Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201305862/1/V4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:1121, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305862/1/V4.

Datum uitspraak: 25 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 juni 2013 in zaken nrs. 13/5232 en 13/5234 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 juni 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling heeft op 13 februari 2013 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Niet in geschil is dat Malta op grond van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003 L 050; hierna: de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de behandeling van de in Nederland ingediende asielaanvraag.

2. Hetgeen als grief 1 is aangevoerd en aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

3. In grief 4 klaagt de vreemdeling dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het risico loopt te worden gedetineerd bij een overdracht aan Malta, nu geen sprake is geweest van een ontsnapping uit een detentiecentrum in Malta of van gebruikmaking van valse papieren om het land te verlaten. De vreemdeling voert daartoe aan dat hij tijdens het gehoor op 13 februari 2013 (hierna: het gehoor) heeft verklaard dat hij Malta met gebruikmaking van een vals reisdocument heeft verlaten. Volgens de vreemdeling heeft hij met deze verklaringen aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een illegale uitreis, waardoor hij het risico loopt te worden gedetineerd bij terugkeer in Malta.

3.1. De voorzieningenrechter heeft, in hoger beroep onbestreden, overwogen dat uit het rapport van Pro Asyl van mei 2012, getiteld "Malta: Out of System", blijkt dat vreemdelingen die in het kader van de Dublinverordening aan Malta worden overgedragen kunnen worden gedetineerd, indien zij in Malta zijn ontsnapt uit detentie of met valse papieren het land zijn uitgereisd.

3.2. Uit het verslag van het gehoor blijkt dat de vreemdeling tijdens dat gehoor heeft verklaard dat een reisagent voor zijn reis naar Nederland een paspoort heeft geregeld, dat hij niet in het paspoort mocht kijken en dat hij het paspoort na het inchecken moest teruggeven aan de reisagent. Verder heeft de vreemdeling tijdens het gehoor verklaard dat de foto op het paspoort volgens hem van een zogenaamde lookalike was. De staatssecretaris heeft eerst ter zitting bij de voorzieningenrechter het standpunt ingenomen dat bij de vreemdeling geen sprake is geweest van een ontsnapping uit een detentiecentrum in Malta of van gebruikmaking van valse papieren om het land te verlaten. De staatssecretaris heeft echter ten onrechte niet nader gemotiveerd waarom de verklaringen van de vreemdeling in het gehoor onvoldoende zijn om aan te nemen dat sprake is geweest van een uitreis met valse papieren. Derhalve heeft de staatssecretaris, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1. is overwogen, onvoldoende gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het risico loopt te worden gedetineerd bij een overdracht aan Malta. De voorzieningenrechter is de staatssecretaris dan ook ten onrechte gevolgd in voormeld standpunt.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen de vreemdeling overigens in de grieven aanvoert, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 21 februari 2013 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 juni 2013 in zaak nr. 13/5232;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 21 februari 2013, V-nummer: 278.383.0526;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Brock

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2014

603.