Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3286

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201310378/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:12222, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 18 oktober 2012 heeft de SVB een besluit van 8 maart 2011 tot toekenning aan [appellante] van voorzieningen op grond van de Remigratiewet ingetrokken en een bedrag van € 8.003,19 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310378/1/V6.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2013 in zaak nr. 13/3438 in het geding tussen:

[appellante]

en

de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB).

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 18 oktober 2012 heeft de SVB een besluit van 8 maart 2011 tot toekenning aan [appellante] van voorzieningen op grond van de Remigratiewet ingetrokken en een bedrag van € 8.003,19 teruggevorderd.

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft de SVB het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. E. Tamas, advocaat te Den Haag, en de SVB, vertegenwoordigd door mr. K. Verbeek, werkzaam bij de SVB, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Remigratiewet, voor zover thans van belang, worden aan een remigrant die niet over voldoende middelen beschikt om zelfstandig te kunnen remigreren, onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, basisvoorzieningen verstrekt.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt aan een remigrant die niet over voldoende middelen beschikt om zelfstandig te kunnen remigreren, onder bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, een periodieke uitkering verstrekt ter voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan in het bestemmingsland.

Ingevolge artikel 6 wordt, indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 3 en 4, het recht op de voorzieningen bedoeld in die artikelen beëindigd, de betaling van op grond van dat recht uit te keren bedragen geschorst en de op grond daarvan reeds betaalde bedragen geheel of gedeeltelijk teruggevorderd, voor zover dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet (hierna: het Uitvoeringsbesluit), voor zover thans van belang, dient de remigrant, om voor de remigratievoorzieningen in aanmerking te komen, over een periode van tenminste 6 maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag van de remigratievoorzieningen, een uitkering of inkomensvoorziening te hebben ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit wijzigt de SVB, onverminderd het elders bij of krachtens de wet bepaalde inzake wijziging of intrekking van een besluit tot toekenning van de basisvoorzieningen dan wel de remigratievoorzieningen, een dergelijk besluit of trekt zij dat in indien de basisvoorzieningen dan wel de remigratievoorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld.

Ingevolge het derde lid kan de SVB, indien daarvoor dringende redenen zijn, besluiten met betrekking tot uitkeringstijdvakken in het verleden geheel of gedeeltelijk van wijziging of intrekking af te zien.

Ingevolge het vierde lid besluit de SVB, indien de remigrant, zijn partner, een van hun kinderen dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger aan alle bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen heeft voldaan, en hij in redelijkheid niet heeft kunnen begrijpen dat de basisvoorzieningen dan wel de remigratievoorzieningen ten onrechte of op een te hoog bedrag zijn vastgesteld, met betrekking tot de uitkeringstijdvakken in het verleden geheel of gedeeltelijk van wijziging of intrekking af te zien.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, worden de basisvoorzieningen en de remigratievoorzieningen die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 13, eerste of tweede lid, onverschuldigd zijn betaald, alsmede alle bedragen die anderszins op grond van deze wet onverschuldigd zijn betaald, door de SVB van de remigrant respectievelijk zijn partner teruggevorderd.

Ingevolge het derde lid kan de SVB, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Ingevolge het vierde lid besluit de SVB, indien de remigrant, zijn partner, een van hun kinderen dan wel diens wettelijke vertegenwoordiger aan alle bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen heeft voldaan, en hij in redelijkheid niet heeft kunnen begrijpen dat de basisvoorzieningen dan wel de remigratievoorzieningen ten onrechte of op een te hoog bedrag zijn verleend, geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

In de SVB beleidsregels nummers SB1078 en SB1114 is onder meer het volgende vermeld. Bij de beoordeling of sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 13, derde lid, en artikel 15, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit, spelen het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel een rol. De SVB oordeelt dat de uitkeringsgerechtigde redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat de voorzieningen ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn verleend, indien bij normale oplettendheid en gegeven zijn omstandigheden, redelijkerwijs duidelijk kan zijn geweest dat hij iets ontving waarop geen recht bestond. Voorts ziet de SVB met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht af van gehele of gedeeltelijke herziening als de bijzondere omstandigheden van het geval leiden tot het oordeel dat een volledig terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is. Bij de beoordeling of sprake is van kennelijke onredelijkheid in die zin hecht de SVB belang aan de mate waarin aan de belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt, de mate waarin aan de SVB een verwijt kan worden gemaakt en de mate waarin herziening met volledige terugwerkende kracht en de hiermee gepaard gaande terugvordering onevenredig ingrijpend is in het dagelijkse leven van de belanghebbende. Een situatie die geen dringende reden oplevert om geheel of gedeeltelijk af te zien van intrekking of herziening van de uitkering, maar wel een dringende reden vormt om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering, zal zich slechts in een zeer incidenteel geval voordoen.

In de SVB beleidsregel nummer SB1093 staat, voor zover thans van belang, dat de SVB in gevallen waarin twijfel bestaat over het recht op uitkering en nog niet vaststaat vanaf welk moment mogelijk geen recht meer bestaat, de betaling van de uitkering opschort of deze schorst.

