Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3290

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201310451/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:13177, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2012 heeft de minister het verzoek van [appellante] om verlenging van de plaatsing op de zogenoemde uitwijklijst als vertaler Nederlands-Frans en Frans-Nederlands afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310451/1/A3.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2013 in zaak nr. 13/2550 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2012 heeft de minister het verzoek van [appellante] om verlenging van de plaatsing op de zogenoemde uitwijklijst als vertaler Nederlands-Frans en Frans-Nederlands afgewezen.

Bij besluit van 18 februari 2013 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.A. van Harmelen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, eerste volzin, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: Wbtv) is er een register voor beëdigde tolken en vertalers.

Ingevolge artikel 2, derde lid, kan de minister een lijst houden waarop de gegevens worden bijgehouden van tolken en vertalers die beschikken over een recente verklaring omtrent het gedrag en die wegens het ontbreken van opleidingen of het ontbreken van onafhankelijke deskundigen die de kennis kunnen toetsen, niet kunnen aantonen te beschikken over de vereiste competenties taalvaardigheid in de bron- of de doeltaal of kennis van de cultuur van het land of gebied van de bron- en doeltaal. De minister kan een instelling aanwijzen die deze lijst bijhoudt.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Regeling aanwijzing bewerker en mandaat register beëdigde tolken en vertalers van 24 december 2008 (Stcrt. 2008, 250) heeft de minister de raad voor rechtsbijstand te 's-Hertogenbosch aangewezen als de instelling die de lijst bijhoudt, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wbtv (hierna: de uitwijklijst).

Volgens artikel 5 van het Besluit Uitwijklijst, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt een tolk of vertaler op de Uitwijklijst geplaatst, indien hij of zij aantoont:

a. over havo/mbo (niveau 4)-werk- en denkniveau te beschikken;

b. de bron- en doeltaal op minimaal niveau B2 van het Europese referentiekader voor de Talen te beheersen;

c. minimaal 20 opdrachten als tolk of vertaler te hebben verricht en

d. minimaal 8 punten te behalen op de competentiematrix die als bijlage bij dit besluit is gevoegd en daarvan onderdeel uitmaakt.

Volgens artikel 10 wordt een tolk of vertaler voor een periode van nogmaals drie jaar op de uitwijklijst geplaatst indien hij of zij aantoont:

a. aan de voorwaarden genoemd in artikel 5 te voldoen, dan wel de voorwaarden zoals die gelden ten tijde van het indienen van het verzoek tot verlenging, en

b. aan zijn of haar bijscholingsverplichting, zoals genoemd in de artikelen 5 en 7 van het Besluit permanente educatie Wbtv te hebben voldaan.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de door haar ter zitting overgelegde stukken niet bij de beoordeling heeft betrokken wegens strijd met de goede procesorde. Volgens haar diende de rechtbank het onderzoek ter zitting te schorsen teneinde de minister in de gelegenheid te stellen zich over de stukken uit te laten.

2.1. Volgens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank heeft [appellante] daar verklaard dat de door haar overgelegde stukken niet dienen ter staving van een eerder door haar ingenomen standpunt, maar slechts verduidelijking geven in algemene zin over vertaalopdrachten. Voorts heeft zij verklaard dat hieruit als zodanig niet volgt dat 20 vertaalopdrachten zijn gedaan. Nu niet valt in te zien op welke wijze de stukken relevant zijn voor de beoordeling van het geschil en evenmin valt in te zien waarom deze niet reeds eerder hadden kunnen worden overgelegd, heeft de rechtbank de door [appellante] eerst ter zitting overgelegde stukken in redelijkheid kunnen weigeren wegens strijd met de goede procesorde. Dit brengt met zich dat de rechtbank reeds hierom geen aanleiding heeft hoeven zien om van de haar ingevolge artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) toekomende bevoegdheid gebruik te maken en het onderzoek ter zitting te schorsen.

Het betoog faalt.

3. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat zij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarprocedure. Daartoe voert zij aan dat tijdens een hoorzitting duidelijk had kunnen worden dat de door haar overgelegde brieven van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) ontoereikend waren.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2008 in zaak nr. 200704652/1) mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Voorts heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 2 november 2007 in zaak nr. 200704764/1), dat de beslissing om met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen af te zien, dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld.

