Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3316

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201400831/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:18061, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de overtredingen op het perceel plaatselijk bekend Laan van Nieuw Oost Indië ongenummerd, gemeente Den Haag, kadastraal bekend gemeente Den Haag sectie AP, nummer 1873 (hierna het perceel), te beëindigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.3a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/159

Uitspraak

201400831/1/A1.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2013 in zaak nr. 13/7283 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de overtredingen op het perceel plaatselijk bekend Laan van Nieuw Oost Indië ongenummerd, gemeente Den Haag, kadastraal bekend gemeente Den Haag sectie AP, nummer 1873 (hierna het perceel), te beëindigen.

Bij besluit van 29 juli 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.L. Baar, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 december 2012 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van eenmalig € 2.500,00 met betrekking tot het perceel gelast de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, en artikel 2.3a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) te beëindigen. De overtreding kan worden beëindigd door de bebouwing voor het gebruik van de gronden als volkstuin en het houden van dieren te verwijderen en verwijderd te houden. Tevens dient het gebruik hiervan te worden beëindigd en beëindigd gehouden. Het geschil beperkt zich thans nog tot de oplegging van de last onder dwangsom voor zover het het gebruik in strijd met het bestemmingsplan betreft.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Schenk" rusten op het perceel de bestemmingen "Spoorwegdoeleinden" en "Bovengrondse hoogspanningsverbinding".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften zijn, voor zover van belang, aan de gronden welke blijkens de plankaart voor "Spoorwegdoeleinden" zijn bestemd, onverminderd het bepaalde in de artikelen 17, 18 en 19, de volgende doeleinden toegekend:

- personen- en goederenvervoer per (boven- of ondergrondse) rail,

- water.

Op deze gronden zijn in de bestemming passende bouwwerken toegestaan.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, is, voor zover van belang, aan de gronden welke blijkens de plankaart voor "Bovengrondse hoogspanningsverbinding" zijn bestemd, onverminderd het bepaalde in de artikelen 7 en 17, het doeleinde zakelijk rechtstrook ten behoeve van een bovengrondse hoogspanningsverbinding toegekend.

Op deze gronden zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming "Spoorwegdoeleinden" alleen toegestaan indien de belangen in verband met de betrokken bovengrondse hoogspanningsverbinding zich hier niet tegen verzetten.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, is het behoudens het bepaalde in artikel 22, tweede lid, verboden de in het plan begrepen gronden en de zich daarop bevindende opstallen te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de voorgeschreven bestemming.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 29 juli 2013 in stand heeft gelaten, nu zij niet heeft onderkend dat op grond van artikel 5:9, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan dit besluit de geschonden wettelijke voorschriften ten grondslag dienen te worden gelegd. Nu artikel 21 van de planvoorschriften niet in het besluit is vermeld, is hij in zijn belangen geschaad, aldus [appellant].

4.1. De rechtbank heeft terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 29 juli 2013 in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college weliswaar ten onrechte het algemeen gebruiksverbod als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, nu het in dit geval gaat om een bestemmingsplan dat onder de gelding van de Wet op de Ruimtelijke Ordening tot stand is gekomen, maar dat artikel 21 van de planvoorschriften evenals artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo ziet op gebruik in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat, nu het college in het verweerschrift van 28 februari 2013 ten behoeve van de hoorzitting van de Adviescommissie bezwaarschriften en ter zitting bij de rechtbank heeft toegelicht dat het gebruiksverbod genoemd in artikel 21 van de planvoorschriften van toepassing is en beide bepalingen zien op dezelfde gedraging, niet valt in te zien dat [appellant] hierdoor in zijn belangen is geschaad. [appellant] kon uit het besluit van 29 juli 2013 duidelijk opmaken dat, wilde hij aan de last voldoen, hij het gebruik van de gronden als volkstuin en voor het houden van dieren diende te beëindigen en beëindigd te houden.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gebruik van het perceel in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013 in zaak nr. 201301625/1/A1, stelt [appellant] dat het gebruik van het perceel niet in strijd is met het bestemmingsplan, nu dat gebruik gelet op de ruimtelijke uitstraling die het gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft niet zodanig is dat het niet meer valt te rijmen met de op het perceel rustende bestemmingen "Spoorwegdoeleinden" en "Bovengrondse hoogspanningsverbinding".

5.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het gebruik van het perceel ten behoeve van het houden van dieren en een volkstuin in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Daartoe wordt overwogen dat het gebruik van het perceel ten behoeve van het houden van dieren en een volkstuin zodanig verschilt van het gebruik ten behoeve van "Spoorwegdoeleinden" en "Bovengrondse hoogspanningsverbinding" dat niet valt in te zien dat dit gebruik past binnen die bestemmingen. Het college heeft voorts toegelicht dat de planwetgever de gronden met de bestemming "Spoorwegdoeleinden" en "Bovengrondse hoogspanningsverbinding" uit veiligheidsoverwegingen niet heeft bestemd voor andere dan in de planregels bij die bestemmingen genoemde functies.

Het betoog faalt.

6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel doet. In dit kader voert hij aan dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat de enkele stelling van het college dat het in vergelijkbare gevallen eveneens zal optreden, maakt dat het college niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt. Hij wijst daartoe onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2005 in zaak nr. 200501505/1.

7.1. Vast staat dat enkele percelen in de omgeving van het perceel van [appellant] eveneens in strijd met de op het perceel rustende bestemmingen "Spoorwegdoeleinden" en "Bovengrondse hoogspanningsverbinding" worden gebruikt ten behoeve van het houden van dieren en een volkstuin.

Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt indien het handhavend tegen hem optreedt. Daartoe wordt overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat er geen rechtens vergelijkbare gevallen zijn waartegen het niet handhavend optreedt. Het college heeft eveneens lasten onder dwangsom opgelegd wegens onder meer het houden van dieren in strijd met het bestemmingsplan op de percelen van [persoon A] en [persoon B]. Het college heeft ter zitting toegelicht dat het daartoe is overgegaan nadat uit nader onderzoek, naar aanleiding van klachten van onder meer omwonenden over overlast afkomstig van de desbetreffende percelen, waaronder het perceel van [appellant], is gebleken dat deze drie percelen, die recent zijn aangekocht, in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt. Het college heeft voorts toegelicht dat het niet bekend is met andere, recent aangekochte percelen die in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt. Bovendien heeft [appellant] niet concreet aangegeven welke percelen eveneens in strijd met het bestemmingsplan worden gebruik. De eerst in hoger beroep naar voren gebrachte stelling van [appellant] dat op een naastgelegen perceel, dat volgens hem in dezelfde periode zou zijn aangekocht als zijn perceel, paarden worden gehouden in strijd met het bestemmingsplan, heeft [appellant] niet nader onderbouwd. Het college heeft voorts ter zitting verklaard dat, voor zover zou blijken dat in de omgeving andere percelen in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt ten behoeve van het houden van dieren en een volkstuin, het zal onderzoeken of het daartegen handhavend kan optreden en indien de mogelijkheid daartoe bestaat het daartoe ook zal overgaan.

Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

374-789.