen de landbouwontwikkelingsgebieden vanuit het oogpunt van volksgezondheid onwenselijk, omdat die gronden binnen een straal van 1.000 m van een kern of binnen een straal van 250 m van een cluster woningen liggen en vanwege de risico’s voor de volksgezondheid niet als duurzame locatie kunnen worden aangemerkt.

6.2. Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening ruimte 2012 (hierna: Verordening 2012) kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare, in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

6.3. Aan de betreffende deelgebieden binnen de LOG’s is de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.9, onder 4.9.1, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak van een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

1. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’;

(…);

3. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 50% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

(…).

Aan de overige gronden binnen de LOG’s is de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onder d, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…)

2. sprake is van een 'duurzame locatie intensieve veehouderij' en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

3. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

(…).

6.4. De Afdeling overweegt dat de raad de ruimte heeft om de exacte omvang te bepalen van de mogelijke ontwikkelingen in landbouwontwikkelingsgebieden zoals die zijn aangeduid op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij", waarbij is aangesloten bij de begrenzing van die gebieden in het reconstructieplan. De ligging van een perceel in een landbouwontwikkelingsgebied betekent niet dat de raad op grond van de Verordening 2012 gehouden is om de bestemming "Agrarisch-Landbouwontwikkelingsgebied" met bijbehorende uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen onverkort toe te kennen. De raad heeft de exacte omvang van de toegelaten ontwikkelingen in landbouwontwikkelingsgebieden nader begrensd door aan een deel van de binnen de landbouwontwikkelingsgebieden gelegen gronden niet de bestemming "Agrarisch-Landbouwontwikkelingsgebied" toe te kennen, maar de bestemming "Agrarisch", met de daarbij behorende planregeling die voorziet in de aan te houden milieuzones. De bestemming "Agrarisch" voorziet, gelet op artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onder d, ten tweede en derde, van de planregels in verdergaande beperkingen voor de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen dan de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied". De motivering van de raad om hiertoe over te gaan, acht de Afdeling onder verwijzing naar overweging 5.4 evenwel onvoldoende. Het betoog slaagt.

Archeologie

7. ZLTO betoogt dat de raad het omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 18, lid 18.3, 19, lid 19.3 en 20, lid 20.3, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat het gemeentelijke archeologiebeleid en de beleidskaart aan de hand van te grofmazige informatie zijn opgesteld, zodat met het opnemen van het omgevingsvergunningstelsel, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2012, in zaak nr. 201003351/1/T1/R4 (www.raadvanstate.nl), onvoldoende rekening is gehouden met agrarische bodemingrepen in het verleden en de belangen van de agrariërs.

7.1. Gelet op het voorgaande onder 3.3 zijn de gebieden met de archeologische dubbelbestemmingen gebaseerd op de beleidskaart, die op basis van bureau- en veldonderzoek is opgesteld en waarbij de bodemverstoringen aan de hand van voornoemde bronnen in kaart zijn gebracht. Niet in geschil is dat de begrenzingen van de gebieden met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" in het plan overeenstemmen met de op de beleidskaart aangeduide en onderverdeelde gebieden met, onderscheidenlijk, zeer hoge archeologische waarde, hoge archeologische waarde en verwachting en middelhoge archeologische verwachting. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het archeologiebeleid en de daarbij behorende beleidskaart aan de hand van te grofmazige informatie zijn opgesteld en dat het archeologisch rapport, anders dan in de door ZLTO genoemde uitspraak, een gebrek aan kennis bevat over de mate van verstoring van de grond door agrarisch grondgebruik in het verleden. Het betoog faalt.

7.2. Gelet op het voorgaande onder 3.5 heeft de raad de mogelijke aanwezigheid van archeologische sporen van de onbebouwde gronden waar werken en/of werkzaamheden kunnen plaatsvinden aannemelijk gemaakt. Uit de niet nader geconcretiseerde stelling van ZLTO dat in het verleden bodemingrepen hebben plaatsgevonden, kan niet worden afgeleid dat alle mogelijk aanwezige archeologische sporen verstoord of verdwenen zijn. Gelet hierop heeft ZLTO niet aannemelijk gemaakt dat het omgevingsvergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden ten behoeve van de bescherming van de archeologische waarden niet opgenomen had hoeven worden. Het betoog faalt.

7.3. Voor zover wordt aangevoerd dat de raad met het opnemen van het omgevingsvergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de agrariërs, wordt met inachtneming van het voorgaande onder 3.4 overwogen dat het bepaalde in artikel 18, lid 18.3, onder 18.3.3, sub c, artikel 19, lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en artikel 20, lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, van de planregels onzorgvuldig is, in die zin dat ook anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van werken en/of werkzaamheden. Het betoog slaagt.

7.4. Behoudens het voorgaande onder 7.3 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat het aan de dubbelbestemmingen gekoppelde omgevingsvergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden leidt tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering. Het betoog faalt.

Overige onderwerpen

8. ZLTO betoogt dat onder de definitie "paardenhouderij" ten onrechte zowel een gebruiksgerichte als een productiegerichte paardenhouderij valt. Voorts zijn rijbakken ten onrechte binnen noch buiten het agrarische bouwvlak bij recht toegestaan.

8.1. Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.

Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.

8.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.39, van de planregels wordt onder gebruiksgerichte paardenhouderij verstaan: een niet-agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op (de ondersteuning bij) het gebruik van het paard als hulpmiddel voor de recreërende mens, zoals maneges, paardenverhuurbedrijven en paardenstallingsbedrijven.

Ingevolge lid 1.73 wordt onder productiegerichte paardenhouderij verstaan: een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het door middel van een gericht fok- en/of africhtingsprogramma trachten een paard op een hoger niveau te brengen, waardoor de waarde van dat paard in het economische verkeer toeneemt, zoals (op)fokkerijbedrijven, hengstenstations, africhtings- en trainingsbedrijven.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub h, zijn rijbakken binnen de bestemming "Agrarisch" uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan.

In de planregels zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels".

8.3. In het bestemmingsplan is onderscheid gemaakt tussen een gebruiksgerichte paardenhouderij, die volgens de definitieomschrijving een niet-agrarisch bedrijf is, en een productiegerichte paardenhouderij. Voorts zijn rijbakken binnen het agrarisch bouwvlak bij recht toegestaan. Gelet hierop mist het betoog van ZLTO in zoverre feitelijke grondslag.

Gelet op artikel 6.4, eerste lid, aanhef en onder d, en artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 heeft de raad terecht geen rijbakken bij agrarische bedrijven buiten het agrarisch bouwvlak mogelijk gemaakt. Het betoog faalt.

9. Ter zitting heeft ZLTO haar betoog over teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter toegespitst op de mogelijkheid om kassen tot een oppervlakte van 5.000 m² binnen het bouwvlak of binnen een differentiatievlak met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" op te richten. Volgens haar is onduidelijk of dat in het plan is toegestaan.

9.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub e, van de planregels zijn teeltondersteunende kassen uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak van een agrarisch bedrijf met de aanduiding "intensieve kwekerij" of "agrarisch bedrijf", mits dit gelegen is buiten de gronden met de aanduiding "groenblauwe mantel".

Ingevolge het bepaalde sub f zijn in afwijking van het bepaalde sub e bestaande teeltondersteunende kassen toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening".

Ingevolge het bepaalde onder 3.2.2, aanhef en sub e, geldt voor teeltondersteunende kassen ten dienste van een agrarisch bedrijf een maximale bouwhoogte van 8 m en een maximale oppervlakte ten behoeve van één bedrijf van 5.000 m² (binnen het bouwvlak en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" tezamen).

In de planregels zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels". Voor de gronden met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" zijn teeltondersteunende kassen met een maximale oppervlakte van 5.000 m² alleen toegestaan ter plaatse van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf met de aanduiding "intensieve kwekerij" of "agrarisch bedrijf", mits dit gelegen is buiten de gronden met de aanduiding "groenblauwe mantel". Voor deze gronden is in het plangebied geen aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" opgenomen.

9.2. In het plan mogen, zoals de raad ter zitting ook heeft bevestigd, teeltondersteunende kassen binnen het agrarisch bouwvlak, mits de gronden niet zijn aangewezen als groenblauwe mantel, en binnen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening", die aan enkele gronden buiten de agrarische bouwvlakken is toegekend, met een maximale oppervlakte van 5.000 m² ten behoeve van één agrarisch bedrijf worden opgericht. Dit is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk in de planregels neergelegd. Dat kassen niet zijn toegestaan binnen de groenblauwe mantel, is in overeenstemming met de Verordening 2012. Het betoog faalt.

10. ZLTO betoogt dat de raad de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" ten onrechte heeft vastgesteld, omdat de betreffende gronden op grond van het provinciale beleid geen extra bescherming behoeven. Ter zitting heeft ZLTO toegelicht dat de beperking voor de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse van deze aanduiding is gelegen in het kunnen toepassen van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vormverandering of vergroting van het agrarisch bouwvlak.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat deze aanduiding aan landbouwgronden is toegekend die bijzonder geschikt zijn voor het ontwikkelen van nieuwe natuur, waarmee de realisatie van de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) en de wijziging naar de bestemming "Natuur" op vrijwillige basis mogelijk wordt gemaakt. Van belang is dat ruimtelijke ingrepen achterwege blijven die de natuurontwikkeling in de toekomst kunnen frustreren.

10.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en sub b, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders voor gronden met de bestemming "Agrarisch" het plan wijzigen en vormverandering van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf toestaan, onder de voorwaarden dat:

(…);

6. op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding "wro - zone - natuurontwikkelingsgebied", zonder de aanduiding "wro - zone - ecologische verbindingszone", de wijziging uitsluitend is toegestaan, indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van natuur;

(…).

Ingevolge het bepaalde sub c kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een grondgebonden agrarisch bedrijf of intensieve kwekerij vergroten, al dan niet in combinatie van vormverandering van het functieaanduidingsvlak "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen", onder de voorwaarden dat:

(…);

8. op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding "wro - zone - natuurontwikkelingsgebied", zonder de aanduiding "wro - zone - ecologische verbindingszone", de wijziging uitsluitend is toegestaan, indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van natuur;

(…).

Ingevolge het bepaalde sub d kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

12. op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding "wro - zone - natuurontwikkelingsgebied", zonder de aanduiding "wro - zone - ecologische verbindingszone", de wijziging uitsluitend is toegestaan, indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van natuur;

(…).

In de planregels zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels".

10.3. Volgens de plantoelichting omvatten de gronden met de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" de bestaande EHS, de ecologische verbindingszones en de gebieden die op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan van de provincie zijn aangemerkt als "nog om te vormen van landbouw". Deze aanduiding is vrijwel geheel toegekend aan de gronden met de bestemming "Natuur". Dat voor het toekennen van de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" aan enkele agrarische gronden in het plan op grond van de Verordening 2012 geen aanleiding bestaat, maakt niet dat de raad hiervoor geen regeling in het plan heeft mogen opnemen. De wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroting of vormverandering van het agrarische bouwvlak kan alleen worden toegepast indien de gronden niet minder geschikt worden gemaakt voor de verwezenlijking van natuur. De Afdeling acht dit niet onredelijk, waarbij tevens van belang is dat ZLTO niet heeft geconcretiseerd waar dit leidt tot een onevenredige belemmering in de agrarische bedrijfsvoering. Het betoog faalt.

11. ZLTO betoogt dat de raad met het opnemen van het omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 3, lid 3.7, 4, lid 4.7, 5, lid 5.7, 6, lid 6.7 en 7, lid 7.7, van de planregels onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de agrariërs. Voorts is onvoldoende duidelijk wat in de definitieomschrijving onder normaal onderhoud of de normale exploitatie valt. Zo lijken werkzaamheden die bij uitstek onder de normale onderhoudswerkzaamheden van een agrariër zouden vallen, te zijn uitgezonderd van het normale onderhoud of de normale exploitatie indien hierdoor een onherstelbare aantasting van de aan een gebied toegekende waarde ontstaat.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat onder normaal onderhoud of de normale exploitatie werkzaamheden worden begrepen die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden, waartoe de werkzaamheden die tot een onherstelbare aantasting van de aan een gebied toegekende waarde leiden niet behoren.

11.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.67, van de planregels wordt onder normale onderhoudswerkzaamheden verstaan: werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen. Hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde.

Ingevolge artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.1, is het verboden zonder een omgevingsvergunning de hierin opgenomen werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge het bepaalde onder 3.7.2 is het in 3.7.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a. uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak;

b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

Ingevolge het bepaalde onder 3.7.4 is uitvoering van de in 3.7.1 genoemde werken of werkzaamheden in strijd met de bestemming, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden.

In de planregels zijn gelijkluidende bepalingen opgenomen voor gronden met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels". Per bestemming is een opsomming gegeven welke werken en werkzaamheden zijn gekoppeld aan een dergelijke omgevingsvergunning.

11.3. In het plan is voor de agrarische bestemmingen een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van bepaalde werken en/of werkzaamheden opgenomen. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien de genoemde werken of werkzaamheden niet leiden tot een onevenredige aantasting van de ter plaatse aanwezige waarden. Deze waarden zijn in de planregels per bestemming en aanduiding nader omschreven. Het vergunningvereiste is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen het op de verbeelding opgenomen bouwvlak, het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen of reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. Het begrip "normale onderhoud en/of de normale exploitatie" is een in de ruimtelijke ordening gebruikelijk begrip en voorts is het begrip "normale onderhoudswerkzaamheden" in de planregels en in de plantoelichting omschreven. Zo vallen hieronder alle reguliere werkzaamheden, zolang daarbij geen onherstelbare aantasting van de aan een gebied toegekende waarde plaatsvindt, zoals ook in artikel 1, lid 1.67, van de planregels is bepaald. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze omschrijving zo onduidelijk is dat het omgevingsvergunningstelsel in strijd moet worden geacht met het rechtszekerheidsbeginsel. Gelet op voornoemde uitzonderingen van de vergunningplicht, ziet de Afdeling in hetgeen ZLTO heeft aangevoerd ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daarbij onvoldoende blijk heeft gegeven van een zorgvuldige afweging van de belangen die zijn betrokken bij de bescherming van de aanwezige waarden en de bedrijfsbelangen. Het betoog faalt.

12. ZLTO betoogt dat de raad de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat voor de bescherming van de struweelvogels en dassen in het plan geen noodzaak bestaat. Bovendien genieten struweelvogels en dassen op grond van de regeling inzake de groenblauwe mantel in de Verordening 2012 voldoende bescherming.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in de provinciale Interimstructuurvisie Noord-Brabant aangewezen weidevogel-, struweelvogel- en dassenleefgebieden veelal geen deel uitmaken van de in de Verordening 2012 aangewezen groenblauwe mantel. Dat wil niet zeggen dat de leefgebieden daarmee niet meer aanwezig zijn, zodat de raad ervoor heeft gekozen om ook de leefgebieden die zijn gelegen buiten bedoelde groenblauwe mantel in het plan op te nemen.

12.2. De Afdeling stelt vast dat aan een gedeelte van het plangebied de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" en aan een gedeelte van het plangebied de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" is toegekend. De raad heeft zich voor de regeling ter bescherming van het leefgebied van de dassen en de struweelvogels gebaseerd op het vorige plan, waarin deze leefgebieden ook een differentiatievlak toegekend hadden gekregen, de Interimstructuurvisie Noord-Brabant en de Paraplunota ruimtelijke ordening. Dit toenmalige provinciale beleid heeft de raad in zoverre tot het zijne gemaakt. Niet in geschil is dat de gebieden in kwestie op de bij de Paraplunota behorende kaart "Zonering van het buitengebied" zijn aangeduid als leefgebied van struweelvogels onderscheidenlijk dassen.

De begrenzingen van de gebieden met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" vallen niet overal samen met de begrenzing van de in het plan toegekende gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel". Dat voor de bescherming van deze waarden, voor zover deze waarden zijn toegekend aan de gronden buiten de groenblauwe mantel, op grond van de Verordening 2012 geen aanleiding bestaat, maakt niet dat de raad ter bescherming van de dassen en struweelvogels geen regeling in het plan heeft mogen opnemen. ZLTO heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij vaststelling van de planregeling ter bescherming van het leefgebied van struweelvogels en dassen hieraan een te groot gewicht heeft toegekend.

Het betoog faalt.

13. ZLTO betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om burgerwoningen toe te staan. Zij voert aan dat nieuwe woningen kunnen leiden tot belemmering van de uitbreidingsmogelijkheden van de in het plangebied gevestigde agrarische bedrijven. Zij verzoekt om in het plan te waarborgen dat slechts kan worden meegewerkt aan het toestaan van een nieuwe woning indien de woning geen belemmering kan vormen voor de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. Ter zitting heeft ZLTO toegelicht dat zij doelt op de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder g, van de planregels.

13.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en:

g. het functietype "agrarisch bedrijf", "agrarisch verwant bedrijf" of het functietype "bedrijf" wijzigen in het functietype "wonen", waarbij onder meer de voorwaarde is gesteld dat alle bedrijfsactiviteiten moeten zijn beëindigd;

h. bestaande woningen/hoofdgebouwen met het functietype "wonen" onder voorwaarden splitsen in maximaal twee woningen.

In lid 3.9, onder 3.9.2, is bepaald dat een in 3.9.1 genoemde wijziging slechts kan worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

b. de milieusituatie; er dient sprake te zijn van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;

d. het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt.

Ingevolge artikel 1, lid 1.61, wordt onder milieuhygiënische uitvoerbaarheid verstaan een overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid et cetera aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, onder andere zodat omliggende bedrijven niet onnodig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

13.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de hiervoor weergegeven wijzigingsbevoegdheid, gezien de daaraan verbonden voorwaarden, slechts beperkt kan worden toegepast. Volgens de raad is met het bepaalde in lid 3.9, onder 3.9.2, bovendien voldoende gewaarborgd dat deze wijzigingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast als de bedrijfsvoering van de agrarische bedrijven in de omgeving daarvan geen onevenredige belemmering ondervindt.

Hetgeen ZLTO heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hiervan bij de planvaststelling niet heeft kunnen uitgaan. Het betoog faalt.

Conclusie

13.3. In hetgeen ZLTO heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" en "milieuzone - 250m cluster woningen" en de plandelen met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de gronden die op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied liggen, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

In hetgeen ZLTO voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat de in lid 18.3, onder 18.3.3, sub c, lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van werken en/of werkzaamheden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

13.4. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

14. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 15]

15. [ appellante sub 15] voert aan dat in de Verordening 2012 alleen ten aanzien van percelen die in een verwevingsgebied liggen de eis wordt gesteld dat uitbreiding van een intensieve veehouderij uitsluitend mag plaatsvinden op een duurzame locatie. Zij betoogt dat het voorliggende plan ten onrechte deze eis ook stelt ten aanzien van percelen die in een landbouwontwikkelingsgebied liggen.

15.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

15.2. [appellante sub 15] heeft geen zienswijze bij de raad naar voren gebracht over het ontwerpplan.

Aan het perceel [locatie 1] te Heeswijk-Dinther, waar [appellante sub 15] een varkenshouderij exploiteert, is de bestemming "Agrarisch" toegekend. In artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, sub 2, van de planregels is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf kan vergroten, onder de voorwaarde dat sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’. In het ontwerpplan was aan het perceel [locatie 1] eveneens de bestemming "Agrarisch" toegekend en was in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, sub 2, van de planregels dezelfde voorwaarde opgenomen. De begripsomschrijving van ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ is ten opzichte van het ontwerpplan niet gewijzigd vastgesteld. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellante sub 15] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij heeft nagelaten om een zienswijze tegen dit planonderdeel naar voren te brengen. Het beroep van [appellante sub 15] steunt in zoverre niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Het beroep van [appellante sub 15] is in zoverre niet-ontvankelijk.

16. [ appellante sub 15] voert aan dat lid 27.6 van artikel 27 van de planregels wel in het vastgestelde plan, maar niet in het ontwerpplan was opgenomen. Uit het besluit tot vaststelling van het plan blijkt volgens haar niet dat de raad heeft besloten om dit artikellid aan de planregels toe te voegen. Lid 27.6 maakt daarom geen deel uit van het vastgestelde plan, aldus [appellante sub 15]

16.1. Ingevolge artikel 27, lid 27.6, van de planregels zijn ter plaatse van de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" specifieke regels van toepassing die zijn opgenomen bij: 3.9.1 onder d, 4.9.1 onder d, 5.9.1 onder c, 6.9.1 onder c, 7.9.1 onder c.

16.2. In het ontwerpplan was de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" en het daarop van toepassing zijnde artikel 27, lid 27.6, van de planregels niet opgenomen. Evenmin waren in het ontwerpplan vergelijkbare regels opgenomen.

In de bijlage ‘Ambtshalve wijzigingen algemeen’, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, staat onder nummer 34 het volgende: "In de regels zijn aanvullende criteria van een duurzame locatie (1.000 meter tot kernen en 250 meter tot clusters van woningen) niet opgenomen. Noch zijn deze criteria in de begripsomschrijving van duurzame locatie opgenomen. Een en ander is hersteld". Hieruit volgt dat de raad heeft besloten om voormelde aanduidingen en planregels vast te stellen. Het betoog faalt.

17. [ appellante sub 15] betoogt dat de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" die op het perceel [locatie 1] rust ten onrechte een uitbreiding van de daar gevestigde intensieve veehouderij onmogelijk maakt. Zij voert aan dat artikel 9.4 van de Verordening 2012 niet in de weg staat aan een uitbreiding.

17.1. Aan het perceel [locatie 1] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "milieuzone - 1000m kernen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

(…).

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

(…).

17.2. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

18. In hetgeen [appellante sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 1] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

19. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 29]

20. [ appellant sub 29] kan zich niet verenigen met de aanduiding "milieuzone - 250m cluster woningen" ter plaatse van het perceel [locatie 2] te Heeswijk-Dinther. Hij betoogt dat de uitbreidingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij op het perceel hierdoor ten onrechte worden beperkt.

20.1. Aan het perceel [locatie 2] zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en, voor het zuidelijke deel van het perceel, "milieuzone - 250m cluster woningen" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

f. agrarisch grondgebruik;

g. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype 'agrarisch bedrijf');

(…).

Ingevolge lid 5.9, onder 5.9.1, aanhef en onder c, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een "duurzame locatie intensieve veehouderij" en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als 'milieuzone - 250m cluster woningen' en 'milieuzone - 1000m kernen';

3. de oppervlakte van het bouwvlak, mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

(…).

20.2. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduiding "milieuzone - 250m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

21. [ appellant sub 29] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Waarde - Archeologie 3" voor zijn gronden aan de [locatie 2] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad onderzoek had moeten verrichten naar de archeologische waarden van deze gronden, te meer nu het door de in het verleden gedane bodemingrepen ter plaatse van de bestaande bebouwing niet aannemelijk is dat daar nog archeologische resten aanwezig zijn.

21.1. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 29] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat binnen het bouwvlak, waaraan nagenoeg geheel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, bebouwing staat. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

21.2. Voor zover de raad de dubbelbestemming aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 29] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

22. In hetgeen [appellant sub 29] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "milieuzone - 250m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 2] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 29] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 2], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

23. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 37]

24. [ appellant sub 37] exploiteert een intensieve veehouderij op onder meer het perceel [locatie 3]. Hij voert aan dat het gebied waarin zijn perceel ligt in de Verordening 2012 is aangewezen als verwevingsgebied. Hij betoogt dat in het voorliggende plan uitdrukkelijk moet worden bepaald welke percelen in een verwevingsgebied liggen.

[appellant sub 37] betoogt verder dat het plan ten onrechte voorziet in verdergaande beperkingen van de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen dan in de Verordening 2012 daaraan worden gesteld. Hiertoe voert [appellant sub 37] aan dat zijn bouwvlak op grond van de Verordening 2012 mag worden uitgebreid tot 1,5 ha. De beperking van deze uitbreidingsmogelijkheid in artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 3, van de planregels is niet gerechtvaardigd, noch gemotiveerd. Hij voert aan dat het provinciebestuur de belangen die de raad beoogt te beschermen reeds heeft afgewogen bij het vaststellen van de Verordening 2012.

Voorts voert [appellant sub 37] hiertoe aan dat in het plan ten onrechte is bepaald dat zijn perceel niet als duurzame locatie kan worden aangemerkt nu het perceel is voorzien van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen". Uit artikel 9.3, tweede lid, onder a tot en met c, van de Verordening 2012 volgt dat sprake is van een duurzame locatie als aan de in die bepalingen geformuleerde voorwaarden is voldaan. In een bestemmingsplan mogen volgens hem geen nadere eisen worden gesteld aan dit begrip. Ook betoogt [appellant sub 37] dat de in het plan aangehouden afstanden tot kernen en clusters van woningen willekeurig zijn en onvoldoende onderbouwd.

[appellant sub 37] betoogt dat in artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, punt 6, van de planregels ten onrechte de eis wordt gesteld dat voor de uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij een gezondheidseffectscreening moet worden uitgevoerd. In dit verband voert hij aan dat op rijksniveau wordt gewerkt aan een toetsingskader ten aanzien van de uitstoot van micro-organismen dat in acht moet worden genomen bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning. De raad loopt ten onrechte hierop vooruit. Ook stelt [appellant sub 37] dat dit aspect niet in het ruimtelijke spoor, maar in het milieuspoor, bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, moet worden beoordeeld.

24.1. Aan het perceel [locatie 3] zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "milieuzone - 1000m kernen" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

f. agrarisch grondgebruik;

g. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf');

(…).

Ingevolge artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, aanhef en onder c, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

3. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

(…);

6. een individuele Gezondheidseffectscreening wordt uitgevoerd indien de afstand tot het functietype 'wonen', 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' en 'specifieke vorm van wonen - beperkte inhoudsmaat' minder dan 250 m bedraagt, waaruit dient te blijken dat de risico's voor de volksgezondheid aanvaardbaar zijn;

(…).

24.2. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10 % van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Ingevolge het tweede lid blijkt uit de toelichting bij een bestemmingsplan ten aanzien van een duurzame locatie als bedoeld in het eerste lid, onder b en d, dat:

a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse;

b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;

c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.

24.3. Het perceel [locatie 3] ligt op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een verwevingsgebied.

24.4. Op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" zijn verwevingsgebieden aangeduid en in de Verordening 2012 zijn regels gesteld die betrekking hebben op deze gebieden. Uit de Verordening 2012 volgt geen verplichting tot het aanduiden van verwevingsgebieden op de verbeelding van een bestemmingsplan of het uitdrukkelijk aanwijzen van verwevingsgebieden in de planregels. Voor het oordeel dat het plan in zoverre gebrekkig is, bestaat dan ook geen aanleiding. Het betoog faalt.

24.5. De Afdeling stelt voorop dat het de raad in beginsel vrijstaat om verdergaande beperkingen te stellen aan de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijen in een verwevingsgebied dan de beperkingen die zijn opgenomen in artikel 9.3 van de Verordening 2012.

24.5.1. De raad acht het toestaan van uitbreidingen van intensieve veehouderijen met meer dan 25% van de oppervlakte van het bouwvlak tot maximaal 1,5 ha niet wenselijk, omdat een dergelijke uitbreiding kan leiden tot een grootschalige uitbreiding, wat gepaard kan gaan met ongewenste ruimtelijke gevolgen zoals geurhinder. Dit standpunt van de raad acht de Afdeling niet onredelijk. Het betoog ten aanzien van artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 3, van de planregels, faalt.

24.6. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust de keuze van de raad om te bepalen dat ter plaatse van de gronden met de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" geen uitbreidingen van intensieve veehouderijen toe te staan niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

24.7. Ten aanzien van het betoog met betrekking tot artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 6, van de planregels, wordt als volgt overwogen.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

24.8. Uit de planregels blijkt niet wat onder een gezondheidseffectscreening als bedoeld in artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 6, van de planregels moet worden verstaan. Onduidelijk is welke aspecten in een gezondheidseffectscreening moeten worden onderzocht en aan welke eisen een gezondheidseffectscreening moet voldoen. Zoals de raad heeft erkend, was ten tijde van de vaststelling van het plan geen handreiking of beoordelingskader beschikbaar voor het onderzoeken en beoordelen van de risico’s voor de volksgezondheid vanwege intensieve veehouderijen. Daarnaast staat in het GGD-advies dat een gezondheidseffectscreening is bedoeld voor inventarisaties op gebiedsniveau en niet voor individuele bedrijfsontwikkelingen. Verder is onduidelijk wanneer sprake is van een aanvaardbaar risico voor de volksgezondheid. De wijzigingsvoorwaarde is daarom niet objectief begrensd en derhalve rechtsonzeker. Het betoog slaagt.

25. [ appellant sub 37] betoogt dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor zijn perceel [locatie 3] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat door in het verleden gedane bodemingrepen ter plaatse geen archeologische resten meer aanwezig zijn.

25.1. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 37] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met hoge archeologische waarde en verwachting onderscheidenlijk een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 3], waaraan nagenoeg geheel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en voor het overige gedeelte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, bebouwing staat. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

25.2. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 37] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

26. In hetgeen [appellant sub 37] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 3] en de vaststelling van artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 6, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb onderscheidenlijk met het rechtszekerheidsbeginsel.

In hetgeen [appellant sub 37] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 3], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

27. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Instandlaten rechtsgevolgen

28. De Afdeling zal bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het betreft de vaststelling van artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 6, van de planregels, in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende.

28.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de risico’s voor de volksgezondheid vanwege intensieve veehouderijen alsnog kunnen worden beoordeeld aan de hand van het "Aanvullend toetsingsinstrument, Een risico-inventarisatie en -evaluatie voor gezondheid bij veehouderij" van september 2013, dat is opgesteld door het Bureau Gezondheid, Milieu & Veiligheid GGD’en Brabant/Zeeland (hierna: het Toetsingsinstrument).

28.2. Het Toetsingsinstrument is een instrument waarmee de gemeente gezondheidsrisico's kan afwegen in de besluitvorming over ontwikkelingen in de veehouderij. Het toetsingsinstrument is uitgewerkt als een risico-inventarisatie en -evaluatie met handvatten voor te nemen maatregelen. Bij de toepassing maakt de gemeente - afhankelijk van de lokale omstandigheden en het aantal blootgestelde omwonenden - een afweging of de ontwikkeling passend is. Het Toetsingsinstrument bestaat uit een checklist met verschillende gezondheidkundige criteria waaraan uitbreidingen van veehouderijen kunnen worden beoordeeld. De checklist heeft betrekking op de aspecten geur, fijn stof en zoönosen. Ook de aspecten landschappelijke inpassing en transport zijn hierin betrokken. In de checklist is per aspect de oorzaak/activiteit, uitstoot, verspreiding, blootstelling en effect beschreven. Vervolgens zijn maatregelen vermeld die getroffen kunnen worden om de belasting vanwege dat aspect te verminderen.

28.3. Het Toetsingsinstrument bevat maatregelen die van belang zijn voor en die kunnen worden meegewogen bij de beoordeling of een uitbreiding van een intensieve veehouderij aanvaardbaar kan worden geacht vanuit het oogpunt van volksgezondheid. De afweging of dat het geval is, dient echter vervolgens te worden gemaakt door de raad, zo volgt uit het Toetsingskader. Het Toetsingskader bevat daarom geen normen waaruit kan worden afgeleid wanneer een uitbreiding aanvaardbaar kan worden geacht. De Afdeling acht het Toetsingsinstrument daarom niet geschikt om te kunnen dienen als gezondheidseffectscreening als bedoeld in artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, punt 6, van de planregels. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen op dit punt in stand te laten.

Het beroep van [appellant sub 32]

29. [ appellant sub 32] kan zich niet verenigen met de bestemmingsregeling voor zijn perceel [locatie 4]-[locatie 5] te Loosbroek. Hij betoogt dat de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan het perceel moet worden toegekend, omdat zijn perceel op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied ligt. Hij voert aan dat in een gelijk geval, te weten het perceel Kampweg 41, ook deze bestemming is toegekend. Daarnaast voert [appellant sub 32] aan dat de raad ten onrechte een afstand aanhoudt van 1.000 m tot een kern en 250 m tot een cluster van woningen, waarbinnen een uitbreiding van een intensieve veehouderij niet is toegestaan. Hij betoogt dat de raad het hanteren van deze afstanden onvoldoende heeft gemotiveerd. Hiertoe voert hij aan dat uit het rapport van de GGD niet volgt dat dergelijke afstanden vanuit het oogpunt van volksgezondheid moeten worden aangehouden. [appellant sub 32] wijst erop dat in het rapport van de GGD enkel wordt geadviseerd om een afstand van 250 m ten opzichte van een woonwijk aan te houden bij nieuwvestiging van een intensieve veehouderij. Ook stelt hij dat het rapport slechts een screening is en geen uitvoerig onderzoek. Verder voert hij aan dat onduidelijk is wat onder een cluster van woningen moet worden verstaan. [appellant sub 32] betoogt dat de door de raad opgelegde beperking ten aanzien van de uitbreiding van een intensieve veehouderij ten onrechte strenger is dan de beperkingen die in de Verordening 2012 daaraan worden gesteld.

29.1. Aan het perceel [locatie 4]-[locatie 5] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak" toegekend. Daarnaast is aan het westelijke deel van het perceel de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" en aan de zuidoostelijke hoek van het perceel de aanduiding "milieuzone - 250m cluster woningen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’).

(…).

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

(…).

29.2. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduidingen "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

29.3. Het perceel [locatie 5] ligt op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied. In het voorliggende plan is de bestemming "Agrarisch" in plaats van de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan het perceel toegekend. De ligging van het perceel in een landbouwontwikkelingsgebied betekent niet dat de raad op grond van de Verordening 2012 gehouden is om de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" met bijbehorende uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen onverkort toe te kennen. De raad heeft in dit geval ervoor gekozen de intensieve veehouderij op het perceel geen uitbreidingsmogelijkheden te bieden door de aanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" en "milieuzone - 250m cluster woningen" aan het perceel en de daaraan grenzende gronden toe te kennen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.4., berust deze keuze van de raad niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

30. In hetgeen [appellant sub 32] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 4]-[locatie 5] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

31. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 36]

32. [ appellant sub 36] betoogt dat de raad de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aan de [locatie 6] te Nistelrode ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat niet alle (bedrijfs)gebouwen en kuilvoeropslagen in overeenstemming met de tekening die als bijlage bij de melding als bedoeld in het toenmalige Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Blm) is bijgevoegd, binnen het bouwvlak zijn opgenomen.

32.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de legale bebouwing binnen het bouwvlak ligt.

32.2. Het perceel [locatie 6] heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" en onder meer de aanduidingen "agrarisch bedrijf" en "bouwvlak".

Ingevolge artikel 1, lid 1.24, van de planregels wordt onder bouwwerk verstaan: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

g. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

(…);

2. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf", en tevens ter plaatse van de aanduidingen "bomenteelt" of "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

(…).

Ingevolge lid 5.2 mogen op de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat:

a. gebouwen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak;

b. buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 m;

(…).

Ingevolge artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.3, aanhef en sub b, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in lid 5.1 waaronder in ieder geval wordt verstaan het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering.

32.3. De raad heeft bij het aanpassen van het bouwvlak naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 36] rekening gehouden met de in 2002 vergunde situatie, waarbij het bouwvlak is vergroot tot een omvang van ongeveer 7.000 m². Voor zover [appellant sub 36] heeft aangevoerd dat niet alle (bedrijfs)gebouwen en voeropslagen in overeenstemming met de tekening die als bijlage bij de in 2007 gedane melding in het kader van het Blm is aangeleverd binnen het bouwvlak staan, is van belang dat aan een acceptatie van een dergelijke melding geen planologische betekenis toekomt. [appellant sub 36] heeft niet aannemelijk gemaakt dat legaal opgerichte gebouwen buiten het bouwvlak staan. Gelet op artikel 5, lid 5.2, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.24, van de planregels, zijn de buiten het bouwvlak aangebrachte kuilvoerplaten, die zijn aan te merken als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, toegestaan. Voorts vindt voeropslag in het kader van de normale bedrijfsvoering van de melkveehouderij van [appellant sub 36] plaats, zodat artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.3, aanhef en sub b, van de planregels niet aan dit gebruik in de weg staat. Het betoog faalt.

33. [ appellant sub 36] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" aan de [locatie 6] ten onrechte heeft vastgesteld. De strook waaraan de bestemming "Natuur" volgens [appellant sub 36] zou zijn toegekend is in eigendom bij [appellant sub 36] en voor agrarische doeleinden in gebruik, hetgeen, net als bij het perceel [locatie 7], dient te worden gerespecteerd. Een ecologische verbindingszone is volgens haar beter op zijn plaats bij de noordelijk gelegen houtwal van Staatsbosbeheer en de Groldersedijk, die tot de EHS behoren.

33.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden van [appellant sub 36] niet de bestemming "Natuur" hebben. De ligging en de maatvoering van het zoekgebied van de ecologische verbindingszone vloeit voort uit de Verordening 2012.

33.2. Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, van de Verordening 2012 strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een zoekgebied voor ecologische verbindingszone tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone waarbij dat zoekgebied een breedte heeft van:

a. ten minste 50 m in bestaand stedelijk gebied en zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, en

b. ten minste 25 m in alle overige gebieden.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, stelt een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid regels ten aanzien van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m², anders dan een bouwwerk.

33.3. Aan een gedeelte van het perceel [locatie 6] is de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder p, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone".

Ingevolge lid 5.7, onder 5.7.1, aanhef en sub a, is het verboden zonder een omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² aan te brengen.

Ingevolge het bepaalde onder 5.7.2 is het in 5.7.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a. uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak;

b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

33.4. De Afdeling stelt mede aan de hand van het verweerschrift en het deskundigenbericht vast dat aan de gronden van [appellant sub 36] op het perceel [locatie 6] niet de bestemming "Natuur" is toegekend. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

De aan het perceel [locatie 7] in het ontwerpplan toegekende natuurbestemming is in het vastgestelde plan gewijzigd in een agrarische bestemming. Omdat aan het perceel [locatie 6] geen natuurbestemming maar een agrarische bestemming is toegekend, faalt het betoog dat de raad ten opzichte van het perceel [locatie 7] op dit punt in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld reeds hierom.

33.5. De Afdeling stelt vast dat de gronden van het perceel [locatie 6] in de Verordening 2012 gedeeltelijk zijn aangewezen als zoekgebied voor een ecologische verbindingszone, hetgeen de raad bij de vaststelling van het plan terecht in acht heeft genomen. Om te voldoen aan de bijbehorende algemene regels heeft de raad aan deze gronden de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" toegekend, waarvoor in de planregels in artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.1, aanhef en onder a, het vereiste van een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² is opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Daarbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu aan het perceel tevens de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" is toegekend, en werken en werkzaamheden binnen het bouwvlak en betreffende het normale onderhoud en/of normale exploitatie van de gronden zijn uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht als bedoeld in artikel 5, lid 5.7, onder 5.7.1, van de planregels. Het betoog faalt.

