Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201311366/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:14887, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 september 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een lunchroom op [locatie] te Leiden (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/149
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6362

Uitspraak

201311366/1/A1.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Leiden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 november 2013 in zaken nrs. 13/4212 en 13/4476 in het geding tussen onder meer:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een lunchroom op [locatie] te Leiden (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 12 september 2012 aangevuld met de vermelding dat de afwijking van het bestemmingsplan de mogelijkheid om op het perceel horeca-categorie-2 uit te oefenen betreft.

Bij uitspraak van 6 november 2013 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2014, waar [appellant A] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kooij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hogewoerd e.o." (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Centrum".

Ingevolge artikel 1.46 van de planvoorschriften wordt onder "Horeca" een bedrijf of instelling verstaan waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt. De volgende categorieën worden onderscheiden:

1. […]

2. Horeca-inrichtingen voor het bedrijfsmatig verstrekken van overwegend snacks en/of ter plaatse opgewarmde eetwaren, al dan niet in combinatie met alcoholvrije drank om aldaar te nuttigen (lunchrooms, broodjeszaken, cafetaria's, snackbars, shoarmazaken);

3. […]

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor horeca 1, 2, 3 en 4, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding (h) 1, 2, 3 of 4.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, onder c, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt om een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerst lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

In artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) komt het gebruiken van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten in aanmerking voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken , mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. binnen de bebouwde kom, en

b. de oppervlakte niet meer dan 1.500 m².

2. Vast staat dat het perceel in het bestemmingsplan niet is aangeduid als een locatie waar horeca is toegestaan, zodat het bouwplan daarmee in strijd is. Het college heeft bij besluit van 12 september 2012 omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II van het Bor.

3. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, nu het bestemmingsplan recent is vastgesteld. Dat een bestemmingsplan recent is vastgesteld doet niet af aan de aan het college krachtens artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo toekomende bevoegdheid van dat bestemmingsplan af te wijken in de gevallen als vermeld in artikel 4 van bijlage II van het Bor. Nu de wijziging van het gebruik waarvoor omgevingsvergunning is verleend voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 4, aanhef en onder 9, van bijlage II van het Bor, vormt hetgeen [appellant] aanvoert geen reden voor het oordeel dat het college in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten voor het bouwplan omgevingsvergunning te verlenen.

4. [appellant] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft mogen toetsen aan de conceptbeleidsnota "Horecasferen in de binnenstad" (hierna: nota Horecasferen) en de nota "Verder met de binnenstad". De nota "Verder met de binnenstad" is op 11 oktober 2012 door de raad van de gemeente Leiden vastgesteld. De nota Horecasferen is op 29 januari 2013 door het college vastgesteld voor inspraak. Beide nota's vormen een uitwerking van het op 16 juni 2009 door de raad vastgestelde "Programma Binnenstad". De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college ten tijde van de heroverweging van het besluit van 12 september 2012 op 5 maart 2013, aan dit vastgestelde dan wel voorgenomen beleid mocht toetsen. De omstandigheid dat, naar [appellant] stelt, de nota Horecasferen ten tijde van belang nog niet definitief was vastgesteld, dat Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Leiden, en diverse andere organisaties kritiek hebben geuit op deze nota en dat deze inmiddels is ingetrokken, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheden, wat daarvan zij, dateren van na het besluit van 5 maart 2013. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college op dat moment terecht is nagegaan of het bouwplan het voorgenomen beleid niet doorkruiste.

5. [appellant] betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de gevraagde omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen, omdat het college, anders dan vele andere gemeenten, geen beleid heeft ten aanzien van het afwijken van het bestemmingsplan en derhalve willekeurig omgevingsvergunningen kan verlenen of weigeren. Geen verplichting bestaat om beleid vast te stellen voor het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, van de Wabo.

6. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen hij in zijn pleitnota heeft aangevoerd over parkeren en het verloop van de procedure, faalt. Geen rechtsregel verbiedt dat na afloop van de voor het indienen van beroepsronden gestelde termijn alsnog nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde in geding is, is in het algemeen een afweging bepalend van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

[appellant] heeft deze gronden eerst ter zitting van de rechtbank aangevoerd. Niet is gebleken dat hij deze gronden niet in een eerder stadium van de procedure naar voren had kunnen brengen, in welk geval het college en [belanghebbende] hierop naar behoren hadden kunnen reageren. Bedoelde gronden zijn in strijd met de goede procesorde aan de orde gesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid deze gronden buiten beschouwing gelaten.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

270-724.