Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3304

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201311763/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:4493, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 8.000 m² singelbeplanting bestaande uit ongeveer 72 populieren en twee kersen en (bij de hooiberg) twee wilgen en drie populieren op het perceel [locatie] te IJsselmuiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311763/1/A1.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te IJsselmuiden, gemeente Kampen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 11 november 2013 in zaak nr. 13/1603 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Kampen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 8.000 m² singelbeplanting bestaande uit ongeveer 72 populieren en twee kersen en (bij de hooiberg) twee wilgen en drie populieren op het perceel [locatie] te IJsselmuiden.

Bij brief van 28 januari 2013 heeft het college aan [belanghebbende] aangegeven dat de omgevingsvergunning een fout bevat en betrekking heeft op 8.000 m² singelbeplanting bestaande uit ongeveer 72 populieren en drie kersen en (bij de hooiberg) twee wilgen en drie populieren

Bij besluit van 31 mei 2013 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 22 januari 2013, zoals gewijzigd bij brief van 28 januari 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand te gelaten.

Bij uitspraak van 11 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2014, waar het college, vertegenwoordigd door ing. M. Roelink, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, zonder omgevingsvergunning uit te voeren.

Ingevolge artikel 4.3.1, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Kampen 2001 (hierna: APV) wordt in Afdeling 3 van de APV verstaan onder:

a. houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen;

c. boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 25 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

d. boomwaarde: het getal dat wordt gevonden door het product van de factoren:

- de oppervlakte in cm² van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld;

- de geïndexeerde eenheidsprijs per cm²;

- de standplaatswaarde;

- de conditiewaarde en

- de waarde van de plantwijze.

Ingevolge artikel 4.3.2, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4.3.3a kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren dan wel voorschriften aan de vergunning verbinden in het belang van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

Ingevolge artikel 4.3.5, eerste lid, kan tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant. Een dergelijk herplantplicht wordt in ieder geval zoveel mogelijk opgelegd, indien een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen- of landschapsplan de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol omschrijft.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten. Zij voert daartoe aan dat in de op 21 december 2012 ingediende aanvraag om omgevingsvergunning is vermeld dat de aanvraag betrekking heeft op 800 m² singelbeplanting, terwijl de bij het besluit van 31 mei 2013 in stand gelaten omgevingsvergunning betrekking heeft op het kappen van 8.000 m² singelbeplanting. Volgens [appellante] heeft de aanvrager de in de aanvraag opgenomen oppervlakte van de singelbeplanting per e-mailbericht van 23 januari 2013, en dus na verlening van de omgevingsvergunning van 22 januari 2013, hersteld.

2.1. Voor het oordeel dat het college de grondslag van de aanvraag heeft verlaten, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien. Op de bij de aanvraag behorende tekening van de bestaande toestand is de singelbeplanting waarop de aanvraag betrekking heeft, ingetekend. Het perceelsgedeelte waarop de singelbeplanting is aangegeven heeft een oppervlakte van 8000 m² . De rechtbank heeft terecht overwogen dat de op het aanvraagformulier vermelde oppervlakte van 800 m² een kennelijke misslag betreft.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen, omdat zij niet in kennis is gesteld van het voornemen om de singelbeplanting te kappen en in de veronderstelling is gelaten dat de aanvraag slechts betrekking had op de ongeveer 72 populieren en drie kersen en twee wilgen en drie populieren. In de bekendmaking van de aanvraag is het kappen van 80 bomen vermeld. Deze bekendmaking is echter gerectificeerd. In de rectificatie staat: "kappen van 8.000 m² singelbeplanting waaronder 72 populieren, 3 kersen (bij de hooiberg), 2 wilgen en 3 populieren". Voorts bestaat geen wettelijke verplichting voor de aanvrager of het college om bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand belanghebbenden daarover persoonlijk in te lichten.

4. [appellante] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onzorgvuldig is omgegaan met aantallen, tellingen en afmetingen van de te kappen bomen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de inventarisatie van de singelbeplanting door het college onzorgvuldig heeft plaatsgevonden, omdat deze vanuit een auto is gedaan. Zij heeft echter evenzeer terecht overwogen dat dit niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, omdat, naar het college ter zitting van de rechtbank heeft toegelicht, de bomen en de overige beplanting zodanig dicht op elkaar stonden en zodanig groot waren, dat uitdunnen of halveren van het aantal te rooien struiken onmogelijk was.

5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college een onjuiste invulling aan de herplantplicht als bedoeld in artikel 4.3.5, eerste lid, van de APV heeft gegeven. Daartoe voert zij aan dat in het "Beleid herplantplicht op grond van APV" (hierna: beleid herplantplicht) dat op 10 december 2002 door het college is vastgesteld, is opgenomen dat de waarde van te kappen bomen bepaald moet worden met de zogenoemde "methode Raad". In dit geval is niet duidelijk hoe de waarde van de groensingel is vastgesteld, aldus [appellante]s. Zij voert voorts aan dat het volgens het college in het beleid herplantplicht gemaakte onderscheid tussen individuele, grote of beeldbepalende bomen en andere bomen niet is te herleiden tot de APV. Bovendien worden meer bomen gekapt dan herplant, aldus [appellante].