34. [ appellant sub 36] betoogt dat de raad het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Wijstgebieden" aan de [locatie 6] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat het perceel niet op de zogenoemde Peelrandbreuklijn ligt, zodat dit geen zogenoemd wijstgebied is. De raad verwijst ter motivering naar een provinciale kaart, maar die heeft niet met het ontwerpplan ter inzage gelegen.

34.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het invloedsgebied van de Peelrandbreuk verder strekt dan alleen de gronden direct grenzend aan de Peelrandbreuk. De in het vorige plan aangewezen wijstgronden waren aangeduid als "geologisch/geomorfologisch waardevol" en zijn in het voorliggende plan vertaald in de aanduiding "Waarde - Wijstgebieden". De begrenzing hiervan is in overeenstemming met de provinciale kaart. Dit provinciale beleid heeft de raad in zoverre tot het zijne gemaakt.

34.2. Aan een gedeelte van het perceel [locatie 6] is de dubbelbestemming "Waarde - Wijstgebieden" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.99, van de planregels wordt onder wijstgebied verstaan: gebied waarin het grondwater als gevolg van een slecht doorlatende kleilaag langs een breukzone in een opwaartse beweging aan de oppervlakte komt.

Ingevolge artikel 23, lid 23.1, zijn de voor "Waarde - Wijstgebieden" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en herstel van de wijstgronden, zijnde een besloten landschapsbeeld door de aanwezigheid van bosjes, elzensingels en knotwilgen met de aanwezigheid van kleine slootjes in de singels.

Ingevolge lid 23.2, onder 23.2.1, mag op de voor "Waarde - Wijstgebieden" aangewezen gronden, met uitzondering van de bouwvlakken, niet worden gebouwd.

Ingevolge lid 23.3, onder 23.3.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten anders dan een bouwwerk.

Ingevolge het bepaalde onder 23.3.2 is het onder 23.3.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

a. die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

Ingevolge het bepaalde onder 23.3.3 kan een onder 23.3.1 genoemde vergunning slechts worden verleend indien de werken en/of werkzaamheden dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen niet in strijd zijn met het plan.

Ingevolge artikel 30, lid 30.2, geldt waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming.

34.3. Blijkens de plantoelichting valt het grondwatersysteem door de aanwezigheid van de Peelrandbreuk in twee delen uiteen. Op het relatief hooggelegen deel Peelhorst komen op geringe diepte slecht doorlatende lagen voor, waardoor het water langs de randen van de Peelhorst afstroomt. Door een slecht doorlatende kleilaag langs de Peelrandbreuklijn wordt het grondwater van de Peelhorst opgestuwd. De gronden met dit verschijnsel zijn op de structuurvisiekaart bij het "Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015" (hierna: Provinciaal Waterplan) opgenomen en aangewezen als "projectgebieden wijst". Een gedeelte van de gronden van [appellant sub 36] waaraan de medebestemming "Waarde - Wijstgebieden" is toegekend, behoren tot dit als "projectgebieden wijst" aangewezen gebied, waaraan de raad in redelijkheid belang heeft mogen toekennen. Dat de gronden van [appellant sub 36] niet op de Peelrandbreuk liggen, leidt gelet op het voorgaande niet tot het oordeel dat deze gronden niet als wijstgebied kunnen worden aangemerkt. Ter bescherming van de wijstgebieden heeft de raad een bouwverbod, met uitzondering van de bouwvlakken, en een omgevingsvergunningstelsel voor het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten, anders dan een bouwwerk, in het plan opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Voor zover [appellant sub 36] zich op het standpunt stelt dat het Provinciaal Waterplan en de daarbij behorende structuurvisiekaart ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd - wat daar ook van zij -, wordt overwogen dat dit openbare stukken zijn die niet in het kader van deze procedure zijn opgesteld. Deze stukken hoefde de raad daarom niet op de voet van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb met het ontwerpplan ter inzage te leggen.

Het betoog faalt.

35. [ appellant sub 36] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 36] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

36. Het beroep van [appellant sub 36] is ongegrond.

37. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 6]

38. [ appellant sub 6] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "recreatiewoning" op het perceel [locatie 8] te Loosbroek ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het gebruik van de woning voor permanente bewoning op het perceel sinds 1993 en voor de inwerkingtreding van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 was aangevangen, zodat dit gebruik onder het overgangsrecht van dat plan viel, hetgeen het college van burgemeester en wethouders bij brief van 10 december 1998 eveneens heeft erkend. In de brief van 14 juli 2011 staat bovendien dat het gebruik van de woning voor permanente bewoning mag worden voortgezet. Omdat het gebruik wederom ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht, had een woonbestemming moeten worden toegekend.

38.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de brief van 14 juli 2011 is gewezen op de mogelijkheid van persoonsgebonden overgangsrecht voor permanente bewoning van de recreatiewoning. Om deze reden is artikel 3, lid 3.6, onder 3.6.1, sub g, van de planregels opgenomen.

38.2. Het perceel [locatie 8] heeft de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "recreatiewoning" en "bouwvlak".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor recreatieve functies (functietype ‘recreatie’) ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de in bijlage 1 opgenomen Lijst van functieaanduidingen Agrarisch en overeenkomstig de omschreven aard/functie van de bebouwing in de ‘Tabel functietype ‘Recreatie’.

In bijlage 1 is bij de ‘Tabel functietype ‘Recreatie’ en de aanduiding "recreatiewoning" een recreatiewoning opgenomen.

Ingevolge lid 3.5, onder 3.5.3, aanhef en sub e, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in lid 3.1, waaronder in ieder geval wordt verstaan het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning.

Ingevolge lid 3.6, onder 3.6.1, aanhef en sub g, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde onder 3.5.3, aanhef en sub e, en toestaan dat de recreatiewoning wordt gebruikt voor permanente bewoning, mits de permanente bewoning reeds bestond op 31 oktober 2002, onder de voorwaarde dat de permanente bewoning dient te eindigen bij vertrek van de ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan aanwezige bewoner.

Ingevolge artikel 31, lid 31.4, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, worden voortgezet naar die aard en omvang, behoudens voor zover uit de Vogel- en Habitatrichtlijnen (richtlijn 79/409/EEG van 2 april 1979 en richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992) beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan bestaand gebruik.

Ingevolge lid 31.7 is het bepaalde in lid 31.4 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

38.3. Ingevolge artikel 25, tweede lid, van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 geldt het in artikel 26a en 26b bepaalde met betrekking tot ander gebruik van de gronden dan bouwen en het gebruik van opstallen niet voor zover het van de bestemming afwijkende gebruik reeds plaatsvond voor de datum waarop het plan onherroepelijk rechtskracht heeft verkregen.

Ingevolge artikel 26a, eerste lid, is het verboden de in dit plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangegeven in de doeleinden.

38.4. In de brief van het college van burgemeester en wethouders van 10 december 1998 staat dat het gebruik van de recreatiewoning op het perceel [locatie 8] voor permanente bewoning reeds onder de bescherming van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 viel. De Afdeling stelt vast dat het gebruik voor permanente bewoning wederom onder het overgangsrecht van het voorliggende plan is gebracht.

Voor het opnieuw onder het overgangsrecht brengen van gebruik is in een geval als dit vereist dat de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat het bestaande gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd, hetgeen niet aannemelijk is gemaakt. Gelet hierop stond het de raad niet vrij het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij alsnog zal bezien of de permanente bewoning van de recreatiewoning als zodanig kan worden bestemd. Nu de raad in het kader van de vaststelling van het plan niet stil heeft gestaan bij de vraag of de permanente bewoning van de recreatiewoning als zodanig had kunnen worden bestemd door middel van het toekennen van een woonbestemming, dan wel of voor het gebruik voor permanente bewoning niet een uitsterfregeling in het plan had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen en in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. Voor zover de raad wijst op de in artikel 3, lid 3.6, onder 3.6.1, aanhef en sub g, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid voor het toestaan van permanente bewoning van recreatiewoningen, kan dit aan het voorgaande niet afdoen, omdat de daaraan te ontlenen rechten minder ver reiken dan die welke ontleend kunnen worden aan een positieve bestemming of een uitsterfregeling bij recht.

Het betoog slaagt.

38.5. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "recreatiewoning" op het perceel [locatie 8] te Loosbroek, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

38.6. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

39. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 47]

40. Over het betoog van de raad dat het beroep van [appellant sub 47], voor zover gericht tegen de aanduiding "agrarisch bedrijf" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] te Nistelrode, voor zover niet is uitgesloten dat één agrarisch bedrijf is toegestaan, niet-ontvankelijk is omdat hij dit niet in de zienswijze heeft aangevoerd, wordt als volgt overwogen. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat er geen rechtsregel aan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. [appellant sub 47] heeft in de zienswijze aangevoerd dat de raad ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan het verzoek tot bouwvlakvergroting ten behoeve van zijn intensieve veehouderij, waarover ten tijde van het indienen van de zienswijze nog een ontheffingsprocedure liep bij de provincie. Gelet hierop steunt het beroep van [appellant sub 47], voor zover gericht tegen de aanduiding "agrarisch bedrijf", ter plaatse waarvan geen intensieve veehouderij is toegestaan, op een naar voren gebrachte zienswijze. Het beroep is in zoverre ontvankelijk.

41. [ appellant sub 47] betoogt dat de raad de aanduidingen "agrarisch bedrijf" en "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover niet wordt voorzien in de uitbreiding van een intensieve veehouderij tot een omvang van meer dan 1,5 ha. Daartoe voert hij aan dat hij ter plaatse een intensieve veehouderij exploiteert, nu de koeien jaarrond op stal worden gehouden. Het college van burgemeester en wethouders heeft voorts toegezegd planologische medewerking te zullen verlenen aan de voorgenomen uitbreiding. Het college van gedeputeerde staten heeft de ontheffing op grond van artikel 9.6 van de Verordening 2011 ten onrechte geweigerd omdat sprake zou zijn van nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. Daarnaast is het gemeentelijk landbouwbeleid zoals verwoord in de plantoelichting in strijd met de Verordening 2012 en het reconstructieplan Maas en Meijerij. [appellant sub 47] betoogt voorts dat de raad de aanduiding "agrarisch bedrijf" ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover niet is uitgesloten dat meer dan één agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] is toegestaan.

41.1. De raad stelt zich onder verwijzing naar de Verordening 2012 en de Handreiking Verordening Ruimte en Grondgebonden Melkrundveehouderij op het standpunt dat ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt geëxploiteerd. Voorts staat het plan niet in de weg aan de beoogde uitbreiding van de melkrundveehouderij met 200 melkkoeien. De raad stelt zich verder op het standpunt dat per bouwvlak slechts één agrarisch bedrijf is toegestaan.

41.2. Het perceel [locatie 9]-[locatie 10] heeft de bestemming "Agrarisch". Voor het perceel is één gezamenlijk bouwvlak op de verbeelding opgenomen met onder meer de aanduiding "agrarisch bedrijf".

Ingevolge artikel 1, lid 1.7, van de planregels wordt in de planregels onder agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis. Met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt.

Ingevolge lid 1.40 wordt onder een grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

Ingevolge lid 1.47 wordt onder intensief veehouderijbedrijf verstaan: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten-, of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, almede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden (melk)rundveehouderij.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

2. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf", en tevens ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’) en ter plaatse van de aanduiding "bomenteelt" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

(…).

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.2, aanhef en sub f, geldt voor bouwwerken ten dienste van een agrarisch bedrijf (functietype ‘agrarisch bedrijf’) dat er uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van een doelmatig, reëel agrarisch bedrijf waarbij geldt dat overtollige of leegstaande bebouwing en reeds verstrekte vergunningen worden betrokken bij de beoordeling van de doelmatigheid en de noodzaak van de bebouwing.

41.3. Wat betreft het betoog dat ten onrechte niet is voorzien in de uitbreiding van het bouwvlak tot 2,5 ha ten behoeve van een intensieve veehouderij is van belang dat het college van gedeputeerde staten bij besluit van 20 december 2011, aldus voor de vaststelling van het plan, heeft geweigerd voor het perceel [locatie 9]-[locatie 10] ontheffing te verlenen van het in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2011 vervatte verbod op uitbreiding van een bouwblok tot meer dan 1,5 ha ten behoeve van een intensieve veehouderij. Bij uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014, in zaak nr. 201211119/1/R3 (www.raadvanstate.nl), is het beroep van [belanghebbende A] hiertegen ongegrond verklaard. Zonder de vereiste ontheffing kon de raad niet voorzien in de door [appellant sub 47] gewenste uitbreiding van het bouwvlak tot 2,5 ha ten behoeve van een intensieve veehouderij zonder in strijd te handelen met provinciale algemene regels. Het betoog faalt.

Gelet op het voorgaande behoeft het aangevoerde over het landbouwbeleid en het reconstructieplan Maas en Meijerij geen bespreking.

41.4. Het bedrijf viel in de bestaande vorm ten tijde van de vaststelling van het plan onder de werking van het Blm. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 47] in 2009 zijn veebezetting heeft beëindigd en een nieuwe veestapel aan het opbouwen is. Niet in geschil is dat op de landbouwgronden met een omvang van ongeveer 23 ha in de directe omgeving van de huiskavel van [appellant sub 47] prei wordt geteeld. Voorts worden in de stallen ongeveer 45 stuks jongvee gehouden. Gelet hierop heeft de raad in de bedrijfssituatie ten tijde van de planvaststelling in redelijkheid geen aanleiding behoeven te zien de aanduiding "intensieve veehouderij" toe te kennen.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat alle melkrundveehouderijen in het plangebied als grondgebonden zijn aangemerkt. De definities van een grondgebonden agrarisch bedrijf en een intensief veehouderijbedrijf in het plan sluiten aan bij de definities daarvan in de Verordening 2012. In de toelichting bij de Verordening 2012 staat over de definitie van intensieve veehouderijen dat grondgebonden melkrundveehouderijen, die daarvan zijn uitgezonderd, in ieder geval melkrundveehouderijen zijn die op de huiskavel en in de directe omgeving voldoende areaal grond ter beschikking hebben voor ruwvoederproductie en weidegang. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de melkrundveehouderij van [appellant sub 47] in de toekomstige bedrijfssituatie, waarin hij ongeveer 200 melkkoeien zal houden die jaarrond op stal zullen staan, niet als intensieve veehouderij dient te worden aangemerkt. Daarbij is van belang dat hoewel de bedrijfsvoering feitelijk voor een groot deel in gebouwen zal plaatsvinden, wel voldoende gronden bij het bedrijf aanwezig zijn voor ruwvoederproductie en weidegang, zodat het plan niet aan deze uitbreiding in de weg staat.

Het betoog faalt.

41.5. Wat betreft het betoog dat in het plan niet is uitgesloten dat ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf" binnen de bestemming "Agrarisch" meerdere agrarische bedrijven zijn toegestaan, wordt overwogen dat artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, sub 2, van de planregels ter plaatse een agrarisch bedrijf toestaat, zijnde een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis. Gelet hierop is het exploiteren van meer dan één agrarisch bedrijf op het perceel niet toegestaan. Het betoog faalt.

42. [ appellant sub 47] betoogt dat binnen het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] ten onrechte geen agrarisch kinderdagverblijf is toegestaan. Daartoe voert hij aan dat een agrarisch kinderdagverblijf geen milieugevoelig object is, omliggende agrarische bedrijven op zodanige afstand liggen dat niet voor beperkingen behoeft te worden gevreesd en hij hiervoor inmiddels een van rechtswege verleende omgevingsvergunning heeft verkregen.

42.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de vestiging van een agrarisch kinderdagverblijf voor maximaal 36 kinderen kan worden opgevat als het toevoegen van een gevoelig object aan het buitengebied, hetgeen niet wenselijk is. Voor de vaststelling van het plan is voorts niet gebleken van een concreet plan tot oprichting van een kinderdagverblijf.

42.2. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) wordt als een geurgevoelig object aangemerkt een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

42.3. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Anders dan [appellant sub 47] betoogt, kan een kinderdagverblijf, gezien het verblijf van kinderen op het terrein, worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in de Wgv. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat de toevoeging van geurgevoelige objecten in het buitengebied niet is toegestaan, omdat dit kan leiden tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende agrarische bedrijven, niet onredelijk. Voorts heeft [appellant sub 47] eerst op 25 januari 2013, aldus na de vaststelling van het plan, een aanvraag ingediend voor de oprichting van het agrarisch kinderdagverblijf. Omdat niet is gebleken dat [appellant sub 21] ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een zodanig concreet plan voor de oprichting van het agrarisch kinderdagverblijf bij de gemeente had ingediend, waarmee bij de vaststelling van het plan rekening had kunnen worden gehouden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan ten onrechte niet voorziet in het agrarisch kinderdagverblijf.

Het betoog faalt.

43. [ appellant sub 47] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 47] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

44. Het beroep van [appellant sub 47] is ongegrond.

45. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 41]

46. [ appellant sub 41], die op het perceel [locatie 10] een paardenhouderij exploiteert, richt zich in beroep tegen de aanduiding "agrarisch bedrijf" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] te Nistelrode, voor zover slechts één agrarisch bedrijf is toegestaan. Volgens hem was het voor de raad duidelijk dat ter plaatse twee agrarische bedrijven zijn gevestigd en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2012, in zaak nr. 201201850/1/R4 (www.raadvanstate.nl), voert [appellant sub 41] aan dat hij in zijn beroep ontvankelijk is.

46.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

De zienswijze van [appellant sub 41] richt zich tegen de omvang van het bouwvlak dat voor het perceel [locatie 9]-[locatie 10] is opgenomen en niet tegen de aanduiding "agrarisch bedrijf" en de daarbij behorende planregel dat ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan. Dat het volgens [appellant sub 41] voor de raad duidelijk was dat ter plaatse twee agrarische bedrijven aanwezig zijn - wat daar ook van zij - is geen reden om daarover geen zienswijze in te dienen. De verwijzing naar de genoemde uitspraak maakt dit niet anders, nu in dat geval sprake was van een wel tegen het betreffende besluitonderdeel ingediende zienswijze. De aanduiding "agrarisch bedrijf" en de daarbij behorende planregel dat ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan zijn bij de vaststelling van het plan niet gewijzigd.

Het beroep van [appellant sub 41] is in zoverre niet-ontvankelijk.

47. [ appellant sub 41] betoogt dat de raad de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] ten onrechte heeft toekend, voor zover een gedeelte van de bestaande legale bebouwing niet in het bouwvlak is opgenomen.

47.1. In de Nota van Zienswijzen, die deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit, heeft de raad bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 41] te kennen gegeven dat in overeenstemming met zijn verzoek het bouwvlak zou worden vergroot ten behoeve van de bestaande legale bebouwing en dat het ontwerpplan in zoverre zou worden aangepast. Ter zitting heeft de raad erkend dat deze wijziging niet is verwerkt in de vastgestelde verbeelding. Het betoog slaagt.

48. In hetgeen [appellant sub 41] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] te Nistelrode, voor zover niet alle bestaande legale bebouwing binnen het bouwvlak is opgenomen. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

48.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

49. Van proceskosten die ten aanzien van dit beroep voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Het beroep van [appellant sub 9] en anderen ([manege])

50. [ appellant sub 9] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch" en de omvang van het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 11] te Vorstenbosch. Zij betogen dat het plandeel ten onrechte niet voorziet in een bestemming die het mogelijk maakt om een manege die is gevestigd op het perceel [locatie 12] te verplaatsen naar het perceel [locatie 11]. Het standpunt van de raad dat het voornemen tot verplaatsing onvoldoende concreet is om in het plan op te nemen achten [appellant sub 9] en anderen onjuist. Zij voeren aan dat het plan door gemeenteambtenaren is besproken in een ambtelijk overleg met ambtenaren van de provincie Noord-Brabant en dat een ruimtelijke onderbouwing met een aantal onderzoeksrapporten en een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor milieu is ingediend. [appellant sub 9] en anderen voeren verder aan dat het perceel momenteel niet in gebruik is voor een agrarisch bedrijf, maar in afwachting van de verplaatsing van de manege wordt gebruikt voor burgerbewoning. De agrarische bestemming zal volgens hen niet worden gerealiseerd.

50.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het voornemen van [appellant sub 9] en anderen om de manege te verplaatsen onvoldoende concreet is om in het plan op te kunnen nemen.

50.2. Aan het perceel [locatie 11] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "bouwvlak" en "agrarisch bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 1, onder 1.7, wordt onder agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis. Met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

(…);

2. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf" (…).

50.3. Gezien de bestemming "Agrarisch" en de daarbij behorende planregels is een manege niet toegestaan op het perceel [locatie 11].

50.4. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

50.5. [appellant sub 9] heeft een ruimtelijke onderbouwing, getiteld "Gemeente Bernheze, Ruimtelijke onderbouwing, Hippisch expertise centrum [locatie 11] te Vorstenbosch", bij het gemeentebestuur ingediend, die op 4 mei 2010 bij de gemeente is binnengekomen. Als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing bevindt zich een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, een geuronderzoek en waterberekeningen. In de ruimtelijke onderbouwing is onder meer een situatietekening opgenomen van de gewenste indeling van het perceel met nieuwe bebouwing. Ook heeft [appellant sub 9] een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, gedateerd op 13 januari 2010, bij het gemeentebestuur ingediend. [appellant sub 9] heeft in zijn zienswijze ten aanzien van het voorliggende plan verwezen naar deze stukken. Gelet op deze stukken is de Afdeling van oordeel dat sprake is van een voldoende concreet initiatief betreffende een ruimtelijke ontwikkeling dat de raad bij de vaststelling van het plan had kunnen en moeten betrekken. De raad heeft zich derhalve niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan van [appellant sub 9] en anderen onvoldoende concreet is om in het voorliggende plan op te kunnen nemen. Het betoog slaagt.

51. In hetgeen [appellant sub 9] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 11] te Vorstenbosch is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

52. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

53. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 7] en anderen

Ingetrokken beroepsgrond

54. [ appellant sub 7] en anderen hebben ter zitting hun beroepsgrond over de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (hierna: SVBP 2008) ingetrokken.

Tijdelijke huisvesting van seizoenarbeiders

55. [ appellant sub 7] en anderen betogen dat de raad artikel 3, lid 3.6, onder 3.6.1, sub e, en artikel 5, lid 5.6, onder 5.6.1, sub e, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover tijdelijke huisvesting van seizoenarbeiders alleen in bestaande bedrijfsgebouwen op de percelen [locatie 13] en [locatie 14] te Heeswijk-Dinther is toegestaan. Daartoe voeren zij aan dat dit onveilige situaties in de hand werkt, omdat bestaande panden niet altijd geschikt zijn voor huisvesting. Voorts is onduidelijk of de verscheidene bedrijfslocaties van [appellant sub 7] en anderen voor de toepassing van deze planregels als één bedrijf worden opgevat.

55.1. Het perceel [locatie 13] heeft de bestemming "Agrarisch" en een bouwvlak. Het perceel [locatie 14] heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" en een bouwvlak.

Ingevolge artikel 1, lid 1.87, van de planregels wordt onder tijdelijke huisvesting seizoenarbeiders verstaan: het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden, met een maximum van 8 maanden per jaar, op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten.

Ingevolge artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.3, aanhef en sub c, wordt tot een met de bestemming "Agrarisch" strijdig gebruik gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in lid 3.1, waaronder in ieder geval wordt verstaan het gebruik van de gebouwen voor de huisvesting van seizoenarbeiders.

Ingevolge lid 3.6, onder 3.6.1, aanhef en sub e, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 3.5.3, sub c ten behoeve van tijdelijke huisvesting van seizoenarbeiders, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. de huisvesting plaatsvindt in de bedrijfswoning van dat bedrijf, of in (een gedeelte van) een bestaand, aangepast bedrijfsgebouw van dat bedrijf;

3. de huisvesting uitsluitend medewerkers betreft, die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten;

(…).

Een gelijkluidende bepaling is opgenomen in artikel 5, lid 5.5, onder 5.5.3, aanhef en sub c, en lid 5.6, onder 5.6.1, aanhef en sub e, van de planregels voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden".

55.2. Op de percelen [locatie 13] en [locatie 14] is tijdelijke huisvesting van seizoenarbeiders bij afwijkingsbevoegdheid onder voorwaarden mogelijk. Zo is de voorwaarde opgenomen dat huisvesting van seizoenarbeiders uitsluitend mag plaatsvinden in de bedrijfswoning van dat bedrijf, of in (een gedeelte van) een bestaand, aangepast bedrijfsgebouw van dat bedrijf, waarmee de raad heeft willen voorkomen dat nieuwe bebouwing ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van seizoenarbeiders in het buitengebied wordt gebouwd. De Afdeling acht deze voorwaarde met het oog op zuinig ruimtegebruik en gelet op de tijdelijke aard van de huisvesting niet onredelijk. Daarbij is tevens van belang dat het vorige bestemmingsplan geen regeling bood voor de huisvesting van seizoenarbeiders. Dat bestaande panden niet altijd geschikt zijn voor huisvesting laat onverlet dat de raad uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening het toevoegen van nieuwe woningen in het buitengebied onwenselijk heeft kunnen achten.

De raad heeft de tijdelijke huisvestingsmogelijkheden van seizoenarbeiders ten behoeve van een agrarisch bedrijf in het buitengebied voorts mogelijk willen maken onder de voorwaarde dat de huisvesting uitsluitend seizoenarbeiders betreft, die werkzaam zijn in het bedrijf waar ze ook gehuisvest zijn. Hiermee wordt voorkomen dat huisvesting wordt geboden aan seizoenarbeiders die elders werkzaam zijn. [appellant sub 7] en anderen exploiteren op drie locaties in Heeswijk-Dinther onder één holding een tuinbouwbedrijf dat met elkaar samenhangende bedrijfsactiviteiten uitvoert. De raad heeft voor de toepassing van de planregels deze onder één holding opererende bedrijven aangemerkt als één bedrijf, zodat de seizoenarbeiders, die bijvoorbeeld op de locatie [locatie 14] worden gehuisvest, ook op de bedrijfslocatie aan de [locatie 13] werkzaam kunnen zijn. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de voorwaarde dat huisvesting wordt beperkt tot seizoenarbeiders die in het bedrijf zelf werkzaam zijn, onduidelijk is.

Het betoog faalt.

Bedrijfswoningen

56. [ appellant sub 7] en anderen betogen dat de raad de aanduiding "aantal bedrijfswoningen = 0" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 13] ten onrechte heeft toegekend. Daartoe voeren zij aan dat in de in 2005 verleende bouwvergunning voor de bouw van een tweede bedrijfswoning op het perceel geen voorschrift over de tijdelijkheid van de inpandige woongelegenheid van het bedrijfsgebouw is opgenomen. Bovendien wordt voor twee bedrijfswoningen WOZ-belasting betaald.

56.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het verleden een bouwvergunning is verleend voor één bedrijfswoning ter vervanging van de inpandige bedrijfswoning. Deze legale bedrijfswoning is per abuis niet als zodanig bestemd. De bewoning van de inpandige bedrijfswoning betreft een illegale situatie.

56.2. Aan het perceel [locatie 13] is de aanduiding "aantal bedrijfswoningen = 0" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub a, van de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, is ter plaatse geen bedrijfswoning toegestaan.

56.3. In 2005 is met toepassing van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) verleend voor een bedrijfswoning op het perceel [locatie 13]. In de Nota van Zienswijzen die deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit, heeft de raad bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 7] en anderen te kennen gegeven dat deze legale bedrijfswoning als zodanig zou moeten worden bestemd en dat het ontwerpplan in zoverre zou worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging niet is verwerkt op de vastgestelde verbeelding. Het betoog slaagt.

56.4. De in het verleden voor bewoning in gebruik zijnde ruimte in het bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 13] is in het plan evenmin als bedrijfswoning bestemd. Niet in geschil is dat dit gebouw op basis van een daartoe strekkende bouwvergunning als bedrijfsgebouw is gebouwd. Uit het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 16 oktober 2003 kan worden afgeleid dat de bouw van de bedrijfswoning als hiervoor onder 56.3 bedoeld, is gekoppeld aan de oprichting van een presentatieruimte in de destijds voor bewoning in gebruik zijnde ruimte in het bedrijfsgebouw. [appellant sub 7] en anderen hebben ter zitting verklaard dat deze ruimte niet meer in gebruik is voor woondoeleinden. Reeds hierom heeft de raad geen aanleiding hoeven te zien om bewoning ter plaatse als zodanig toe te staan. Aan de door [appellant sub 7] en anderen genoemde omstandigheid dat hiervoor WOZ-belasting wordt betaald - wat daar verder ook van zij - hebben zij niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat de raad het gebruik voor woondoeleinden als zodanig in het plan zou bestemmen. Het betoog faalt.

Archeologie

57. [ appellant sub 7] en anderen betogen dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor de percelen [locatie 14], [locatie 13] en Justitieweg, kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nummers 46, 990 en 1107, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de archeologische waarden van deze gronden, te meer nu door in het verleden gedane bodemingrepen ter plaatse geen archeologische resten meer aanwezig zijn. De dubbelbestemmingen leiden tot onnodige beperkingen.

57.1. Voor een weergave van de artikelen 19 en 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

57.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 7] en anderen waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met hoge archeologische waarde en verwachting onderscheidenlijk een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat binnen de bouwvlakken op de percelen [locatie 14] en [locatie 13], waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en voor het overige gedeelte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, bebouwing staat. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

57.3. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden van voornoemde percelen heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 7] en anderen niet aan de hand van stukken aannemelijk hebben gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

57.4. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemmingen leiden tot onnodige beperkingen, wordt als volgt overwogen.

Met inachtneming van het voorgaande onder 3.4 dienen de artikelen 19 en 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad te worden aangepast, in die zin dat het in lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1, van de planregels genoemde rapport niet behoeft te worden opgesteld indien ook anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk. Voorts dient het bepaalde in lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, van de planregels te worden aangepast, in die zin dat ook anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van werken en/of werkzaamheden.

Het betoog slaagt.

57.5. Behoudens het voorgaande onder 57.4 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemmingen leiden tot een onevenredige belemmering. Het betoog faalt.

Struweelvogels, ecologische verbindingszone en natuurontwikkelingsgebied

58. [ appellant sub 7] en anderen betogen dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" op de percelen aan de Justitieweg, kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nummers 46, 47, 990 en 1107 ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat zij door het daaraan gekoppelde omgevingsvergunningstelsel voor onder meer het aanleggen van drainage, het diepploegen en het gebruik van afdekmaterialen en lage tunnels in de bedrijfsvoering worden belemmerd. Voorts heeft de raad de aanduidingen "wro-zone - ecologische verbindingszone" en "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" ten onrechte aan een gedeelte van voornoemde percelen toegekend, omdat deze gronden voor agrarische doeleinden in gebruik zijn, hetgeen dient te worden gerespecteerd. Zij worden hierdoor ernstig in de bedrijfsvoering belemmerd.

58.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" is toegekend ter bescherming van struweelvogels in dit gebied. Dit brengt voor de normale agrarische bedrijfsvoering of werkzaamheden geen belemmeringen met zich. Voor het standpunt van de raad over de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" en "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" wordt verwezen naar 33.1 onderscheidenlijk 10.1.

58.2. Voor een weergave van artikel 4.3 van de Verordening 2012 wordt verwezen naar 33.2.

58.3. De percelen aan de Justitieweg hebben de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels". Aan een gedeelte van de percelen zijn de aanduidingen "wro-zone - ecologische verbindingszone" en "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

e. agrarisch grondgebruik:

(…);

n. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone";

(…):

p. natuurontwikkeling ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied";

(…).

Ingevolge lid 7.7, onder 7.7.1, is het verboden zonder een omgevingsvergunning de hierin genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, waaronder het diepploegen en -woelen, het aanleggen van drainage en het gebruik van afdekmaterialen en lage tunnels, uit te voeren. In het bijzonder is het ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" verboden zonder een omgevingsvergunning oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² aan te brengen.

Ingevolge het bepaalde onder 7.7.2 is het in 7.7.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a. uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak;

b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

Ingevolge het bepaalde onder 7.7.4 is uitvoering van de in 7.7.1 genoemde werken of werkzaamheden in strijd met de bestemming, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden.

Ingevolge het bepaalde onder 7.7.5, aanhef en sub a, wordt onder de in 7.7.4 genoemde waarden verstaan ten aanzien van de in 7.7.1, onder a genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de ecologische verbindingszone voor uitwisseling van flora en fauna tussen natuurgebieden.

Ingevolge lid 7.9, aanhef en onder j, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" met de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" wijzigen in de bestemming "Natuur" onder de voorwaarden dat de inrichting van de gronden tot natuur geen onevenredige belemmering vormt voor het agrarisch gebruik van de belendende agrarische percelen.

58.4. Om de bescherming van de struweelvogels voldoende te waarborgen, heeft de raad aan een gedeelte van het plangebied, waaronder voornoemde percelen aan de Justitieweg, de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" toegekend. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, heeft de raad zich voor de regeling ter bescherming van het leefgebied van de struweelvogels gebaseerd op het vorige plan, de Interimstructuurvisie Noord-Brabant en de Paraplunota ruimtelijke ordening. Dit toenmalige provinciale beleid heeft de raad in zoverre tot het zijne gemaakt. Niet in geschil is dat de gebieden in kwestie op de bij de Paraplunota horende kaart "Zonering van het buitengebied" zijn aangeduid als leefgebied van struweelvogels. [appellant sub 7] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij vaststelling van de planregeling ter bescherming van het leefgebied van struweelvogels hieraan een onevenredig groot gewicht heeft toegekend.

[appellant sub 7] en anderen hebben de percelen aan de Justitieweg met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" in gebruik voor kersenteelt. Voor zover [appellant sub 7] en anderen stellen dat zij door dit omgevingsvergunningstelsel in het agrarische gebruik worden beperkt en daarbij onder meer wijzen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor het gebruik van afdekmaterialen en lage tunnels, wordt overwogen dat in het vorige plan hiervoor tevens een aanlegvergunningplicht was opgenomen. Voorts wordt ingevolge artikel 7, lid 7.7, onder 7.7.2 een uitzondering gemaakt voor het normale onderhoud en/of de normale exploitatie. [appellant sub 7] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering leidt.

Het betoog faalt.

58.5. De Afdeling stelt vast dat de percelen aan de Justitieweg in de Verordening 2012 gedeeltelijk zijn aangewezen als zoekgebied voor ecologische verbindingszone, hetgeen de raad bij de vaststelling van het plan terecht in acht heeft genomen. Om te voldoen aan de bijbehorende algemene regels heeft de raad aan deze gronden de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" toegekend, waarvoor in de planregels in artikel 7, lid 7.7, onder 7.7.1, aanhef en sub a, het vereiste van een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² is opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Daarbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, nu aan het perceel tevens de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" is toegekend, en het normale onderhoud en/of gebruik van de gronden en de werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan zijn uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht. Voorts is een wijziging van de gronden met de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" naar de bestemming "Natuur" alleen mogelijk als dat geen onevenredige belemmering vormt voor het agrarisch gebruik van de belendende agrarische percelen.

Het betoog faalt.

Permanente teeltondersteunende voorzieningen

59. [ appellant sub 7] en anderen betogen dat de raad voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" op de percelen aan de Justitieweg, kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nummers 46, 47, 990 en 1107, ten onrechte niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" heeft toegekend. Daartoe voeren zij aan dat de bestaande en vergunde permanente teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van 2 m ten behoeve van de kersenteelt ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd.

59.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning is verleend op basis van het oude bestemmingsplan. Naar aanleiding van een amendement is besloten om binnen de agrarische bestemmingen met waarden alleen permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen bestaande bouwvlakken toe te staan. De gronden aan de Justitieweg zijn bovendien gelegen binnen de gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel", waarbinnen wordt gestreefd naar behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van die gebieden.

59.2. Voor de percelen aan de Justitieweg met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" en de aanduiding "groenblauwe mantel" is geen bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 1, lid 1.85, van de planregels wordt onder teeltondersteunende voorzieningen verstaan: ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de vollegronds bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf, fruitteeltbedrijf of boomkwekerij.

Ingevolge lid 1.88 wordt onder tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen verstaan: teeltondersteunende voorzieningen welke op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van zes aaneengesloten maanden per jaar. De voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik.

Ingevolge artikel 7, lid 7.2, onder 7.2.1, aanhef en sub e, gelezen in samenhang met lid 7.2, geldt voor de op te richten bebouwing op de voor "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" aangewezen gronden dat teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter en bestaande teeltondersteunende kassen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen".

59.3. De percelen aan de Justitieweg hadden in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 de bestemming "Agrarisch gebied met faunistische waarde". Voor de percelen was een aanlegvergunningplicht voor het aanleggen van blijvende ondersteunende voorzieningen voor teelt van gewassen vrij van de grond opgenomen.

59.4. Bij besluit van 25 januari 2012, aldus voor de vaststelling van het plan, is een omgevingsvergunning verleend voor het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen met een maximale bouwhoogte van 2 m op de percelen aan de Justitieweg, waarvan niet in geschil is dat dit permanente teeltondersteunende voorzieningen als bedoeld in het plan zijn. Deze percelen zijn niet voorzien van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen", zodat de vergunde permanente teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan. Daargelaten de vraag of de Verordening 2012 in de weg staat aan het aanbrengen van permanente teeltondersteunende voorzieningen in de groenblauwe mantel, dient de raad in beginsel de bestaande legale situatie, gelet op de rechtszekerheid, planologisch vast te leggen. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien concreet zicht op verwijdering van de teeltondersteunende voorzieningen bestaat. Niet aannemelijk is dat aan deze voorwaarde zal worden voldaan, nu niet is gebleken van voornemens daartoe van de zijde van [appellant sub 7] en anderen en ter zitting evenmin is gebleken van gemeentelijke voornemens tot aankoop of onteigening van de gronden waarop de permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn aangelegd. Gelet hierop zijn de bestaande vergunde teeltondersteunende voorzieningen op de percelen aan de Justitieweg ten onrechte niet als zodanig bestemd. Het betoog slaagt.

