Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3288

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201305656/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] handhavend op te treden in verband met geluidhinder afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/76
Milieurecht Totaal 2014/5876
M en R 2014/144

Uitspraak

201305656/1/A3.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], gemeente Noordenveld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 mei 2013 in zaak nr. 12/875 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] handhavend op te treden in verband met geluidhinder afgewezen.

Bij besluit van 25 november 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2012 heeft de rechtbank Assen het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het college opgedragen met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen.

Bij besluit van 24 oktober 2012 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2014, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door R. Attema en mr. M. Kuipers, beiden werkzaam bij de gemeente, en door ing. W. Spreen, werkzaam bij Ingenieursbureau Spreen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) heeft een weg een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de nader in die bepaling vermelde breedten aan weerszijden van de weg.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, geldt het eerste lid niet met betrekking tot wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Noordenveld (hierna: APV) is het verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

Ingevolge het derde lid geldt het verbod niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wgh.

2. [appellant] woont op het adres [locatie] te [plaats]. Bij brief van 18 oktober 2010 heeft [appellant] het college verzocht wegens schending van artikel 4:6 van de APV handhavend op te treden tegen geluidhinder die hij ervaart van grote landbouwvoertuigen op de [locatie] te [plaats]. De geluidhinder is volgens [appellant] verergerd door het instellen van een 30 km-zone en het aanleggen van een verkeersplateau.

3. Aan het besluit van 24 oktober 2012 heeft het college ten grondslag gelegd dat artikel 4:6 van de APV niet van toepassing is. De Wgh voorziet limitatief in het onderwerp wegverkeerslawaai. Nu het de bedoeling van de wetgever is geweest dit onderwerp uitputtend in de Wgh te regelen, is er voor aanvullende werking in de APV geen plaats, hetgeen ook volgt uit artikel 4:6, derde lid, van de APV. Ingevolge artikel 74, tweede lid, van de Wgh bestaat voor wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt geen geluidszone, zodat geen wettelijke bescherming tegen verkeerslawaai in een 30 kilometerzone bestaat. Wel heeft het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechnieken (hierna: CROW) een handreiking uitgebracht die bedoeld is om gemeenten hulp te bieden hoe bij 30 km per uur geluidsberekeningen zouden moeten worden gemaakt. Uit die handreiking volgt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden met het geluid van wegen waar een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. Het college heeft een reconstructie- en een geluidsonderzoek laten uitvoeren door Ingenieursbureau Spreen (hierna: Spreen). Uit het reconstructieonderzoek volgt dat door de herinrichting van de straat, door het instellen van een 30 km-zone en het aanleggen van een verkeersplateau, de geluidsbelasting is afgenomen. Het college stelt dat het derhalve geen aanvullende maatregelen hoeft te overwegen. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat hoewel uit de geluidsmetingen volgt dat de geluidswaarden worden overschreden, die overschrijdingen geen onacceptabele geluidhinder oplevert. Nu er geen wettelijke regels zijn overtreden en de geluidsniveaus aanvaardbaar worden geacht, is er geen geluidhinder in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de APV, waartegen handhavend opgetreden dient te worden, aldus het college

4. De rechtbank heeft overwogen dat, hoewel [appellant] de rapporten van Spreen uitgebreid en onderbouwd heeft becommentarieerd, die rapporten de belangrijkste stelling van [appellant] dat er ’s nachts piekgeluidsniveaus optreden die de maximaal toelaatbare grenswaarden overschrijden, bevestigen. De rechtbank concludeert daarom dat tussen partijen niet in geschil is dat er ’s nachts geluidsoverlast bij het huis van [appellant] optreedt doordat zwaardere voertuigen langsrijden met een snelheid die hoger is dan de toegestane snelheid van 30 km per uur. Gezien de agrarische omgeving ligt het volgens de rechtbank voor de hand dat het gaat om landbouwvoertuigen. Voorts overweegt de rechtbank dat de gedachte achter de bepaling van de Wgh dat geen geluidszone bestaat voor een weg waarvoor een maximale snelheid van 30 km per uur geldt, is dat hiertoe geen noodzaak bestaat omdat er weinig verkeerslawaai is als de passerende bestuurders zich aan die maximale snelheid houden. Andersoortige geluidhinder op de weg kan echter wel tot overtreding van het verbod van artikel 4:6, eerste lid, van de APV leiden. Desondanks valt naar het oordeel van de rechtbank geluidsoverlast door snelheidsovertredingen niet onder dat verbod. De toelichting bij dit artikel noemt minder gebruikelijke vormen van geluidhinder. Geluidsoverlast als gevolg van te hard rijden met een regulier vervoermiddel wordt hierbij niet genoemd en valt volgens de rechtbank niet onder de restcategorie. De geluidhinder is het gevolg van overtredingen van bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en handhaving daarvan is een politietaak. Het college heeft het verzoek tot handhaving derhalve terecht afgewezen, aldus de rechtbank.