Het horen in de bezwaarprocedure is er op gericht om nadere informatie van de bezwaarmaker te verkrijgen, zodat het bestuursorgaan over alle relevante feiten en omstandigheden beschikt teneinde een volledige heroverweging van het bestreden besluit te kunnen verrichten. In haar bezwaarschrift heeft [appellante] naar voren gebracht dat zij zowel bij de IND als bij stichting VluchtelingenWerk Nederland eveneens vertaalwerkzaamheden verricht. Door van het horen af te zien, heeft de minister niet van de gelegenheid gebruik gemaakt om meer duidelijkheid over de aard van deze vertaalwerkzaamheden te verkrijgen. Derhalve is niet voldaan aan het criterium dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister ten onrechte van het horen van [appellante] heeft afgezien. In het kader van de beoordeling of voormeld gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd, wordt het volgende overwogen.

4. [appellante] voert aan dat zij, anders dan in de aangevallen uitspraak staat vermeld, niet als tolk bij de stichting VluchtelingenWerk Nederland werkzaam is, maar binnen haar werkzaamheden als medewerker zo nu en dan vertaalopdrachten verricht. Bovendien heeft de rechtbank, door te overwegen dat de vertaalopdrachten niet als professionele vertaalopdrachten kunnen worden aangemerkt, een onjuiste toetsingsmaatstaf toegepast. Anders dan het thans geldende Besluit Uitwijklijst, stelde het ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit geldende Besluit Uitwijklijst slechts als vereiste dat minimaal 20 opdrachten als tolk of als vertaler moeten zijn verricht. Met de door haar overgelegde stukken heeft zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, aangetoond dat zij aan dit vereiste heeft voldaan, aldus [appellante].

4.1. De omstandigheid dat het ten tijde van belang geldende artikel 5 van het Besluit Uitwijklijst, anders dan het thans geldende Besluit Uitwijklijst, niet uitdrukkelijk het vereiste stelt van het hebben verricht van professionele opdrachten als tolk of vertaler, neemt niet weg dat sprake moet zijn van volledige en op zichzelf staande vertaalopdrachten en niet vertalingen van stukken als onderdeel van de werkzaamheden als tolk (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 september 2012 in zaak nr. 201106204/1/A3).

Anders dan [appellante] betoogt, valt uit de door haar overgelegde overzichten van betalingen niet eenduidig af te leiden of het betalingen ten behoeve van vertaalopdrachten of betalingen ten behoeve van tolkopdrachten betreffen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de stukken onvoldoende gespecificeerd zijn. Evenmin volgt uit de brief van de IND van 5 maart 2013 het aantal verrichte opdrachten als vertaler, nu daarin slechts staat vermeld dat [appellante] als freelance-tolk in het tolkenbestand van de IND staat ingeschreven. [appellante] heeft voorts geen andere stukken overgelegd ter staving van haar betoog. Dat [appellante], naar zij stelt, bij stichting VluchtelingenWerk Nederland vertaalopdrachten verrichtte binnen haar werkzaamheden als medewerker, maakt het voorgaande niet anders, reeds omdat zij daarvan geen bewijs heeft overgelegd. Verder doet de omstandigheid dat [appellante] eerder wel op de Uitwijklijst is geplaatst niet af aan de bevoegdheid van de raad voor rechtsbijstand om de regelgeving aan te scherpen.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat, nu [appellante] niet heeft aangetoond dat zij 20 opdrachten als vertaler heeft verricht, de minister het verzoek om verlenging van de plaatsing op de uitwijklijst terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

5. Gezien hetgeen onder 4.1. is overwogen en de omstandigheid dat [appellante] bij de rechtbank in de gelegenheid is gesteld haar standpunt naar voren te brengen, is aannemelijk dat zij door het afzien van het horen in de bezwaarprocedure niet is benadeeld. Het gebrek kan derhalve met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

7. De minister dient, gelet op het onder rechtsoverweging 3.1. overwogene, op na te melden wijzen tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

317-697.