Overig

60. [ appellant sub 7] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 7] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

61. Gelet op hetgeen is overwogen onder 56.3 en 59.4 is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft de vaststelling van:

- de aanduiding "aantal bedrijfswoningen = 0" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aan de [locatie 13] te Heeswijk-Dinther, en

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" op de percelen aan de Justitieweg te Heeswijk-Dinther, kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nummers 46, 47, 990 en 1107, voor zover hieraan niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" is toegekend.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 57.2 en 57.4 is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van:

- de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen de bouwvlakken op de percelen [locatie 14] en [locatie 13] te Heeswijk-Dinther, en

- de artikelen 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

61.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

62. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 25]

63. [ appellant sub 25] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een schuur ter plaatse van het perceel Zoggelsestraat (ongenummerd) te Heesch. Hij voert aan dat een legale schuur op het perceel stond die onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan was gebracht. Na het tenietgaan van de schuur door een calamiteit, heeft hij binnen twee jaar na de calamiteit een bouwaanvraag voor de herbouw van de schuur ingediend. [appellant sub 25] betoogt dat hij daarom recht heeft op de herbouw van de schuur. [appellant sub 25] betoogt daarnaast dat de schuur onder het overgangsrecht van het voorliggende plan valt, op grond waarvan herbouw van de schuur is toegestaan.

63.1. Aan het perceel Zoggelseweg (ongenummerd) is de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" toegekend. Ter plaatse van de voormalige schuur is geen aanduiding "bouwvlak" opgenomen.

In artikel 7, lid 7.2, aanhef en onder a, van de planregels, dat van toepassing is op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels", is bepaald dat gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen het bouwvlak.

Ingevolge artikel 31, lid 31.1, mag een bouwwerk dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Ingevolge lid 31.3, is het bepaalde in lid 31.1 niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsregel van dat plan.

63.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" was aan het perceel Zoggelseweg (ongenummerd) de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en of abiotische waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 7, vierde lid, van de planvoorschriften van dat plan mag op de gronden niet worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijn (…).

Ingevolge artikel 25, eerste lid, voor zover van belang, mogen bouwwerken, welke bestaan op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerp van het plan op voorwaarde dat de bestaande afwijking van het plan, ook in kwalitatieve zin, niet wordt vergroot en, behoudens onteigening:

c. na calamiteit worden herbouwd, mits de betreffende bouwvergunning binnen twee jaren na de datum van de calamiteit bij het college van burgemeester en wethouders is aangevraagd dan wel de melding als bedoeld in artikel 42 van de Woningwet binnen twee jaren na de datum van de calamiteit bij het college van burgemeester en wethouders is aangevraagd.

63.3. De schuur was in het voorheen geldende plan niet als zodanig bestemd. Tussen partijen is niet in geschil dat de schuur onder het bouwovergangsrecht van het voorheen geldende plan viel.

63.4. In het deskundigenbericht staat dat de schuur in de periode december 2006/januari 2007 grotendeels is verwoest door een storm. In navolging van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften van het voorheen geldende plan is binnen twee jaar, op 28 januari 2008, een aanvraag om bouwvergunning ingediend voor de herbouw van de schuur. Op 16 juni 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders geweigerd de bouwvergunning te verlenen. Tegen het besluit tot weigering van de bouwvergunning is geen bezwaar ingediend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is. Nadien is geen nieuwe aanvraag om bouwvergunning voor de herbouw van de schuur ingediend.

63.5. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen schuur op het perceel stond, noch was een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor bouwen) voor een schuur op het perceel verleend die in het plan had moeten worden opgenomen. Met de aanvraag om een bouwvergunning voor de herbouw van de schuur die [appellant sub 25] overeenkomstig de overgangsbepaling uit het voorheen geldende plan binnen twee jaar na het tenietgaan van de schuur had ingediend, behoefde de raad bij de vaststelling van het voorliggende plan geen rekening te houden, nu die bouwaanvraag niet heeft geresulteerd in een verleende bouwvergunning. De vraag of het college van burgemeester en wethouders terecht heeft geweigerd een bouwvergunning voor de herbouw van de schuur te verlenen, kan niet in deze procedure aan de orde komen.

Gelet op de bouwovergangsbepaling in artikel 31, lid 31.1, van de planregels van het voorliggende plan, is het bouwovergangsrecht uitgewerkt en niet van toepassing op de tenietgegane schuur.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant sub 25] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten voorzien in een bouwvlak voor een schuur voor het perceel. Het betoog faalt.

64. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 25] ongegrond.

65. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van dit beroep bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 35]

66. Het beroep van [appellante sub 35] heeft betrekking op het perceel [locatie 15] te Nistelrode.

[appellante sub 35] voert aan dat het bouwvlak deels in een extensiveringsgebied ligt en deel in een verwevingsgebied. Zij betoogt dat een bouwvlak niet binnen twee verschillende gebieden mag liggen en stelt dat het bouwvlak geheel in het verwevingsgebied moet liggen.

[appellante sub 35] kan zich daarnaast niet verenigen met de omvang van het bouwvlak. Zij betoogt dat het bouwvlak aan de oostzijde moet worden vergroot. Hiertoe voert zij aan dat een deel van de bestaande bebouwing ten onrechte niet binnen het bouwvlak is opgenomen. Daarnaast voert zij aan dat de huidige stallen moeten worden vergroot om te kunnen voldoen aan de eisen voor het staloppervlak die worden gesteld in de wetgeving omtrent dierenwelzijn. Zij wenst daartoe gebruik te maken van de in de Verordening 2012 geboden mogelijkheid voor vergroting van bouwblokken in bestemmingsplannen in verband met dierenwelzijnseisen, waarvoor vóór 1 januari 2013 toestemming moet zijn verleend. Hiertoe heeft zij tijdig een daartoe strekkende aanvraag ingediend bij het gemeentebestuur. Ook is een vergroting van het bouwvlak volgens haar noodzakelijk om de opslag en verwerking van mest op het perceel mogelijk te maken.

[appellante sub 35] kan zich voorts niet verenigen met de aanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied" die op een deel van het bouwvlak rust. Zij betoogt dat het bouwvlak buiten het gebied met deze aanduiding behoort te liggen.

66.1. Aan het perceel [locatie 15] zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak", "milieuzone - 1000m kernen" en, voor het noordoostelijke deel van het bouwvlak, "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor:

1. het behoud, bescherming en/of herstel van de aanwezige landschappelijke en ecologische waarden;

(…);

f. agrarisch grondgebruik;

g. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf');

(…).

66.2. Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, aanhef en a, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat nieuwvestiging en hervestiging van intensieve veehouderij, omschakeling naar intensieve veehouderij alsmede uitbreiding van bestaande intensieve veehouderij niet zijn toegestaan.

66.3. [appellante sub 35] is bij het bepalen van de ligging van het bouwvlak niet uitgegaan van het bouwvlak dat in het plan is opgenomen, maar van het door haar gewenste, ruimere bouwvlak. De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een verwevingsgebied ligt en dat in overeenstemming hiermee het bouwvlak in het voorliggende plan niet is voorzien van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied". De gronden die grenzen aan de oostzijde van het bouwvlak en die [appellante sub 35] bij haar bouwvlak wenst te betrekken, liggen in een extensiveringsgebied en zijn in overeenstemming hiermee op de verbeelding voorzien van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied". Het betoog dat het bouwvlak gedeeltelijk in een extensiveringsgebied ligt, mist feitelijke grondslag.

66.4. De door [appellante sub 35] gewenste vergroting van het bouwvlak in oostelijke richting betekent dat het bouwvlak zou worden vergroot ter plaatse van een extensiveringsgebied. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit in strijd is met artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012. De Verordening 2012 voorziet niet in een mogelijkheid tot afwijken of ontheffing van deze bepaling. De mogelijkheid voor vergroting van bouwblokken in bestemmingsplannen in verband met dierenwelzijnseisen waarop [appellante sub 35] doelt, is opgenomen in artikel 9.3, vierde lid, van de Verordening 2012 en is uitsluitend van toepassing binnen verwevingsgebieden. De raad heeft dan ook terecht niet voorzien in een groter bouwvlak. Het betoog faalt.

66.5. In de nota van zienswijzen, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, staat dat het bouwvlak zodanig is aangepast dat alle aanwezige bebouwing binnen het bouwvlak ligt. Ook staat daarin dat de aanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied" zal worden aangepast aan het bouwvlak. De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding die behoort bij het vastgestelde plan een deel van de bebouwing buiten het bouwvlak ligt en dat voormelde aanduiding op een deel van het bouwvlak rust. De verbeelding stemt in zoverre niet overeen met het vaststellingbesluit. Gelet hierop geeft hetgeen [appellante sub 35] aanvoert aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien in zoverre zijn vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog slaagt.

67. [ appellante sub 35] betoogt dat het bewerken en verwerken van mest binnen het bouwvlak ten onrechte niet is toegestaan.

67.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.5, onder 3.5.2, onder a, punt 2, van de planregels is mestbewerking als nevenactiviteit ten behoeve van het agrarisch bedrijf toegestaan, met dien verstande dat mestbewerking voor derden niet is toegestaan.

67.2. In het deskundigenbericht staat dat het [appellante sub 35] gaat om het bewerken en verwerken van mest die afkomstig is van haar eigen bedrijf. Gelet op voormelde planregel zijn die activiteiten toegestaan. Het betoog mist feitelijke grondslag.

68. Voorts verzoekt [appellante sub 35] om als voorwaarde in het plan op te nemen dat enige activiteit in de omgeving niet mag leiden tot belemmering van de huidige activiteiten en toekomstmogelijkheden van het bedrijf.

68.1. In dit niet nader gespecificeerde betoog ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de planregeling voor de gronden in de omgeving van het bedrijf van [appellante sub 35] in zoverre gebreken vertoont. Het betoog faalt.

69. [ appellante sub 35] betoogt dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor de gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 15] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat door in het verleden gedane bodemingrepen ter plaatse geen archeologische resten meer aanwezig zijn.

69.1. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellante sub 35] ter plaatse van het bouwvlak, waaraan nagenoeg geheel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en voor het overige gedeelte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met hoge archeologische waarde en verwachting onderscheidenlijk een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 15] bebouwing staat. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

69.2. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden binnen het bouwvlak heeft toegekend, is van belang dat [appellante sub 35] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

70. In hetgeen [appellante sub 35] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarin niet is voorzien in de aanduiding "bouwvlak" ter plaatse van een deel van de bestaande bebouwing op het oostelijke deel van het perceel [locatie 15] en voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied" voor het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 15], is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

In hetgeen [appellante sub 35] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 15], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

71. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor één van de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

72. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 48]

73. [ appellante sub 48] heeft ter zitting zijn beroepsgrond over de aanduiding "bouwvlak" voor het perceel [locatie 16] te Vorstenbosch ingetrokken.

74. [ appellante sub 48] betoogt dat de raad de aanduiding "intensieve veehouderij" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 17] te Vorstenbosch ten onrechte gewijzigd heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in strijd met de Verordening 2012 wordt mogelijk gemaakt. Voorts vreest [appellante sub 48] voor een beperking in de exploitatie van haar op een afstand van ongeveer 17 m gelegen kampeerboerderij. Van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 3, lid 3.9, eerste lid, onder i, van de planregels kan om die reden geen gebruik meer worden gemaakt.

[appellante sub 48] betoogt voorts dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 16] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat ter plaatse een vergunde kampeerboerderij wordt geëxploiteerd, die ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Voorts heeft zij uitbreidingsplannen voor de recreatieve activiteiten. Het plan is in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, te meer nu het gebied is aangewezen als recreatie-ontwikkelingsgebied.

74.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het vergunde agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 17] dient te worden aangemerkt als een intensieve veehouderij. Voorts werd in het vorige plan, anders dan in dit plan, geen onderscheid gemaakt in intensieve veehouderijen en overige agrarische bedrijven.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat een recreatieve bestemming in verband met de hindercirkel van de naastgelegen intensieve veehouderij niet mogelijk is. Een recreatieve voorziening kan alleen worden opgericht als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf.

74.2. Het perceel [locatie 17] heeft de bestemming "Agrarisch" en onder meer de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak". Het perceel [locatie 16] heeft de bestemming "Agrarisch" en onder meer de aanduidingen "wro-zone - recreatie-ontwikkelingsgebied", "agrarisch bedrijf" en "bouwvlak".

Ingevolge artikel 1, lid 1.63, van de planregels wordt onder nevenactiviteit verstaan: een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel. De nevengeschiktheid volgt in dit kader uit de afhankelijkheid van de hoofdfunctie.

Voor een weergave van artikel 1, lid 1.47, en artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, sub 1 en 2, van de planregels wordt verwezen naar 41.2.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

(…);

h. nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf en aan huis gebonden beroep in de bestaande aard en omvang;

(…);

n. recreatieontwikkeling ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - recreatie-ontwikkelingsgebied";

(…).

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en sub i, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het functietype ‘agrarisch bedrijf’ of ‘agrarisch verwant bedrijf’ wijzigen in het functietype ‘recreatie’ (zijnde een verblijfsrecreatiebedrijf), onder de voorwaarden dat:

1. de wijziging uitsluitend is toegestaan op een locatie gelegen binnen de gebiedsaanduiding "wro-zone ¬- recreatie-ontwikkelingsgebied" en/of binnen de gebiedsaanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied";

(…).

Ingevolge het bepaalde onder 3.9.2, aanhef en sub d, kan een onder 3.9.1 genoemde wijziging bovendien slechts worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt.

74.3. De percelen [locatie 17] en 15 hadden in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 de bestemming "Agrarisch gebied" en de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften van dat plan wordt in deze voorschriften verstaan onder agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder a, zijn de op een detailplankaart aangewezen gronden voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden" bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 24, zevende lid, onder e, gelezen in samenhang met het bepaalde onder a, kan de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" ten behoeve van het hergebruik van een, vanwege algehele bedrijfsbeëindiging vrijkomend voormalig agrarisch bedrijfsgebouw, niet zijnde een kas, worden gewijzigd in de bestemming "Recreatieve doeleinden" ten behoeve van de vestiging van een vakantiegroepsverblijf mits:

(…);

2. het te vestigen vakantiegroepsverblijf geen belemmeringen oplevert voor de omliggende functies;

(…);

4. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet worden beperkt;

(…).

74.4. Naar aanleiding van de zienswijze van de eigenaar van het perceel [locatie 17], [belanghebbende B], en aan de hand van de milieuvergunning heeft de raad aan het perceel [locatie 17] de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Ter zitting is komen vast te staan dat ter plaatse een zodanige hoeveelheid aantal dieren worden gehouden dat het houden van dieren geen hobbymatig karakter heeft. Voorts is in het plan niet de voorwaarde gesteld dat het dient te gaan om een volwaardig intensief veehouderijbedrijf. In hetgeen [appellante sub 48] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 17] niet in redelijkheid heeft kunnen aanmerken als een intensieve veehouderij. Het betoog van [appellante sub 48] dat hiermee is voorzien in de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij faalt, nu het vorige plan ter plaatse, gelet op de definitieomschrijving van een agrarisch bedrijf in dat plan, ook een intensieve veehouderij toestond.

Gelet op de in het vorige plan geboden agrarische ontwikkelingsmogelijkheden op het perceel [locatie 17] en de in het vorige plan geboden recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden op het perceel [locatie 16] wordt [appellante sub 48] in het voorliggende plan door de aanduiding "intensieve veehouderij" niet beperkt in zijn recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden. Het betoog faalt.

74.5. [appellante sub 48] exploiteert op het perceel [locatie 16] een kersenboomgaard en een kampeerboerderij. Voor het oprichten van de kampeerboerderij als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf als hoofdfunctie is een vrijstelling verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder h, van de planregels is deze vergunde kampeerboerderij als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf in de bestaande aard en omvang als zodanig bestemd. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat de door [appellante sub 48] beoogde recreatieve bestemming gelet op de omliggende agrarische bedrijven niet wenselijk is, niet onredelijk. Dat het een recreatie-ontwikkelingsgebied betreft, maakt dat niet anders, nu de raad daarvoor weliswaar ruimere uitbreidingsmogelijkheden van bestaande functies en mogelijkheden voor omschakelingen van agrarische bedrijven naar recreatiebedrijven heeft willen bieden, maar hieraan wel voorwaarden heeft willen verbinden. Voorts zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel [locatie 16] niet beëindigd. Het betoog faalt.

75. Het beroep van [appellante sub 48] is ongegrond.

76. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

De beroepen van [appellant sub 23] en anderen en [appellant sub 1]

Procedureel

77. [ appellant sub 1] betoogt dat de raad zijn aanvullende zienswijze bij brief van 29 mei 2012 over het onder het persoonsgebonden overgangsrecht brengen van het gebruik van de boerderij die op het perceel [locatie 18] te Heesch, kadastraal bekend gemeente Heesch, sectie F, nummer 891 staat, ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten.

77.1. Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken.

77.2. De Afdeling stelt vast dat de door [appellant sub 1] bedoelde brief buiten de in artikel 3:16, eerste lid, van de Awb gestelde termijn voor het indienen van zienswijzen bij de raad is ingekomen. De raad heeft de in de desbetreffende brief geuite aanvullende zienswijze terecht buiten beschouwing gelaten. Het betoog faalt.

Inhoudelijk

78. [ appellant sub 1], die op het perceel [locatie 18] te Heesch, kadastraal bekend gemeente Heesch, sectie F, nummer 890 woont, betoogt dat het gebruik van de vervallen boerderij als schuur op het naastgelegen perceel [locatie 18] met perceelnummer 891 ten onrechte wederom onder het algemene overgangsrecht is gebracht en dat hooguit in plaats daarvan persoonsgebonden overgangsrecht had moeten worden opgenomen. Daartoe voert hij aan dat deze niet beeldbepalende boerderij gesloopt dient te worden, zoals door het gemeentebestuur in het verleden is toegezegd. In de bouwvergunning van 1970 was de voorwaarde van sloop weliswaar niet expliciet opgenomen, maar blijkens de bijbehorende situatietekening zou de boerderij worden vervangen.

[appellant sub 23] en anderen betogen dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" op het perceel [locatie 18] met perceelnummer 891 ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover hieraan niet de aanduiding "bouwvlak" en een woonbestemming is toegekend. Daartoe voeren zij aan dat op dit perceel een legaal opgerichte en cultuurhistorisch waardevolle kortgevelboerderij staat, die ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht. Met het oog op het behoud van deze waarden willen zij de boerderij restaureren. De sloop van de boerderij is niet expliciet als voorwaarde in de bouwvergunning voor de bouw van een nieuwe woning op het perceel [locatie 18] opgenomen. De constatering van de raad dat een woonbestemming niet mogelijk is gebleken, dateert van na het bestreden besluit. Dit was ten tijde van de vaststelling van het plan geen reden om geen woonbestemming op te nemen.

78.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het verleden een bouwvergunning is verleend voor het oprichten van een nieuwe woning op het perceel [locatie 18]. Als gevolg hiervan mocht de bestaande boerderij niet meer als woning worden gebruikt, omdat er één woning was toegestaan. Zoals opgemerkt in de Nota van Zienswijzen zou, zo mogelijk via een separate procedure, naar een maatwerkoplossing kunnen worden gezocht. Volgens de raad is voor de vaststelling van het plan niet gebleken van concreet zicht op restauratie van de boerderij ten behoeve van een woonbestemming.

78.2. Het perceel [locatie 18], kadastraal bekend gemeente Heesch, sectie F, nummer 891 heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen". Voor dit perceel is geen bouwvlak opgenomen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2, aanhef en onder c, van de planregels mogen op de voor "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan bestaande bebouwing mag worden gehandhaafd, hersteld, vervangen en uitgebreid met inachtneming van het bepaalde in dit lid, met dien verstande dat wanneer de bestaande bebouwing en bestaande maatvoering afwijken van hetgeen in de hierna volgende regels is aangegeven, de afwijking niet mag worden vergroot. De voorgaande volzin is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

78.3. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 had het perceel [locatie 18] de bestemming "Woondoeleinden". Deze bestemming omvatte beide percelen met nummers 890 en 891.

Ingevolge artikel 20, derde lid, van de planvoorschriften van dat plan zijn in verband met de bestemming "Woondoeleinden" toegelaten:

a. één woning. Voor bewoning mag worden gebruikt het gehele hoofdgebouw. Tevens mogen aan het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen voor bewoning worden gebruikt, voor zover het gezamenlijke oppervlak van het hoofdgebouw en aangebouwde bijgebouwen de inhoud van 600 m³ niet overschrijdt;

b. bij woningen behorende bijgebouwen;

(…).

78.4. Niet in geschil is dat de boerderij in het verleden met een bouwvergunning voor bedrijfsmatig gebruik is opgericht. Bij besluit van 25 maart 1970 heeft het college van burgemeester en wethouders een bouwvergunning voor de oprichting van een nieuwe woning op het perceel [locatie 18] verleend. Aan de bouwvergunning is geen voorwaarde verbonden dat de boerderij diende te worden gesloopt. Daartoe is de situatietekening, niet zijnde een bouwtekening, waarop staat dat de boerderij als zogenoemde krotwoning dient te worden vervangen, onvoldoende. Zoals de raad heeft toegelicht is hiermee bedoeld de woonvoorzieningen uit de boerderij te verwijderen, omdat op het perceel slechts één woning was toegestaan. De boerderij was in het vorige plan als bijgebouw bij de woning bestemd en thans, gelet op artikel 6, lid 6.2, aanhef en onder c, van de planregels als gebouw binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" als zodanig bestemd. De betogen dat de boerderij onder het overgangsrecht is gebracht missen feitelijke grondslag.

78.5. Gelet op het voorgaande onder 78.4 behoeft het betoog van [appellant sub 1] dat de boerderij vanwege de voorwaarde aan de bouwvergunning gesloopt dient te worden en dat hooguit ten onrechte geen persoonsgebonden overgangsrecht is opgenomen geen bespreking.

78.6. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

[appellant sub 23] en anderen zijn voornemens de bestaande en vervallen boerderij te restaureren, waarbij zij de boerderij als burgerwoning wensen te gebruiken. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het toekennen van een woonbestemming geen aanleiding bestaat. Daarbij is van belang dat de boerderij in het vorige plan niet als woning maar als bijgebouw bij de woning was bestemd en ten tijde van de vaststelling van het plan in gebruik was als opslag van materialen in de particuliere sfeer. [appellant sub 23] en anderen hebben geen stukken overgelegd waaruit een concreet bouwplan voor een burgerwoning blijkt. Aldus heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de wens van [appellant sub 23] en anderen onvoldoende concreet is om in het voorliggende plan te kunnen worden betrokken.

Het betoog faalt.

Conclusies

79. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 23] en anderen zijn ongegrond.

80. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van deze beroepen geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 4]

81. [ appellant sub 4] betoogt dat het bestemmingsplan niet voldoet aan de SVBP 2008. Zo is de aanduiding "wonen" ten onrechte onder de agrarische bestemmingen geplaatst.

81.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de benamingen en de opbouw van de bestemmingen in het plan voldoen aan de SVBP 2008.

81.2. Ingevolge paragraaf 2.2 van de SVBP 2008 wordt de aanduiding "wonen" onder de bestemming "Wonen" geplaatst. Uit artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008 (hierna: de Regeling), zoals die luidde ten tijde van belang, in samenhang met artikel 1.2.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), volgt dat de raad een bestemmingsplan dient vorm te geven, in te richten en beschikbaar te stellen overeenkomstig de SVBP 2008, die als bijlage II deel uitmaakt van de Regeling. Voor zover de plaatsing van de aanduiding "wonen" in het plan onder de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied", "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden", "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen", "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" of "Natuur" zich al niet met artikel 2, eerste lid, van de Regeling in samenhang met artikel 1.2.6 van het Bro verdraagt, ziet de Afdeling aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang. Daartoe wordt overwogen dat niet is gebleken dat [appellant sub 4] en andere belanghebbenden hierdoor worden benadeeld. Het betoog faalt.

81.3. [appellant sub 4] heeft zijn betoog, behoudens de verwijzing naar de aanduiding "wonen", niet nader onderbouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het plan, behoudens voor zover het betreft de aanduiding "wonen", in strijd met de SVBP 2008 is vastgesteld. Het betoog faalt.

82. [ appellant sub 4] betoogt dat de raad de aanduiding "verwevingsgebied" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 19] te Loosbroek ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat dit perceel in de Verordening 2012 is aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied (hierna: LOG) en hij door de planregeling wordt beperkt in zijn ontwikkelingsmogelijkheden.

82.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel weliswaar in het LOG, maar op een afstand van minder dan 1.000 m van de kom van Loosbroek ligt, zodat dit geen duurzame locatie is. De regels voor de bestemming "Agrarisch" zijn op het perceel van toepassing en een groter bouwvlak is niet mogelijk.

82.2. Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een LOG dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha mogen uitbreiden.

82.3. Het perceel [locatie 19] heeft de bestemming "Agrarisch" en onder meer de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en voor het overgrote deel de aanduiding "milieuzone - 1000 m kernen". De Afdeling stelt vast dat aan het perceel, anders dan in het ontwerpplan, niet de aanduiding "verwevingsgebied" is toegekend. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Voor zover wordt betoogd dat aan het perceel de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" had moeten worden toegekend omdat het perceel in de Verordening 2012 is aangewezen als LOG, wordt overwogen dat [appellant sub 4] door het toekennen van de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak", die over een perceelgedeelte ter grootte van ongeveer 1,7 ha is aangebracht, in zijn ontwikkelingsmogelijkheden niet wordt beperkt ten opzichte van de regels die daarover ten aanzien van het LOG in de Verordening 2012 zijn gesteld.

Het betoog faalt.

83. [ appellant sub 4] betoogt dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor zijn perceel [locatie 19] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de archeologische waarden van deze gronden. Onduidelijk is waarom juist ter plaatse van het bouwvlak een hogere verwachtingswaarde ligt dan daarbuiten. De dubbelbestemmingen leiden tot onnodige beperkingen.

83.1. Voor een weergave van de artikelen 19 en 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

83.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 4] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met hoge archeologische waarde en verwachting onderscheidenlijk een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 19], waaraan nagenoeg geheel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en voor het overige gedeelte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, bebouwing staat. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

83.3. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 4] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

83.4. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemmingen tot onnodige beperkingen leiden, overweegt de Afdeling met inachtneming van het voorgaande onder 57.4 dat de artikelen 19 en 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad dienen te worden aangepast. Het betoog slaagt.

83.5. Behoudens het voorgaande onder 83.4 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemmingen leiden tot een onevenredige belemmering. Het betoog faalt.

84. Gelet op hetgeen is overwogen onder 83.2 en 83.4 is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van:

- de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 19] te Loosbroek, en

- de artikelen 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

84.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

85. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 39]

86. [ appellante sub 39], die op het perceel [locatie 20] te Heeswijk-Dinther een intensieve veehouderij exploiteert, betoogt dat op het perceel [locatie 21] ten onrechte geen burgerwoning is toegestaan. Daartoe voert zij aan dat het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Heeswijk-Dinther bij brief van 23 april 1993 het bestaan van een tweede woning op het perceel [locatie 22] heeft onderkend en hieraan huisnummer [locatie 21] heeft toegekend.

86.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het pand met huisnummer 19a al geruime tijd niet meer wordt bewoond. In de Nota van Zienswijzen is gewezen op de Adviesnota van het college van burgemeester en wethouder van 27 oktober 2009, waarin staat dat voor dit adres om voornoemde reden geen extra woonbestemming zou worden opgenomen. Een nieuwe woonbestemming in het buitengebied kan de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven nadelig beïnvloeden. Voorts kan ter plaatse van de woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.

86.2. De percelen [locatie 22]/[locatie 21] en [locatie 20] hebben de bestemming "Agrarisch". Voor de percelen is één gezamenlijk bouwvlak op de verbeelding opgenomen met de aanduiding "aantal bedrijfswoningen=2".

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub a, van de planregels, gelezen in samenhang met de verbeelding, zijn ter plaatse twee bedrijfswoningen toegestaan.

86.3. In het deskundigenbericht staat dat op de percelen [locatie 22] en [locatie 20] twee bedrijfswoningen staan. Deze bedrijfswoningen zijn, net als in het vorige plan, als zodanig bestemd. De woning op het perceel [locatie 22] is in de jaren ’80 verbouwd, zodat een tweede woongedeelte in deze woning is ontstaan. Dit woongedeelte zou op grond van de door het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Heeswijk-Dinther op 19 januari 1993 vastgestelde nota "Legalisatiebeleid dubbele woningen 1992" in aanmerking komen voor legalisatie, zodat hieraan in het verleden een huisnummer is toegekend. Dit woongedeelte is in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 echter niet als burgerwoning bestemd.

Niet in geschil is dat bedoeld woongedeelte op het perceel [locatie 21] af en toe voor tijdelijke huisvesting verhuurd is geweest. Ten tijde van de vaststelling van het plan was dit woongedeelte echter niet als woning in gebruik, zodat de raad ervoor heeft gekozen om dit woongedeelte niet als zelfstandige burgerwoning te bestemmen. Het standpunt van de raad dat het voorzien in een nieuwe burgerwoning in het buitengebied onwenselijk is, acht de Afdeling niet onredelijk. Aan een toekenning van een huisnummer komt voorts geen betekenis toe voor de vraag of een gebouw, dat in dit geval in het verleden voor woondoeleinden in gebruik is geweest, als zodanig moet worden bestemd. Dat met het oog op legalisatie aan dit woongedeelte in het verleden een huisnummer is toegekend leidt, gelet op het aanzienlijke tijdsverloop tussen het moment van toekenning van dat huisnummer en de vaststelling van dit plan, niet tot een ander oordeel, nog daargelaten dat [appellante sub 39] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat zou worden voorzien in een zelfstandige burgerwoning op het perceel [locatie 21].

Het betoog faalt.

86.4. Het beroep van [appellante sub 39] is ongegrond.

87. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 38]

88. [ appellante sub 38] betoogt dat de raad de aanduiding "milieuzone - boringsvrije zone" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" op zijn perceel [locatie 23] te Heeswijk-Dinther ten onrechte gewijzigd heeft willen vaststellen. Omdat artikel 27, lid 27.4, van de planregels niet is opgenomen in de lijst van wijzigingen, maakt deze aanduiding volgens haar geen deel uit van het vaststellingsbesluit. Voor zover de aanduiding voor haar perceel wel juist is vastgesteld, voert [appellante sub 38] aan dat een motivering voor het toekennen van deze aanduiding ontbreekt. Als gevolg van deze zone moet zij voor bepaalde activiteiten aan de regels uit de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant (hierna: PMV) voldoen, hetgeen zij niet wenselijk acht.

88.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding "milieuzone - boringsvrije zone" naar aanleiding van de zienswijze van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in het plan is opgenomen.

88.2. Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer stellen provinciale staten ter bescherming van het milieu een verordening vast.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, bevat de verordening ten minste regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning in bij de verordening aangewezen gebieden.

Ingevolge artikel 5.1.1.2, eerste lid, van de PMV 2010 zijn er beschermingszones voor winningen van grondwater dat is bestemd voor menselijke consumptie.

Ingevolge het tweede lid zijn als beschermingszones, bedoeld in het eerste lid, aangewezen de gebieden opgenomen in bijlage 5.

Ingevolge het derde lid kunnen de beschermingszones, bedoeld in het tweede lid, bestaan uit één of meer:

a. waterwingebieden;

(…);

d. boringsvrije zones.

Ingevolge het achtste lid zijn de waterwingebieden en de boringsvrije zones op de bij deze verordening behorende kaarten als zodanig aangegeven.

In paragraaf 5.1.4 zijn regels voor boringsvrije zones opgenomen.

88.3. Het perceel [locatie 23] heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en onder meer de aanduiding "milieuzone - boringsvrije zone".

Ingevolge artikel 27, lid 27.4, van de planregels zijn gronden ter plaatse van de aanduiding "milieuzone - boringsvrije zone" mede bedoeld voor bescherming van de daarin aanwezige beschermde kleilaag. De regels ter bescherming van de boringsvrije zone, zoals vermeld in de PMV zijn van toepassing.

88.4. De Afdeling stelt vast dat de toevoeging van de aanduiding "milieuzone - boringsvrije zone" op de vastgestelde verbeelding is opgenomen in de lijst van wijzigingen, die door de raad is gewaarmerkt als behorend bij zijn besluit van 26 juni 2012. Voorts is in die lijst vermeld dat voor deze zone regels dienen te worden opgenomen. Dat het bij die aanduiding behorende artikel 27, lid 27.4, van de planregels niet expliciet is vermeld, maakt niet dat dit artikel geen deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit. Het betoog faalt.

88.5. Ten behoeve van het in de PMV 2010 aangewezen waterwingebied Loosbroek zijn de omliggende gronden, waaronder het perceel [locatie 23], als boringsvrije zone aangewezen. Omdat de regels voor boringsvrije zones in de PMV moeten worden aangemerkt als algemeen verbindende voorschriften, moeten deze in acht worden genomen ongeacht of in het plan dienaangaande regels worden opgenomen. Gelet hierop wordt de vrees van [appellante sub 38] dat door de wijziging van het plan aan de regels uit de PMV dient te worden voldaan, niet door het plan bewerkstelligd. Voorts zijn in het bestemmingsplan geen verdergaande beperkende regels opgenomen ten opzichte van de regels die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4 van de PMV 2010. Het betoog faalt.

88.6. Het beroep van [appellante sub 38] is ongegrond.

89. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 50]

90. [ appellant sub 50] betoogt dat de raad voor het plandeel met de bestemming "Natuur" ter plaatse van het vakantiechalet op het perceel [locatie 24] te Heeswijk-Dinther, kadastraal bekend gemeente Heeswijk-Dinther, sectie D, nummer 941, ten onrechte geen bouwvlak met de aanduiding "recreatiewoning" heeft opgenomen.

90.1. In de Nota van Zienswijzen heeft de raad bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 50] te kennen gegeven dat de recreatiewoning op het perceel [locatie 24] als zodanig is bestemd. De raad heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de toegekende aanduidingen "bouwvlak" en "recreatiewoning" op de verbeelding aan het verkeerde perceel zijn toegekend en dat deze aanduidingen ten behoeve van het vergunde vakantiechalet op het perceel [locatie 24] hadden moeten worden toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

91. [ appellant sub 50] betoogt dat het plaatsen van vier caravans en het gebruik als sportveld op het perceel [locatie 24] ten onrechte niet als zodanig met een op maat toegesneden recreatieve functie is toegestaan, maar voor de tweede keer onder het overgangsrecht is gebracht.

91.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel in een gebied ligt waar de bescherming van de aanwezige natuurwaarden voorop staat. Het ter plaatse beperkte recreatieve gebruik, zoals omschreven in de brief van 1 maart 2006, rechtvaardigt geen recreatieve bestemming. Dat dit recreatieve gebruik onder het overgangsrecht valt, maakt dat volgens de raad niet anders.

91.2. Het perceel [locatie 24] heeft de bestemming "Natuur" en onder meer de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied".

Ingevolge artikel 9, lid 9.5, onder 9.5.2, aanhef en sub a, van de planregels wordt tot een met de bestemming "Natuur" strijdig gebruik gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in lid 9.1, waaronder in ieder geval wordt verstaan het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door seizoenarbeiders of permanente bewoning.

91.3. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" van 1998 had het perceel de bestemming "Bosgebied". Voor een weergave van artikel 25, tweede lid, en artikel 26a, eerste lid, wordt verwezen naar 38.3.

91.4. Op het perceel [locatie 24] zijn, naast het vakantiechalet, een sportveld en vier caravanstandplaatsen aanwezig. Tijdens vakantieperiodes worden mobiele caravans voor een aaneengesloten periode van maximaal twee tot drie weken op de caravanstandplaatsen neergezet. Gelet op het bepaalde in artikel 9, lid 9.5, onder 9.5.2, aanhef en sub a, van de planregels wordt dit recreatieve gebruik als strijdig aangemerkt. De Afdeling stelt vast dat dit recreatieve gebruik van de gronden voor de tweede maal onder het overgangsrecht is gebracht. Dit is slechts toegestaan als aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Niet is gebleken dat [appellant sub 50] zijn huidige activiteiten zal staken en evenmin is gebleken dat het gemeentebestuur voornemens is het gebruik te beëindigen door verwerving van de gronden. Gelet hierop stond het de raad niet vrij het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat dient te worden bezien of een maatbestemming kan worden opgenomen. Aldus is het niet uitgesloten dat een maatbestemming mogelijk is. Het had op de weg van de raad gelegen om voor de vaststelling van het plan te bezien of voor bedoeld recreatief gebruik van de gronden een maatbestemming of een andere passende regeling in het plan had kunnen worden opgenomen.

Door bedoeld recreatief gebruik van de gronden opnieuw onder het algemene overgangsrecht te brengen zonder na te gaan of daarvoor een andere regeling in het plan had kunnen worden opgenomen, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen en in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.

Het betoog slaagt.

92. In hetgeen [appellant sub 50] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het perceel [locatie 24] te Heeswijk-Dinther, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

92.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

93. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 5]

94. Het betoog van [appellant sub 5] dat het bestemmingsplan niet voldoet aan de SVBP 2008 omdat de naamgeving van de bestemmingen niet eenduidig is, faalt onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 81.2 en 81.3.

95. [ appellant sub 5] kan zich niet verenigen met de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van zijn perceel [locatie 25] te Heeswijk-Dinther. Hij voert aan dat de raad ten onrechte een afstand van 1.000 m hanteert tussen kernen en intensieve veehouderijen, waarbinnen een uitbreiding van het bouwvlak van een intensieve veehouderij niet is toegestaan. Hierdoor worden de uitbreidingsmogelijkheden van zijn bedrijf vergaand beperkt. Hij betoogt - kort gezegd - dat een deugdelijke onderbouwing van deze afstand ontbreekt.

95.1. Aan het perceel [locatie 25] zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak", "milieuzone - 1000m kernen" en "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" toegekend. Daarnaast rust op het zuidwestelijke deel van het perceel de aanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied", op het oostelijke deel van het perceel de aanduiding "wro-zone - recreatie-ontwikkelingsgebied" en op de zuidelijke punt van het perceel de aanduiding "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, die relevant zijn voor het leefgebied van de dassen;

(…);

e. agrarisch grondgebruik;

f. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf');

(…).

Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.2, onder g, is ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' vergroting van de bestaande oppervlakte bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij niet toegestaan.

Ingevolge lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder c, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een 'duurzame locatie intensieve veehouderij' en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als 'milieuzone - 250m cluster woningen' en 'milieuzone - 1000m kernen';

3. de oppervlakte van het bouwvlak, mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

(…).

95.2. Het perceel [locatie 25] ligt op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een extensiveringsgebied.

Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat nieuwvestiging en hervestiging van intensieve veehouderij, omschakeling naar intensieve veehouderij alsmede uitbreiding van bestaande intensieve veehouderij niet zijn toegestaan.