5.1. Het college heeft de vergunning verleend onder de voorwaarde dat herplant plaatsvindt om daarmee de waarden van de houtopstand te herstellen dan wel te behouden. Daarom dient binnen een jaar na het kappen van de singelbeplanting met de bomen te worden overgegaan tot:

- aanplant van bomen en onderbeplantingen op de plaatsen zoals aangegeven op de herplanttekening van 19 december 2012, blad VO-01J.

- de te planten bomen (alnus glutinosa) dienen een minimale maat te hebben van 14-16. De plantafstand hart op hart is vijf tot zes meter in driehoeksverband.

- de bomen langs de Zwolseweg (gelijksoortige es als bestaand langs de Zwolseweg) dienen een maat te hebben van minimaal 16-18.

Naast het ontbreken van de hoeveelheden per soort, plantwijze en plantmaat is de samenstelling onvoldoende passend voor rivierenlandschap en dient sambuccus nigra niet of nauwelijks (maximaal 2% van de totale hoeveelheid) te worden aangeplant. Er dient een nieuw voorstel aan de gemeente ter goedkeuring te worden voorgelegd. Dit voorstel dient bij de gemeente te zijn ingediend en goedgekeurd voordat kan worden overgegaan tot het kappen van de huidige singelplanting met bomen. Wanneer de herplant niet is aangeslagen, dient binnen een jaar na het constateren van het niet slagen van de heraanplant opnieuw aanplant in dezelfde maat plaats te vinden. Een dergelijke vervanging dient net zo vaak als nodig herhaald te worden.

5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het beleid herplantplicht volgens de daarin opgenomen uitgangspunten met name geldt voor grotere en/of beeldbepalende bomen. Dat volgt ook uit het in tabel 1 bij het beleid opgenomen schema waarin staat dat in geval van een kapaanvraag geen herplantplicht geldt als de boomwaarde van de gekapte boom minder is dan € 2.500. [appellante]s heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omgevingsvergunning betrekking heeft op een iep, 30 elzen en 30 essen die als hoogwaardig moeten worden aangemerkt. De enkele stelling dat dergelijke bomen deel uitmaakten van de groensingel is voor dat oordeel onvoldoende. Nu de omgevingsvergunning betrekking heeft op het vellen van een houtopstand en niet van grote en/of beeldbepalende bomen is het beleid herplantplicht in het onderhavige geval niet van toepassing. Dat in de APV geen onderscheid tussen individuele, grote of beeldbepalende bomen en andere houtopstanden wordt gemaakt, geeft geen grond voor het oordeel dat de in het beleid herplantplicht opgenomen uitgangspunten om die reden moeten worden toegepast.

De in de omgevingsvergunning opgenomen verplichting tot herplant is bedoeld om de waarde van de groensingel te herstellen. Dat het herziene beplantingsplan niet voorziet in de herplant van alle gekapte bomen, betekent niet dat die waarden niet kunnen worden hersteld. Het college heeft de herplant van de onderbeplanting en de kwaliteit daarvan mede van belang kunnen achten voor het herstel van de groensingel. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de herplantplicht onjuist heeft ingevuld.

Voor zover [appellante] stelt dat het herziene beplantingsplan zoals weergegeven op de tekening van 19 december 2012 en de daarop onder het kopje "Onderhoudsplan singelbeplanting [belanghebbende]" opgenomen tekst nog niet was goedgekeurd voordat tot de kap van de singelbeplanting is overgegaan, wordt overwogen dat in deze procedure de vraag voorligt of de omgevingsvergunning voor het kappen van de groensingel kon worden verleend. De vraag of volgens de voorwaarden van die omgevingsvergunning is gehandeld, is niet aan de orde.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt tenslotte tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [belanghebbende] inmiddels van haar uitbreidingsplannen op het perceel heeft afgezien, zodat de singelbeplanting niet gekapt had hoeven worden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de latere wijziging van de uitbreidingsplannen van het bedrijf niet meebrengt dat het besluit van 31 mei 2013, waarbij het besluit 22 januari 2013, zoals gewijzigd bij brief van 28 januari 2013, in stand is gelaten, om die reden onrechtmatig is. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellante] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de omgevingsvergunning voor het vellen of doen vellen van een houtopstand niet zou worden verleend alvorens de uitbreidingsplannen onherroepelijk waren.

7. Het verzoek van [appellante] om schadevergoeding wordt afgewezen, nu daarvoor geen grond aanwezig is.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

270-724.