Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3312

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201400732/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:7196, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/330

Uitspraak

201400732/1/V3.

Datum uitspraak: 28 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna; de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 31 december 2013 in zaak nr. 13/14378 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen als grieven 1 en 2 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2. In grief 4 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat nu haar paspoort is afgegeven op basis van een document dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is, de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het paspoort met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus is verkregen en dat de vreemdeling daarmee haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank heeft aldus miskend dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, het de staatssecretaris niet vrijstaat geen waarde te hechten aan het door de Guineese autoriteiten afgegeven paspoort, aldus de vreemdeling.

3. De vreemdeling heeft ter onderbouwing van haar aanvraag onder meer een uittreksel van een geboorteakte, afgegeven op 24 december 2007, overgelegd, dat volgens het proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van 8 november 2011 (PL27NN/11-084082) met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Voorts heeft de vreemdeling een paspoort overgelegd, dat, naar zij stelt, is verstrekt op basis van voormeld uittreksel. Het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft in de verklaring van onderzoek van 15 maart 2013 (onderzoeksnummer 0527.13) geconcludeerd dat, voor zover thans van belang, indien het paspoort is verkregen op basis van het uittreksel van voormelde geboorteakte, dit met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid frauduleus is verkregen. Over de echtheid van het paspoort heeft het Bureau Documenten zich niet uitgelaten.

Onder verwijzing naar voormelde verklaring van onderzoek heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 16 mei 2013, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen van 18 april 2013, op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat het paspoort inhoudelijk juist is en dat de vreemdeling daarmee dan ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij afkomstig is uit Guinee en de Guineese nationaliteit heeft.

4. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 6 juli 2009 in zaak nr. 200901280/1/V2 en van 25 maart 2010 in zaak nr. 200808622/1/V2, staat het de staatssecretaris niet vrij aan een door de vreemdeling ter staving van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd overgelegd paspoort, waarvan de echtheid op zichzelf door hem niet wordt betwist, geen waarde te hechten, louter op basis van bij hem om andere reden gerezen twijfel. Indien de staatssecretaris, op grond van twijfel, ingegeven door het brondocument op basis waarvan het paspoort zou zijn afgegeven, niet van de juistheid van de in het paspoort vermelde gegevens wil uitgaan, ligt het op zijn weg om daarnaar onderzoek te laten verrichten bij de Guineese autoriteiten. Nu hij dit heeft nagelaten, is het besluit van 16 mei 2013 genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De derde grief behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 16 mei 2013 vernietigen. De staatssecretaris dient een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 31 december 2013 in zaak nr. 13/14378;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 mei 2013, V-nummer 276.147.0510;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Dijken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2014

595.