95.3. Gelet op de ligging van het perceel in een extensiveringsgebied waar uitbreiding ingevolge artikel 9.2 van de Verordening 2012 niet is toegestaan, heeft de raad terecht in navolging hiervan in het plan niet voorzien in uitbreidingsmogelijkheden voor de intensieve veehouderij op het perceel van [appellant sub 5]. Het betoog dat de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf ten onrechte worden beperkt in het plan, faalt.

96. [ appellant sub 5] kan zich niet verenigen met artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.1, van de planregels, op grond waarvan een omgevingsvergunning is vereist voor de daar genoemde werken en werkzaamheden. Hij betoogt dat de normale bedrijfsvoering van zijn agrarische bedrijf hierdoor vergaand wordt belemmerd.

96.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.1, van de planregels, voor zover van belang, is het verboden zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

c. het afgraven;

d. het ophogen;

e. het vergraven;

f. het diepploegen en -woelen;

g. het egaliseren;

h. het indrijven van voorwerpen in de grond;

i. het aanleggen van drainage;

j. het aanleggen van onderbemaling;

k. het aanleggen, verbreden of verbeteren van sloten en greppels;

l. het dempen van sloten of greppels;

m. het aanbrengen van oeverbeschoeiingen;

n. het rooien van houtgewas;

o. het aanplanten van houtgewas (anders dan ten behoeve van een boomkwekerij);

p. het omzetten van grasland in bouwland;

q. het omzetten van grasland in boomkwekerij of sierteeltgrond;

r. het aanbrengen van verhardingen groter dan 200 m2;

s. het aanbrengen van verhardingen op wegen en (fiets)paden;

t. het aanbrengen van ondergrondse leidingen;

u. het gebruik van afdekmaterialen en lage tunnels.

Ingevolge lid 6.7, onder 6.7.2, is het in 6.7.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a. uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak;

b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

Ingevolge lid 6.7, onder 6.7.4 is uitvoering van de in 6.7.1 genoemde werken of werkzaamheden in strijd met de bestemming, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden.

Ingevolge lid 6.7, onder 6.7.5, worden onder de in 6.7.4 genoemde waarden verstaan:

f. ten aanzien van de in 6.7.1, onder c, d, e, f, g, h, n, o, p, q, r, s, t en u genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van dassenleefgebied, bepaald door:

1. burchten,

2. gelijkblijvende grondwaterstand,

3. afwisselend landschap met droog bos, lijnvormige elementen, natte graslanden, ontbreken van barrières.

96.2. In het deskundigenbericht staat dat de gronden van [appellant sub 5] aan de oostzijde grenzen aan een klein bosgebied met daarin een waterplas. Volgens [appellant sub 5] zijn in dat bosgebied dassen aanwezig en worden de gronden gebruikt als foerageergebied. Verder staat in het deskundigenbericht dat [appellant sub 5] de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" gebruiken als grasland en als akkerbouwland voor de teelt voor mais.

96.3. De raad heeft in artikel 6, lid 6.7, onder 6.7.2, van de planregels voorzien in uitzonderingen op de vergunningplicht, onder meer voor werkzaamheden die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen. [appellant sub 5] heeft niet onderbouwd waarom hij desondanks in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt. De Afdeling ziet in het summiere betoog van [appellant sub 5] geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de bedrijfsbelangen van [appellant sub 5] bij het opnemen van het aan de agrarische bestemming gekoppelde omgevingsvergunningstelsel ter bescherming van dassen. Het betoog faalt.

97. [ appellant sub 5] voert aan dat het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 25] deels de aanduiding "wro-zone- recreatie-ontwikkelingsgebied" heeft en deels de aanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied". Hij betoogt dat hierdoor de onwenselijke situatie is ontstaan dat twee planologische regimes van toepassing zijn op het bouwvlak. Hij voert aan dat uit het bestreden besluit volgt dat de verbeelding op dit punt zou worden aangepast.

Daarnaast betoogt [appellant sub 5] dat zijn gronden ten onrechte zijn voorzien van de aanduidingen "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" en "wro-zone - ecologische verbindingszone".

97.1. In de Nota van Zienswijzen, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, staat dat het verwarrend is dat zowel de aanduiding "wro-zone- recreatie-ontwikkelingsgebied" als de aanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied" is toegekend aan het perceel. Het zou logisch zijn om uitsluitend de aanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied" op te nemen, zo staat in de Nota van Zienswijzen. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging niet is verwerkt op de vastgestelde verbeelding. Hetgeen [appellant sub 5] aanvoert, geeft daarom aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien in zoverre zijn vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt.

97.2. In het deskundigenbericht staat dat ter plaatse van de beek de Leijgraaf aan een zone van ongeveer 50 m breed de aanduidingen "wro-zone - natuurontwikkelingsgebied" en "wro-zone - ecologische verbindingszone" zijn toegekend. Uit artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder q en o, van de planregels volgt dat de gronden hiermee mede zijn bestemd voor natuurontwikkeling en de verwezenlijking, het behoud en beheer van een ecologische verbindingszone. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijfsvoering onevenredig wordt beperkt vanwege deze aanduidingen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze aanduidingen aan de gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

98. [ appellant sub 5] betoogt dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor zijn perceel [locatie 25] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de archeologische waarden van deze gronden en dat het onduidelijk is waarop de toekenning van deze bestemmingen is gebaseerd. Voorts is onduidelijk waarom juist binnen het bouwvlak een hogere verwachtingswaarde ligt dan daarbuiten. Het vergunningstelsel is rechtsonzeker, omdat het onduidelijk is hoe wordt omgegaan met een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouw van een gebouw op gronden waaraan gedeeltelijk deze drie dubbelbestemmingen zijn toegekend. Voorts leiden de dubbelbestemmingen tot onnodige beperkingen.

98.1. Voor een weergave van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

98.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 5] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met, onderscheidenlijk, zeer hoge archeologische waarde, hoge archeologische waarde en verwachting en middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 25], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemmingen bebouwing staat. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

98.3. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 5] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

98.4. Aangezien de regels die van toepassing zijn op de bestemming "Waarde - Archeologie 3" minder verstrekkend zijn dan de regels die van toepassing zijn op de bestemmingen "Waarde - Archeologie 2" onderscheidenlijk "Waarde - Archeologie 1", is strijdigheid tussen de regelingen uitgesloten. Er bestaat om die reden geen grond voor het oordeel dat de planregeling op dit punt zo onduidelijk is dat deze in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel moet worden geacht. Het betoog faalt.

98.5. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemmingen tot onnodige beperkingen leiden, wordt als volgt overwogen.

Met inachtneming van het voorgaande onder 3.4 dienen de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad te worden aangepast, in die zin dat het in lid 18.2, onder 18.2.1, lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1, van de planregels genoemde rapport niet behoeft te worden opgesteld indien ook anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk. Voorts dient het bepaalde in lid 18.3, onder 18.3.3, sub c, lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, van de planregels te worden aangepast, in die zin dat ook anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van werken en/of werkzaamheden.

Het betoog slaagt.

99. Behoudens het voorgaande onder 98.5 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemmingen leiden tot een onevenredige belemmering. Het betoog faalt.

100. In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "wro-zone - recreatie-ontwikkelingsgebied" die is toegekend aan het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" ter plaatse van het perceel [locatie 25], is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

In hetgeen [appellant sub 5] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 25], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 5] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 18.2, onder 18.2.1, lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 18.3, onder 18.3.3, sub c, lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

101. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

102. De raad dient ten aanzien van dit beroep in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 20]

103. Het beroep van [appellante sub 20] heeft betrekking op het perceel [locatie 26] te Nistelrode, waar zij een intensieve veehouderij exploiteert. [appellante sub 20] betoogt dat ten onrechte de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" op haar perceel rust. Hiertoe voert zij aan dat een deugdelijke onderbouwing van de gehanteerde afstand van 1.000 m tussen intensieve veehouderijen en een kern ontbreekt. Er is geen onderzoek gedaan naar de gezondheidseffecten vanwege intensieve veehouderijen. Dat onrust is ontstaan over de gezondheidsrisico’s is volgens haar onvoldoende om in een bestemmingsplan te voorzien in ingrijpende beperkingen voor intensieve veehouderijen. [appellante sub 20] betoogt voorts dat in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, van de planregels ten onrechte de voorwaarde is gesteld dat voor de uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij een positief advies van de GGD moet worden uitgebracht. Zij acht de GGD in deze kwesties niet objectief en daarom niet de juiste instantie om advies uit te brengen. Daarnaast kan [appellante sub 20] zich niet verenigen met de voorwaarde in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder b, dat een landschappelijke inpassing met een oppervlakte van 10% van het bouwvlak is vereist voor een vormverandering van een bouwvlak. [appellante sub 20] betoogt verder dat gebreken kleven aan het milieueffectrapport (hierna: plan-MER). Hiertoe voert zij aan dat de aanvullende criteria voor de beoordeling van duurzame locaties ontbreken in het plan-MER en dat de milieueffecten onvoldoende zijn onderzocht.

103.1. Aan het perceel [locatie 26] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "milieuzone - 1000m kernen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’).

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

3. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

(…);

6. een individuele Gezondheidseffectscreening wordt uitgevoerd indien de afstand tot het functietype 'wonen', 'specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte' en 'specifieke vorm van wonen - beperkte inhoudsmaat' minder dan 250 m bedraagt, waaruit dient te blijken dat de risico's voor de volksgezondheid aanvaardbaar zijn.

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder b, onder 4, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en vormverandering van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf toestaan, onder de voorwaarde dat uit een inrichtingsplan moet blijken dat een goede ruimtelijke uitstraling gewaarborgd is. Een landschappelijke inpassing met een oppervlakte van minimaal 10% van het bouwvlak is vereist.

103.2. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

103.3. In het deskundigenbericht staat dat het bouwvlak een omvang van 1,6 ha heeft. De wijzigingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, van de planregels, onder toepassing waarvan het bouwvlak tot maximaal 1,5 ha kan worden vergroot, kan daarom geen toepassing vinden voor het perceel van [appellante sub 20]. De aan deze wijzigingsbevoegdheid gekoppelde voorwaarde dat een gezondheidseffectscreening moet worden uitgevoerd, is daarom evenmin van toepassing. Dit betoog blijft dan ook buiten bespreking.

103.4. De voorwaarde in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder b, onder 4, van de planregels, dat een landschappelijke inpassing is vereist bij vormverandering van een bouwvlak, heeft de raad gesteld om te voldoen aan de bepaling in artikel 2.2 van de Verordening 2012 dat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet bijdragen aan kwaliteitsverbetering. Ook heeft de raad in aanmerking genomen dat middels een vormverandering van een bouwvlak ruimte kan worden gecreëerd voor nieuwe bebouwing, wat een aanzienlijke invloed kan hebben op de omgeving. In de niet nader onderbouwde stelling van [appellante sub 20] ziet de Afdeling geen aanleiding om deze voorwaarde onredelijk te achten. Het betoog faalt.

103.5. Ten behoeve van het plan is een plan-MER opgesteld en een aanvulling daarop, "Bestemmingsplan buitengebied Bernheze, aanvulling op het milieueffectrapport" van 30 mei 2012 (hierna: de aanvulling), door het onderzoeksbureau Arcadis. In de aanvulling zijn de effecten beoordeeld van de beperkingen die in het vastgestelde plan ten opzichte van het ontwerpplan zijn aangebracht ten aanzien van intensieve veehouderijen. Hierbij is rekening gehouden met de keuze van de raad om binnen 1.000 m van kernen en 250 m van een cluster van woningen geen uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij toe te staan. Het betoog van [appellante sub 20] dat met deze keuze van de raad ten onrechte geen rekening is gehouden in het plan-MER, faalt derhalve.

In het plan-MER en de aanvulling zijn de effecten van de in het plan geboden mogelijkheden voor intensieve veehouderijen onderzocht op de volgende aspecten: geurhinder, ammoniak en natuur, zwevende deeltjes (PM10), geluid, verkeer, water en bodem, landschap, cultuurhistorie en archeologie. In de niet nader onderbouwde stelling van [appellante sub 20] V.O.F. ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de milieueffecten onvoldoende zijn onderzocht.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog dat gebreken kleven aan het plan-MER.

104. [appellante sub 20] betoogt dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor het perceel [locatie 26] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de raad hieraan geen gedegen archeologisch onderzoek ten grondslag heeft gelegd.

104.1. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellante sub 20] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met, onderscheidenlijk, hoge archeologische waarde en verwachting en middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 26], waaraan grotendeels de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en voor het overige gedeelte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

104.2. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellante sub 20] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

105. In hetgeen [appellante sub 20] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 26] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. In hetgeen [appellante sub 20] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 26], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

106. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 27]

107. [appellant sub 27] kan zich niet verenigen met de omvang van 1 ha van het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 27] te Vorstenbosch, waar hij een agrarisch bedrijf exploiteert. Hij voert aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2002, in zaak nr. 199901372/1 (www.raadvanstate.nl), ten aanzien van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", volgt dat een bouwvlak van 1,25 ha aan zijn perceel moet worden toegekend. De noodzaak hiertoe volgt volgens hem ook uit een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen van 18 april 2005. [appellant sub 27] betoogt dat de raad in strijd met het toentertijd geldende artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geen gevolg heeft gegeven aan voormelde uitspraak. Onder verwijzing naar de voorgeschiedenis, stelt hij dat deze nalatigheid met zich brengt dat hij recht heeft op uitbreidingsruimte. In het voorliggende plan had daarom alsnog een bouwvlak met een omvang van 1,25 ha moeten worden opgenomen, aldus [appellant sub 27]. [appellant sub 27] kan zich om dezelfde redenen niet verenigen met artikel 3, lid 3.2.2, onder g, van de planregels, waarin is bepaald dat vergroting van de bestaande bebouwing niet is toegestaan. Volgens hem is het, gelet op de voorgeschiedenis, aan de raad te wijten dat hij de mogelijkheid voor vergroting van de bebouwing van intensieve veehouderijen die is opgenomen in artikel 9.2, eerste lid, sub c, van de Verordening 2012 niet heeft kunnen benutten. Als de raad het bestemmingsplan wél had aangepast in navolging van voormelde uitspraak van de Afdeling, was de aanvraag om bouwvergunning die [appellant sub 27] op 30 september 2010 had ingediend in overeenstemming geweest met dat bestemmingsplan en had hij voormelde mogelijkheid kunnen benutten.

Voorts betoogt [appellant sub 27] dat de dubbelbestemming "Waterstaat - beschermingszone watergang" zijn uitbreidingsmogelijkheden beperkt, omdat ter plaatse niet mag worden gebouwd.

107.1. Aan het perceel [locatie 27] zijn de bestemming "Agrarisch" en, voor de westelijke strook van het perceel, de dubbelbestemming "Waterstaat - beschermingszone watergang" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak", "milieuzone - 1000m kernen" en "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

(…).

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.2, onder g, is ter plaatse van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" vergroting van de bestaande oppervlakte aan bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij niet toegestaan.

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.2, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

3. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

(…).

Ingevolge artikel 24, lid 24.1, zijn de voor "Waterstaat - beschermingszone watergang" aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming (basisbestemming), met voorrang mede bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang.

Ingevolge lid 24.2 mag op de voor "Waterstaat - beschermingszone watergang" aangewezen gronden niet worden gebouwd.

Ingevolge lid 24.3 kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 24.2 en worden toegestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de (basis)bestemming.

107.2. Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat:

a. nieuwvestiging en hervestiging van intensieve veehouderij, omschakeling naar intensieve veehouderij alsmede uitbreiding van bestaande intensieve veehouderij niet zijn toegestaan;

(…);

c. de bebouwing voor intensieve veehouderij ten hoogste een zodanige omvang heeft dat deze overeenkomt met de bebouwing ten behoeve van een intensieve veehouderij welke op 1 oktober 2010 aanwezig of in uitvoering was, gebouwd mag worden krachtens een verleende vergunning dan wel gebaseerd is op een vóór 1 oktober 2010 ingediende volledige en ontvankelijke bouwaanvraag in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan per 1 oktober 2010.

107.3. In het deskundigenbericht staat dat het bouwvlak plaatse van het perceel [locatie 27] een omvang heeft van ongeveer 1 ha.

107.4. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied", dat is vastgesteld op 19 november 1998, was ter plaatse van het perceel een bouwvlak met een omvang van 0,7 ha opgenomen. In de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2002, in zaak nr. 199901372/1 (www.raadvanstate.nl), waarin het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" aan de orde was, is over de omvang van het bouwvlak het volgende overwogen:

"De Afdeling stelt vast dat volgens de door de gemeente gehanteerde methode van bouwvlaktoekenning een standaardbouwvlak van 1 hectare uitgangspunt is. Niet aangegeven is waarom in dit geval is afgeweken van dit uitgangspunt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gronden van appellante blijkens de stukken geen bijzondere landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden hebben. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerders op basis van een ontoereikende motivering goedkeuring hebben verleend aan dit planonderdeel."

Het college van gedeputeerde staten heeft vervolgens bij besluit van 15 juli 2003 goedkeuring onthouden aan het besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied" van 3 april 2002, onder meer voor zover het betrof de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" ter plaatse van het perceel [locatie 27].

De raad heeft vervolgens niet voldaan de in artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening neergelegde verplichting een nieuw plan vast te stellen, indien aan een eerder vastgesteld bestemmingsplan (gedeeltelijk) goedkeuring is onthouden.

107.5. Uit voormelde uitspraak en voormeld besluit volgt uitsluitend dat de omvang van 0,7 ha van het bouwvlak dat in het voorheen geldende bestemmingsplan was opgenomen onvoldoende was gemotiveerd, gelet op de standaardmaat van 1 ha die de raad had gehanteerd bij het toekennen van agrarische bouwvlakken. De vraag of een bouwvlak met een omvang van 1,25 ha aan het perceel moet worden toegekend, heeft in die procedure niet ter beoordeling gestaan. Anders dan [appellant sub 27] stelt, volgt uit voormelde uitspraak en voormeld besluit van het college van gedeputeerde staten daarom niet reeds dat een bouwvlak van 1,25 ha moet worden toegekend aan het perceel.

Op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" ligt het perceel [locatie 27] in een extensiveringsgebied. Uit artikel 9.2, eerste lid, van de Verordening 2012 volgt dat uitbreiding van een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied niet is toegestaan. Het toekennen van een bouwvlak van 1,25 ha om ruimte te bieden voor het uitbreiden van de intensieve veehouderij van [appellant sub 27], is in strijd is met die bepaling.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding gezien om een bouwvlak met een omvang van 1,25 ha toe te kennen. Het betoog faalt.

107.6. Naar aanleiding van voormelde uitspraak van de Afdeling heeft de raad een bouwvlak met een omvang van ongeveer 1 ha aan het perceel toegekend. Binnen dit bouwvlak is ruimte om de bestaande bebouwing uit te breiden. Evenwel is uitbreiding van de bestaande bebouwing vanwege de ligging in een extensiveringsgebied op grond van artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Verordening 2012 niet toegestaan. Vaststaat dat [appellant sub 27] vóór 1 oktober 2010 een aanvraag om bouwvergunning voor het uitbreiden van de bedrijfsbebouwing had ingediend. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat hij gelet op de voorgeschiedenis bereid is om medewerking te verlenen aan een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing binnen het toegekende bouwvlak en dat hij welwillend is het provinciebestuur te verzoeken of in dit geval een afwijking van artikel 9.2 van de Verordening alsnog mogelijk is. Gelet op dit standpunt van de raad is de Afdeling van oordeel dat het plan op dit punt niet met de daarbij vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. Het betoog slaagt.

107.7. De dubbelbestemming "Waterstaat - beschermingszone watergang" is toegekend aan een strook van ongeveer 5 m breed over de gehele lengte van de westzijde van het bouwvlak, grenzend aan een watergang. De dubbelbestemming is toegekend om onder meer het beheer van de watergang en de oevers daarvan mogelijk te maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hieraan in redelijkheid een groter belang kunnen toekennen dan aan het belang dat [appellant sub 27] heeft bij de mogelijkheid om de op zijn perceel toegestane bebouwing ook ter plaatse van de strook met de dubbelbestemming te kunnen bouwen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bouwvlak een breedte heeft van ongeveer 49 m en een lengte van ongeveer 200 m, zodat voldoende ruimte voor bebouwing resteert binnen het bouwvlak. Het betoog faalt.

108. In hetgeen [appellant sub 27] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, onder g, van de planregels, voor zover dit artikel van toepassing is voor het perceel [locatie 27], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

109. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

110. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 10]

111. [appellante sub 10] kan zich niet verenigen met de omvang van het bouwvlak dat is toegekend ter plaatse van het perceel [locatie 28]-[locatie 29] te Nistelrode. Zij betoogt dat de omvang van het bouwvlak moet worden vergroot tot 2,5 ha, zodat zij haar varkenshouderij kan uitbreiden. Zij betoogt dat haar concrete uitbreidingsplan ten onrechte niet in het plan is verwerkt. Zij voert aan dat het college van gedeputeerde staten een ontheffing als bedoeld in artikel 9.6 van de toentertijd geldende provinciale verordening heeft verleend voor een vergroting van het bouwvlak. Ook voert zij aan dat het college van burgemeester en wethouders in 10 juni 2008 principemedewerking aan het uitbreidingsplan heeft toegezegd en een milieuvergunning heeft verleend. [appellante sub 10] voert daarnaast aan, onder verwijzing naar een brief van 28 november 2007 van het college van burgemeester en wethouders, dat de raad zich uitdrukkelijk heeft geconformeerd aan het beleid dat in het reconstructieplan Maas en Meierij is neergelegd ten aanzien van uitbreidingen van intensieve veehouderijen. Ook betoogt [appellante sub 10] dat geen planologische beletselen bestaan voor de gewenste uitbreiding. Zij wijst er in dit verband op, onder verwijzing naar de uitspraak van 5 oktober 2011, in zaak nr. 201000256/1/R2 (www.raadvanstate.nl), dat reeds een milieuvergunning voor haar uitbreidingsplan is verleend. Zij betoogt recht te hebben op de uitbreiding en stelt dat zij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op toezeggingen van het gemeentebestuur.

[appellante sub 10] betoogt verder dat ten onrechte de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" aan haar perceel is toegekend. Hiertoe voert zij aan dat het perceel in een verwevingsgebied ligt en als duurzame locatie kan worden aangemerkt.

111.1. De raad brengt naar voren dat hij op 30 maart 2011 heeft besloten om geen ontheffingen als bedoeld in artikel 9.6 van de toentertijd geldende provinciale verordening aan te vragen bij het provinciebestuur, omdat de raad het niet wenselijk achtte om mee te werken aan het vergroten van bouwvlakken van intensieve veehouderijen tot boven 1,5 ha. Op last van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft de raad alsnog voor acht ‘knelgevallen’ een ontheffing aangevraagd. De raad stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is om de ontheffingen die toen zijn verleend in het plan te verwerken en acht, onder verwijzing naar het besluit van 30 maart 2011, het verlenen van medewerking aan een uitbreiding van het bouwvlak niet wenselijk vanwege het gewijzigde provinciale en gemeentelijke beleid ten aanzien van intensieve veehouderijen.

111.2. Aan het perceel [locatie 28]-[locatie 29], waar [appellante sub 10] een varkenshouderij exploiteert, zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "milieuzone - 1000m kernen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

(…).

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.2, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

(…).

111.3. Het college van gedeputeerde staten heeft op 19 maart 2010 een voorbereidingsbesluit genomen dat is gericht op het beperken van ontwikkelingen in de intensieve veehouderij met het oog op de toentertijd in voorbereiding zijnde "Verordening ruimte Noord-Brabant, fase 1", die in werking is getreden op 1 juni 2010. Bij brief van 26 juli 2010 heeft het college van gedeputeerde staten aan gemeenten gevraagd om een inventarisatie van zogenaamde autonome ontwikkelingen op bestaande locaties die door de inwerkingtreding van voormelde verordening geen doorgang meer zouden kunnen vinden. Het college van burgemeester en wethouders van Bernheze heeft in reactie op die brief acht zogenoemde knelgevallen doorgegeven, waaronder het uitbreidingsplan van [appellante sub 10].

111.4. In de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011), die in werking is getreden op 1 maart 2011, is in artikel 9.6 voorzien in een ontheffingsmogelijkheid van het in artikel 9.3, eerste lid, onder d, opgenomen verbod op uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij die in verwevingsgebied ligt tot meer dan 1,5 ha. Om een dergelijke ontheffing te kunnen verkrijgen, diende vóór 1 april 2011 een daartoe strekkende aanvraag door de gemeenteraad te worden ingediend.

111.5. Op 30 maart 2011 heeft de raad besloten om geen aanvragen om ontheffingen als bedoeld in artikel 9.6 van de Verordening 2011 in te dienen voor de knelgevallen. De raad heeft hiertoe besloten vanwege de volgende redenen:

- de ‘lopende zaken’ zijn in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied 1998", dat uitbreiding van bouwvlakken van intensieve veehouderijen tot maximaal 1,5 ha toestaat;

- de provinciale verordening beperkt de uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen;

- het gemeentelijke beleid zou worden gewijzigd: uitbreidingen groter dan 1,5 ha worden niet meer toegestaan.

111.6. Onder meer [appellante sub 10] heeft vervolgens de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch verzocht om de gemeenteraad op te dragen om een ontvankelijke aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 9.6 van de Verordening 2011 in te dienen bij het college van gedeputeerde staten. De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij uitspraak van 31 maart 2011 toegewezen. Hieraan heeft de raad gevolg gegeven.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het college van gedeputeerde staten ontheffing van artikel 9.3 van de Verordening 2011 verleend voor de uitbreiding van een bouwblok van de intensieve veehouderij tot een totale omvang van maximaal 2,5 ha op het adres [locatie 28]-[locatie 29] te Nistelrode.

111.7. In het plan is een bouwvlak met een omvang van 1,9 ha, dezelfde omvang als in het voorheen geldende plan, toegekend aan het perceel. Het bouwvlak is geheel bebouwd en biedt derhalve geen ruimte voor de bouw van de door [appellante sub 10] gewenste nieuwe stal.

111.8. De raad stelt terecht dat de Wro noch de provinciale verordening verplicht tot het vaststellen van een bestemmingsplan dat voorziet in een regeling waarmee gevolg wordt gegeven aan de verleende ontheffing. Dit laat evenwel onverlet dat de raad hiertoe wel bevoegd is.

Met de stelling, onder verwijzing naar het besluit van 30 maart 2011, dat de uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen in de provinciale verordening zijn beperkt, gaat de raad eraan voorbij dat in de Verordening 2011 was voorzien in een ontheffingsmogelijkheid van het verbod op vergroting van het bouwvlak boven 1,5 ha, om ervoor zorg te dragen dat reeds lopende trajecten voor uitbreidingen van intensieve veehouderijen niet in de knel zouden komen door het gewijzigde, strengere provinciale beleid. Deze overgangsregeling in de Verordening 2011 brengt met zich dat van een ontheffing die is verleend voor een lopend traject ook gebruik kan worden gemaakt na inwerkingtreding van de Verordening 2012.

Bij de vaststelling van het plan heeft de raad geen afweging gemaakt ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een uitbreiding van de intensieve veehouderij van [appellante sub 10] met één stal, zoals de raad ter zitting heeft erkend. Met de enkele verwijzing naar het gewijzigde gemeentelijke beleid ten aanzien van intensieve veehouderijen, heeft de raad onvoldoende gemotiveerd, gelet op de omstandigheden van dit geval, dat de uitbreiding onwenselijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat één van de voorwaarden voor het verlenen van de ontheffing door het provinciebestuur is dat het aan de orde zijnde perceel een duurzame locatie als bedoeld in de Verordening 2011 betreft en dat uit het besluit van het college van gedeputeerde staten blijkt dat aan die voorwaarde is voldaan. Voor zover de raad een uitbreiding van de intensieve veehouderij onwenselijk acht vanwege de vrees voor risico’s voor de volksgezondheid, volgt uit hetgeen is overwogen onder 5.4 dat deze motivering onvoldoende is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het perceel op een afstand van ongeveer 880 m van de kern Nistelrode ligt. Ook wordt daarbij in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht staat dat met de uitbreiding een gesloten bedrijfsstructuur ontstaat waarbij geen transport van biggen van en naar elders meer hoeft plaats te vinden. Bij een gesloten bedrijf bestaat minder kans op insleep van zoönosen, omdat er geen dieren van andere bedrijven worden aangevoerd, zo staat in het GES.

Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de omvang van het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 28]-[locatie 29] niet berust op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

111.9. Ten aanzien van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" die op een deel van het perceel rust, wordt overwogen dat, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, het toekennen van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel niet berust op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

112. [appellante sub 10] betoogt dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor het perceel [locatie 28]-[locatie 29] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de raad hieraan geen gedegen archeologisch onderzoek ten grondslag heeft gelegd. Door de in het verleden gedane bodemingrepen is het niet aannemelijk dat ter plaatse nog archeologische resten aanwezig zijn.

112.1. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellante sub 10] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met, onderscheidenlijk, hoge archeologische waarde en verwachting en middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 28]-[locatie 29], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en voor het overige gedeelte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

112.2. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellante sub 10] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

113. In hetgeen [appellante sub 10] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduidingen "bouwvlak" en "milieuzone - 1000m kernen" die zijn toegekend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 28]-[locatie 29] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

In hetgeen [appellante sub 10] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 28]-[locatie 29] te Nistelrode, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

114. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

115. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

Het beroep van [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A]

116. [appellant sub 30B] exploiteert een melkgeitenhouderij op het perceel [locatie 30] te Vinkel. Hij betoogt dat de zonering van het verwevingsgebied ten onrechte ontbreekt op de verbeelding. [appellant sub 30B] betoogt daarnaast dat ten onrechte een afstand van 1.000 m tussen kernen en intensieve veehouderijen wordt aangehouden in het plan, waarbinnen uitbreiding van een intensieve veehouderij niet is toegestaan. [appellant sub 30B] betoogt voorts dat de bepaling in artikel 6, lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder c, sub 6, van de planregels dat een gezondheidseffectscreening moet worden uitgevoerd bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor het uitbreiden van een bouwvlak van een intensieve veehouderij leidt tot overbodige en onnodige administratieve lasten. Daarnaast voert [appellant sub 30B] aan dat in de Verordening 2012 is bepaald dat het bouwvlak van een intensieve veehouderij in verwevingsgebied mag uitbreiden tot 1,5 ha. Hij betoogt dat deze uitbreidingsmogelijkheid ten onrechte en zonder een deugdelijke motivering in artikel 6, lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder c, onder 3, van de planregels is beperkt tot 25% van 1,5 ha.

116.1. Aan het perceel [locatie 30] zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, die relevant zijn voor het leefgebied van de dassen;

(…);

e. agrarisch grondgebruik;

f. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’).

(…).

Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.1, onder i, is vergroting van de bebouwing ten behoeve van een geiten- of schapenhouderij, welke op de peildatum 12 december 2009 aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een onherroepelijk verleende vergunning, niet toegestaan.

Ingevolge lid 6.4, onder 6.4.1, aanhef en onder i, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 6.2.1, onder i, voor het bouwen ten behoeve van een geiten- of schapenhouderij, onder de voorwaarde dat het verbod in de Verordening ruimte Noord-Brabant is komen te vervallen.

Ingevolge lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder c, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarde dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

3. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

(…);

6. een individuele Gezondheidseffectscreening wordt uitgevoerd indien de afstand tot het functietype "wonen" en "specifieke vorm van wonen - beperkte inhoudsmaat" minder dan 250 m bedraagt (…).

(…).

116.2. Het perceel [locatie 30] ligt op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een verwevingsgebied.

Ingevolge artikel 9.3, aanhef en eerste lid, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

116.3. De Afdeling verwijst met betrekking tot het punt dat het verwevingsgebied op de verbeelding ontbreekt naar hetgeen is overwogen onder 24.4. Het betoog faalt.

116.4. Uit artikel 6, lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder c, punt 2, van de planregels volgt dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor het uitbreiden van een bouwvlak van een intensieve veehouderij niet is toegestaan ter plaatse van de aanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" of "milieuzone - 250m cluster woningen". Het perceel [locatie 30] is niet voorzien van deze aanduidingen. Het betoog van [appellant sub 30B] dat hij beperkingen zal ondervinden vanwege het verbod op uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij binnen 1.000 m van een kern, mist feitelijke grondslag.

116.5. In een straal van 250 m rondom het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 30] zijn geen plandelen met de aanduiding "wonen" of "specifieke vorm van wonen - beperkte inhoudsmaat" op de verbeelding opgenomen. De bepaling in artikel 6, lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder c, sub 6, van de planregels dat een gezondheidseffectscreening moet worden uitgevoerd, is derhalve niet van toepassing voor het perceel. Het betoog van [appellant sub 30B] dat deze bepaling voor hem leidt tot overbodige en onnodige administratieve kosten, mist feitelijke grondslag.

116.6. Gelet op hetgeen is overwogen onder 24.5 en 24.5.1, faalt het betoog dat in artikel 6, lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder c, sub 3, van de planregels in strijd met de Verordening 2012 een beperking is gesteld aan een uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij.

117. [appellant sub 30A] exploiteert een melkkoeienhouderij op het perceel [locatie 31] te Vinkel. [appellant sub 30A] betoogt dat in artikel 6, lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder a, van de planregels ten onrechte de voorwaarde wordt gesteld dat een landschappelijke inpassing met een oppervlakte van 10% van het bouwvlak is vereist voor een vormverandering van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf.

117.1. Aan het perceel [locatie 31] zijn de bestemming "Agrarisch - Leefgebied dassen" toegekend en de aanduidingen "agrarisch bedrijf" en "bouwvlak".

In artikel 6 zijn bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de bestemming "Agrarisch - Leefgebied dassen".

Ingevolge artikel 6, lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder a, sub 4, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouder het plan wijzigen en vormverandering van een agrarisch bedrijf toestaan, onder de voorwaarde dat uit een inrichtingsplan moet blijken dat een goede ruimtelijke uitstraling gewaarborgd is. Een landschappelijke inpassing met een oppervlakte van minimaal 10% van het bouwvlak is vereist.

117.2. De voorwaarde in artikel 6, lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onder a, sub 4, van de planregels heeft de raad gesteld om te voldoen aan de bepaling in de Verordening 2012 dat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet bijdragen aan kwaliteitsverbetering. Ook heeft de raad in aanmerking genomen dat door een vormverandering van een bouwvlak ruimte kan worden gecreëerd voor nieuwe bebouwing, wat een aanzienlijke invloed kan hebben op de omgeving. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 30A] naar voren brengt geen aanleiding om deze voorwaarde onredelijk te achten. Dat de Verordening 2012 geen soortgelijke bepaling bevat, laat onverlet dat de raad in een bestemmingsplan daarin in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel kan voorzien. Het betoog faalt.

118. [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" voor hun gronden. [appellant sub 30A] kan zich evenmin verenigen met de bestemming "Agrarisch met waarden - Struweelvogels" voor een deel van zijn gronden. Zij voeren aan dat hun bedrijfsvoering wordt beperkt door deze bestemmingen en de daarbij behorende aanlegvergunningenstelsels. Zij wijzen erop dat in de Verordening 2012 niet is voorzien in specifieke regels ter bescherming van struweelvogels en dassen. [appellant sub 30B] betoogt dat de bepaling dat voor werkzaamheden die behoren tot het normale onderhoud en/of de normale exploitatie geen omgevingsvergunning voor aanleggen is vereist rechtsonzeker is, omdat onduidelijk is welke werkzaamheden daaronder worden verstaan.

118.1. Aan de gronden van [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" toegekend. Daarnaast is aan een deel van de gronden van [appellant sub 30A] de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aangewezen gronden bestemd voor

a. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, die relevant zijn voor het leefgebied van de dassen;

(…)

e. agrarisch grondgebruik;

f. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf');

2. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf' en tevens ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij'(functietype 'agrarisch bedrijf');

(…).

Ingevolge lid 6.7, onder 6.7.1, is het verboden zonder een omgevingsvergunning de in a tot en met u opgesomde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren.

Ingevolge lid 6.7, onder 6.7.2, is het in 6.7.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a. uitgevoerd worden binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak;

b. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

Ingevolge lid 6.7, onder 6.7.4 is uitvoering van de in 6.7.1 genoemde werken of werkzaamheden in strijd met de bestemming, indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden.

Ingevolge lid 6.7, onder 6.7.5, worden onder de in 6.7.4 genoemde waarden verstaan:

f. ten aanzien van de in 6.7.1, onder c, d, e, f, g, h, n, o, p, q, r, s, t en u genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden van dassenleefgebied, bepaald door:

1. burchten,

2. gelijkblijvende grondwaterstand,

3. afwisselend landschap met droog bos, lijnvormige elementen, natte graslanden, ontbreken van barrières.

118.2. Het betoog dat de bepaling dat werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen zijn uitgezonderd van de vergunningplicht rechtsonzeker is, faalt. Het begrip "normale onderhoud en/of de normale exploitatie" is een gebruikelijk begrip en daarnaast is het begrip "normale onderhoudswerkzaamheden" in artikel 1, onder 1.67, van de planregels gedefinieerd.

118.3. De omstandigheid dat in de Verordening 2012 geen bepalingen zijn opgenomen ter bescherming van dassen en struweelvogels, brengt niet met zich dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen regels daaromtrent mag opnemen in een bestemmingsplan.

118.4. In het deskundigenbericht staat dat de gronden van [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] grenzen aan een waterloop met daarachter een strook bos. In deze strook is een dassenburcht aanwezig. De dassen gebruiken de gronden van [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] als foerageergebied, aldus het deskundigenbericht. Ter bescherming van de dassenburcht en het foerageergebied heeft de raad de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aan de betreffende gronden toegekend en is in artikel 6, lid 6.7, van de planregels een aantal werken en werkzaamheden vergunningplichtig gesteld. Hieronder vallen ook de werkzaamheden diepploegen en het omzetten van grasland naar bouwland, die volgens [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] regelmatig op hun gronden worden uitgevoerd ten behoeve van het gebruik van de gronden voor afwisselend grasland en de teelt van snijmaïs.

118.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang van de bescherming van de dassen dan aan het belang dat [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] hebben bij een geheel onbelemmerde bedrijfsvoering. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het deskundigenbericht staat dat het op grote schaal omzetten van grasland in bouwland in het foerageergebied gevolgen kan hebben voor de foerageermogelijkheden van dassen. Niet is gebleken dat de bedrijfsvoering van [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] onevenredig wordt belemmerd vanwege de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen". Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat werken en werkzaamheden die behoren tot het normale onderhoud en/of de normale exploitatie zijn uitgezonderd van het vergunningvereiste. Het betoog faalt.

