Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3323

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201403279/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:1462, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/331 met annotatie van mr. D. Beltman

Uitspraak

201403279/1/V1.

Datum uitspraak: 28 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken (lees: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 maart 2014 in zaak nr. 13/27283 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2013 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 27 september 2013 (hierna: het besluit) heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 maart 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorganger.

2. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij, bij de door hem in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) gemaakte belangenafweging, groter gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat de vreemdeling strafrechtelijk is veroordeeld en zijn aanvraag betrekking heeft op een eerste toelating tot Nederland dan aan de door de vreemdeling gestelde belangen bij het hier te lande kunnen uitoefenen van gezinsleven.

Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat hij alle door de vreemdeling aangevoerde belangen kenbaar in de belangenafweging heeft betrokken en dat de rechtbank onvoldoende terughoudendheid heeft betracht bij haar toetsing van de daaraan door hem verbonden conclusie.

3. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (JV 2006/90) en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

3.1. De rechter dient te beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

3.2. De staatssecretaris heeft met inachtneming van de 'guiding principles' bedoeld in de arresten van het EHRM van 2 augustus 2001 in de zaak Boultif tegen Zwitserland (nr. 54273/00) en van 18 oktober 2006 in de zaak Üner tegen Nederland (nr. 46410/99, beide: www.echr.coe.int) aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de vreemdeling in 2008 de strafbare feiten mishandeling en bedreiging met zware mishandeling en in 2009 poging tot zware mishandeling heeft gepleegd waarvoor hij in 2010 strafrechtelijk is veroordeeld en dat hij weliswaar meermaals legaal in Nederland heeft verbleven op grond van visa voor kort verblijf, maar nooit in het bezit is gesteld van een geldige verblijfsvergunning die hem in staat stelde tot het uitoefenen van gezinsleven hier te lande. Tevens heeft de staatssecretaris belang toegekend aan de omstandigheid dat niet valt in te zien dat de wijze waarop de vreemdeling thans in Nederland invulling geeft aan het gezinsleven met zijn minderjarige kind (hierna: de dochter) bij gelijkblijvende feiten en omstandigheden niet ook in de toekomst zal worden toegestaan. Voorts heeft de staatssecretaris zich in het besluit op het standpunt gesteld dat er geen feiten en omstandigheden zijn die eraan in de weg staan dat zijn echtgenote (hierna: referente) en de dochter jaarlijks gedurende korte tijd het gezinsleven in Tunesië met de vreemdeling uitoefenen, zoals tijdens vakantieperiodes, en dat het voor hem mogelijk is om met moderne communicatiemiddelen invulling te geven aan zijn rol als vader zoals dat thans gebeurt. Ten slotte heeft de staatssecretaris bij zijn belangenafweging betrokken dat de dochter op dit moment met behulp van de ouders van referente en onder begeleiding van school en diverse instanties in een stabiele omgeving verkeert waarin zij zich met ondersteuning van gespecialiseerde gezinshulp verder kan ontwikkelen.

3.3. De rechtbank heeft overwogen dat nu het gezinsleven tussen de vreemdeling en de dochter vanwege haar spraak-, taal- en gehoorproblematiek niet buiten Nederland kan worden vormgegeven, de weigering om de vreemdeling een mvv te verlenen betekent dat de dochter het grootste deel van haar jeugd zonder de aanwezigheid van haar vader zal opgroeien. Volgens de rechtbank komt gelet op het arrest van het EHRM van 16 april 2013 in de zaak Udeh tegen Zwitserland van 16 april 2013, nr. 12020/09 (www.echr.coe.int) groot gewicht toe aan het belang van kinderen om in de aanwezigheid van beide ouders te kunnen opgroeien en kunnen vakantiebezoeken en moderne communicatiemiddelen niet als alternatief daarvoor dienen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de vreemdeling en referente niet konden voorzien dat de dochter vanwege haar problematiek het gezinsleven met hem niet buiten Nederland kan uitoefenen.

3.4. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank niet onderkend dat zich in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 16 april 2013 een dusdanig ander feitencomplex voordoet dan in onderhavige zaak dat zij het in dat arrest genoemde belang voor een kind om bij zijn ouders op te groeien ten onrechte hetzelfde gewicht in deze zaak heeft gegeven. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling om hem een mvv te verlenen geen inmenging vormt in zijn door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op gezinsleven. Evenmin heeft de rechtbank onderkend dat de staatssecretaris, gelet op punt 61 van het arrest van het EHRM van 25 maart 2014 in de zaak Palanci tegen Zwitserland, nr. 2607/08 (www.echr.coe.int), niet ten onrechte van belang heeft geacht dat niet valt in te zien dat de wijze waarop de vreemdeling thans invulling geeft aan het gezinsleven met de dochter bij gelijkblijvende feiten en omstandigheden niet ook in de toekomst zal worden toegestaan, referente en de dochter jaarlijks gedurende korte tijd het gezinsleven in Tunesië met de vreemdeling uitoefenen, zoals tijdens vakantieperiodes, en het voor hem mogelijk is om met moderne communicatiemiddelen invulling te geven aan zijn rol als vader. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen vermeld is onder 3.2 heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij bij de afweging tussen enerzijds het algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en de bescherming van de openbare orde en anderzijds het persoonlijk belang van de vreemdeling, referente en de dochter bij de uitoefening van hun familie- en gezinsleven hier te lande aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toekent. Derhalve heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

De grief slaagt reeds daarom.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

5. Het inleidende beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 maart 2014 in zaak nr. 13/27283;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.W. Mulder, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Mulder

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2014

412-762.