Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201401466/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:150, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 september 2012 heeft het college de aanvraag van [appellante] voor vergoeding van leerlingenvervoer voor haar [dochter] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401466/1/A2.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2014 in zaak nr. 13/1485 in het geding tussen:

[wederpartij], wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2012 heeft het college de aanvraag van [appellante] voor vergoeding van leerlingenvervoer voor haar [dochter] afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2014, waar het college, vertegenwoordigd door M.E. Goossens en W.A. van Amstel, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen, dan wel, indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, aan de leerling op aanvraag bekostiging van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast met inachtneming van hetgeen in de volgende leden is bepaald.

Ingevolge het zevende lid kan de regeling bepalen dat voor leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand tussen de voor de leerling toegankelijke school en de woning van de leerling, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare veilige weg.

Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Amsterdam 2011 (hierna: Verordening) kent het college aan de ouders van de leerling die een school voor voortgezet speciaal onderwijs bezoekt, met inachtneming van artikel 3, een vervoersvoorziening toe op basis van de kosten van het openbaar vervoer, indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde voor hem toegankelijk school meer dan vijf kilometer bedraagt.

Ingevolge artikel 29 kan het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding of andere deskundigen.

2. Het college heeft aan het besluit van 19 februari 2013 ten grondslag gelegd dat de afstand tussen de woning en de school voor voorgezet speciaal onderwijs 1,4 kilometer bedraagt. Voorts zijn er geen bijzondere omstandigheden op basis waarvan de hardheidsclausule moet worden toegepast. [dochter] kan onder begeleiding met het openbaar vervoer van en naar school reizen. Haar ouders moeten voor deze begeleiding zorg dragen.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college op grond van artikel 4, zevende lid, van Wet op de expertisecentra (hierna: WEC) niet bevoegd is om een aanvraag voor vervoer van leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, af te wijzen op grond van de afstand tussen de woning en de school. [dochter] lijdt aan PDD-NOS en autisme als gevolg waarvan zij geregeld vergeet waar zij zich bevindt. Zij kan hierdoor niet met het openbaar vervoer reizen en is aangewezen op ander vervoer dan het openbaar vervoer, aldus [appellante].

3.1. Gelet op het in artikel 4, zevende lid, van de WEC bepaalde is de raad bevoegd te bepalen dat geen aanspraak bestaat op vergoeding op grond van de afstand tussen de woning en de school. De bepalingen van de Verordening zijn niet in strijd met de WEC. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag mocht leggen dat de afstand tussen de school en de woning 1,4 kilometer bedraagt en derhalve, gelet op artikel 15, tweede lid, van de Verordening geen aanspraak bestaat op vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast. Daartoe voert zij aan dat zij niet in staat is om [dochter] naar school te begeleiden wegens ernstige gezondheidsklachten. Het college heeft haar ten onrechte niet door de GGD laten keuren. [dochter] heeft geen contact meer met haar vader. Verder heeft [appellante] niemand die haar kan ondersteunen bij de begeleiding van [dochter] van en naar school en heeft zij niet de financiële middelen om hiervoor een begeleider te regelen.

4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200903136/1/H2), behoort het geven van begeleiding tijdens het leerlingenvervoer in beginsel tot de verantwoordelijkheid van de ouders. [appellante] heeft met de door haar in beroep overgelegde verklaring van de huisarts niet aannemelijk gemaakt dat zij [dochter] niet kan begeleiden bij het reizen naar school met het openbaar vervoer, nu hieruit slechts volgt dat [appellante] bekend is met een hernia van de rug. [appellante] heeft eveneens tevergeefs aangevoerd dat het college haar had moeten laten keuren door de GGD, nu het op de weg van [appellante] lag aannemelijk te maken dat er bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot het toepassen van de hardheidsclausule. Het lag derhalve niet op de weg van het college om [appellante] door de GGD te laten keuren.

Dat [dochter] geen contact meer heeft met haar vader maakt de situatie van [appellante] niet dusdanig bijzonder dat het een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29 van de Verordening is, nu in vele gezinnen slechts één ouder in staat is de kinderen naar school te brengen. Dat vanuit het sociale netwerk van [appellante] geen begeleiding mogelijk is, waardoor zij gedwongen is een begeleider te regelen waartoe haar de financiële middelen ontbreken maakt haar situatie eveneens niet bijzonder, nu deze situatie zich niet in betekenende mate onderscheidt van de problemen die vele andere gezinnen op dit punt ondervinden.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar omstandigheden dusdanig bijzonder zijn, dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Poot

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

362-809.