Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3294

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201310676/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van de woning door middel van een dakopbouw op het perceel [locatie] te Eindhoven (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/144

Uitspraak

201310676/1/A1.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 oktober 2013 in zaak nr. 13/3674 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2012 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van de woning door middel van een dakopbouw op het perceel [locatie] te Eindhoven (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 april 2013 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2014, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door J.N.H. Keepers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat door het bouwplan, dat voorziet in een opbouw die aansluit op de achterzijde van de eerste en tweede verdieping van de woning op het perceel, de toetreding van zonlicht in hun naastgelegen woning, dakterras en tuin wordt weggenomen dan wel aanzienlijk afneemt. Daartoe wijzen zij op de door hen overgelegde bezonningsstudie van de situatie op 21 maart, 21 juni en 21 september. Ook hun vrije uitzicht aan de achterzijde valt weg. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat door het bouwplan de waarde van hun woning daalt. [appellanten] betogen verder dat het college bij de beoordeling van het bouwplan onvoldoende het belang van privacy heeft betrokken, nu vanuit de opbouw in hun tuin kan worden gekeken.

1.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voormelde belangen van [appellanten] moeten worden geacht reeds te zijn afgewogen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan "Gedeeltelijke herziening Grasrijk/Landforum". Niet in geschil is dat het bouwplan in overeenstemming is met dit bestemmingsplan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de door [appellanten] genoemde aspecten, gelet op het karakter van artikel 2.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), niet bij de beoordeling van het bouwplan kunnen worden betrokken.

De betogen falen.

2. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand, zodat het college de gevraagde omgevingsvergunning op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, had moeten weigeren. Zij voeren daartoe aan dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Eindhoven (hierna: de welstandscommissie) in haar advies van 5 februari 2013 ten onrechte heeft geconcludeerd dat de oorspronkelijke stedenbouwkundige opzet afleesbaar blijft en daardoor wordt gerespecteerd, nu de oorspronkelijke bouw volledig wegvalt achter het bouwplan. [appellanten] voeren voorts aan dat het technisch gezien niet mogelijk is voor de naastgelegen woningen een identiek bouwplan te realiseren. Zij betogen voorts dat het bouwplan in strijd is met hoofdstuk 5 van de gemeentelijke welstandsnota, nu het bouwplan de harmonie van de woningen en het huizenblok doorbreekt. [appellanten] voeren verder aan dat het gekozen materiaal voor het bouwplan niet overeenkomt met de overige in de omgeving aanwezige bebouwing, zodat het bouwplan in strijd is met hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 van de welstandsnota. Voorts is ter zitting bij de rechtbank door de vergunninghouder aangegeven dat het bouwplan zal worden uitgevoerd in dezelfde kleur als de overige bebouwing van het huizenblok, zodat het bouwplan niet in overeenstemming met de bouwtekeningen zal worden uitgevoerd, aldus [appellanten].

2.1. De welstandscommissie heeft in haar advies van 18 juli 2012 een positief stempeladvies gegeven. De welstandscommissie heeft op 5 februari 2013 opnieuw positief over het bouwplan geadviseerd. Zij heeft daarbij getoetst aan de algemene welstandscriteria als genoemd in hoofdstuk 5 en de objectgerichte criteria als genoemd in hoofdstuk 6 van de welstandsnota. Het college heeft geen reden gezien af te wijken van het door de welstandscommissie gegeven advies.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 oktober 2012 in zaak nr. 201202738/1/A1) mag het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende. [appellanten] hebben geen tegenadvies overgelegd. Anders dan [appellanten] betogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet is gebleken dat de welstandsadviezen van 18 juli 2012 en 5 februari 2013 van de welstandscommissie naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen, dat het college deze niet aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen. De welstandscommissie heeft het bouwplan in overeenstemming met de welstandsnota kunnen achten. Zij heeft het bouwplan getoetst aan de hoofdstukken 5 en 6 van de welstandsnota, nu de opbouw een zodanige gelijkenis vertoont met het in laatstgenoemd hoofdstuk opgenomen objecttype aan- en uitbouw aan de achtergevel dat die daarmee vergelijkbaar is. De welstandscommissie heeft aan het advies van 5 februari 2013 ten grondslag gelegd dat de oorspronkelijke stedenbouwkundige opzet van het bouwplan afleesbaar en daardoor gerespecteerd blijft. Weliswaar wordt de opbouw in een afwijkende materialisering en blijkens de bouwtekening waarop het stempeladvies van 18 juli 2012 is geplaatst in gebroken wit uitgevoerd, maar de architectonische verschijningsvorm is ingetogen en de harmonie in het huizenblok wordt hierdoor niet doorbroken. Voorts acht de welstandscommissie de opbouw qua volume een logische invulling van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het door [appellanten] gestelde dat het voor hen onmogelijk is een identiek bouwplan te realiseren, geeft, wat daar ook van zij, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte de welstandsadviezen van 18 juli 2012 en 5 februari 2013 aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, reeds omdat ter beoordeling het thans aan de orde zijnde bouwplan voorligt. Voor zover [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in afwijking van de omgevingsvergunning het materiaal van een andere kleur zal worden voorzien, zodat het bouwplan niet volgens de bouwtekening zal worden uitgevoerd, wordt overwogen dat dit in een eventuele handhavingsprocedure aan de orde kan komen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

407-789.