5. [appellant] betoogt dat hij in beroep heeft aangevoerd dat de vervoersbewegingen van landbouwvoertuigen zijn toe te rekenen aan specifieke inrichtingen en derhalve het Besluit landbouw milieubeheer dan wel het Activiteitenbesluit van toepassing is. De rechtbank is hier ten onrechte niet op ingegaan, aldus [appellant].

Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 4:6 van de APV niet van toepassing is, nu de geluidsoverlast door snelheidsovertredingen met een regulier voertuig niet onder dat artikel valt. De rechtbank heeft daarbij miskend dat zelfrijdende landbouwmachines geen reguliere voertuigen zijn en de geproduceerde geluiden niet behoren tot het normale verkeerslawaai. Voorts is de toepasselijkheid van de APV door het college na de uitspraak van 2 augustus 2012 van de rechtbank Assen niet betwist, aldus [appellant].

5.1. [appellant] heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank niet heeft gereageerd op zijn betoog dat de vervoersbewegingen van de landbouwvoertuigen zijn toe te rekenen aan het in werking zijn van de omliggende inrichtingen. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2014 in zaak nr. 201305223/1/A4 en van 17 april 2013 in zaak nr. 201109781/1/A4) kan geluidhinder van het verkeer van en naar de inrichting niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend, indien dit verkeer zich door zijn rijgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De [locatie] te [plaats] is een doorgaande weg die door verscheidene weggebruikers kan worden gebruikt. De landbouwvoertuigen van verschillende in de omgeving liggende inrichtingen onderscheiden zich op die weg niet van het overige verkeer, dat op de weg aanwezig kan zijn. De vraag of zich daadwerkelijk ander verkeer op de weg bevindt en of de geluidhinder veroorzakende landbouwvoertuigen herkenbaar zijn als behorend tot een specifieke inrichting, is daarbij niet relevant.

Voor zover [appellant] betoogt dat het college handhavend dient op te treden tegen de overschrijding van de vergunningsuren en de werktijden van de omliggende inrichtingen, overweegt de Afdeling dat dit eveneens niet kan leiden tot een geslaagd beroep, nu dit buiten de omvang van het geschil valt en derhalve niet ter beoordeling voorligt.

5.2. In de Wgh worden regels gesteld over geluidhinder door wegverkeer. De wetgever heeft te kennen gegeven dat binnen de zones de spelregels van de wet gelden (Kamerstukken II 1988/1989, 20 985, nr. 3, p. 11). Daarbij komt dat is bepaald dat een automatische zonevrijstelling wordt gegeven voor wegen met een maximumsnelheid van 30 km per uur. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 juni 2013 in zaak nr. 201206182/1/A3 is, gelet op artikel 74, tweede lid, van de Wgh het eerste lid van die bepaling niet van toepassing op wegen waar maximaal 30 km per uur mag worden gereden. Uit de memorie van toelichting bij de Wgh volgt dat de wetgever daarvoor heeft gekozen, omdat op grond van het geringe aantal motorvoertuigen dat van zulke wegen gebruik maakt of zal maken, reeds van tevoren kan worden vastgesteld dat geluidhinder nauwelijks zal optreden.

Het college is er terecht vanuit gegaan dat de Wgh voorziet in een normering van wegverkeerslawaai, waarbij is gekozen voor normering binnen zones langs wegen en wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt, wegens de relatief geringe belasting van die wegen, buiten de zonering zijn gelaten. Aldus kan niet worden gezegd dat niet is voorzien in een regeling van het onderwerp wegverkeerslawaai in de Wgh. In artikel 4:6, derde lid, van de APV is bepaald dat het geluidhinderverbod, zoals neergelegd in het eerste lid van dat artikel, niet ziet op hetgeen wordt voorzien door de Wgh. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college niet handhavend kon optreden wegens overtreding van artikel 4:6, eerste lid, van de APV.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is reeds daarom ongegrond. De overige gronden behoeven derhalve geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. R.F.B. van Zutphen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

176-773.