118.6. Ten aanzien van de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" die is toegekend aan een deel van de gronden van [appellant sub 30A], heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat deze bestemming per abuis is toegekend. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

119. [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] betogen dat de raad het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor de percelen [locatie 30] en [locatie 31] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat de raad onderzoek had moeten verrichten naar de archeologische waarden van deze gronden, te meer nu het door de in het verleden gedane bodemingrepen niet aannemelijk is dat ter plaatse nog archeologische resten aanwezig zijn.

119.1. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat de bouwvlakken op de percelen [locatie 30] en [locatie 31], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemming zijn bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

119.2. Voor zover de raad de dubbelbestemming aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] niet aan de hand van stukken aannemelijk hebben gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

120. In hetgeen [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" die is toegekend aan een deel van de gronden van [appellant sub 30A], zoals nader aangeduid op de aan deze uitspraak gehechte kaart, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 30B] en [appellant sub 30A] voorts hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen de bouwvlakken op de percelen [locatie 30] en [locatie 31] te Vinkel, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

121. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 51]

122. [appellant sub 51] voert aan dat de leden 27.5 en 27.6 van artikel 27 van de planregels wel in het vastgestelde plan, maar niet in het ontwerpplan waren opgenomen. Uit het besluit tot vaststelling van het plan blijkt volgens haar niet dat de raad heeft besloten om het ontwerpplan gewijzigd vast te stellen in die zin dat voormelde leden aan artikel 27 moeten worden toegevoegd. Deze leden maken daarom geen deel uit van het plan, aldus [appellant sub 51].

122.1. Ingevolge artikel 27, lid 27.5, van de planregels zijn ter plaatse van de gebiedsaanduiding "milieuzone - 250m cluster woningen" specifieke regels van toepassing die zijn opgenomen bij: 3.9.1 onder d, 4.9.1 onder d, 5.9.1 onder c, 6.9.1 onder c, 7.9.1 onder c.

Ingevolge lid 27.6 zijn ter plaatse van de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" specifieke regels van toepassing die zijn opgenomen bij: 3.9.1 onder d, 4.9.1 onder d, 5.9.1 onder c, 6.9.1 onder c, 7.9.1 onder c.

122.2. In het ontwerpplan was de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" en het daarop van toepassing zijnde artikel 27, lid 27.6, van de planregels niet opgenomen. Evenmin waren in het ontwerpplan vergelijkbare regels opgenomen.

In de bijlage ‘Ambtshalve wijzigingen algemeen’, die deel uitmaakt van het bestreden besluit, staat onder nummer 34 het volgende: "In de regels zijn aanvullende criteria van een duurzame locatie (1.000 meter tot kernen en 250 meter tot clusters van woningen) niet opgenomen. Noch zijn deze criteria in de begripsomschrijving van duurzame locatie opgenomen. Een en ander is hersteld". Hieruit volgt dat de raad heeft besloten om voormelde aanduidingen en planregels vast te stellen. Het betoog faalt.

123. [appellante sub 51A] voert aan dat een uitbreiding van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 32] te Heeswijk-Dinther is toegestaan op grond van artikel 9.4 van de Verordening 2012. Zij betoogt dat de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" die op haar perceel rust ten onrechte een uitbreiding onmogelijk maakt. [appellante sub 51A] voert voorts aan dat in de Verordening 2012 alleen ten aanzien van percelen die in een verwevingsgebied liggen de eis wordt gesteld dat uitbreiding van een intensieve veehouderij slechts mag plaatsvinden op een duurzame locatie. Zij betoogt dat deze eis in het voorliggende plan ook wordt gesteld ten aanzien van percelen die in een landbouwontwikkelingsgebied liggen.

123.1. Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

123.2. Aan het perceel [locatie 32], waar [appellante sub 51A] een varkenshouderij exploiteert, zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak", "milieuzone - 1.000m kernen" en, ter plaatse van de zuidwestelijke hoek van het perceel, "milieuzone - 250m cluster woningen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

(…).

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.2, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

(…).

123.3. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduidingen "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

123.4. Op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" ligt het perceel [locatie 32] in een landbouwontwikkelingsgebied. In artikel 9.4 van de Verordening 2012 is niet de voorwaarde opgenomen dat uitbreiding van een intensieve veehouderij alleen is toegestaan op een duurzame locatie. De raad heeft aanleiding gezien om deze voorwaarde wel op te nemen in de planregels, omdat de raad uitbreiding van een intensieve veehouderij vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening alleen wenselijk acht op een duurzame locatie. In de enkele omstandigheid dat deze voorwaarde niet op grond van de Verordening 2012 geldt voor landbouwontwikkelingsgebieden, ziet de Afdeling geen aanleiding om het standpunt van de raad onredelijk te achten. Het betoog faalt.

124. In hetgeen [appellante sub 51A] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduidingen "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 32] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

125. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 11]

126. [appellante sub 11] kan zich niet verenigen met de omvang van het bouwvlak dat is toegekend ter plaatse van het perceel [locatie 33] te Heeswijk-Dinther, waar zij een intensieve veehouderij exploiteert. Evenmin kan zij zich verenigen met artikel 3, lid 3.9.1, onder d, onder 3, van de planregels. Zij betoogt dat de omvang van het bouwvlak moet worden vergroot tot 1,8 ha. Hiertoe voert zij aan dat zij op verzoek van het gemeentebestuur haar bedrijfsvoering op het perceel [locatie 34] heeft beëindigd en dat het gemeentebestuur in ruil daarvoor zou meewerken aan een uitbreiding van het bedrijf op het perceel [locatie 33]. Het gemeentebestuur heeft daartoe bij brief van 21 april 2011 ingestemd met een vergroting van het bouwvlak. Daarnaast is het perceel [locatie 34] aan de gemeente verkocht onder de voorwaarde dat het bouwvlak ter plaatse van het aan de orde zijnde perceel zou worden vergroot. Volgens [appellante sub 11] heeft de raad ook erkend dat de bedrijfsbeëindiging op het ene perceel samenhangt met de gewenste bedrijfsuitbreiding op het andere perceel. [appellante sub 11] betoogt dat de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat het voorliggende plan zou voorzien in de bedrijfsuitbreiding. [appellante sub 11] betoogt voorts dat de motivering van de raad dat geen ontheffing is verleend van de betreffende bepaling van de Verordening 2011, onjuist is. Zij voert aan dat het college van gedeputeerde staten de aanvraag voor een ontheffing ten onrechte heeft geweigerd.

[appellante sub 11] kan zich evenmin verenigen met de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" die op haar perceel rust. Zij voert aan dat het perceel in een landbouwontwikkelingsgebied ligt, waar de intensieve veehouderij juist uitbreidingsmogelijkheden moet worden geboden.

[appellante sub 11] betoogt voorts dat het plan ten onrechte geen mogelijkheid biedt om een tweede bedrijfswoning te bouwen. Gezien de grootte van het bedrijf en de omstandigheid dat drie verschillende diersoorten worden gehouden, is een tweede bedrijfswoning volgens haar noodzakelijk.

126.1. De raad brengt naar voren dat voor de gewenste uitbreiding van het bouwvlak een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 9.6 van de toentertijd geldende provinciale verordening is ingediend bij het college van gedeputeerde staten. Het college heeft echter geweigerd om een ontheffing te verlenen. De raad stelt dat de gewenste uitbreiding van het bouwvlak zonder ontheffing in strijd is met artikel 9.4, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012.

126.2. Aan het perceel [locatie 33] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak", "aantal bedrijfswoningen = 1" en "milieuzone - 1000m kernen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

(…).

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.1, onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

3. de oppervlakte van het bouwvlak mag worden vergroot met maximaal 25% en na vergroting ten hoogste 1,5 ha bedraagt;

(…).

126.3. Op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" ligt het perceel [locatie 33] in een gebied dat is aangeduid als "primair landbouwontwikkelingsgebied".

Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare, in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Ingevolge het derde lid is, in afwijking van het eerste lid, onder d, voor bouwblokken die op 20 maart 2010 een omvang hebben van 1,5 hectare en geheel zijn benut, éénmalig uiterlijk tot 1 januari 2013 vergroting van het bouwblok boven de 1,5 hectare toegestaan om bij een gelijkblijvend aantal dieren te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen voortvloeiend uit het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en uit de op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde eisen.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen.

126.4. Het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 33] heeft een omvang van 1,5 ha. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een uitbreiding van het bouwvlak tot een oppervlakte van 1,8 ha in strijd is met artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2012. De uitzondering die in het derde lid is opgenomen, heeft voor het uitbreidingsplan geen toepassing kunnen vinden, omdat het uitbreidingsplan gepaard gaat met een toename van het aantal dieren. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van 20 december 2011 geweigerd een ontheffing als bedoeld in artikel 9.6 van de Verordening 2011 te verlenen van het in artikel 9.4, eerste lid, onder d, van de Verordening 2011 vervatte verbod op uitbreiding van een bouwblok voor een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied tot meer dan 1,5 ha ten behoeve van het perceel aan de [locatie 33]. De vraag of deze ontheffing ten onrechte is geweigerd, staat niet ter beoordeling in deze procedure. De raad is bij de vaststelling van het voorliggende plan terecht uitgegaan van het ontbreken van een ontheffing als bedoeld in artikel 9.6 van de Verordening 2011 voor het uitbreidingsplan van [appellante sub 11]. Overigens is het voormelde besluit van het college van gedeputeerde staten bij uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2013, in zaak nr. 201210183/1/R3 (www.raadvanstate.nl), onherroepelijk geworden.

126.4.1. Over het betoog van [appellante sub 11] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellante sub 11] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een uitbreiding van het bouwvlak tot een omvang van 1,8 ha zou voorzien. Het standpunt van [appellante sub 11] dat aan de verkoop van het perceel [locatie 34] de voorwaarde is verbonden dat het gemeentebestuur medewerking zal verlenen aan het vergroten van het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 33] volgt niet uit de koopovereenkomst die ten aanzien van het perceel [locatie 34] tussen [maat A] en de gemeente is gesloten, nog daargelaten dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan een dergelijke overeenkomst is gebonden. Evenmin volgt uit de door [appellante sub 11] overgelegde bijlage bij een brief van 21 april 2011 van het gemeentebestuur dat de gemeente had ingestemd met een bouwvlakvergroting. In de bijlage staat dat er geen formeel (principe)besluit van het college van burgemeester en wethouders tot medewerking aan de uitbreiding van de intensieve veehouderij is. [appellante sub 11] heeft geen andere stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn betoog. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

126.4.2. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een bouwvlak met een omvang van 1,5 ha heeft toegekend aan het perceel [locatie 33]. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onder d, sub 3, van de planregels heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

126.5. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het voorzien in een tweede bedrijfswoning voor het agrarische bedrijf van [appellante sub 11] in strijd is met artikel 11.1, eerste lid, van de Verordening 2012, waarin is bepaald dat een bestemmingsplan regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen. Het betoog faalt.

126.6. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduidingen "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

127. [appellante sub 11] betoogt dat de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor haar perceel Berg- en Dalseweg 6a ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de archeologische waarden van haar gronden waarop deze bestemmingen zijn gelegd, te meer nu het door in het verleden gedane bodemingrepen dieper dan 40 cm en de aanwezige stallen met kelders niet aannemelijk is dat ter plaatse nog archeologische resten aanwezig zijn.

127.1. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellante sub 11] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met, onderscheidenlijk, hoge archeologische waarde en verwachting en middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel Berg- en Dalseweg 6a, waaraan nagenoeg geheel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en voor het overige gedeelte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

127.2. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellante sub 11] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

128. In hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 33] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

In hetgeen [appellante sub 11] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel Berg- en Dalseweg 6a, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

129. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 8]

130. [appellant sub 8] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch" die is toegekend aan het perceel [locatie 35] te Heeswijk-Dinther. Hij betoogt dat de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan zijn perceel moet worden toegekend, omdat zijn perceel in een landbouwontwikkelingsgebied ligt. [appellant sub 8] kan zich evenmin verenigen met de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" die op zijn perceel rust. Hij betoogt - kort gezegd - dat zijn uitbreidingsmogelijkheden ten onrechte worden beperkt door deze aanduiding en dat de raad de aanvaardbaarheid van deze aanduiding onvoldoende heeft gemotiveerd.

130.1. Aan het perceel [locatie 35], waar [appellant sub 8] een varkenshouderij exploiteert, zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "milieuzone - 1000m kernen" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

(…).

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.2, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

(…).

130.2. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 5.4, berust het toekennen van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

130.3. Het perceel [locatie 35] ligt op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied. In het voorliggende plan is de bestemming "Agrarisch" in plaats van de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan het perceel toegekend. De ligging van het perceel in een landbouwontwikkelingsgebied betekent niet dat de raad gehouden is om de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" met bijbehorende uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen onverkort toe te kennen. De raad heeft in dit geval ervoor gekozen de intensieve veehouderij op het perceel geen uitbreidingsmogelijkheden te bieden en heeft daartoe de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel toegekend. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.4., berust deze keuze van de raad niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

131. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 35] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

132. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 22]

133. [appellant sub 22], die aan de [locatie 36] te Heesch een melkveehouderij exploiteert, betoogt dat de raad de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" voor zover die aan zijn gronden aan de Vosbergstraat te Heesch is toegekend, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de zandweg ter ontsluiting van het perceel behouden dient te blijven. Voorts zijn deze gronden voor agrarische doeleinden in gebruik, hetgeen dient te worden gerespecteerd.

[appellant sub 22] betoogt voorts dat de raad de aanduiding "groenblauwe mantel" en het daarbij behorende artikel 27, lid 27.3, van de planregels, voor zover dat artikel betrekking heeft op het perceel aan de Vosbergstraat, ten onrechte gewijzigd heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat hij hierdoor in zijn bedrijfsvoering wordt beperkt.

133.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ligging en maatvoering van het zoekgebied van de ecologische verbindingszone en de aanwijzing van de gebieden als groenblauwe mantel voortvloeien uit de Verordening 2012.

133.2. Voor een weergave van artikel 4.3 van de Verordening 2012 wordt verwezen naar 33.2.

Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, van de Verordening 2012 strekt onderscheidenlijk stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel:

a. tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

133.3. Het perceel van [appellant sub 22] aan de Vosbergstraat heeft de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "groenblauwe mantel". Aan een gedeelte van het perceel is de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

(…);

j. het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken ter plaatse van de aanduiding "groenblauwe mantel";

k. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone";

(…);

een en ander met bijbehorende voorzieningen, zoals perceelsontsluitingen, onverharde wegen, kavelpaden en sloten.

Ingevolge lid 3.7, onder 3.7.1, aanhef en sub a, is het verboden zonder een omgevingsvergunning ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² aan te brengen.

Ingevolge het bepaalde onder 3.7.2 is het in 3.7.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 27, lid 27.3, zijn ter plaatse van de gebiedsaanduiding "groenblauwe mantel" specifieke regels van toepassing die, voor zover hier van belang, zijn opgenomen bij: 3.1, 3.2.1 en 3.9.1, sub a, c, d, f, g, h, i en j.

133.4. De Afdeling stelt vast dat het perceel van [appellant sub 22] aan de Vosbergstraat in de Verordening 2012 gedeeltelijk is aangewezen als zoekgebied voor ecologische verbindingszone en geheel is aangewezen als groenblauwe mantel, hetgeen de raad bij de vaststelling van het plan terecht in acht heeft genomen. Om te voldoen aan de bijbehorende algemene regels wat betreft het zoekgebied voor ecologische verbindingszone heeft de raad aan deze gronden de aanduiding "wro-zone - ecologische verbindingszone" toegekend, waarvoor in de planregels in artikel 3, lid 3.7, onder 3.7.1 het vereiste van een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of van verharde oppervlakten van meer dan 100 m² is opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Daarbij is van belang dat het plan niet in de weg staat aan het bestaande gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden en het bestaande gebruik van de zandweg als ontsluiting van het perceel, nu aan het perceel de bestemming "Agrarisch" is toegekend. Het betoog faalt.

133.5. Om te voldoen aan de bijbehorende algemene regels wat betreft de groenblauwe mantel heeft de raad aan de gronden aan de Vosbergstraat de aanduiding "groenblauwe mantel" toegekend, waarvoor in het vastgestelde plan, anders dan in het ontwerpplan, (meer) specifieke regels zijn opgenomen voor het toepassen van de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden als bedoeld in artikel 3, lid 3.4 en lid 3.9, van de planregels. De Afdeling vat het betoog van [appellant sub 22] op als gericht tegen deze wijzigingen. Deze wijzigingen hebben echter geen betrekking op het perceel van [appellant sub 22] aan de Vosbergstraat, omdat dit perceel niet is voorzien van een bouwvlak waarop de toegevoegde afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden van toepassing zijn. Gelet hierop wordt [appellant sub 22] door de gewijzigde vaststelling van de planregels die betrekking hebben op de aanduiding "groenblauwe mantel" niet in de bedrijfsvoering beperkt. Het betoog faalt.

134. [appellant sub 22] betoogt dat de raad artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, sub b, van de planregels ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering van het bouwvlak van zijn agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 36] is vereist dat 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor een landschappelijke inpassing. De buiten het bouwvlak aanwezige houtopstand wenst hij hierbij te betrekken. Voorts vreest [appellant sub 22] dat zijn bedrijfsvoering zal worden beperkt vanwege de aanduiding "milieuzone - 250m cluster woningen" die op een deel van het perceel rust.

134.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op basis van de Verordening 2012 is opgenomen dat in geval van uitbreiding van een intensieve veehouderij ten minste 10% van het bouwvlak benut moet worden voor landschappelijke inpassing. De raad heeft deze voorwaarde met het oog op de kwaliteitsverbetering ook willen toepassen op vormverandering van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

134.2. Het perceel [locatie 36] heeft de bestemming "Agrarisch" en onder meer de aanduidingen "agrarisch bedrijf" en "bouwvlak".

Ingevolge artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en sub b, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en vormverandering van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf toestaan, onder de voorwaarden dat:

(…);

4. uit een inrichtingsplan moet blijken dat een goede ruimtelijke uitstraling gewaarborgd is. Een landschappelijke inpassing met een oppervlakte van minimaal 10% van het bouwvlak is vereist;

(…).

134.3. In het deskundigenbericht staat dat aan de west- en zuidzijde rondom het bouwvlak op het perceel [locatie 36] beplanting is aangebracht. Niet is uitgesloten dat deze beplanting kan worden betrokken bij het minimale vereiste aan oppervlakte van landschappelijke inpassing indien deze beplanting door een vormverandering binnen het bouwvlak wordt gebracht. Nu met een vormverandering van een bouwvlak kan worden bewerkstelligd dat de ruimte binnen een bouwvlak die in de huidige situatie niet kan worden benut zo wordt vormgegeven, dat benutting van die ruimte alsnog mogelijk wordt door bijvoorbeeld ruimte te creëren voor de bouw van een stal of andere bouwwerken, heeft de raad de voorwaarde van landschappelijke inpassing ter voorkoming van een aantasting van het landschap in redelijkheid kunnen stellen. Het betoog faalt.

134.4. De aanduiding "milieuzone - 250m cluster woningen" brengt beperkingen met zich voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.9.1, van de planregels voor de vergroting van een bouwvlak van een intensieve veehouderij. Het perceel van [appellant sub 22] is niet bestemd voor een intensieve veehouderij. De aanduiding leidt derhalve niet tot beperkingen voor het agrarische bedrijf van [appellant sub 22]. Het betoog faalt.

135. [appellant sub 22] betoogt de raad het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor het perceel [locatie 36] en de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor de aansluitende percelen ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat door in het verleden gedane bodemingrepen tot een diepte van 1,2 m op deze percelen geen archeologische resten meer aanwezig zijn. In dit verband verwijst hij naar de hoogtekaart, waaruit volgt dat de hoogte van de gronden in het verleden sterk afweek van de huidige hoogte van de gronden, omdat de gronden in het kader van de ruilverkaveling tot één meter diepte zijn omgespit. De dubbelbestemmingen leiden tot een onnodige beperking van de bedrijfsvoering.

135.1. Voor een weergave van de artikelen 19 en 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

135.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 22] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met, onderscheidenlijk, hoge archeologische waarde en verwachting en middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 36], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemming is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

135.3. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 22] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Daarbij is van belang dat onder meer het Actueel Hoogtebestand Nederland is geraadpleegd teneinde te achterhalen of ontgrondingen hebben plaatsgevonden. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

135.4. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemmingen tot onnodige beperkingen leiden, overweegt de Afdeling met inachtneming van het voorgaande onder 57.4 dat de artikelen 19 en 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad dienen te worden aangepast. Het betoog slaagt.

135.5. Behoudens het voorgaande onder 135.4 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemmingen leiden tot een onevenredige belemmering. Het betoog faalt.

136. Gelet op hetgeen is overwogen onder 135.2 en 135.4 is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van:

- het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 36] te Heesch, en - de artikelen 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

136.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

137. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 33]

138. [appellant sub 33] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch" die is toegekend aan het perceel [locatie 37] te Heeswijk-Dinther. Hij voert aan dat zijn perceel op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied ligt. Hij betoogt dat de raad ten onrechte de landbouwontwikkelingsgebieden zoals die zijn aangeduid in de Verordening 2012 heeft herbegrensd in het voorliggende plan, waarbij hij een afstand van 1.000 m heeft aangehouden tussen een landbouwontwikkelingsgebied en een kern. Hij stelt dat de grens van het landbouwontwikkelingsgebied zijn perceel doorsnijdt, waardoor zijn woning wel binnen het gebied ligt, maar zijn bedrijfsgebouwen niet. Hierdoor treedt volgens hem waardevermindering van zijn perceel op en kan het bedrijf niet meer uitbreiden. Hij voert aan dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom wordt afgeweken van de voorheen gehanteerde afstand van 500 m tot een kern.

138.1. Ingevolge artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een landbouwontwikkelingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 hectare tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare, in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

138.2. Aan het perceel [locatie 37] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "aantal bedrijfswoning=1" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarisch grondgebruik;

b. de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" (functietype ‘agrarisch bedrijf’);

(…).

Ingevolge lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en het bouwvlak voor een intensief veehouderijbedrijf vergroten, onder de voorwaarden dat:

(…);

2. sprake is van een ‘duurzame locatie intensieve veehouderij’ en de gronden ter plaatse van de uitbreiding niet zijn aangeduid als "milieuzone - 250m cluster woningen" en "milieuzone - 1000m kernen";

(…).

138.3. Het perceel [locatie 37] ligt op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied. In het voorliggende plan is de bestemming "Agrarisch" in plaats van de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan het perceel toegekend. De ligging van het perceel in een landbouwontwikkelingsgebied betekent niet dat de raad op grond van de Verordening 2012 gehouden is om de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" met bijbehorende uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen onverkort toe te kennen. De raad heeft in dit geval ervoor gekozen de intensieve veehouderij op het perceel geen uitbreidingsmogelijkheden te bieden en heeft daartoe de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" aan het perceel toegekend. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 6.4., berust deze keuze van de raad niet op een toereikende motivering. Het betoog slaagt.

139. [appellant sub 33] betoogt dat de raad het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor het perceel [locatie 37] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat door bodemingrepen in het verleden ter plaatse geen archeologische resten meer aanwezig zijn. De dubbelbestemming leidt tot aanzienlijke beperkingen op het perceel.

139.1. Voor een weergave van artikel 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

139.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 33] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 37], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemming is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

139.3. Voor zover de raad de dubbelbestemming aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 33] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

139.4. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemming tot een aanzienlijke beperking leidt, overweegt de Afdeling met inachtneming van het voorgaande onder 57.4 dat artikel 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad dient te worden aangepast. Het betoog slaagt.

139.5. Behoudens het voorgaande onder 139.4 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemming leidt tot een onevenredige belemmering. Het betoog faalt.

140. In hetgeen [appellant sub 33] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 37] is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 33] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 37], in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.

In hetgeen [appellant sub 33] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden, in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

140.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

141. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 18]

142. [appellant sub 18], die op de percelen [locatie 38] en [locatie 39] te Heeswijk-Dinther een intensieve veehouderij exploiteert, betoogt dat het onduidelijk is of de bedrijfswoning op het perceel [locatie 39] wel als zodanig is bestemd, omdat de raad de aanduiding "relatie", waarmee de agrarische bouwvlakken op voornoemde percelen aan elkaar zijn gekoppeld, gewijzigd heeft vastgesteld. [appellant sub 18] betoogt voorts dat de raad ten onrechte niet de aanduiding "agrarisch bedrijf" aan de plandelen met de bestemming "Agrarisch" op de percelen [locatie 38] en [locatie 39] heeft toegekend. Daartoe voert hij aan dat het onduidelijk is of zijn intensieve veehouderijbedrijven wel als zodanig zijn bestemd.

142.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op beide percelen een bedrijfswoning en een intensief veehouderijbedrijf zijn toegestaan.

142.2. De percelen [locatie 38] en [locatie 39] hebben elk de bestemming "Agrarisch" en onder meer de aanduidingen "bouwvlak", "intensieve veehouderij" en "aantal bedrijfswoningen=1". De percelen zijn op de verbeelding met de aanduiding "relatie" aan elkaar gekoppeld.

Voor een weergave van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels wordt verwezen naar 41.2.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en sub a, is per bouwvlak, zonder de aanduiding "wonen", "specifieke vorm van wonen - ruimte voor ruimte" en "specifieke vorm van wonen - beperkte inhoudsmaat", ter plaatse van de aanduiding "aantal bedrijfswoningen" ten hoogste het op de verbeelding aangegeven aantal bedrijfswoningen toegestaan.

142.3. Zowel op het perceel [locatie 38] als op het perceel [locatie 39] staat een bedrijfswoning en wordt een intensief veehouderijbedrijf geëxploiteerd.

Voor zover [appellant sub 18] betoogt dat onduidelijk is hoe de aanduiding "aantal bedrijfswoningen=1" zich verhoudt tot de aanduiding "relatie", wordt overwogen dat aan laatstgenoemde aanduiding geen juridische betekenis toekomt, nu deze wel op de vastgestelde verbeelding, maar niet in de planregels voorkomt. De aanduiding "aantal bedrijfswoningen=1" komt wel in de planregels en op de verbeelding voor en brengt met zich dat binnen het bouwvlak zowel op het perceel [locatie 38] als op het perceel [locatie 39] één bedrijfswoning is toegestaan.

Uit artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels volgt dat een agrarisch bedrijf, zoals dat is omschreven in artikel 1, onder 1.7, van de planregels, zowel in de vorm van een intensieve veehouderij als in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch" met de aanduiding "intensieve veehouderij". Dit is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk in de planregels neergelegd.

Het betoog faalt.

143. [appellant sub 18] betoogt dat de raad het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor de percelen [locatie 38] en [locatie 39] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad de begrenzing niet uitsluitend heeft mogen baseren op de provinciale attentiegebieden en de verwachtings- en beleidskaart zonder te vermelden welke bronnen zijn gebruikt. De raad had nader onderzoek moeten verrichten naar de archeologische waarden van zijn gronden waarop deze bestemmingen zijn gelegd, te meer nu het door in het verleden gedane bodemingrepen niet aannemelijk is dat ter plaatse nog archeologische resten aanwezig zijn. De dubbelbestemming leidt tot onnodige beperkingen.

143.1. Voor een weergave van artikel 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

143.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Bij dit onderzoek zijn de bodemverstoringen aan de hand van bekendgemaakte bronnen in kaart gebracht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het archeologiebeleid en de daarbij behorende beleidskaart aan de hand van te grofmazige informatie is opgesteld. Het betoog faalt.

143.3. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 18] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat de bouwvlakken op de percelen [locatie 38] en [locatie 39], waaraan gedeeltelijk onderscheidenlijk geheel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemming zijn bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

143.4. Voor zover de raad de dubbelbestemming aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 18] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

143.5. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemming tot onnodige beperkingen leidt, overweegt de Afdeling met inachtneming van het voorgaande onder 57.4 dat artikel 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad dient te worden aangepast. Het betoog slaagt.

143.6. Behoudens het voorgaande onder 143.5 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemming leidt tot een onevenredige belemmering. Het betoog faalt.

144. [appellant sub 18] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 18] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

145. Gelet op hetgeen is overwogen onder 143.3 en 143.5 is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van:

- het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen de bouwvlakken op de percelen [locatie 38] en [locatie 39] te Heeswijk-Dinther, en - artikel 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

145.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

146. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 13]

147. [appellant sub 13], die op het perceel [locatie 40] te Heeswijk-Dinther woont, betoogt dat de raad de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf, ambachtelijke kaas en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" aan de [locatie 41] te Heeswijk-Dinther ten onrechte gewijzigd heeft vastgesteld.

147.1. De aan het perceel [locatie 41] toegekende aanduiding "specifieke vorm van bedrijf, ambachtelijke kaas en zuivelboerderij" in het ontwerpplan is bij de vaststelling van het plan gewijzigd in de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf, ambachtelijke kaas en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten". De voorzitter heeft in het kader van het door [appellant sub 13] ingediende verzoek om voorlopige voorziening in de uitspraak van 27 december 2012, in zaak nr. 201208940/2/R3 (www.raadvanstate.nl), in 6.1 overwogen dat, nu deze wijziging niet is opgenomen in de lijst van wijzigingen en daarmee niet in het vaststellingsbesluit is begrepen, het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betoog slaagt.

148. [appellant sub 13] betoogt dat de raad de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan de [locatie 40] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het bouwvlak niet overeenkomstig zijn verzoek in de zienswijze is aangepast, zodat de nieuwe stal niet binnen het bouwvlak is opgenomen.

148.1. In de Nota van Zienswijzen, die deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit, heeft de raad bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 13] te kennen gegeven dat de omvang van het bouwvlak in overeenstemming met het verzoek van [appellant sub 13] wordt aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging niet is verwerkt op de vastgestelde verbeelding. In het verweerschrift heeft de raad dit erkend. Het betoog slaagt.

149. In hetgeen [appellant sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft de vaststelling van:

- de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 41] te Heeswijk-Dinther.

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan de [locatie 40] te Heeswijk-Dinther, voor zover niet alle bestaande legale bebouwing binnen het bouwvlak is opgenomen.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

149.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

150. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 28]

151. [appellant sub 28] kan zich niet verenigen met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" ter plaatse van de gronden die aan de noord- en westzijde aan zijn perceel [locatie 42] te Heeswijk-Dinther grenzen.

151.1. De Afdeling stelt vast dat de zienswijze van [appellant sub 28] uitsluitend is gericht tegen de regeling in het ontwerpplan ten aanzien van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (hierna: tov). [appellant sub 28] heeft zich in zijn zienswijze niet gericht tegen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" die in het ontwerpplan was toegekend aan de gronden die aan de noord- en westzijde van zijn perceel [locatie 42] grenzen. Het beroep van [appellant sub 28], voor zover gericht tegen de vaststelling van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

152. [appellant sub 28] kan zich niet verenigen met de in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder d, van de planregels opgenomen mogelijkheid voor het oprichten van permanente palen en tijdelijke tov, voor zover daarmee tov met een hoogte van 4,5 m worden toegestaan. [appellant sub 28] betoogt dat het toestaan van permanente tov buiten het bouwvlak in strijd is met artikel 8.3 van de Verordening 2012. Voorts betoogt hij dat permanente palen met een hoogte van 4,5 m zullen leiden tot aantasting van het cultuurhistorisch karakter van zijn perceel en woning, en tot beperking van de lichtinval in en het zicht vanuit zijn woning. De raad heeft ten onrechte geen rekening gehouden met zijn belangen, aldus [appellant sub 28]. Ook ontbreekt volgens [appellant sub 28] de noodzaak om de in het voorheen geldende plan toegestane hoogte van tov te verhogen naar 4,5 m. [appellant sub 28] voert daarnaast aan dat ten onrechte geen beperkingen zijn gesteld aan de omvang van het gebied waar tov zijn toegestaan. Verder acht [appellant sub 28] de begripsomschrijving van tov rechtsonzeker, omdat niet is omschreven welke soorten tov zijn gestaan. De ruimtelijke aanvaardbaarheid van de tov kan daarom niet worden beoordeeld, aldus [appellant sub 28].

152.1. Aan de gronden rondom het perceel [locatie 42] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. De gronden ten noorden en westen van het perceel hebben daarnaast de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening". De gronden worden door [appellant sub 21] gebruikt voor fruitteelt.

Ingevolge artikel 1, onder 1.85, wordt verstaan onder teeltondersteunende voorzieningen: ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de vollegronds bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf, fruitteeltbedrijf of boomkwekerij.

Ingevolge artikel 1, onder 1.88, wordt verstaan onder tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen welke op dezelfde locatie gebruikt kunnen worden zo lang de teelt dit vereist, met een maximum van 6 aaneengesloten maanden per jaar. De voorzieningen hebben een directe relatie met het grondgebruik.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, sub 2, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding "agrarisch bedrijf", en tevens ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij (functietype ‘agrarisch bedrijf’) en ter plaatse van de aanduiding "bomenteelt" (functietype ‘agrarisch bedrijf’).

Ingevolge lid 3.2, aanhef en onder b, mogen op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat:

a. gebouwen worden uitsluitend opgericht binnen het bouwvlak;

b. buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitgezonderd erfafscheidingen, toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2 meter;

(…).

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.1, gelden voor de op te richten bebouwing (mede) de volgende regels:

(…);

d. in afwijking van het bepaalde in 3.2, onder b, mogen permanente palen ten behoeve van vraatnetten/hagelkappen of ter ondersteuning van bomen tot 4,5 meter hoog en teeltondersteunende voorzieningen, anders dan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een tijdelijk karakter worden opgericht buiten het bouwvlak;

(…);

f. in afwijking van het bepaalde onder d en e zijn teeltondersteunende voorzieningen met een permanent karakter en bestaande teeltondersteunende kassen, toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening".

Ingevolge lid 3.2, onder 3.2.2, aanhef en de tabel onder e, gelden voor de bouwwerken ten dienste van een agrarisch bedrijf (functietype ‘agrarische bedrijf’) de volgende eisen:

- teeltondersteunende kassen: bouwhoogte max. 8 m.

- overige teeltondersteunende voorzieningen: bouwhoogte max. 4,50 m.

- tijdelijke vraat- en hagelnetten en regenkappen: bouwhoogte max. 4,50 m.

152.2. Op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Overige agrarische ontwikkelingen" zijn de betreffende gronden aangeduid als agrarisch gebied.

Ingevolge artikel 1, onder 19, van de Verordening 2012 wordt verstaan onder bouwblok een aaneengesloten terrein, waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd.

Ingevolge artikel 1, onder 62, wordt verstaan onder permanente tov een tov die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas.

Ingevolge artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf worden geconcentreerd in een bouwblok.

In artikel 1, onder 1.85, van de planregels zijn tov omschreven als ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de vollegronds bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf, fruitteeltbedrijf of boomkwekerij. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat deze omschrijving dusdanig onduidelijk is, dat het plan in zoverre in strijd met de rechtszekerheid moet worden geacht. Het betoog faalt.

152.3. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij de permanente palen als bedoeld in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder d, aanmerkt als tijdelijke tov, omdat zij uitsluitend dienen ter ondersteuning van vraatnetten en hagelkappen die tijdelijk over de palen heen worden gespannen. Naar het oordeel van de Afdeling kan deze uitleg van de raad niet worden gevolgd. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de betreffende palen onder de begripsomschrijving vallen van tov die is opgenomen in artikel 1, onder 1.85, van de planregels, maar niet onder de begripsomschrijving van tijdelijke tov die is opgenomen in artikel 1, onder 1.88, van de planregels, omdat de palen langer dan 6 aangesloten maanden per jaar aanwezig zijn. Dat met de permanente palen tijdelijke tov mogelijk worden gemaakt, maakt niet dat de palen als zodanig daardoor ook als tijdelijke tov kunnen worden gekwalificeerd. Naar het oordeel van de Afdeling moeten de betreffende palen dan ook worden aangemerkt als permanente tov.

152.4. De gronden ten zuidwesten van het perceel [locatie 42] zijn op de verbeelding niet voorzien van de aanduiding "bouwvlak" of "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening". Het oprichten van permanente palen ten behoeve van vraatnetten en hagelkappen of ter ondersteuning van bomen op deze gronden is ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onder d, van de planregels toegestaan. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012, omdat op grond van dit artikel permanente voorzieningen uitsluitend binnen een bouwblok als bedoeld in de Verordening 2012 zijn toegestaan. Voor zover [appellant sub 21] erop wijst dat op 25 september 2012 en 30 september 2013 omgevingsvergunningen zijn verleend voor het bouwen van permanente teeltondersteunende voorzieningen op onder meer de gronden rondom het perceel [locatie 42], welke vergunningen inmiddels ook onherroepelijk zijn, wordt overwogen dat laatstgenoemde omgevingsvergunning ziet op palen met ijzeren bogen met een hoogte van 2,9 m, terwijl het voorliggende plan permanente palen met een hoogte van 4,5 m toestaat. Het betoog slaagt.

152.5. In het voorheen geldende plan "Buitengebied" waren op de gronden rondom het perceel [locatie 42] bouwwerken, geen gebouwen toegestaan, met een hoogte van maximaal 2 m. Het voorliggende plan maakt een verhoging van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in de vorm van permanente palen mogelijk tot maximaal 4,5 m. Uit het bestreden besluit volgt niet dat de raad bij het toelaten van deze nieuwe ontwikkeling het belang van [appellant sub 28] bij het behoud van een goed woon- en leefklimaat heeft meegewogen, zoals de raad ter zitting heeft erkend. Het betoog slaagt.

153. In hetgeen [appellant sub 28] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch", zonder de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening", ten zuidwesten van het perceel [locatie 42], is genomen in strijd met artikel 8.3, eerste lid, van de Verordening 2012. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

154. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 44]

155. [appellant sub 44] is eigenaar van het perceel [locatie 43] te Heeswijk-Dinther. Hij kan zich niet verenigen met het plan, voor zover dat betrekking heeft op zijn perceel en voor zover dat ziet op de dier- en tuinweide ten oosten van zijn perceel.

Het perceel [locatie 43]

156. [appellant sub 44] betoogt dat het plan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt om een atelierwoning te bouwen bij zijn inlijsterij/kunstcentrum op het perceel [locatie 43]. Hij voert aan dat op het perceel weliswaar een monumentale boerderij staat, maar dat deze boerderij niet bewoonbaar is. Om ter plaatse toch te kunnen wonen, acht hij de bouw van een nieuwe woning naast de bestaande boerderij noodzakelijk.