2. De SVB heeft de bij besluit van 8 maart 2011 aan [appellante] toegekende remigratievoorzieningen ingetrokken en teruggevorderd omdat zij niet aan het in artikel 5, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit gestelde vereiste voldeed. De SVB heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat zich geen dringende redenen voordoen om van intrekking en terugvordering met terugwerkende kracht af te zien.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake was van twijfel aan of onduidelijkheid over de rechtmatigheid van de remigratievoorzieningen en derhalve voor de SVB geen aanleiding bestond te volstaan met een schorsing van de remigratievoorzieningen. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat ten tijde van de terugvordering van de remigratievoorzieningen door de SVB, de intrekking en terugvordering door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) van de haar op grond van de Wet werk en bijstand verleende uitkering (hierna: de WWB-uitkering) nog niet definitief was. Zij stelt dat er een kans is dat de WWB-uitkering slechts over een periode die na de toekenning van de remigratievoorzieningen ligt zal worden ingetrokken en teruggevorderd.

3.1. Het college heeft bij besluit van 22 december 2011 de WWB-uitkering van [appellante] ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 april 2007. De rechtbank heeft terecht overwogen dat derhalve geen sprake was van twijfel of onduidelijkheid over het recht op uitkering van remigratievoorzieningen in de zin van de SVB beleidsregel nummer SB1093. Dat [appellante] rechtsmiddelen heeft ingesteld tegen voormeld besluit van het college en die procedure ten tijde hier van belang was nog aanhangig was, en ook thans nog is, kan er niet aan afdoen dat als gevolg van dat besluit niet meer is voldaan aan het in artikel 5, aanhef en onder b, van het Uitvoeringsbesluit gestelde vereiste.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de SVB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen redenen voordoen als bedoeld in artikel 13, derde en vierde lid, en artikel 15, derde en vierde lid van het Uitvoeringsbesluit. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft getoetst aan het in het beleid van de SVB genoemde vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. [appellante] voert in dat kader aan dat de intrekking en terugvordering van de haar toegekende remigratievoorzieningen is gebaseerd op een besluit van het college om de WWB-uitkering in te trekken en terug te vorderen dat dateerde van na het besluit van 8 maart 2011 waarbij aan haar remigratievoorzieningen zijn toegekend. Zij stelt tevens dat de SVB kort na de intrekking en terugvordering van die uitkering daarvan door het college op hoogte is gesteld en de SVB reeds vóór toekenning van de remigratievoorzieningen met dat besluit bekend was. [appellante] stelt tevens dat zij niet betrokken was in de procedure omtrent de intrekking van de WWB-uitkering, omdat zij ernstig ziek was en daarvoor onder medische behandeling was. Derhalve kon zij geen kennis hebben van de feiten op grond waarvan die uitkering is ingetrokken.

4.1. Voor zover [appellante] heeft beoogd te betogen dat zij erop mocht vertrouwen dat de SVB de haar toegekende remigratievoorzieningen niet met terugwerkende kracht zou intrekken en terugvorderen omdat het besluit tot intrekking en terugvordering van de WWB-uitkering van na het besluit van 8 maart 2011 tot toekenning de remigratievoorzieningen dateert, faalt het betoog. Het besluit van 22 december 2011 tot intrekking van de WWB-uitkering werkt terug tot 1 april 2007. Derhalve heeft de SVB zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] ten tijde van belang niet aan de vereisten voldoet om in aanmerking te komen voor een remigratievoorziening. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 mei 2012 in zaak nr. 201112962/1/V6) gelden de vereisten om in aanmerking te komen voor remigratievoorzieningen ook na toekenning daarvan. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat zich geen dringende redenen als bedoeld in artikelen 13, derde lid, en 15, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit voordoen. Het tijdsverloop tussen de intrekking van de WWB-uitkering en de besluiten van 18 oktober 2012 maakt evenmin dat [appellante] het gerechtvaardigd vertrouwen mocht hebben dat de SVB de toegekende remigratievoorzieningen niet zou intrekken, nu zij de SVB niet op de hoogte heeft gebracht van de intrekking van de WWB-uitkering en de SVB, zoals zij ter zitting heeft bevestigd, daarmee eerst in oktober 2012 bekend is geraakt. Dat dit anders zou zijn, heeft [appellante] niet gestaafd.

Dat [appellante] ernstig ziek was, naar zij heeft gesteld, is niet aan te merken als bijzondere omstandigheid als bedoeld in de artikelen 13, vierde lid, en 15, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet op de hoogte was van de intrekking van de WWB-uitkering, nu de besluitvorming daaromtrent ook aan haar is gericht. Derhalve is niet aannemelijk dat [appellante] niet heeft kunnen begrijpen dat de remigratievoorzieningen ten onrechte aan haar waren toegekend. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij vanwege haar ziekte niet in staat was de SVB over de intrekking van de WWB-uitkering te (laten) informeren.

Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet voldoende heeft onderbouwd dat de herziening en terugvordering onevenredig in haar dagelijkse leven ingrijpen, faalt reeds omdat [appellante] geen financiële stukken heeft overgelegd over haar inkomen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de SVB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die de herziening en terugvordering van de remigratievoorzieningen onevenredig maken.

De betogen falen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Groenendijk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

164-692.