156.1. Aan het perceel [locatie 43] is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" toegekend. Voor dit perceel is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - inlijsterij/kunstcentrum" en de maatvoeringsaanduiding "aantal bedrijfswoningen=1".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onderdeel h, van de planregels, bezien in samenhang met de Tabel functietype "Bedrijf" die is opgenomen in bijlage 4 bij de planregels, zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor een inlijsterij/kunstcentrum.

Voor het functietype "Bedrijf" gelden de bouwregels die zijn opgenomen in lid 6.2, onder 6.2.4. Op grond van deze bepaling is op het perceel één bedrijfswoning toegestaan met een inhoud van maximaal 750 m3, inclusief aangebouwde bijgebouwen. Bij de bedrijfswoning zijn vrijstaande bijgebouwen toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m2. Daarnaast zijn op het perceel bedrijfsgebouwen toegestaan met een oppervlakte van maximaal 150 m2.

Ingevolge lid 6.2, onder 1, onderdeel c, mogen cultuurhistorisch waardevolle panden, zoals opgenomen in bijlage 9, niet worden herbouwd.

De boerderij op het perceel [locatie 43] is in bijlage 9 bij de planregels aangemerkt als een cultuurhistorisch waardevol pand.

De raad acht het niet wenselijk om in het plan te voorzien in de mogelijkheid om een nieuwe, extra woning op het perceel te bouwen.

Hij stelt dat de monumentale boerderij op het perceel [locatie 43], mede gelet op de inhoud van het pand, in planologisch opzicht moet worden aangemerkt als de bedrijfswoning. Volgens de raad dient het authentieke karakter van de boerderij behouden te blijven, zoals onder meer blijkt uit de vermelding van het pand in bijlage 9 bij de planregels, maar is een verbouwing van de boerderij met instandhouding van de cultuurhistorische waarde van het pand mogelijk. De raad stelt zich dan ook op het standpunt dat de bestemmingsregeling voldoende mogelijkheden biedt voor een zinvol gebruik van de boerderij en voor het realiseren van een woning op het perceel.

Hetgeen [appellant sub 44] heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de raad hiervan niet heeft kunnen uitgaan. Daarbij is van belang dat [appellant sub 44] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een verbouwing van de boerderij zonder meer zal leiden tot een aantasting van de cultuurhistorische waarde van het pand. Verder acht de Afdeling van belang dat het plan er niet aan in de weg staat dat de boerderij in de huidige staat wordt behouden en dat de vrijstaande bijgebouwen bij de boerderij mede worden gebruikt voor woondoeleinden.

In hetgeen [appellant sub 44] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling, gezien het vorenstaande, geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

De dier- en tuinweide ten oosten van het perceel [locatie 43]

157. [appellant sub 44] kan zich niet met het plan verenigen, voor zover dat betrekking heeft op het terrein dat is ingericht als dier- en tuinweide, ten oosten van zijn perceel.

Volgens [appellant sub 44] ligt de dier- en tuinweide op een zogenoemde bolle akker en leidt het plan tot een aantasting van de ter plaatse aanwezige natuur- en landschapswaarden. Ook stelt hij overlast te ondervinden van de bezoekers van de dier- en tuinweide. Volgens [appellant sub 44] gaat het niet om natuureducatie, maar om een verkapte uitbreiding van het hotel-restaurant op het perceel [locatie 44].

Verder betoogt hij dat het gemeentebestuur onbehoorlijk jegens hem heeft gehandeld bij eerdere besluitvorming over de dier- en tuinweide.

157.1. Voor zover [appellant sub 44] betoogt dat het gemeentebestuur hem in het verleden onheus heeft bejegend, overweegt de Afdeling dat dit betoog betrekking heeft op een eerdere procedure over de dier- en tuinweide. In deze procedure staat alleen het bij het bestreden besluit vastgestelde bestemmingsplan ter beoordeling. Het betoog faalt.

157.2. De zogenoemde dier- en tuinweide, die ten oosten van het perceel van [appellant sub 44] ligt, bestaat uit twee te onderscheiden gedeelten.

Aan het oostelijke deel van het terrein is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" toegekend. Voor dit deel van het terrein is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - natuureducatie" en met de maatvoeringsaanduiding "aantal bedrijfswoningen=0".

Aan het westelijke deel van het terrein is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" toegekend, zonder bouwvlak. Dit gedeelte van het terrein grenst aan het perceel van [appellant sub 44].

157.3. Blijkens het deskundigenbericht is de dier- en tuinweide vrij toegankelijk en is deze in de zomer en in de winter de gehele dag geopend. De toegang van het terrein ligt aan de Meerstraat, naast het hotel-restaurant dat is gevestigd op [locatie 44]. Het oostelijke deel van het terrein is ingericht voor intensief gebruik. Het westelijke deel is ingericht voor extensief recreatief en educatief gebruik. Op dit deel van het terrein zijn geen gebouwen aanwezig en is een zogenoemd gras-slingerpad aangelegd. Dit pad voert onder meer langs het perceel van [appellant sub 44], aldus het deskundigenbericht.

157.4. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan het uitgangspunt gehanteerd dat voor de dier- en tuinweide een planologische basis bestaat en dat deze in het plan als zodanig dient te worden bestemd. Volgens de raad betreft het een zelfstandige recreatieve voorziening en geen uitbreiding van het hotel-restaurant op het perceel [locatie 44].

157.5. De Afdeling stelt vast dat het gebruik van het desbetreffende terrein als dier- en tuinweide niet in overeenstemming is met het voorheen geldende bestemmingsplan en dat er ook overigens geen onherroepelijke planologische basis bestaat voor dit gebruik. De raad kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat dit gebruik planologisch is toegestaan op grond van een besluit van het college van burgemeester en wethouders van 10 november 2009. Daarbij is immers slechts besloten om het bestaande gebruik op te nemen in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Dit betekent dat de raad in het kader van dit bestemmingsplan een planologische afweging had moeten maken over het gebruik van het terrein als dier- en tuinweide. Dit heeft de raad ter zitting ook erkend.

De raad heeft ter zitting verklaard dat niet is uitgesloten dat [appellant sub 44] overlast ondervindt van het huidige gebruik van het terrein, aangezien het terrein grenst aan diens perceel. Volgens de raad dient de mogelijke overlast nader te worden onderzocht en dient daarna een planologische afweging te worden gemaakt.

157.6. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Conclusie

158. In hetgeen [appellant sub 44] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" ter plaatse van de dier- en tuinweide ten oosten van het perceel [locatie 43] te Heeswijk-Dinther, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 44] is gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

159. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

160. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van dit beroep niet gebleken.

Het beroep van [appellant sub 3]

161. [appellant sub 3] woont op het perceel [locatie 45] te Nistelrode en houdt paarden op dit perceel. Ook heeft hij weidegronden in de omgeving daarvan. [appellant sub 3] kan zich niet verenigen met het plan, voor zover dat betrekking heeft op zijn gronden.

161.1. Ter zitting heeft [appellant sub 3] de beroepsgrond dat het plan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt om een gebouw op zijn perceel zo nodig te gebruiken voor woonruimte ten behoeve van mantelzorg ingetrokken. Daarbij is van belang dat in de planregels weliswaar een verbod is opgenomen om bedrijfsgebouwen en bijgebouwen te gebruiken ten behoeve van bewoning, maar dat in artikel 6, lid 6.6, onder 6.6.1, onderdeel f, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen op grond waarvan kan worden toegestaan dat bijgebouwen tot een maximum oppervlak van 100 m2 worden gebruikt ten behoeve van mantelzorg.

161.2. De raad betoogt dat het beroep van [appellant sub 3], voor zover dat is gericht tegen de planregeling voor de buitenrijbak buiten het bouwvlak, niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat op dit punt geen zienswijze naar voren is gebracht.

161.2.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, in samenhang gelezen met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

161.2.2. [appellant sub 3] heeft in zijn zienswijzen aangevoerd dat de buitenrijbaan ten onrechte niet is opgenomen op de verbeelding.

De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het beroep, voor zover dat is gericht tegen dit plandeel, niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van een zienswijze ter zake.

161.3. [appellant sub 3] voert aan dat in de planregels ten onrechte is bepaald dat de inhoud van een woning maximaal 750 m3 mag bedragen. Hij wil zijn bestaande woning, die een inhoud heeft van ongeveer 725 m3, kunnen vergroten.

Ook betoogt hij dat het bouwvlak voor zijn woning te klein is. Daartoe voert hij aan dat hij beschikt over een vergunning voor de bouw van een hooiberg, maar dat binnen het bouwvlak onvoldoende ruimte bestaat om deze hooiberg op te richten en landschappelijk in te passen.

161.3.1. Aan het perceel [locatie 45] en aan de omliggende gronden van [appellant sub 3] is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - leefgebied dassen" toegekend.

Voor het perceel [locatie 45] is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "wonen".

Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.7, onderdeel a, van de planregels mag de woning op dit perceel een inhoud van maximaal 750 m3 hebben.

161.3.2. De raad stelt zich op het standpunt dat een maximale inhoud van 750 m3 toereikend is voor woningen in het buitengebied.

De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. [appellant sub 3] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de raad voor de woning van [appellant sub 3] desondanks had moeten voorzien in een ruimere maatvoering. Het betoog faalt.

161.3.3. De raad stelt zich verder op het standpunt dat het bouwvlak voor het perceel [locatie 45] toereikend is. Volgens de raad bestaat er in dit geval, gelet op het beginsel van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in artikel 2.1 van de Verordening 2012, geen aanleiding voor een vergroting van het bouwvlak.

Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat dit standpunt van de raad onredelijk is. Hierbij is van belang dat partijen ter zitting hebben verklaard dat de bestaande bebouwing op het perceel is opgenomen binnen het bouwvlak. Ook neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat op 27 november 2003 weliswaar een vergunning is verleend voor de bouw van een hooiberg, maar dat deze vergunning betrekking heeft op een andere locatie en niet is verleend voor het perceel [locatie 45]. De raad hoefde hiermee dan ook geen rekening te houden bij de vaststelling van het bouwvlak voor het perceel [locatie 45]. Verder is van belang dat in het deskundigenbericht is vermeld dat binnen het bouwvlak, gelet op de ligging van de bestaande bebouwing, nog ruimte bestaat voor het oprichten van een hooiberg. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het deskundigenbericht op dit punt onjuist is. Daarbij wijst de Afdeling er op dat de landschappelijke inpassing, die [appellant sub 3] rond de hooiberg wil aanbrengen, niet binnen het bouwvlak hoeft te worden gerealiseerd, aangezien de gronden buiten het bouwvlak met de bestemming "Agrarisch met waarden - leefgebied dassen" mede zijn bestemd voor groenvoorzieningen.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling, gezien het vorenstaande, geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

161.4. [appellant sub 3] voert verder aan dat het plan ten onrechte niet de mogelijkheid biedt om de buiten het bouwvlak gelegen buitenrijbak, met een oppervlakte van 800 m2, te vergroten tot 1.800 m2.

Verder betoogt hij dat de bestaande buitenrijbak ten onrechte niet is opgenomen op de verbeelding. Volgens [appellant sub 3] is deze rijbak in het plan dan ook niet als zodanig bestemd.

Ook de reeds lang bestaande paardenstal ten zuiden van de Vinkenstraat is volgens [appellant sub 3] ten onrechte niet als zodanig bestemd.

161.4.1. De raad acht een buitenrijbak ten behoeve van hobbymatig gebruik in het algemeen aanvaardbaar buiten een bouwvlak met de functieaanduiding "wonen". Daarbij hanteert hij het uitgangspunt dat een buitenrijbak voor hobbymatig gebruik een oppervlakte heeft van maximaal 800 m2. Gelet hierop en gezien de ruimtelijke uitstraling van een rijbak met een groter oppervlak, acht de raad het niet wenselijk dat de buitenrijbak van [appellant sub 3] wordt vergroot tot 1.800 m2.

In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onredelijk is. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een buitenrijbak met een oppervlakte van 800 m2 niet toereikend is voor hobbymatig gebruik. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat hij een productiegerichte paardenhouderij op zijn perceel exploiteert en dat hij een buitenrijbak met een oppervlakte van 1.800 m2 nodig heeft voor het trainen van paarden, overweegt de Afdeling dat aan zijn perceel niet de functieaanduiding "agrarisch bedrijf" is toegekend. Dit betekent dat slechts hobbymatig agrarisch gebruik op het perceel is toegestaan. Het betoog faalt.

161.4.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestaande buitenrijbak van [appellant sub 3] legaal is opgericht en dat deze rijbak in het plan als zodanig is bestemd. De raad wijst hierbij onder meer op artikel 6, lid 6.2, onderdeel c, van de planregels.

Ook de paardenstal op de gronden ten zuiden van de Vinkenstraat is volgens de raad in het plan als zodanig bestemd. De raad stelt dat het gaat om een kleine schuilgelegenheid waarvoor geen aparte regeling in het plan hoeft te worden opgenomen. Ook op dit punt wijst de raad op artikel 6, lid 6.2, onderdeel c, van de planregels.

161.4.3. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, aanhef en onderdeel a, van de planregels mogen op de voor "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aangewezen gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die ten dienste staan van de bestemming, met dien verstande dat gebouwen uitsluitend mogen worden opgericht binnen het bouwvlak.

In onderdeel c is bepaald dat de op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bestaande bebouwing mag worden gehandhaafd, hersteld, vervangen en uitgebreid met inachtneming van het bepaalde in dit lid, met dien verstande dat wanneer de bestaande bebouwing en bestaande maatvoering afwijken van hetgeen in de hierna volgende regels is aangegeven, de afwijking niet mag worden vergroot. De voorgaande volzin is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

161.4.4. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de bestaande buitenrijbak, die ten westen van het woonperceel [locatie 45] ligt, een oppervlakte heeft van 800 m2. Blijkens het verhandelde ter zitting is tussen partijen niet in geschil dat deze buitenrijbak legaal is gebouwd.

Verder blijkt uit het deskundigenbericht dat op het perceel van [appellant sub 3] dat ligt ten zuiden van de Vinkenstraat en dat aan de oostzijde grenst aan de Heescheweg, een paardenstal staat. Ook deze paardenstal is legaal gebouwd, zo blijkt uit de door [appellant sub 3] overgelegde bouwvergunning van 27 augustus 1985.

Nu het gaat om legale bouwwerken, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 6, lid 6.2, aanhef en onder c, van de planregels als gebouwen binnen de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" als zodanig zijn bestemd.

Het betoog faalt.

161.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

161.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 34] en anderen

162. [appellant sub 34] en anderen, die een paardenhouderij exploiteren op het perceel [locatie 46] te Heeswijk-Dinther, kunnen zich niet met het plan verenigen voor zover dat betrekking heeft hun gronden.

Bouwvlak en bedrijfswoningen

162.1. [appellant sub 34] en anderen stellen dat hun bedrijf in het plan niet als zodanig is bestemd. Zij betogen dat aan het bouwvlak de functieaanduiding "paardenhouderij" had moeten worden toegekend. Ook voeren zij aan dat het bouwvlak te klein is. Ten onrechte valt niet alle bestaande bebouwing en verharding daarbinnen, zo betogen zij.

Verder stellen [appellant sub 34] en anderen dat op hun perceel twee bedrijfswoningen aanwezig zijn, met de huisnummers [locatie 47] en [locatie 46]. Volgens hen zijn deze woningen in het plan ten onrechte niet als zodanig bestemd.

162.1.1. Aan een deel van de gronden van [appellant sub 34] en anderen is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend.

Ter plaatse van het perceel [locatie 46] is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "agrarisch bedrijf" en met de maatvoeringsaanduiding "aantal bedrijfswoningen=1".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 1, lid 1.7, wordt onder een agrarisch bedrijf verstaan: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis. Met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt.

Ingevolge lid 1.39 wordt onder een gebruiksgerichte paardenhouderij verstaan: een niet-agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op (de ondersteuning bij) het gebruik van het paard als hulpmiddel voor de recreërende mens, zoals maneges, paardenverhuurbedrijven en paardenstallingsbedrijven.

Ingevolge lid 1.73 wordt onder een productiegerichte paardenhouderij verstaan: een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het door middel van een gericht fok- en/of africhtingsprogramma trachten een paard op een hoger niveau te brengen, waardoor de waarde van dat paard in het economische verkeer toeneemt, zoals (op)fokkerijbedrijven, hengstenstations, africhtings- en trainingsbedrijven.

162.1.2. Blijkens het verhandelde ter zitting is het bedrijf van [appellant sub 34] en anderen gericht op het fokken en africhten van paarden. [appellant sub 34] en anderen zijn voornemens om zich in de toekomst ook te gaan richten op het verhandelen van paarden. Verder worden op het bedrijf eigen paarden gestald. Een manege wordt ter plaatse niet geëxploiteerd, zo hebben [appellant sub 34] en anderen ter zitting verklaard.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het in dit geval niet gaat om een gebruiksgerichte paardenhouderij als bedoeld in artikel 1, lid 1.39, van de planregels, maar dat het bedrijf moet worden aangemerkt als een productiegerichte paardenhouderij als bedoeld in artikel 1, lid 1.73, van de planregels. Dit betekent dat het bedrijf moet worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1, lid 1.7, van de planregels.

In hetgeen [appellant sub 34] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat het bedrijf in het plan niet als zodanig is bestemd. Het betoog faalt.

162.1.3. De raad heeft in het verweerschrift en ter zitting te kennen gegeven dat het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 46] moet worden aangepast, omdat de bestaande bebouwing aan de oostzijde ten onrechte niet geheel binnen het bouwvlak valt. Ook aan de zuidzijde valt een deel van de bebouwing en de verharding ten onrechte buiten het bouwvlak, zo stelt de raad.

In het verweerschrift en het verhandelde ter zitting heeft de raad verder verklaard dat hij bij de planvaststelling ten onrechte niet heeft onderkend dat op het perceel twee bedrijfswoningen aanwezig zijn. Volgens de raad moeten beide woningen als zodanig in het plan worden bestemd.

162.1.4. Nu de raad zich op deze punten op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, wat deze onderdelen betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Leefgebied dassen

162.2. [appellant sub 34] en anderen betogen dat de bestemming "Agrarisch met waarden - leefgebied dassen", die is toegekend aan een deel van hun gronden, dient te worden gewijzigd in "Agrarisch met waarden - Landschappelijk, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" omdat het leefgebied van de dassen zich op ruime afstand ten westen van de Kaathovensedijk bevindt.

162.2.1. Aan een deel van de gronden van [appellant sub 34] en anderen ten westen van het bouwvlak is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" toegekend, zonder bouwvlak.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden, die relevant zijn voor het leefgebied van de dassen, alsmede voor agrarisch grondgebruik.

162.2.2. De raad stelt dat de gronden feitelijk nog geen deel uitmaken van het leefgebied van de das, maar dat de leefomstandigheden voor de das daar optimaal zijn. Daarom acht de raad het wenselijk dat aan de desbetreffende gronden een bestemming wordt toegekend die mede is gericht op de bescherming van het leefgebied van de das.

Hetgeen [appellant sub 34] en anderen hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat dit standpunt van de raad onredelijk is. Daarbij is van belang dat [appellant sub 34] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze bestemming, die uitsluitend is toegekend aan gronden buiten het bouwvlak, leidt tot een beperking van hun bedrijfsvoering. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" niet is toegekend aan een aantal verspreid liggende percelen, maar dat deze bestemming is toegekend aan een aaneensluitend gebied ten zuidwesten van zijn bouwvlak. Het betoog faalt.

Conclusie

162.3. In hetgeen [appellant sub 34] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van het bouwvlak en de maatvoeringsaanduiding "aantal bedrijfswoningen=1" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ter plaatse van het perceel [locatie 46] te Heeswijk-Dinther.

162.4. Het beroep van [appellant sub 34] en anderen is gegrond en het bestreden besluit dient op bovengenoemde onderdelen te worden vernietigd.

162.5. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de vernietigde plandelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

162.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is ten aanzien van dit beroep niet gebleken.

De beroepen van [appellant sub 43] en [appellant sub 12]

163. [appellant sub 43], die woont op het perceel [locatie 48] te Heeswijk-Dinther, en [appellant sub 12], die woont op het perceel [locatie 49] te Heeswijk-Dinther, kunnen zich niet verenigen met het plan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel [locatie 50] te Heeswijk-Dinther. Zij betogen dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt om een hondenpension op dat perceel te exploiteren.

163.1. Het perceel [locatie 50] is eigendom van [belanghebbende C].

Aan dit perceel is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" toegekend. Voor dit perceel is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hondenpension" en de maatvoeringsaanduiding "aantal bedrijfswoningen=1".

164. [appellant sub 43] betoogt dat de vestiging van een hondenpension op dit perceel in strijd is met artikel 11.6 van de Verordening 2012, waarin is bepaald dat de VAB-vestiging van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling niet mag leiden tot een bedrijf uit milieucategorie 3 of hoger. Hij stelt dat een hondenpension een bedrijf is uit milieucategorie 3.2 en dat een hondenpension niet kan worden aangemerkt als een agrarisch verwant bedrijf. Volgens [appellant sub 43] is de in artikel 11.7, eerste lid, van de Verordening 2012 opgenomen uitzondering in dit geval dan ook niet van toepassing.

164.1. De raad betoogt dat een hondenpension moet worden aangemerkt als een agrarisch verwant bedrijf. Volgens de raad wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 11.7, eerste lid, van de Verordening 2012.

164.2. Ingevolge artikel 1.1, onder 8, van de Verordening 2012 wordt onder een agrarisch verwant bedrijf verstaan: een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking.

Ingevolge het bepaalde onder 54 wordt onder een milieucategorie verstaan: een milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering, Den Haag 2009.

Ingevolge het bepaalde onder 80 wordt onder een VAB-vestiging verstaan de vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat.

Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder c, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger.

Ingevolge artikel 11.7, eerste lid, kan, in afwijking van artikel 11.6, eerste lid, onder c, een bestemmingsplan dat is gelegen in een agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging van een agrarisch verwant bedrijf mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 1,5 hectare.

164.3. Het perceel [locatie 50] betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie in een agrarisch gebied. In het voorheen geldende bestemmingsplan was een agrarisch bouwvlak aan dit perceel toegekend.

Het plan voorziet voor dit perceel in de VAB-vestiging van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening 2012, in die zin dat ter plaatse een hondenpension is toegestaan. Een hondenpension, dat valt onder het bedrijfstype dierenasiels en -pensions, is in de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van 2009 van de Vereniging van Nederlandse gemeenten (hierna: de VNG-brochure) aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 3.2. Dit betekent dat de vestiging van een hondenpension op het perceel in strijd is met artikel 11.6, eerste lid, onder c, van de Verordening 2012 en dat deze vestiging niet mogelijk is, tenzij kan worden geoordeeld dat de in artikel 11.7, eerste lid, opgenomen uitzondering in dit geval van toepassing is. In laatstgenoemde bepaling zijn - in afwijking van artikel 11.6, eerste lid, onder a en c, - regels opgenomen voor de VAB-vestiging van agrarisch verwante bedrijven. Op grond van die bepaling is de VAB-vestiging van een agrarisch verwant bedrijf, behorend tot de milieucategorie 3 of hoger, mogelijk in een agrarisch gebied.

Gelet op het vorenstaande dient in dit geval de vraag te worden beantwoord of een hondenpension is aan te merken als een agrarisch verwant bedrijf als bedoeld in de Verordening 2012.

164.4. Naar het oordeel van de Afdeling dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord, aangezien de bedrijfsvoering in een hondenpension geheel of in overwegende mate is gericht op het verlenen van diensten aan particulieren waarbij gebruik wordt gemaakt van het houden van dieren.

Het betoog van [appellant sub 43] dat weliswaar naar de letter wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 1.1, onder 8, van de Verordening 2012, maar dat met deze bepaling wordt gedoeld op een ander soort bedrijven faalt. Daartoe overweegt de Afdeling dat het begrip "agrarisch verwant bedrijf" in de toelichting bij artikel 1.1 van de Verordening 2012 niet nader is verklaard. Wel is in deze toelichting over "het begrip agrarisch bouwblok en andere begrippen inzake land- en tuinbouw" vermeld dat de inhoud van deze begripsbepalingen grotendeels overeen komt met die opgenomen in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota ruimtelijke ordening.

De Afdeling stelt vast dat het begrip "agrarisch verwant bedrijf" onderdeel uitmaakt van bestendig provinciaal beleid, zoals dat onder meer was neergelegd in de "Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling", die op 27 juni 2008 door provinciale staten is vastgesteld. In de Interimstructuurvisie was het begrip agrarisch verwant bedrijf gedefinieerd als "een bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden. Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn: dierenasiels, dierenklinieken, groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, stalhouderijen, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs, proefbedrijven, volkstuinen."

Nu deze definitie in de Interimstructuurvisie nagenoeg overeenkomt met de begripsbepaling die ter zake is opgenomen in artikel 1.1, onder 8, van de Verordening 2012 en gelet op de voorbeelden die in de Interimstructuurvisie zijn gegeven van dergelijke bedrijven, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 43] heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de raad het hondenpension ten onrechte heeft aangemerkt als een agrarisch verwant bedrijf.

164.5. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de vestiging van een hondenpension op het perceel [locatie 50] niet in strijd is met de Verordening 2012. Het betoog faalt.

165. [appellant sub 43] en [appellant sub 12] betogen dat hun woon- en leefklimaat in ernstige mate zal worden aangetast door de exploitatie van een hondenpension op het perceel. Zij vrezen met name voor geluid- en stankhinder en voeren daarbij aan onder meer dat niet is voldaan aan de aanbevolen afstand uit de VNG-brochure. Ook stellen zij dat het akoestische onderzoek gebreken vertoont en dat daarin ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het plan.

165.1. In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Een hondenpension is, zoals hiervoor reeds is overwogen, ingedeeld in milieucategorie 3.2. Hiervoor wordt in de brochure een afstand van 100 meter aanbevolen.

De afstanden die in de brochure worden aanbevolen, gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf en de gevel van een woning die is gelegen in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype rustige woonwijk wordt in de brochure omschreven als: "Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied."

Indien de omgeving is aan te merken als gemengd gebied, kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

Dit betekent dat in gemengd gebied voor een dierenpension een afstand van 50 meter wordt aanbevolen. Onder gemengd gebied wordt in de brochure verstaan: "Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied."

165.2. De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding aan het gehele perceel [locatie 50] de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hondenpension" is toegekend en dat het gehele perceel mag worden gebruikt voor de exploitatie van een hondenpension.

Blijkens het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting bedraagt de afstand tussen de grens van het perceel en de gevel van de dichtstbijgelegen woning van derden ongeveer 10 meter. Dit betreft de woning van [appellant sub 12]. De Afdeling stelt aan de hand van de verbeelding vast dat de woning van [appellant sub 43] eveneens ligt op een afstand van ongeveer 10 meter van het perceel.

Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden van 100 dan wel 50 meter.

165.3. De raad is bij de vaststelling bij het bestemmingsplan aangesloten bij de VNG-brochure. Hij stelt zich op het standpunt dat in dit geval weliswaar niet wordt voldaan aan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden, maar dat deze afwijking in dit geval aanvaardbaar is. Daartoe wijst de raad op het rapport van Tonnaer Adviseurs in omgevingsrecht van 8 oktober 2009 (hierna: de ruimtelijke onderbouwing), die als bijlage 7 bij de plantoelichting is gevoegd. Ook wijst de raad hierbij op het door Amitec B.V. opgestelde akoestisch rapport "Akoestisch onderzoek Hondenpension [locatie 50] Heeswijk-Dinther" van 2 februari 2011 (hierna: het akoestisch rapport). Uit deze rapporten blijkt volgens de raad dat omwonenden geen hinder van het hondenpension zullen ondervinden.

165.4. De Afdeling stelt voorop dat uit het bestreden besluit niet blijkt van welk omgevingstype de raad is uitgegaan bij de beantwoording van de vraag of de vestiging van een hondenpension op het perceel - in afwijking van de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden - in dit geval aanvaardbaar is. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de omgeving moet worden aangemerkt als een rustig buitengebied, zodat op grond van de VNG-brochure een richtafstand van 100 meter moet worden aangehouden. De raad heeft dit standpunt echter niet nader onderbouwd. Daarbij wijst de Afdeling er op dat [belanghebbende C] stelt dat de omgeving rond het perceel [locatie 50] moet worden aangemerkt als het omgevingstype gemengd gebied, aangezien het perceel aan een drukke verbindingsweg ligt en omdat in de omgeving ook andere bedrijven zijn gevestigd.

Gelet hierop berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

165.5. Uit de ruimtelijke onderbouwing en het verweerschrift blijkt dat de raad de afwijking van de richtafstanden uit de VNG-brochure in dit geval uit een oogpunt van geurhinder aanvaardbaar acht, omdat voorheen een varkenshouderij op het perceel was gevestigd. Volgens de raad betreft de omschakeling naar een hondenpension in zoverre een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse.

De Afdeling overweegt dat dit argument eraan voorbij gaat dat de vestiging van een hondenpension op het perceel op haar eigen merites dient te worden beoordeeld. Het feit dat in het verleden een varkenshouderij op het perceel werd geëxploiteerd, welk bedrijf inmiddels is beëindigd, betekent niet dat de vestiging van een hondenpension op het perceel uit een oogpunt van geurhinder zonder meer aanvaardbaar is. Nu uit het bestreden besluit niet blijkt dat de raad de van het hondenpension te verwachten geurhinder heeft onderzocht, is de afwijking van de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.

165.6. De Afdeling overweegt verder dat het akoestisch rapport, waarop de raad zich bij de planvaststelling heeft gebaseerd, eveneens ten grondslag is gelegd aan de revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer die door het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 30 augustus 2011 aan [belanghebbende C] is verleend voor een honden- en kattenpension annex paardenhouderij op het perceel.

In de uitspraak van 3 april 2013, in zaak nr. 201110836/1/A4 (www.raadvanstate.nl), heeft de Afdeling geoordeeld dat niet vaststaat dat in het akoestisch rapport, wat betreft het geblaf van honden, is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie, zodat op grond van dit rapport niet duidelijk is of de gestelde geluidgrenswaarden naleefbaar zijn. Mede gelet hierop is het besluit tot verlening van de revisievergunning in de genoemde uitspraak vernietigd.

De Afdeling ziet geen aanleiding om wat betreft het akoestisch rapport thans tot een ander oordeel te komen. Gelet hierop heeft de raad zich op basis van dit rapport niet op het standpunt kunnen stellen dat omwonenden geen ernstige geluidhinder van het hondenpension zullen ondervinden. In zoverre is de afwijking van de in de VNG-brochure opgenomen richtafstanden evenmin deugdelijk gemotiveerd.

Voor zover [belanghebbende C] betoogt dat uit een nieuw akoestisch rapport van Amitec B.V. van 29 oktober 2013 blijkt dat omwonenden geen geluidhinder van het hondenpension zullen ondervinden, overweegt de Afdeling dat - nog daargelaten dat dit rapport dateert van na de vaststelling van het bestemmingsplan - in het rapport is uitgegaan van het treffen van diverse maatregelen die niet in het bestemmingsplan zijn gewaarborgd, zoals het gebruik van een specifiek gedeelte van het perceel als speelweide terwijl het bestemmingsplan - zoals hiervoor reeds is overwogen - de mogelijkheid biedt om hiervoor het gehele perceel te gebruiken. Het nieuwe akoestisch rapport leidt op dit punt dan ook niet tot een ander oordeel.

165.7. Gelet op het vorenstaande slaagt het betoog van [appellant sub 43] en [appellant sub 12].

166. In hetgeen [appellant sub 43] en [appellant sub 12] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hondenpension" die is toegekend aan het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ter plaatse van het perceel [locatie 50], is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

De beroepen van [appellant sub 43] en [appellant sub 12] zijn gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

166.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

166.2. De raad dient ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 43] en [appellant sub 12] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 46]

Omvang bouwvlak

167. [appellant sub 46] kan zich niet verenigen met de omvang van het bouwvlak dat is toegekend ter plaatse van het perceel [locatie 51]-[locatie 52] te Heeswijk-Dinther. Hij betoogt dat de omvang van het bouwvlak moet worden vergroot, zodat hij zijn concrete uitbreidingsplan ten uitvoer kan brengen. Hiertoe voert hij aan dat een vergroting van het bouwvlak niet in strijd is met de Verordening 2012, omdat zijn uitbreidingsplan onder het overgangsrecht van die verordening valt en het college van gedeputeerde staten een ontheffing van de bepalingen van de Verordening 2011 heeft verleend voor een vergroting van het bouwvlak.

Voor zover de raad verwijst naar zijn besluit van 30 maart 2011, voert Van de Heuvel aan dat in dat besluit geen ruimtelijke afweging is gemaakt ten aanzien van zijn perceel. Ook voert hij aan dat het gewijzigde beleid over intensieve veehouderijen nog niet bekend was ten tijde van het nemen van dat besluit. [appellant sub 46] betoogt voorts dat niet wetenschappelijk is aangetoond dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij die op een afstand van minder dan 1.000 m van een kern ligt risico’s voor de volksgezondheid met zich brengt. Evenmin volgt dit uit de gezondheidseffectscreening die is opgesteld ten behoeve van dit plan. De ruimtelijke noodzaak voor het opleggen van een dergelijke beperking ontbreekt derhalve. [appellant sub 46] stelt verder dat zijn bedrijf niet binnen 1.000 m van een kern of binnen 250 m van een cluster van woningen ligt, zodat niet hoeft te worden gevreesd voor gezondheidsrisico’s. Ook voert [appellant sub 46] aan dat de raad ten onrechte zonder motivering is afgeweken van het beleid dat in het reconstructieplan Maas en Meierij is opgenomen over uitbreidingen van de intensieve veehouderij. Ook stelt hij dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met gedane toezeggingen.

167.1. Het standpunt van de raad is weergegeven onder 111.1.

167.2. Aan het perceel [locatie 51]-[locatie 52], waar [appellant sub 46] een pluimveehouderij exploiteert, zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "bouwvlak" en "intensieve veehouderij" toegekend.

167.3. Zie voor een uiteenzetting van de voorgeschiedenis de overwegingen 111.3, 111.4 en 111.5.

167.4. Onder meer [appellant sub 46] heeft vervolgens de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch verzocht om de gemeenteraad op te dragen om een ontvankelijke aanvraag om ontheffing als bedoeld in de Verordening 2011 in te dienen bij het college van gedeputeerde staten. De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij uitspraak van 31 maart 2011 toegewezen. Hieraan heeft de raad gevolg gegeven.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het college van gedeputeerde staten ontheffing van artikel 9.6 van de Verordening ruimte verleend voor de uitbreiding van een intensieve veehouderij tot een totale omvang van het bouwblok van maximaal 2,5 ha op het adres [locatie 51]-[locatie 52].

167.5. De raad stelt terecht dat de Wro noch de provinciale verordening verplicht tot het vaststellen van een bestemmingsplan dat voorziet in een regeling waarmee gevolg wordt gegeven aan de verleende ontheffing. Dit laat evenwel onverlet dat de raad hiertoe wel bevoegd is.

Met de stelling, onder verwijzing naar het besluit van 30 maart 2011, dat de uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen in de provinciale verordening zijn beperkt, gaat de raad eraan voorbij dat in de Verordening 2011 was voorzien in een ontheffingsmogelijkheid van het verbod op vergroting van het bouwvlak boven 1,5 ha, om ervoor zorg te dragen dat reeds lopende trajecten voor uitbreidingen van intensieve veehouderijen niet in de knel zouden komen door het gewijzigde, strengere provinciale beleid. Deze overgangsregeling in de Verordening 2011 brengt dit met zich dat van een ontheffing die is verleend voor een lopend traject ook gebruik kan worden gemaakt na inwerkingtreding van de Verordening 2012.

Bij de vaststelling van het plan heeft de raad geen afweging gemaakt ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een uitbreiding van de intensieve veehouderij van [appellant sub 46], zoals de raad ter zitting heeft erkend. Met de enkele verwijzing naar het gewijzigde gemeentelijke beleid ten aanzien van intensieve veehouderijen, heeft de raad onvoldoende gemotiveerd, gelet op de omstandigheden van dit geval, dat de uitbreiding onwenselijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat één van de voorwaarden voor het verlenen van de ontheffing door het provinciebestuur is dat het aan de orde zijnde perceel een duurzame locatie als bedoeld in de Verordening 2011 betreft en dat uit het besluit van het college van gedeputeerde staten blijkt dat aan die voorwaarde is voldaan. Voor zover de raad een uitbreiding van de intensieve veehouderij onwenselijk acht vanwege de vrees voor risico’s voor de volksgezondheid, volgt uit hetgeen is overwogen onder 5.4 dat deze motivering onvoldoende is. Bovendien ligt het perceel op een afstand op een afstand van 1,5 km van de kern Loosbroek en 1,6 km van de kern Vorstenbosch.

Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de omvang van de aanduiding "bouwvlak" ter plaatse van het perceel [locatie 51]-[locatie 52] te Heeswijk-Dinther niet berust op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

Archeologie

168. [appellant sub 46] betoogt dat de raad het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor het perceel [locatie 51]-[locatie 52] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad de begrenzing niet uitsluitend heeft mogen baseren op het ontoereikende kaartmateriaal van de provincie en dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de archeologische waarden van zijn gronden waarop deze bestemmingen zijn gelegd, te meer nu het door in het verleden gedane bodemingrepen niet aannemelijk is dat ter plaatse nog archeologische resten aanwezig zijn. [appellant sub 46] verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2012, in zaak nr. 201003351/1/T1/R4 (www.raadvanstate.nl). De dubbelbestemming brengt onnodige beperkingen en kosten met zich.

168.1. Voor een weergave van artikel 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

168.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek in de vorm van bureau- en veldonderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Bij dit onderzoek zijn de bodemverstoringen aan de hand van voornoemde bronnen in kaart gebracht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het archeologiebeleid en de daarbij behorende beleidskaart aan de hand van te grofmazige informatie is opgesteld en dat het archeologisch rapport, anders dan in de door [appellant sub 46] genoemde uitspraak, een gebrek aan kennis bevat over de mate van verstoring van de grond door agrarisch grondgebruik in het verleden. Het betoog faalt.

168.3. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 46] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 51]-[locatie 52], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemming is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

168.4. Voor zover de raad de dubbelbestemming aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 46] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

168.5. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemming tot onnodige beperkingen leidt, overweegt de Afdeling met inachtneming van het voorgaande onder 57.4 dat artikel 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad dient te worden aangepast. Het betoog slaagt.

168.6. Behoudens het voorgaande onder 168.5 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemming leidt tot een onevenredige belemmering. De Afdeling ziet evenmin grond voor de verwachting dat de kosten die de aanvrager van een omgevingsvergunning in voorkomend geval zal moeten maken voor het doen verrichten van archeologisch onderzoek niet in redelijke verhouding zullen staan tot de investering die is gemoeid met de activiteit waarvoor die vergunning nodig is. Het betoog faalt.

Conclusie

169. In hetgeen [appellant sub 46] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 51]-[locatie 52], is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 46] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 51]-[locatie 52], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 46] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

170. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

171. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 45]

Omvang bouwvlak

172. [appellant sub 45] kan zich niet verenigen met de omvang van het bouwvlak dat is toegekend ter plaatse van het perceel [locatie 53] te Loosbroek. Hij betoogt dat de omvang van het bouwvlak moet worden vergroot om ruimte te bieden aan een nieuwe stal. Hiertoe voert hij aan dat een vergroting van het bouwvlak niet in strijd is met de Verordening 2012, omdat zijn uitbreidingsplan onder het overgangsrecht van die verordening valt en het college van gedeputeerde staten een ontheffing van de bepalingen van de Verordening 2011 heeft verleend voor een vergroting van het bouwvlak.

Voor zover de raad onder verwijzing naar zijn besluit van 30 maart 2011 weigert om de verleende ontheffing in het plan op te nemen, voert [appellant sub 45] aan dat in dat besluit geen ruimtelijke afweging is gemaakt ten aanzien van zijn perceel. Ook voert hij aan dat het gewijzigde beleid over intensieve veehouderijen niet bekend was ten tijde van het nemen van dat besluit. [appellant sub 45] betoogt voorts dat niet wetenschappelijk is aangetoond dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij die op een afstand van minder dan 1.000 m van een kern ligt risico’s voor de volksgezondheid met zich brengt. Evenmin volgt dit uit de gezondheidseffectscreening die is opgesteld ten behoeve van dit plan. De ruimtelijke noodzaak voor het opleggen van een dergelijke beperking ontbreekt derhalve. [appellant sub 45] voert daarnaast aan dat de raad ten onrechte zonder toereikende motivering is afgeweken van het beleid dat in het reconstructieplan Maas en Meierij is opgenomen over uitbreidingen van de intensieve veehouderij. Ook stelt hij dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met gedane toezeggingen.

172.1. Het standpunt van de raad is weergegeven onder 111.1.

172.2. Aan het perceel [locatie 53], waar [appellant sub 45] een melkvee- en varkenshouderij exploiteert, zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen, voor zover van belang, "intensieve veehouderij", "bouwvlak" en "milieuzone - 1000m kernen" toegekend.

172.3. Zie voor een uiteenzetting van de voorgeschiedenis de overwegingen 111.3, 111.4 en 111.5.

172.4. Onder meer [appellant sub 45] heeft vervolgens de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch verzocht om de gemeenteraad op te dragen om een ontvankelijke aanvraag om ontheffing als bedoeld in de verordening in te dienen bij het college van gedeputeerde staten. De voorzieningenrechter heeft deze vordering bij uitspraak van 31 maart 2011 toegewezen. Hieraan heeft de raad gevolg gegeven.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het college van gedeputeerde staten ontheffing van artikel 9.6 van de Verordening ruimte verleend voor de uitbreiding van een intensieve veehouderij voor een bouwvlak tot een totale omvang van maximaal 2,1 ha op het adres [locatie 53].

172.5. In het voorliggende plan is het gewijzigde gemeentelijke beleid ten aanzien van intensieve veehouderijen verwerkt. Dit houdt onder meer in dat niet is voorzien in uitbreidingen van bouwvlakken van intensieve veehouderijen tot een omvang van meer dan 1,5 ha. De raad heeft daarom in het voorliggende plan het bouwvlak met een omvang van 1,5 ha dat in het voorheen geldende plan was toegekend enkel vergroot om ruimte te creëren voor nieuwe sleufsilo’s. Het bouwvlak biedt onvoldoende ruimte om de door [appellant sub 45] gewenste stal te bouwen.

172.6. De raad stelt terecht dat de Wro noch de provinciale verordening verplicht tot het vaststellen van een bestemmingsplan dat voorziet in een regeling waarmee gevolg wordt gegeven aan de verleende ontheffing. Dit laat evenwel onverlet dat de raad hiertoe wel bevoegd is.

Met de stelling, onder verwijzing naar het besluit van 30 maart 2011, dat de uitbreidingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen in de provinciale verordening zijn beperkt, gaat de raad eraan voorbij dat in de Verordening 2011 was voorzien in een ontheffingsmogelijkheid van het verbod op vergroting van het bouwvlak boven 1,5 ha, om ervoor zorg te dragen dat reeds lopende trajecten voor uitbreidingen van intensieve veehouderijen niet in de knel zouden komen door het gewijzigde, strengere provinciale beleid. Deze overgangsregeling in de Verordening 2011 brengt dit met zich dat van een ontheffing die is verleend voor een lopend traject ook gebruik kan worden gemaakt na inwerkingtreding van de Verordening 2012.

Bij de vaststelling van het plan heeft de raad geen afweging gemaakt ten aanzien van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een uitbreiding van de intensieve veehouderij van [appellant sub 46], zoals de raad ter zitting heeft erkend. Met de enkele verwijzing naar het gewijzigde gemeentelijke beleid ten aanzien van intensieve veehouderijen, heeft de raad onvoldoende gemotiveerd, gelet op de omstandigheden van dit geval, dat de uitbreiding onwenselijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat één van de voorwaarden voor het verlenen van de ontheffing door het provinciebestuur is dat het aan de orde zijnde perceel een duurzame locatie als bedoeld in de Verordening 2011 betreft en dat uit het besluit van het college van gedeputeerde staten blijkt dat aan die voorwaarde is voldaan. Voor zover de raad een uitbreiding van de intensieve veehouderij onwenselijk acht vanwege de vrees voor risico’s voor de volksgezondheid, volgt uit hetgeen is overwogen onder 5.4 dat deze motivering onvoldoende is. Bovendien ligt het perceel op een afstand op een afstand van 1,5 km van de kern Loosbroek en 1,6 km van de kern Vorstenbosch.

Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de omvang van de aanduiding "bouwvlak" ter plaatse van het perceel [locatie 53] niet berust op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

Bestemming "Natuur"

173. [appellant sub 45] kan zich niet verenigen met de bestemming "Natuur" ter plaatse van de gronden aan de [locatie 53]. Hij betoogt dat een productiebos aanwezig is, dat geen natuurwaarden heeft. De raad heeft ten onrechte niet bezien of de natuurbestemming uit het voorheen geldende plan thans nog passend is, aldus [appellant sub 45].

173.1. In het deskundigenbericht staat dat de betreffende gronden een omvang hebben van ongeveer 100 m bij 115 m. Het gebied is niet te typeren als productiebos. Het oudere deel van het bosgebied heeft niet de kenmerken van een productiebos. Er is een diverse ongestructureerde beplanting aanwezig met berken, dennen, een eik en onderbegroeiing met struiken. In het nieuw aangeplante deel zijn wel rijen berken aangeplant. In dit deel is ook onderbegroeiing aanwezig, zo staat in het deskundigenbericht. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Natuur" aan de gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

Archeologie

174. [appellant sub 45] betoogt dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor het perceel [locatie 53] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad de begrenzing niet uitsluitend heeft mogen baseren op het ontoereikende kaartmateriaal van de provincie en dat de raad nader onderzoek had moeten verrichten naar de archeologische waarden van zijn gronden waarop deze bestemmingen zijn gelegd, te meer nu het door in het verleden verrichte werkzaamheden niet aannemelijk is dat ter plaatse nog archeologische resten aanwezig zijn. [appellant sub 45] verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2012, in zaak nr. 201003351/1/T1/R4 (www.raadvanstate.nl). De dubbelbestemming brengt onnodige beperkingen en kosten met zich.

174.1. Voor een weergave van de artikelen 19 en 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

174.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek in de vorm van bureau- en veldonderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Bij dit onderzoek zijn de bodemverstoringen aan de hand van voornoemde bronnen in kaart gebracht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het archeologiebeleid en de daarbij behorende beleidskaart aan de hand van te grofmazige informatie is opgesteld en dat het archeologisch rapport, anders dan in de door [appellant sub 45] genoemde uitspraak, een gebrek aan kennis bevat over de mate van verstoring van de grond door agrarisch grondgebruik in het verleden. Het betoog faalt.

174.3. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 45] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met hoge archeologische waarde en verwachting onderscheidenlijk een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 53], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemmingen is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

174.4. Voor zover de raad de dubbelbestemming aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 45] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

174.5. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemmingen tot onnodige beperkingen leiden, overweegt de Afdeling met inachtneming van het voorgaande onder 57.4 dat de artikelen 19 en 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad dienen te worden aangepast. Het betoog slaagt.

174.6. Behoudens het voorgaande onder 174.5 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemmingen leiden tot een onevenredige belemmering. De Afdeling ziet evenmin grond voor de verwachting dat de kosten die de aanvrager van een omgevingsvergunning in voorkomend geval zal moeten maken voor het doen verrichten van archeologisch onderzoek niet in redelijke verhouding zullen staan tot de investering die is gemoeid met de activiteit waarvoor die vergunning nodig is. Het betoog faalt.

Conclusie

175. In hetgeen [appellant sub 45] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 53] te Loosbroek is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 45] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 53] te Loosbroek, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 45] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de artikelen 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

175.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

176. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 26]

177. [appellant sub 26] kan zich niet verenigen met het plan voor zover daarin niet is voorzien in een woning op het perceel [locatie 54] te Heeswijk-Dinther. Hij voert aan dat er geen ruimtelijke bezwaren bestaan tegen een woning ter plaatse. In dit verband wijst hij erop dat het perceel in een bebouwingscluster ligt en dat het gemeentebestuur de benodigde onderzoeken akkoord heeft bevonden. De motivering van de raad dat niet wordt voldaan aan de zogenoemde ruimte-voor-ruimte-regeling, acht hij onvoldoende. Hij voert aan dat deze regeling in dit geval niet van toepassing is. Voor zover de raad verwijst naar de mogelijkheid om een bouwtitel te kopen, waarvan [appellant sub 26] geen gebruik heeft gemaakt, acht [appellant sub 26] deze motivering ondeugdelijk. Hij betoogt dat het uitoefenen van een publiekrechtelijke bevoegdheid zoals het vaststellen van een bestemmingsplan niet afhankelijk mag worden gesteld van een privaatrechtelijke rechtshandeling. [appellant sub 26] betoogt verder dat ten onrechte de zogenoemde Buitengebied in Ontwikkeling-regeling (hierna: BIO-regeling) niet is toegepast.

177.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bouw van een nieuwe burgerwoning in het buitengebied niet is toegestaan op grond van het gemeentelijke beleid en de Verordening 2012. De uitzonderingen die op deze regel kunnen worden gemaakt, zijn volgens de raad in dit geval niet van toepassing.

177.2. Aan het perceel [locatie 54] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "wro-zone - woonontwikkelingsgebied" toegekend.

Uit artikel 3, lid 3.1, van de planregels, dat van toepassing is op gronden met de bestemming "Agrarisch", volgt dat een burgerwoning niet is toegestaan.

177.3. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen of solitaire recreatiewoningen.

Ingevolge artikel 11.2, getiteld regels voor ruimte-voor-ruimtekavels, eerste lid, kan, in afwijking van artikel 11.1, een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

2. Uit de verantwoording bedoeld in het eerste lid blijkt dat:

a. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren waarbij de bepaling inzake de kwaliteitsverbetering van het landschap bedoeld in artikel 2.2 niet van toepassing is;

b. is verzekerd dat is voldaan aan de op grond van artikel 11.3 gestelde nadere regels;

c. er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in hoofdstuk 3.

Ingevolge artikel 11.3, eerste lid, stelt het college van gedeputeerde staten nadere regels ten aanzien van bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 11.2, in verband met het beleid om ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik zijn of waren voor de intensieve veehouderij in combinatie met realisering van milieuwinst ter plaatse de bouw van woningen op passende locaties toe te staan.

Ingevolge het tweede lid, wordt, zolang nadere regels als bedoeld in het eerste lid nog niet zijn vastgesteld en in werking zijn getreden, de Beleidsregel ruimte-voor-ruimte 2006 aangemerkt als nadere regels als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 11.4, eerste lid, kan, in afwijking van artikel 11.1, eerste lid, een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling of binnen een gebied integratie stad-land, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

177.4. Op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Overige agrarische ontwikkelingen" ligt het perceel [locatie 54] in agrarisch gebied. Als hoofdregel geldt het bepaalde in artikel 11.1 van de Verordening 2012, dat geen nieuwe burgerwoningen zijn toegestaan in agrarisch gebied. Ingevolge de artikelen 11.2 en 11.3 geldt als uitzondering op deze bepaling dat een woning kan worden toegestaan als wordt voldaan aan de provinciale beleidsregel Ruimte voor Ruimte 2006 (hierna: de beleidsregel).

177.4.1. De beleidsregel heeft tot doel de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren door onnodige verstening van het buitengebied tegen te gaan en de milieubelasting van intensieve veehouderijen terug te dringen. Hiertoe kan op grond van de beleidsregel in ruil voor de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen, die in gebruik zijn of waren voor een intensieve veehouderij, en het inleveren van milieurechten, de bouw van een woning worden toegestaan op passende locaties. Voor het planologisch toestaan van een nieuwe woning in het buitengebied is op grond van de beleidsregel derhalve een ruimtelijke tegenprestatie vereist. De raad heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de vereiste tegenprestatie voor de gewenste woning ontbreekt. Nu niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de beleidsregel, kan de uitzondering die is opgenomen in de artikelen 11.2 en 11.3 van de Verordening 2012 geen toepassing vinden.

177.4.2. De uitzondering die is opgenomen in artikel 11.4 van de Verordening 2012 kan evenmin toepassing vinden, omdat het perceel niet in een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling of een gebied integratie

stad-land ligt.

177.4.3. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het toestaan van een nieuwe woning op het perceel van [appellant sub 26] in strijd is met artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012.

177.5. Het betoog van [appellant sub 26] dat de raad ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de BIO-regeling, faalt. De BIO-regeling was neergelegd in de provinciale beleidsnota "Buitengebied in Ontwikkeling", die op 20 juli 2004 was vastgesteld. In artikel 14.4, derde lid, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 was een overgangsbepaling opgenomen op grond waarvan de BIO-regeling toepassing kon vinden voor plannen die vóór 1 juli 2011 waren vastgesteld en waren gelegen in een bebouwingsconcentratie in onder meer agrarisch gebied. Ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan was de Verordening 2012 in werking getreden, die geen bepalingen over de BIO-regeling bevat.

178. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 26] ongegrond.

179. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van dit beroep bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 21]

180. [appellant sub 21] kan zich niet verenigen met de omvang van het bouwvlak dat is toegekend aan het perceel [locatie 55] te Heeswijk-Dinther, waar hij een pluimveehouderij exploiteert. Hij voert aan dat een woning en een loods, die legaal zijn gebouwd, ten onrechte niet dan wel niet geheel binnen het bouwvlak liggen. Hij stelt dat het gemeentebestuur heeft erkend dat de omvang van het bouwvlak onjuist is.

Voorts vreest [appellant sub 21] dat zijn intensieve veehouderij niet als zodanig is bestemd nu de aanduiding "agrarisch bedrijf" niet aan zijn perceel is toegekend.

180.1. Aan het perceel [locatie 55] zijn de bestemming "Agrarisch" en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 1, onder 1.7, van de planregels wordt verstaan onder "agrarisch bedrijf" een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren, met inbegrip van andere activiteiten van ondergeschikte betekenis.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, meer in het bijzonder:

1. een intensief veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf');

2. een grondgebonden agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'agrarisch bedrijf', en tevens ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' (functietype 'agrarisch bedrijf') en ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt' (functietype 'agrarisch bedrijf');

(…)

180.2. Uit artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder b, van de planregels volgt dat een agrarisch bedrijf, zoals dat is omschreven in artikel 1, onder 1.7, van de planregels, zowel in de vorm van een intensieve veehouderij als in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan op gronden met de bestemming "Agrarisch". De vrees van [appellant sub 21] dat zijn intensieve veehouderij niet als zodanig is bestemd, mist derhalve feitelijke grondslag.

180.3. In het plan is een groter bouwvlak aan het perceel toegekend dan in het voorheen geldende plan, om ruimte te bieden aan de bouw van een door [appellant sub 21] gewenste nieuwe stal. De raad stelt in verweer dat het opnemen van een groter bouwvlak in het voorliggende plan niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan zal de juiste omvang van het bouwvlak worden ingetekend op de verbeelding, aldus de raad.

Gelet op het standpunt van de raad bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog slaagt.

181. [appellant sub 21] betoogt dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor zijn perceel [locatie 55] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad de begrenzing niet uitsluitend heeft mogen baseren op de provinciale attentiegebieden en de verwachtings- en beleidskaart zonder te vermelden welke bronnen zijn gebruikt. De raad had nader onderzoek moeten verrichten naar de archeologische waarden van zijn gronden, te meer nu het door in het verleden gedane bodemingrepen niet aannemelijk is dat ter plaatse nog archeologische resten aanwezig zijn. De dubbelbestemmingen leiden tot onnodige beperkingen.

181.1. Voor een weergave van de artikelen 19 en 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

181.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek in de vorm van bureau- en veldonderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Bij dit onderzoek zijn de bodemverstoringen aan de hand van bekendgemaakte bronnen in kaart gebracht. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het archeologiebeleid en de daarbij behorende beleidskaart aan de hand van te grofmazige informatie is opgesteld. Het betoog faalt.

181.3. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 21] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met hoge archeologische waarde en verwachting onderscheidenlijk een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 55], waaraan nagenoeg geheel de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en voor het overige gedeelte de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

181.4. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 21] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

181.5. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemmingen tot onnodige beperkingen leiden, overweegt de Afdeling met inachtneming van het voorgaande onder 57.4 dat de artikelen 19 en 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad dienen te worden aangepast. Het betoog slaagt.

181.6. Behoudens het voorgaande onder 181.5 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemmingen leiden tot een onevenredige belemmering. Het betoog faalt.

182. In hetgeen [appellant sub 21] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarin niet is voorzien in de aanduiding "bouwvlak" ter plaatse van de bestaande bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 55] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 21] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 55], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 21] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de artikelen 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

183. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

184. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 14]

185. [appellant sub 14] exploiteert een agrarisch bedrijf waar geiten worden gehouden op het perceel [locatie 56] te Heeswijk-Dinther. Hij kan zich niet met het plan verenigen, voor zover dat betrekking heeft op zijn gronden.

185.1. In het bestemmingsplan is aan het perceel [locatie 56] de bestemming "Agrarisch" toegekend. Voor dit perceel is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "intensieve veehouderij" en de maatvoeringsaanduiding "aantal bedrijfswoningen=2".

Het perceel ligt in een gebied met de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen". Ook ligt het perceel in een gebied met de gebiedsaanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied".

Uitbreiding geitenhouderijen

186. [appellant sub 14] betoogt dat in het plan ten onrechte een verbod is opgenomen voor het uitbreiden van zijn geitenhouderij. Onder verwijzing naar de brief van het deskundigenberaad Q-koorts van 24 juni 2011 voert hij aan dat het risico voor de volksgezondheid sterk is verminderd door vaccinatie van de dieren. Uitbreidingen van deze bedrijven kunnen slechts plaatsvinden als de dieren zijn gevaccineerd. Gelet hierop is er vanuit het aspect van volksgezondheid geen reden meer om de uitbreidingsstop in stand te houden.

186.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Verordening 2012 in ieder geval tot 1 juni 2013 geen mogelijkheden bood voor uitbreiding van de intensieve geiten- en schapenhouderijen.

186.2. Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, van de Verordening 2012 geldt in afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk 9 van de Verordening 2012 tot 1 juni 2013 de regel dat:

a. uitbreiding, hervestiging en omschakeling naar een geiten- of schapenhouderij niet zijn toegestaan;

b. vergroting van de bebouwing ten behoeve van een geiten- of schapenhouderij welke op de peildatum 12 december 2009 aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een onherroepelijk verleende vergunning niet is toegestaan.

186.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, aanhef en onder j, van de planregels geldt voor de binnen de bestemming "Agrarisch" op te richten bebouwing de regel dat vergroting van de bebouwing ten behoeve van een geiten- of schapenhouderij, welke op de peildatum 12 december 2009 aanwezig of in uitvoering was dan wel gebouwd mag worden krachtens een onherroepelijk verleende vergunning, niet is toegestaan.

Ingevolge lid 3.4, onder 3.4.1, aanhef en onder i, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.1, onder j, voor het bouwen ten behoeve van een geiten- of schapenhouderij, onder de voorwaarde dat het verbod in de Verordening ruimte Noord-Brabant is komen te vervallen.

186.4. De raad heeft bij de vaststelling van het plan terecht de uit de Verordening 2012 opgenomen beperking voor uitbreiding van geiten- of schapenhouderijen in acht genomen. Blijkens de artikelsgewijze toelichting hebben provinciale staten deze bepaling opgenomen vanwege de bestaande onduidelijkheid wat betreft het gezondheidsrisico voor mensen rondom geitenhouderijen. Om deze reden is de bouwstop voor geiten- en schapenhouderijen verlengd tot 1 juni 2013. Overigens is artikel 9.6 van de Verordening 2012 ingetrokken bij vaststelling van de verordening "Wijziging verordening ruimte 2012, intrekking artikel 9.6", die met ingang van 15 november 2013 in werking is getreden. Gelet hierop staat het plan met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in zoverre niet meer in de weg aan het bouwen ten behoeve van een geiten- of schapenhouderij.

Het betoog faalt.

Ligging in een verwevingsgebied

187. [appellant sub 14] voert aan dat zijn perceel ligt in een verwevingsgebied, maar dat de zonering van het verwevingsgebied ten onrechte niet op de verbeelding is weergegeven.

187.1. Het perceel [locatie 56] ligt op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een verwevingsgebied.

187.2. De Afdeling verwijst op dit punt naar hetgeen is overwogen onder 24.4. Het betoog faalt.

Wijzigingsbevoegdheid uitbreiding bouwvlak intensieve veehouderij

188. [appellant sub 14] betoogt dat het bouwvlak van een intensieve veehouderij in een verwevingsgebied op grond van de Verordening 2012 mag worden uitgebreid tot 1,5 ha, mits sprake is van een duurzame locatie. Volgens [appellant sub 14] staat het bepaalde in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onderdeel d, van de planregels hieraan ten onrechte in de weg. Hiertoe voert hij aan dat het oppervlak van het bouwvlak op grond van deze bepaling ten onrechte slechts mag worden vergroot met maximaal 25%. Verder betoogt hij dat de wijzigingsbevoegdheid in zijn situatie ten onrechte niet kan worden toegepast, door de toekenning van de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" aan zijn gronden. Ook moet volgens [appellant sub 14] ten onrechte een individuele gezondheidseffectscreening worden uitgevoerd.

188.1. Voor een weergave van artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onderdeel d, van de planregels wordt verwezen naar overweging 5.2.

188.2. Uit het deskundigenbericht blijkt dat het bouwvlak dat op de verbeelding is opgenomen voor het perceel van [appellant sub 14] een oppervlakte heeft van ongeveer 1,4 ha. Een vergroting van het bouwvlak met maximaal 25% zou leiden tot een oppervlakte van 1,75 ha. De voorwaarde in de bovengenoemde bepaling dat de oppervlakte van het bouwvlak met maximaal 25% mag worden vergroot, staat dan ook niet in de weg aan een uitbreiding van het bouwvlak tot 1,5 ha. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 14] dat hij door deze voorwaarde wordt beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden feitelijke grondslag.

188.3. Zoals volgt uit hetgeen is overwogen onder 5.3 tot en met 5.4, berust het toekennen van de gebiedsaanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" niet op een toereikende motivering. Op dit punt slaagt het betoog.

188.4. De Afdeling overweegt verder dat het bepaalde in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onderdeel d, sub 6, van de planregels overeen komt met het bepaalde in artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onderdeel c, sub 6, van de planregels. Zoals volgt uit hetgeen is overwogen onder 24.7 en 24.8 is de desbetreffende wijzigingsvoorwaarde niet objectief begrensd en derhalve rechtsonzeker. Op dit punt slaagt het betoog eveneens.

Wijzigingsbevoegdheid vormverandering bouwvlak

189. [appellant sub 14] betoogt dat dat in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder b, van de planregels ten onrechte de voorwaarde wordt gesteld dat een landschappelijke inpassing met een oppervlakte van 10% van het bouwvlak is vereist voor een vormverandering van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf.

189.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onderdeel b, punt 4, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en vormverandering van het bouwvlak van een agrarisch bedrijf toestaan, onder de voorwaarde dat uit een inrichtingsplan moet blijken dat een goede ruimtelijke uitstraling gewaarborgd is. Een landschappelijke inpassing met een oppervlakte van minimaal 10% van het bouwvlak is vereist.

189.2. Deze bepaling komt overeen met de bepaling die is opgenomen in artikel 6, lid 6.9, onder 6.9.1, aanhef en onderdeel a, sub 4, van de planregels. De Afdeling verwijst op dit punt dan ook naar hetgeen is overwogen onder 117.2. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel om deze voorwaarde onredelijk te achten. Het betoog faalt.

Wijzigingsbevoegdheden nieuwe burgerwoningen

190. [appellant sub 14] betoogt dat het plan ten onrechte nieuwe burgerwoningen mogelijk maakt in een woonwerkontwikkelingsgebied. Hij vreest dat hij hierdoor zal worden beperkt in zijn bedrijfsvoering.

190.1. Blijkens het beroepschrift doelt [appellant sub 14] met dit betoog op de wijzigingsbevoegdheden die zijn opgenomen in artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onderdelen g en h, van de planregels.

Ingevolge artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen en:

g. het functietype "agrarisch bedrijf", "agrarisch verwant bedrijf" of het functietype "bedrijf" wijzigen in het functietype "wonen", waarbij onder meer de voorwaarde is gesteld dat alle bedrijfsactiviteiten moeten zijn beëindigd;

h. bestaande woningen/hoofdgebouwen met het functietype "wonen" onder voorwaarden splitsen in maximaal twee woningen.

In lid 3.9, onder 3.9.2, is bepaald dat een in 3.9.1 genoemde wijziging slechts kan worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

b. de milieusituatie; er dient sprake te zijn van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;

d. het woon- en leefmilieu van de omgeving; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt.

Ingevolge artikel 1, lid 1.61, wordt onder milieuhygiënische uitvoerbaarheid verstaan een overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid et cetera aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, onder andere zodat omliggende bedrijven niet onnodig in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

190.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de hiervoor weergegeven wijzigingsbevoegdheden, gezien de daaraan verbonden voorwaarden, slechts beperkt kunnen worden toegepast. Volgens de raad is met het bepaalde in lid 3.9, onder 3.9.2, bovendien voldoende gewaarborgd dat deze wijzigingsbevoegdheden uitsluitend kunnen worden toegepast als de bedrijfsvoering van de agrarische bedrijven in de omgeving daarvan geen onevenredige belemmering ondervindt.

Hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hiervan bij de planvaststelling niet heeft kunnen uitgaan. Het betoog faalt.

Vervangende nieuwbouw bedrijfswoningen

191. [appellant sub 14] heeft twee bedrijfswoningen op zijn perceel. Hij betoogt dat in de planregels ten onrechte is bepaald dat een nieuwe, vervangende bedrijfswoning alleen binnen de bestaande fundamenten mag worden gebouwd.

191.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.1, onderdeel c, van de planregels is vervangende nieuwbouw van de bedrijfswoning, al dan niet in combinatie met vervanging van het overige deel van het hoofdgebouw waar de bedrijfswoning onderdeel van uitmaakt, toegestaan binnen de bestaande fundamenten, tot een maximale inhoudsmaat van 750 m3 dan wel overeenkomstig de bestaande (grotere) inhoud. Cultuurhistorisch waardevolle panden, zoals opgenomen in bijlage 9, mogen niet worden herbouwd.

Ingevolge lid 3.4, onder 3.4.1, aanhef en onderdeel g, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2, onder 3.2.1, onderdeel c, voor het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten, onder de voorwaarden dat:

1. de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is:

2. de verkeersveiligheid hierdoor niet wordt aangetast;

3. er geen sprake is van een cultuurhistorisch waardevol pand, zoals opgenomen in bijlage 9.

192. De bedrijfswoningen van [appellant sub 14] zijn geen cultuurhistorisch waardevolle panden, zoals opgenomen in bijlage 9. Het plan staat derhalve niet in de weg aan vervangende nieuwbouw van deze woningen. Gelet op de in artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.1, aanhef en onderdeel g, opgenomen afwijkingsbevoegdheid biedt het plan bovendien de mogelijkheid om onder voorwaarden vervangende nieuwbouw op te richten buiten de bestaande fundamenten.

De raad heeft deze mogelijkheid niet bij recht in het plan opgenomen, omdat hij het wenselijk acht dat bij de eventuele herbouw van een bedrijfswoning een afweging plaatsvindt ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de nieuwe locatie.

In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onredelijk is.

Het betoog faalt.

Archeologie

193. [appellant sub 14] betoogt dat de raad het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor het perceel [locatie 56] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat het als gevolg van de ruilverkaveling en de oprichting van gebouwen en bouwwerken niet aannemelijk is dat ter plaatse nog archeologische resten aanwezig zijn. Het omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van grondbewerkingen is voorts rechtsonzeker. Zo is onduidelijk wat in de planregels onder "normaal onderhoud en/of de normale exploitatie" wordt verstaan, omdat werkzaamheden die bij uitstek onder de normale onderhoudswerkzaamheden van een agrariër zouden vallen, lijken te zijn uitgezonderd van het normale onderhoud of de normale exploitatie indien hierdoor een onherstelbare aantasting van de aan een gebied toegekende waarde ontstaat. De dubbelbestemming is onredelijk beperkend voor de agrarische bedrijfsvoering.

193.1. Voor een weergave van artikel 1, lid 1.67, van de planregels wordt verwezen naar 11.2 en voor een weergave van artikel 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

193.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 14] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 56], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemming is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

193.3. Voor zover de raad de dubbelbestemming aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 14] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

193.4. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemming tot onredelijke beperkingen leidt, overweegt de Afdeling met inachtneming van het voorgaande onder 57.4 dat artikel 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad dient te worden aangepast. Het betoog slaagt.

194. Behoudens het voorgaande onder 193.4 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemming leidt tot een onevenredige belemmering. Gelet op het voorgaande onder 11.3 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de omschrijving van "normaal onderhoud en/of de normale exploitatie" in de planregels zo onduidelijk is dat het omgevingsvergunningstelsel met het rechtszekerheidsbeginsel in strijd moet worden geacht. Het betoog faalt.

Conclusie

195. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van het perceel [locatie 56] te Heeswijk-Dinther en de vaststelling van artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onderdeel d, sub 6, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb onderscheidenlijk met het beginsel van de rechtszekerheid.

In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 56] te Heeswijk-Dinther, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 14] voorts heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

195.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

196. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 19]

197. [appellant sub 19], die een varkenshouderij exploiteert op het perceel [locatie 57] te Heeswijk-Dinther, kan zich niet met het plan verenigen, voor zover dat betrekking heeft op zijn gronden. Hij betoogt dat zijn bouwvlak te klein is. Daartoe voert hij aan dat de recreatiewoning, die ten noordoosten van de agrarische bedrijfsbebouwing ligt, onderdeel uitmaakt van zijn bedrijf en dat deze woning met de daaromheen gelegen gronden had moeten worden opgenomen binnen het agrarische bouwvlak. [appellant sub 19] wil de woning gaan gebruiken voor recreatieve activiteiten als neventak bij zijn agrarische bedrijf. Hij vreest dat het plan hieraan in de weg staat.

Verder voert hij aan dat de inhoud van de recreatiewoning ten onrechte slechts 200 m³ mag bedragen. Hij betoogt dat deze inhoudsmaat in de weg staat aan een rendabele exploitatie.

197.1. Aan de gronden van [appellant sub 19] is in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend. Deze gronden liggen in een gebied met de gebiedsaanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied".

Het agrarische bedrijf van [appellant sub 19] is gevestigd op het perceel [locatie 57]. Voor dit bedrijf is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "intensieve veehouderij".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onderdeel g, sub 1 en 2, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" onder meer bestemd voor de uitoefening van een intensief veehouderijbedrijf alsmede voor een grondgebonden agrarisch bedrijf.

De recreatiewoning van [appellant sub 19] ligt op het perceel [locatie 58], ten noordoosten van het agrarische bouwvlak. Voor deze woning is een afzonderlijk bouwvlak op de verbeelding opgenomen met de functieaanduiding "recreatiewoning".

Ingevolge onderdeel j, bezien in samenhang met de Tabel functietype 'Recreatie' die is opgenomen in bijlage 3 bij de planregels, zijn de gronden met de functieaanduiding "recreatiewoning" onder meer bestemd voor een recreatiewoning.

Ingevolge lid 5.2, onder 5.2.6, onderdeel d, mag de inhoud van een recreatiewoning maximaal 200 m³ bedragen.

197.2. In de retrospectieve toets, die als bijlage 3 bij de plantoelichting is gevoegd, is vermeld dat het bouwvlak voor het agrarische bedrijf aan de [locatie 57] is vergroot van 0,76 naar 0,95 hectare ten opzichte van het vigerende plan.

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro met betrekking tot een deel van de uitbreiding van dit bouwvlak.

Tussen partijen is niet in geschil dat het plan, zoals dat door de raad is bekendgemaakt, nog steeds voorziet in een groter bouwvlak voor het agrarische bedrijf van [appellant sub 19] dan het voorheen geldende bestemmingsplan.

197.3. De raad acht een verdere vergroting van het bouwvlak voor het agrarische bedrijf van [appellant sub 19], in die zin dat daarin ook de recreatiewoning en de daaromheen gelegen gronden worden opgenomen, niet aanvaardbaar. Daarbij heeft de raad onder meer in aanmerking genomen dat de Verordening 2012 in de weg staat aan de uitbreiding van een bouwvlak voor een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied.

197.3.1. Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een extensiveringsgebied dat een uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij niet is toegestaan.

197.3.2. De raad is gehouden een plan vast te stellen met inachtneming van deze algemene regels. Het opnemen van de recreatiewoning op het perceel [locatie 58], met de daaromheen gelegen gronden, binnen het bouwvlak voor het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 57] zou - in strijd met deze algemene regels - leiden tot een substantiële vergroting van het agrarische bouwvlak. Het plan zou aldus de mogelijkheid bieden om de intensieve veehouderij op het perceel uit te breiden.

In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad hiertoe bij de planvaststelling ten onrechte niet is overgegaan. De omstandigheid dat voor de recreatiewoning een afzonderlijk bouwvlak in het plan is opgenomen, betekent niet dat deze woning niet kan worden verhuurd als recreatiewoning bij het agrarische bedrijf.

197.4. De raad stelt zich verder op het standpunt dat een maximale inhoud van 200 m3 toereikend is voor recreatiewoningen in het buitengebied.

De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. [appellant sub 19] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de raad voor de in het geding zijnde recreatiewoning desondanks had moeten voorzien in een ruimere maatvoering. Daarbij overweegt de Afdeling dat voor de bouw van deze woning op 27 juli 2005 een vergunning is verleend. In de aanvraag om bouwvergunning is aangegeven dat de inhoud van het bouwwerk na uitvoering van de werkzaamheden 200 m³ zal bedragen.

In het deskundigenbericht is vermeld dat een dergelijke inhoud toereikend is voor een rendabele exploitatie. [appellant sub 19] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het deskundigenbericht op dit punt onjuist is.

197.5. In hetgeen [appellant sub 19] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling, gezien het vorenstaande, geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

197.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 19] ongegrond.

197.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 24]

198. [appellant sub 24], die woont op het perceel [locatie 59] te Heesch en die ter plaatse een paardenhouderij exploiteert, kan zich niet met het plan verenigen, voor zover dat betrekking heeft op zijn perceel.

Uitbreiding van het bouwvlak en bestemmingsregeling

198.1. [appellant sub 24] voert aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een uitbreiding van zijn bouwvlak aan de westzijde van de bestaande bebouwing. Hij stelt dat hij reeds vanaf 2010 - in overleg met het gemeentebestuur - bezig is om zijn bouwvlak te vergroten en dat het voor de raad duidelijk had moeten zijn dat hij zijn bouwvlak graag in westelijke richting wil uitbreiden.

Verder voert hij aan dat de bestemmingsregeling voor zijn perceel ten onrechte niet aansluit op het bepaalde in de brochure "Paardenhouderij en ruimtelijke ordening; Herziene handreiking voor de praktijk" van februari 2009, die is opgesteld door de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Sectorraad Paarden. Hij wil de bebouwing op zijn perceel volledig kunnen gebruiken voor zijn paardenhouderij.

198.1.1. In het plan is aan het perceel [locatie 59] de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" toegekend. Voor dit perceel is een bouwvlak op de verbeelding opgenomen, met de functieaanduiding "agrarisch bedrijf" en de maatvoeringsaanduiding "aantal bedrijfswoningen=1".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Voor een weergave van artikel 1, lid 1.7 en lid 1.39, waarin definities zijn opgenomen van de begrippen "agrarisch bedrijf" en "gebruiksgerichte paardenhouderij" wordt verwezen naar overweging 162.1.1.

198.1.2. In de retrospectieve toets, die als bijlage 3 bij de plantoelichting is gevoegd, is vermeld dat het bouwvlak voor het perceel [locatie 59] is vergroot ten opzichte van het vigerende plan, waardoor de bebouwing kan worden uitgebreid van 4.860 m2 naar 12.000 m2. Het bestemmingsplan, zoals dat door de raad is vastgesteld, voorzag daartoe in een uitbreiding van het bouwvlak in zuidelijke richting.

Bij besluit van 31 juli 2012 heeft het college aan de raad een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro met betrekking tot de uitbreiding van het bouwvlak ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Uit de overwegingen van dat besluit blijkt dat het college een uitbreiding van het bouwvlak niet principieel onmogelijk acht.

198.1.3. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak in zuidelijke richting dient te worden uitgebreid. Volgens de raad is een uitbreiding van het bouwvlak in westelijke richting uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar. Daartoe acht hij van belang dat de Wijststraat bestaat uit lintbebouwing met doorzichten naar het open landschap aan de zuidzijde van de Wijststraat. Ter plaatse van de door [appellant sub 24] gewenste uitbreiding ligt een dergelijk doorzicht. Grootschalige bedrijfsuitbreiding acht de raad op die locatie niet passend.

In hetgeen [appellant sub 24] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onredelijk is. Daarbij is van belang dat [appellant sub 24] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gronden binnen het bouwvlak niet op een doelmatige wijze kunnen worden ingericht bij uitbreiding van het bouwvlak in zuidelijke richting. Het betoog faalt.

198.1.4. Ten aanzien van het betoog over de bestemmingsregeling voor het perceel overweegt de Afdeling het volgende.

In het deskundigenbericht staat dat op het perceel een pension voor het stallen van ongeveer 36 paarden van derden wordt geëxploiteerd. Op het perceel bevinden zich onder meer stallen met boxen voor paarden, een wasplaats voor paarden, een kantine, een longeerbak en een buitenrijbak. Het bedrijf is in hoofdzaak gericht op het gebruik van het paard als hulpmiddel voor de recreërende mens, aldus het deskundigenbericht.

Partijen hebben het deskundigenbericht op dit punt niet bestreden.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte niet onderkend dat het in dit geval gaat om een gebruiksgerichte paardenhouderij als bedoeld in artikel 1, lid 1.39, van de planregels. Dit betekent dat het bedrijf niet kan worden aangemerkt als een agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1, lid 1.7, van de planregels.

Nu in het plan de functieaanduiding "agrarisch bedrijf" aan het perceel [locatie 59] is toegekend, is de paardenhouderij op dit perceel, anders dan door de raad is beoogd, niet als zodanig is bestemd. Hieruit volgt dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Archeologie

199. [appellant sub 24] betoogt dat de raad het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" voor het perceel [locatie 59] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat door in het verleden gedane ingrepen in de bodem tot een diepte van 90 cm ter plaatse geen archeologische resten meer aanwezig zijn. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, in zaak nr. 201003878/1/R3 (www.raadvanstate.nl), had het omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werken en/of werkzaamheden volgens hem op zijn minst moeten worden aangepast dat tot op deze verstoorde diepte geen omgevingsvergunning is vereist.

199.1. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 24] waaraan de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat het bouwvlak op het perceel [locatie 59], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemming is bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Het betoog slaagt.

199.2. Voor zover de raad de dubbelbestemming aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 24] niet aan de hand van stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Anders dan in de door [appellant sub 24] genoemde uitspraak, heeft de raad niet aannemelijk geacht dat de gronden zijn geroerd tot een diepte van 0,9 m. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

Conclusie

200. Gelet op hetgeen is overwogen onder 198.1.4 en 199.1 is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de vaststelling van:

- de functieaanduiding "agrarisch bedrijf" die is toegekend aan het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ter plaatse van het perceel [locatie 59] te Heesch, en

- het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 59].

Het beroep van [appellant sub 24] is gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

200.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

201. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beroepen van [appellant sub 40] en [appellant sub 42]

202. [appellant sub 40] exploiteert een rundvleesbedrijf op het perceel [locatie 60] te Nistelrode. [appellant sub 42] exploiteert een varkenshouderij op het perceel [locatie 61] te Nistelrode.

Koppeling van de bouwvlakken

202.1. [appellant sub 40] en [appellant sub 42] kunnen zich niet met het plan verenigen, voor zover daarin een koppeling is opgenomen tussen de bouwvlakken op hun percelen. Zij betogen dat hun bedrijven in 1996 zijn gesplitst en dat er geen technische, functionele, organisatorische of economische bindingen meer bestaan tussen deze bedrijven.

202.1.1. Aan de percelen [locatie 60] en [locatie 61] is in het plan de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" toegekend.

Voor beide percelen is een afzonderlijk bouwvlak op de verbeelding opgenomen, waarbij aan beide bouwvlakken de functieaanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend. Beide bouwvlakken zijn op de verbeelding aan elkaar gekoppeld door middel van de aanduiding "Figuur - relatie".

202.1.2. De raad heeft overwogen dat de bedrijven op de percelen [locatie 60] en [locatie 61] in planologisch opzicht, conform het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1998, moeten worden aangemerkt als één bedrijf. Het ontkoppelen van de beide bouwvlakken zou volgens de raad neerkomen op het toevoegen van een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij) in het buitengebied. Dit is volgens de raad in strijd met het gemeentelijke beleid en met de ter zake geldende provinciale regelgeving.

202.1.3. De Afdeling stelt evenwel, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 142.3, vast dat de aanduiding "Figuur - relatie", die op de verbeelding ter plaatse van de desbetreffende percelen is opgenomen, geen regeling in de planregels heeft gevonden. Dit betekent dat aan deze aanduiding geen juridische betekenis toekomt.

Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 40] en [appellant sub 42] dat in het plan ten onrechte een koppeling is opgenomen tussen de bouwvlakken op hun percelen feitelijke grondslag.

Begrenzing van het landbouwontwikkelingsgebied

203. [appellant sub 40] en [appellant sub 42] voeren verder aan dat de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden in het plan ten onrechte afwijkt van de begrenzing van de landbouwontwikkelingsgebieden zoals die in de Verordening 2012 zijn aangeduid.

Blijkens de beroepschriften, zoals nader toegelicht ter zitting, zijn de beroepen van [appellant sub 40] en [appellant sub 42] op dit punt gericht tegen de toekenning van de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" en de toekenning van de bestemming "Agrarisch" aan hun gronden.

203.1. De percelen [locatie 60] en [locatie 61] en de daaromheen gelegen gronden van [appellant sub 40] en [appellant sub 42] liggen in een gebied dat op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" is aangeduid als "primair landbouwontwikkelingsgebied".

203.2. De Afdeling stelt op grond van het deskundigenbericht en de daarbij behorende bijlagen vast dat de gronden van [appellant sub 42] liggen ten oosten en ten noordwesten van het bouwvlak op het perceel [locatie 61]. Aan de desbetreffende gronden is op de verbeelding niet de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" of de bestemming "Agrarisch" toegekend.

Het betoog van [appellant sub 42] dat hij in zoverre beperkingen zal ondervinden van het plan, mist derhalve feitelijke grondslag.

203.3. Aan een deel van de gronden van [appellant sub 40] ten westen van het bouwvlak op het perceel [locatie 60] is op de verbeelding wel de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" en de bestemming "Agrarisch" toegekend.

203.4. Voor een weergave van het standpunt van de raad wordt verwezen naar 5.1 en naar 6.1.

203.4.1. Zoals volgt uit hetgeen is overwogen onder 5.3, 5.4 en 6.4, berust de vaststelling van de gebiedsaanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" en de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de gronden die op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied liggen, niet op een toereikende motivering. Het betoog van [appellant sub 40] slaagt.

Archeologie

204. [appellant sub 40] onderscheidenlijk [appellant sub 42] betogen dat de raad de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" voor het perceel [locatie 60] onderscheidenlijk het perceel [locatie 61] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat door het historische gebruik van de percelen en de daarop aanwezige bebouwing en verharding niet aannemelijk is dat ter plaatse nog archeologische resten aanwezig zijn. De dubbelbestemmingen zijn onredelijk beperkend.

204.1. Voor een weergave van de artikelen 19 en 20 van de planregels wordt verwezen naar 3.1.

204.2. Gelet op het voorgaande onder 3.3 is nader onderzoek verricht naar de archeologische waarden van de gronden in het plangebied, waarvan het resultaat is vastgelegd in de beleidskaart. Niet in geschil is dat de gronden van [appellant sub 40] en [appellant sub 42] waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" zijn toegekend, op de beleidskaart zijn aangeduid als een gebied met hoge archeologische waarde en verwachting onderscheidenlijk een gebied met middelhoge archeologische verwachting. Evenmin in geschil is dat de bouwvlakken op de percelen [locatie 60] en [locatie 61], waaraan gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" en gedeeltelijk de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" is toegekend, ter plaatse van deze dubbelbestemmingen zijn bebouwd. Gelet op het voorgaande onder 3.4 heeft de raad in zoverre het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. De betogen slagen.

204.3. Voor zover de raad de dubbelbestemmingen aan de onbebouwde gronden heeft toegekend, is van belang dat [appellant sub 40] en [appellant sub 42] niet aan de hand van stukken aannemelijk hebben gemaakt dat deze gronden zodanig zijn geroerd dat ter plaatse geen archeologische waarden meer aanwezig zijn. Gelet hierop en op het voorgaande onder 3.5 ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre niet in redelijkheid de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3" aan deze gronden heeft kunnen toekennen. De betogen falen.

204.4. Voor zover wordt aangevoerd dat de dubbelbestemmingen onredelijk beperkend zijn, overweegt de Afdeling met inachtneming van het voorgaande onder 57.4 dat de artikelen 19 en 20 van de planregels overeenkomstig de erkenning van de raad dienen te worden aangepast. De betogen slagen.

204.5. Behoudens het voorgaande onder 204.4 ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande onder 3.5, geen aanleiding voor het oordeel dat de dubbelbestemmingen leiden tot een onevenredige belemmering. De betogen falen.

Conclusie

204.6. In hetgeen [appellant sub 40] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de gebiedsaanduiding "milieuzone - 1000m kernen" ter plaatse van de gronden van [appellant sub 40] die zijn gelegen ten westen van het bouwvlak op het perceel [locatie 60] te Nistelrode, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 40] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de gronden van [appellant sub 40] die op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied liggen, is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 40] onderscheidenlijk [appellant sub 42] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 60] onderscheidenlijk [locatie 61] te Nistelrode, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

In hetgeen [appellant sub 40] en [appellant sub 42] voorts hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de artikelen 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De beroepen van [appellant sub 40] en [appellant sub 42] zijn gegrond en het bestreden besluit dient op bovengenoemde onderdelen te worden vernietigd.

204.7. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

205. De raad dient ten aanzien van deze beroepen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 17] en anderen

Procedureel

206. [appellant sub 17] en anderen betogen dat de raad de door hen ingediende zienswijze over de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop", voor zover die is toegekend aan hun percelen, ten onrechte heeft opgevat als gericht tegen de aanduiding in zijn geheel. Voorts zijn zij niet allen in de gelegenheid gesteld om in te spreken tijdens de openbare vergadering op 11 juni 2012. Daarnaast zijn zij destijds niet tegen de inmiddels onherroepelijke omgevingsvergunning voor het restaureren van de molen in bezwaar gegaan, omdat het gemeentebestuur niet heeft laten weten dat dit ook inhield dat in het voorliggende bestemmingsplan de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" zou worden opgenomen.

206.1. In de Nota van Zienswijzen heeft de raad naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 17] en anderen gemotiveerd waarom de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" in het plan is opgenomen.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze waarop de raad de door hen naar voren gebrachte zienswijze heeft behandeld door alle gronden rondom de molen waaraan deze aanduiding is toegekend te betrekken, onjuist is. Het betoog faalt.

206.2. Aan [appellant sub 17] en anderen is de wettelijke mogelijkheid geboden hun zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Het bieden van nadere inspraakmomenten na de zienswijzetermijn maakt geen deel uit van de in de Wro en het Bro geregelde procedure voor bestemmingsplannen. Dat [appellant sub 17] en anderen niet allen zijn uitgenodigd bij de openbare vergadering heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de planprocedure en het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

206.3. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor de restauratie van de molen en het vaststellen van een bestemmingsplan betreffen twee afzonderlijke procedures. Gelet hierop heeft het betoog van [appellant sub 17] en anderen dat zij tijdens de omgevingsvergunningprocedure voor het restaureren van de molen niet geïnformeerd zouden zijn over de consequentie daarvan voor het voorliggende bestemmingsplan - wat daarvan ook zij - geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

Inhoudelijk

207. [appellant sub 17] en anderen, die aan de [locatie 62], [locatie 63], [locatie 64] en [locatie 65] te Heeswijk-Dinther op een afstand van 15 m tot maximaal 400 m ten noorden en oosten van de Kilsdonkse molen wonen, betogen dat de raad de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop", voor zover deze is toegekend aan hun gronden, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat deze aanduiding niet noodzakelijk is en tot onnodige kosten en beperkingen leidt, omdat de wind voor het merendeel van de tijd uit andere windstreken komt dan waar [appellant sub 17] en anderen wonen. Bovendien belemmert de bestaande boerderij met een hoogte van 9 m ten noordoosten van de molen alle eventueel vanuit die windrichting komende wind. Daarnaast draait de molen, die slechts een recreatieve functie heeft, maar een beperkt aantal uren.

207.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de belangen van omwonenden bij het toekennen van de aanduiding zijn meegewogen. De omstandigheden dat de overheersende wind uit het zuidwesten komt, de percelen van Van Zutphen en anderen noordoostelijk zijn gelegen en de bestaande boerderij reeds een belemmering vormt van windvang voor de molen zullen worden meegewogen bij een concrete aanvraag om een omgevingsvergunning.

207.2. De percelen [locatie 62], [locatie 63], [locatie 64] en [locatie 65] hebben de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" en onder meer de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop".

Ingevolge artikel 27, lid 27.11, onder 27.11.1, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" mede bestemd voor het behoud, het herstel en de bescherming van de belangen van de molen als werktuig en beeldbepalend element.

Ingevolge het bepaalde onder 27.11.2 mag ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" de bouwhoogte van nieuw op te richten bouwwerken in aanvulling op, dan wel in afwijking van, hetgeen in de bestemming is bepaald:

a. binnen een afstand van 100 m uit de molen, niet meer bedragen dan de onderste punt van de verticaal staande wiek van die molen;

b. binnen een afstand van 100 tot 400 m van de molen, niet meer bedragen dan 1/100 van die afstand tussen het bouwwerk en die molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek;

(…).

Ingevolge het bepaalde onder 27.11.3, sub a, kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 27.11.2 teneinde hogere bouwwerken op te richten overeenkomstig de overige voor deze gronden geldende bestemmingen.

Ingevolge het bepaalde sub b kan de sub a genoemde omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de bouw en situering van de desbetreffende bebouwing, dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen, niet in strijd zijn met het plan. Met betrekking tot de belangen van de molen dient tevoren advies te zijn ingewonnen bij een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke ter zake deskundige.

Ingevolge het bepaalde onder 27.11.4, sub a, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

1. het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting;

2. het ophogen van gronden.

Ingevolge het bepaalde sub b is het sub a vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:

1. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;

2. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan.

Ingevolge het bepaalde sub c kan een sub a genoemde vergunning slechts worden verleend indien de werken en/of werkzaamheden, dan wel de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen, niet in strijd zijn met het plan. Met betrekking tot de belangen van de molen dient tevoren advies te zijn ingewonnen bij een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke ter zake deskundige.

207.3. De gronden van [appellant sub 17] en anderen liggen binnen de molenbiotoop, die op de verbeelding aan de gronden met een straal van 400 m afstand van de Kilsdonkse molen is toegekend. Deze molen is in 2002 aangewezen als beschermd rijksmonument en is ook in de lijst van monumenten en cultuurhistorische waardevolle panden Bernheze opgenomen. Om een belemmering van windvang voor de molen te voorkomen zijn in het plan beperkingen gesteld aan de maximale bouwhoogte van nieuwe bebouwing binnen de molenbiotoop, die volgens het deskundigenbericht neerkomen op een maximale bouwhoogte van ongeveer 5 m voor het gebied binnen een afstand van 100 m van de molen, oplopend tot ongeveer 9 m voor het gebied binnen een afstand van 400 m van de molen. Voorts is een omgevingsvergunningstelsel voor het beplanten met bomen, heesters en andere opgaande beplanting en het ophogen van gronden opgenomen. De raad heeft voor het berekenen van de afstand tot de molen waarop een obstakel van een bepaalde hoogte mag worden geplaatst aangesloten bij de door de Vereniging de Hollandsche Molen gehanteerde biotoopformule.

De Kilsdonkse molen ligt in een vrijwel open agrarisch gebied. In de omgeving is enige verspreide bebouwing aanwezig. Ter zitting is onweersproken gesteld dat de molen regelmatig draait en dat het van belang is dat de molen jaarrond vrije windvang heeft. Bovendien is de molen aangewezen als beeldbepalend monument, zodat ook het zicht op de molen veiliggesteld dient te worden. Dat de noordoostelijk gelegen woningen van [appellant sub 17] en anderen, waaronder de bestaande boerderij aan de [locatie 64], vanuit het oogpunt van windvang een gunstige ligging hebben ten opzichte van de molen omdat de overheersende windrichting uit het zuidwesten komt, zou in een concreet geval reden kunnen zijn bij omgevingsvergunning ter plaatse hogere bouwwerken overeenkomstig de bouwregels voor de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" toe te staan, zij het dat bij de betreffende beoordeling ook zal moeten worden betrokken of die hogere bouwwerken niet tevens een aantasting van het beeldbepalende karakter van de molen met zich brengen. Voorts zijn werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan uitgezonderd van de omgevingsvergunningplicht. Mede gelet op het karakter van het gebied ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de in het plan neergelegde regeling ter voorkoming van een onaanvaardbare belemmering van windvang voor de molen en een onaanvaardbare aantasting van het beeldbepalende karakter van de molen niet in redelijkheid heeft kunnen opnemen.

Het betoog faalt.

208. Het beroep van [appellant sub 17] en anderen is ongegrond.

209. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van dit beroep geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

210. Het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen de aanduiding "aantal bedrijfswoningen=0" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aan de [locatie 66] te Nistelrode, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Hoewel de aanduiding "aantal bedrijfswoningen=0" voor het perceel [locatie 66], op grond waarvan ter plaatse geen bedrijfswoning is toegestaan, bij de vaststelling van het plan voor dit perceel is toegevoegd, was in het ontwerpplan op het perceel [locatie 66] evenmin een bedrijfswoning toegestaan. Voor dit perceel was immers geen bouwvlak en een aanduiding "bedrijfswoning" opgenomen. Gelet hierop is [appellant sub 2] door de gewijzigde vaststelling in zoverre niet in een nadeliger positie gebracht. [appellant sub 2] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij in zoverre geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre niet-ontvankelijk.

211. [appellant sub 2] betoogt dat de raad zijn hooi- en wagenberging op het perceel [locatie 66] ten onrechte niet als zodanig heeft bestemd. Daartoe voert hij aan dat de aan het perceel toegekende aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hooi/ en wagenberging" geen betekenis heeft, omdat bijlage 3 bij de planregels, waarnaar artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder i, van de planregels verwijst, van deze aanduiding geen beschrijving bevat.

211.1. Het perceel [locatie 66] heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" en onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van bedrijf - hooi/ en wagenberging".

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsfuncties (functietype ‘bedrijf’) ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in de in bijlage 3 opgenomen Lijst van functieaanduidingen "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" en overeenkomstig de omschreven aard/functie van de bebouwing in de ‘Tabel functietype ‘Bedrijf’.

In bijlage 3 is bij de ‘Tabel functietype ‘Bedrijf’ de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hooi/ en wagenberging" niet opgenomen en omschreven.

211.2. In de Nota van Zienswijzen, die deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit, heeft de raad bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 2] te kennen gegeven dat in overeenstemming met zijn verzoek een bouwvlak zal worden opgenomen en dat hieraan een specifieke aanduiding ten behoeve van de hooi- en wagenberging zal worden toegekend. De Afdeling stelt vast dat blijkens de vastgestelde verbeelding aan het perceel [locatie 66] de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hooi/ en wagenberging" is toegekend, doch dat hieraan geen betekenis toekomt omdat deze wijziging niet is verwerkt in bijlage 3 bij de planregels, waarnaar artikel 5, lid 5.1, onder i, van de planregels verwijst. Het betoog slaagt.

212. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien zijn vastgesteld in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hooi/ en wagenberging" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aan de [locatie 66] te Nistelrode. Het beroep van [appellant sub 2] is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

212.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

213. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 49]

214. [appellante sub 49] betoogt dat de raad de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aan de [locatie 67] te Nistelrode ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover niet alle bestaande bebouwing ten behoeve van het staalproductiebedrijf is opgenomen in het bouwvlak. Voorts is het op het perceel binnen het bouwvlak toegestane gezamenlijk oppervlak aan bedrijfsgebouwen, zoals opgenomen in bijlage 7 bij de planregels, ten onrechte niet vastgesteld op 3.000 m².

214.1. In de Nota van Zienswijzen, die deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit, heeft de raad bij de beantwoording van de zienswijze van [appellante sub 49] te kennen gegeven dat de omvang van het bouwvlak overeenkomstig de bestaande legale bebouwing en het op het perceel binnen dit bouwvlak toegestane gezamenlijk oppervlak aan bedrijfsgebouwen in bijlage 7 bij de planregels in overeenstemming met het verzoek van [appellante sub 49] zou worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijzigingen niet zijn verwerkt op de vastgestelde verbeelding en in bijlage 7 bij de planregels. In het verweerschrift heeft de raad dit erkend. Het betoog slaagt.

214.2. In hetgeen [appellante sub 49] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien zijn vastgesteld in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aan de [locatie 67] te Nistelrode, voor zover niet alle bestaande legale bebouwing binnen het bouwvlak is opgenomen en voor zover het betreft de vaststelling van het op het perceel [locatie 67] toegestane gezamenlijk oppervlak aan bedrijfsgebouwen van 2.504 m² in bijlage 7 van de planregels. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dient te worden vernietigd.

214.3. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Om eventuele onomkeerbare gevolgen te voorkomen, ziet de Afdeling in verband met deze vernietiging aanleiding om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, te treffen, inhoudende dat het op het perceel [locatie 67] binnen het bouwvlak toegestane gezamenlijk oppervlak aan bedrijfsgebouwen in bijlage 7 is vastgesteld op 3.000 m².

215. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 31]

216. [appellant sub 31] betoogt dat de raad de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aan de [locatie 68] te Nistelrode ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover niet alle bestaande gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen in het bouwvlak zijn opgenomen.

216.1. In de Nota van Zienswijzen, die deel uitmaakt van het vaststellingsbesluit, heeft de raad bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 31] te kennen gegeven dat het bouwvlak ten behoeve van alle bestaande legale gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen op het perceel [locatie 68] in overeenstemming met het verzoek in de zienswijze zou worden aangepast. De Afdeling stelt vast dat deze wijziging niet is verwerkt op de vastgestelde verbeelding. In het verweerschrift heeft de raad dit erkend. Het betoog slaagt.

216.2. In hetgeen [appellant sub 31] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit en het plan in onderlinge samenhang bezien zijn vastgesteld in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aan de [locatie 68] te Nistelrode, voor zover niet alle bestaande legale gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwvlak zijn opgenomen. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

216.3. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde en vijfde lid, van de Awb, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

217. De raad dient ten aanzien van dit beroep op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Verwerken beslissing

218. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Verzoek om bestuurlijke lus

219. Het verzoek van [appellant sub 13] om toepassing te geven aan artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dat luidde ten tijde van belang, wijst de Afdeling af, gezien de aard en de omvang van de ten aanzien van dit bestemmingsplan geconstateerde gebreken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellante sub 15] voor zover het betreft artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, aanhef en onder d, sub 2, van de planregels, [appellant sub 41], voor zover het betreft de vaststelling van de aanduiding "agrarisch bedrijf" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] te Nistelrode, [appellant sub 28], voor zover het betreft de vaststelling van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" ter plaatse van de gronden die aan de noord- en westzijde aan zijn perceel [locatie 42] te Heeswijk-Dinther, en [appellant sub 2], voor zover het betreft de vaststelling van de aanduiding "aantal bedrijfswoningen=0" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aan de [locatie 66] te Nistelrode, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de vereniging Afdeling Bernheze van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, [appellante sub 15], voor zover ontvankelijk, [appellant sub 29A] en [appellante sub 29B], [appellant sub 37], [appellant sub 32], [appellant sub 6], [appellant sub 41], voor zover ontvankelijk, [appellant sub 9] en anderen, handelend onder de naam [manege], [appellant sub 7] en anderen, [appellante sub 35], [appellant sub 4], [appellante sub 50A] en [appellant sub 50B], [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B], [appellante sub 20], [appellant sub 27], [appellante sub 10], [appellant sub 30A] en [appellant sub 30B], [appellante sub 51A] en [appellant sub 51B], [appellante sub 11], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], [appellant sub 8], [appellant sub 22], [appellant sub 33], [appellant sub 18], [appellant sub 13], [appellant sub 28], voor zover ontvankelijk, [appellant sub 44], [appellant sub 34] en anderen, [appellant sub 43A] en [appellante sub 43B], [appellant sub 12], [appellant sub 46], [appellant sub 45], [appellant sub 21], [appellant sub 14], [appellant sub 24], [appellant sub 40], [appellant sub 42], [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, [appellante sub 49] en [appellant sub 31] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bernheze van 26 juni 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Bernheze"

A. voor zover het betreft de vaststelling van:

a. de aanduidingen "milieuzone - 1000m kernen" en "milieuzone - 250m cluster woningen" (ZLTO, [appellante sub 15], [appellant sub 29], [appellant sub 37], [appellant sub 32], [appellante sub 20], [appellante sub 10], [appellant sub 51], [appellante sub 11], [appellant sub 8], [appellant sub 14] en [appellant sub 40]);

b. de plandelen met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de gronden die op de bij de Verordening 2012 behorende kaart "Ontwikkeling intensieve veehouderij" in een landbouwontwikkelingsgebied liggen (ZLTO, [appellant sub 32], [appellant sub 8], [appellant sub 33], en [appellant sub 40]);

c. de artikelen 18, 19 en 20 van de planregels, voor zover niet is opgenomen dat het in lid 18.2, onder 18.2.1, lid 19.2, onder 19.2.1 en lid 20.2, onder 20.2.1 genoemde rapport onderscheidenlijk de in lid 18.3, onder 18.3.3, sub c, lid 19.3, onder 19.3.3, sub c, en lid 20.3, onder 20.3.3, sub c, genoemde onderzoeksplicht niet behoeft te worden opgesteld onderscheidenlijk uitgevoerd indien anderszins kan worden aangetoond dat redelijkerwijs geen behoudenswaardige archeologische relicten aanwezig zijn ter plaatse van de voorgenomen uitvoering van het bouwwerk onderscheidenlijk werken en/of werkzaamheden (ZLTO, [appellant sub 7] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 22], [appellant sub 33], [appellant sub 18], [appellant sub 46], [appellant sub 45], [appellant sub 21], [appellant sub 14], [appellant sub 40] en [appellant sub 42]);

d. het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 2] ([appellant sub 29]);

e.1. artikel 5, lid 5.9, onder 5.9.1, onder c, sub 6, van de planregels ([appellant sub 37]);

e.2. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 3] ([appellant sub 37]);

f. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "recreatiewoning" op het perceel [locatie 8] te Loosbroek ([appellant sub 6]);

g. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" op het perceel [locatie 9]-[locatie 10] te Nistelrode, voor zover niet alle bestaande legale bebouwing binnen het bouwvlak is opgenomen ([appellant sub 41]);

h. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 11] te Vorstenbosch ([appellant sub 9] en anderen);

i.1. de aanduiding "aantal bedrijfswoningen = 0" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aan de [locatie 13] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 7] en anderen);

i.2. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" op de percelen aan de Justitieweg te Heeswijk-Dinther, kadastraal bekend gemeente Heeswijk, sectie F, nummers 46, 47, 990 en 1107, voor zover hieraan niet de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening" is toegekend ([appellant sub 7] en anderen);

i.3. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen de bouwvlakken op de percelen [locatie 14] en [locatie 13] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 7] en anderen);

j.1. de aanduiding "wro-zone - woonwerkontwikkelingsgebied" voor het bouwvlak ter plaatse van het perceel [locatie 15] te Nistelrode ([appellante sub 35]);

j.2. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 15] te Nistelrode ([appellante sub 35]);

k. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 19] te Loosbroek ([appellant sub 4]);

l. het plandeel met de bestemming "Natuur" voor het perceel [locatie 24] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 50]);

m.1. de aanduiding "wro-zone- recreatie-ontwikkelingsgebied" die is toegekend aan het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" ter plaatse van het perceel [locatie 25] ([appellant sub 5]);

m.2. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 25] ([appellant sub 5]);

n. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 26] ([appellante sub 20]);

o. artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, onder g, van de planregels, voor zover dit artikel van toepassing is voor het perceel [locatie 27] (([appellant sub 27]);

p.1. de aanduiding "bouwvlak" die is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel 't Broek 1-3 te Nistelrode ([appellante sub 10]);

p.2. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 28]-[locatie 29] te Nistelrode ([appellante sub 10]);

q.1. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied struweelvogels" die is toegekend aan een deel van de gronden van [appellant sub 30A], zoals nader aangeduid op de aan deze uitspraak gehechte kaart ([appellant sub 30A]);

q.2. het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen de bouwvlakken op de percelen [locatie 30] en [locatie 31] te Vinkel ([appellant sub 30A] en [appellant sub 30B]);

r. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 33] ([appellante sub 11]);

s. de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 36] te Heesch ([appellant sub 22]);

t. het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 37] ([appellant sub 33]);

u. het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen de bouwvlakken op de percelen [locatie 38] en [locatie 39] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 18]);

v.1. de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke kaas- en zuivelboerderij/bed en breakfast/culinair educatiecentrum en detailhandel in streekproducten" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel [locatie 41] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 13]);

v.2. het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Landbouwontwikkelingsgebied" aan de [locatie 40] te Heeswijk-Dinther, voor zover niet alle bestaande legale bebouwing binnen het bouwvlak is opgenomen ([appellant sub 13]);

w. het plandeel met de bestemming "Agrarisch", zonder de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorziening", ten zuidwesten van het perceel [locatie 42] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 28]);

x. de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/ of abiotische waarden" en "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" ter plaatse van de dier- en tuinweide ten oosten van het perceel [locatie 43] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 44]);

y. het bouwvlak en de maatvoeringsaanduiding "aantal bedrijfswoningen=1" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ter plaatse van het perceel [locatie 46] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 34] en anderen);

z. de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hondenpension" die is toegekend aan het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ter plaatse van het perceel [locatie 50] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 43] en [appellant sub 12]);

aa.1. de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 51]-[locatie 52] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 46]);

aa.2. het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 51]-[locatie 52] ([appellant sub 46]);

bb.1. de aanduiding "bouwvlak" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van het perceel [locatie 53] te Loosbroek ([appellant sub 45]);

bb.2. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 53] te Loosbroek ([appellant sub 45]);

cc. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 55] ([appellant sub 21]);

dd.1. artikel 3, lid 3.9, onder 3.9.1, onderdeel d, sub 6, van de planregels ([appellant sub 14]);

dd.2. het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 56] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 14]);

ee.1. de functieaanduiding "agrarisch bedrijf" die is toegekend aan het bouwvlak voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden" ter plaatse van het perceel [locatie 59] te Heesch ([appellant sub 24]);

ee.2. het plandeel met de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3", voor zover die is toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 59] ([appellant sub 24])

ff. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 60] te Nistelrode ([appellant sub 40]);

gg. de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 3", voor zover die zijn toegekend aan de ten tijde van de vaststelling van het plan bebouwde gronden binnen het bouwvlak op het perceel [locatie 61] te Nistelrode ([appellant sub 42]);

hh. de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - hooi/ en wagenberging" voor het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aan de [locatie 66] te Nistelrode ([appellant sub 2]);

ii.1. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke-, cultuurhistorische, en/of abiotische waarden" aan de [locatie 67] te Nistelrode, voor zover niet alle bestaande legale bebouwing binnen het bouwvlak is opgenomen ([appellante sub 49]);

ii.2. het op het perceel [locatie 67] toegestane gezamenlijk oppervlak aan bedrijfsgebouwen van 2.504 m² in bijlage 7 van de planregels ([appellante sub 49]);

jj. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Leefgebied dassen" aan de [locatie 68] te Nistelrode, voor zover niet alle bestaande legale gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwvlak zijn opgenomen ([appellant sub 31]);

B. voor zover daarin niet is voorzien in:

kk. de aanduiding "bouwvlak" ter plaatse van een deel van de bestaande bebouwing op het oostelijke deel van het perceel [locatie 15] ([appellante sub 35]);

ll. de aanduiding "bouwvlak" ter plaatse van bestaande bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 55] te Heeswijk-Dinther ([appellant sub 21]);

IV. draagt de raad van de gemeente Bernheze op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen tot vaststelling van het plan voor de onderdelen genoemd onder:

- III.c. (ZLTO, [appellant sub 7] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 22], [appellant sub 33], [appellant sub 18], [appellant sub 46], [appellant sub 45], [appellant sub 21], [appellant sub 14], [appellant sub 40] en [appellant sub 42]);

- III.f. ([appellant sub 6]);

- III.g. ([appellant sub 41]);

- III.h. ([appellant sub 9] en anderen);

- III.i.1 en III.i.2 ([appellant sub 7] en anderen);

- III.l. ([appellant sub 50]);

- III.o. ([appellant sub 27])

- III.p.1 ([appellante sub 10]);

- III.v.1 en III.v.2 ([appellant sub 13]);

- III.x. ([appellant sub 44]),

- III.y. ([appellant sub 34] en anderen),

- III.z. ([appellant sub 43] en [appellant sub 12]),

- III.aa.1. ([appellant sub 46]);

- III.bb.1. ([appellant sub 45]);

- III.ee.1 ([appellant sub 24]);

- III.hh. ([appellant sub 2]);

- III.ii.1 en III.ii.2 ([appellante sub 49]);

- III.ll. ([appellant sub 31]);

- III.kk. ([appellante sub 35]);

- III.ll. ([appellant sub 21]);

te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

V. draagt de raad van de gemeente Bernheze op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de overige onderdelen die zijn genoemd onder III, voor zover deze onderdelen niet zijn genoemd onder IV, worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. treft de voorlopige voorziening dat:

a. het op het perceel [locatie 67] te Nistelrode binnen het bouwvlak toegestane gezamenlijk oppervlak aan bedrijfsgebouwen in bijlage 7 is vastgesteld op 3.000 m² ([appellante sub 49]);

VII. bepaalt dat de onder VI getroffen voorlopige voorziening vervalt op het moment dat het nieuwe besluit als bedoeld onder IV in werking treedt;

VIII. verklaart de beroepen van [appellante sub 36A] en [appellant sub 36B] en [appellante sub 36C], [appellant sub 47], [appellant sub 25], [appellante sub 48], [appellant sub 23], [appellant sub 1], [appellante sub 39], [appellante sub 38], [appellant sub 3], [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], [appellant sub 19] en [appellant sub 17] en anderen ongegrond;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Bernheze tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. aan vereniging Afdeling Bernheze van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan [appellante sub 15] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. aan [appellant sub 29A] en [appellante sub 29B] een bedrag van € 730,50 (zegge: zevenhonderddertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. aan [appellant sub 37] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

e. aan [appellant sub 32] een bedrag van € 730,50 (zegge: zevenhonderddertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

f. aan [appellant sub 6] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

g. aan [appellant sub 9] en anderen, handelend onder de naam [manege], een bedrag van € 1.017,54 (zegge: duizendzeventien euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

h. aan [appellant sub 7] en anderen een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

i. aan [appellante sub 35] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

j. aan [appellant sub 4] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

k. aan [appellante sub 50A] en [appellant sub 50B] een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

l. aan [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

m. aan [appellante sub 20], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

n. aan [appellant sub 27] een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

o. aan [appellante sub 10], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], een bedrag van € 1.017,54 (zegge: duizendzeventien euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

p. aan [appellant sub 30A] en [appellant sub 30B] een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

q. aan [appellante sub 51A] en [appellant sub 51B] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

r. aan de [appellante sub 11], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], een bedrag van € 1.013,74 (zegge: duizenddertien euro en vierenzeventig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

s. aan [appellant sub 8] een bedrag van € 730,50 (zegge: zevenhonderddertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

t. aan [appellant sub 22] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

u. aan [appellant sub 33] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

v. aan [appellant sub 18] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

w. aan [appellant sub 13] een bedrag van € 1.252,30 (zegge: twaalfhonderdtweeënvijftig euro en dertig cent), waarvan € 1.217,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

x. aan [appellant sub 28] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

y. aan [appellant sub 43A] en [appellante sub 43B] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

z. aan [appellant sub 12] een bedrag van € 1.013,74 (zegge: duizenddertien euro en vierenzeventig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aa. aan [appellant sub 46] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

bb. aan [appellant sub 45] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

cc. aan [appellant sub 21] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

dd. aan [appellant sub 14] een bedrag van € 730,50 (zegge: zevenhonderddertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

ee. aan [appellant sub 24] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

ff. aan [appellant sub 40] een bedrag van € 1.055,74 (zegge: duizendvijfenvijftig euro en vierenzeventig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

gg. aan [appellant sub 42] een bedrag van € 1.055,74 (zegge: duizendvijfenvijftig euro en vierenzeventig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

hh. aan [appellant sub 2] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

ii. aan [appellante sub 49] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

jj. aan [appellant sub 31] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat de raad van de gemeente Bernheze aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. aan de vereniging Afdeling Bernheze van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro);

b. aan [appellante sub 15] een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro); c. aan [appellant sub 29A] en [appellante sub 29B] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

d. aan [appellant sub 37] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

e. aan [appellant sub 32] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

f. aan [appellant sub 6] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

g. aan [appellant sub 41] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

h. aan [appellant sub 9] en anderen, handelend onder de naam [manege], een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

i. aan [appellant sub 7] en anderen een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

j. aan [appellante sub 35] een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro);

k. aan [appellant sub 4] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

l. aan [appellante sub 50A] en [appellant sub 50B] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

m. aan [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

n. aan [appellante sub 20], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

o. aan [appellant sub 27] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

p. aan [appellante sub 10], waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

q. aan [appellant sub 30A] en [appellant sub 30B] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

r. aan [appellante sub 51A] en [appellant sub 51B] een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

s. aan de [appellante sub 11], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

t. aan [appellant sub 8] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

u. aan [appellant sub 22] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

v. aan [appellant sub 33] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

w. aan [appellant sub 18] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

x. aan [appellant sub 13] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

y. aan [appellant sub 28] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

z. aan [appellant sub 44] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

aa. aan [appellant sub 34] en anderen een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

bb. aan [appellant sub 43A] en [appellante sub 43B] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

cc. aan [appellant sub 12] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

dd. aan [appellant sub 46] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

ee. aan [appellant sub 45] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

ff. aan [appellant sub 21] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

gg. aan [appellant sub 14] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

hh. aan [appellant sub 24] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

ii. aan [appellant sub 40] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

jj. aan [appellant sub 42] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

kk. aan [appellant sub 2] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

ll. aan [appellante sub 49] een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro);

mm. aan [appellant sub 31] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Bongertman, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bongertman

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2014

208/618/709