Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3271

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201309411/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:5450, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/328

Uitspraak

201309411/1/V1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling]

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 12 september 2013 in zaak nr. 12/32078 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 september 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorganger.

2. Hetgeen de vreemdeling als grieven 1 en 2 aanvoert en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3. In de grieven 3 en 4 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en dat het door haar in beroep overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) van 7 maart 2013 (hierna: het iMMO-rapport) daaraan niet afdoet. De vreemdeling betoogt dat zij met het iMMO-rapport medisch bewijs heeft geleverd voor een essentieel onderdeel van haar asielrelaas, te weten dat Oegandese militairen haar wegens haar actieve lidmaatschap van de oppositiepartij "Forum for Democratic Change" (hierna: de FDC) hebben gevangengehouden en haar gedurende haar gevangenschap hebben mishandeld en verkracht. De vreemdeling betoogt, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), R.C. tegen Zweden, van 9 maart 2010, nr. 41827/07, (hierna: het arrest R.C. tegen Zweden; www.echr.coe.int) dat een enkele ongerijmdheid, zoals in dit geval ten aanzien van haar ontsnapping, niet zonder meer afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas en dat de rechtbank hier ten onrechte aan is voorbijgegaan. In dit kader betoogt de vreemdeling dat de rechtbank evenmin heeft onderkend dat de staatssecretaris haar lidmaatschap van en activiteiten voor de FDC geloofwaardig heeft geacht en dat zij reeds in beroep heeft aangevoerd dat hij, gelet op het arrest R.C. tegen Zweden, heeft nagelaten om de door haar aangehaalde landeninformatie over Oeganda bij zijn standpunt over de geloofwaardigheid van haar asielrelaas te betrekken. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank voorts niet onderkend dat de omstandigheid dat het iMMO-rapport slechts psychische klachten betreft, niet zonder meer betekent dat in dit geval aan het arrest R.C. tegen Zweden geen betekenis toekomt. In dit kader betoogt de vreemdeling, onder verwijzing naar een aanvullende reactie van het iMMO van 24 september 2013, dat een iMMO-rapport voldoet aan de richtlijnen van het "Istanbul Protocol, Manual on the Effective Investigation and Documentation of Torture and Other Cruel or Degrading Treatment or Punishment" van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties (hierna: het Istanbul Protocol), dat het iMMO ook onderzoekt of een causale relatie bestaat tussen psychische klachten en een asielrelaas en dat het iMMO dit duidt volgens de rangorde in paragraaf 187 van het Istanbul Protocol.

3.1. Het deel van het asielrelaas dat de vreemdeling met het iMMO-rapport heeft willen staven betreft de stelling dat militairen haar in Oeganda hebben opgepakt, gevangengehouden en tijdens haar gevangenschap hebben mishandeld en verkracht wegens haar lidmaatschap van en activiteiten voor de FDC.

3.2. Het iMMO-rapport, opgesteld door een psychiater, vermeldt:

"1.5 Vraagstelling(en) onderzoek

B. Is het aannemelijk dat de psychische klachten zijn voortgekomen uit de gestelde asielmotieven?

[…]

Er is gewerkt volgens de richtlijnen van het Istanbul Protocol.

5 PSYCHIATRISCH ONDERZOEK

[…]

5a.5 Psychische klachten en psychiatrische diagnose

De betrokkene beschrijft een groot aantal kenmerken van PTSS, hetgeen vooral ook bevestigd wordt door de psychologische test die werd afgenomen. Ook gedurende het psychiatrisch onderzoek worden kenmerken van deze stoornis geconstateerd, bijvoorbeeld de neiging tot vermijding en de onthechte, affectief afgestompte indruk die betrokkene maakt.

Betrokkene beschrijft bovendien een groot aantal depressieve kenmerken. Deze komen gedurende het psychiatrisch onderzoek duidelijk naar voren en passen bij de chronische aanwezige, ernstige PTSS.

5b Interpretatie bevindingen psychiatrisch onderzoek

Uit het onderzoek komt een sterk beschadigde vrouw met PTSS en depressieve klachten naar voren. Zij is vanuit de stoornis, de angst, de neiging tot vermijding en de vermoedelijk gestoorde concentratie (zie verder), beperkt in staat om haar verhaal te doen, zeker als dat onder stressvolle, bedreigende omstandigheden van haar wordt verwacht. Dit geldt in sterke mate als het gaat om details over de voor haar als traumatisch ervaren gebeurtenissen.

Deze bevindingen zijn vanwege de door betrokkene beschreven inhoud en details van herbeleving en nachtmerries typerend voor hetgeen betrokkene stelt te hebben meegemaakt.

[…]

8.2 Beantwoording vraagstelling

B. […] Ja, dit is zeer aannemelijk. De psychiatrische problematiek, en dan met name de PTSS, is wat betreft de aard en inhoud van de herbelevingen en vermijdingsverschijnselen, typerend voor het relaas van betrokkene over de traumatische gebeurtenissen."

3.3. De staatssecretaris heeft in het besluit van 14 september 2012 en het daarin ingelaste voornemen van 25 juli 2012 uitdrukkelijk geloofwaardig geacht dat de vreemdeling actief lid was van de FDC. Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling echter niet aannemelijk gemaakt dat zij wegens dit lidmaatschap de door haar gestelde problemen heeft ondervonden. De vreemdeling heeft immers ongeloofwaardig verklaard over haar ontsnapping, zodat hij de gestelde gevangenschap en de mishandelingen evenmin geloofwaardig acht, omdat deze gebeurtenissen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, aldus de staatssecretaris.

In zijn reactie op het iMMO-rapport heeft de staatssecretaris volstaan met het standpunt dat volgens het advies van 7 oktober 2011 en de nadere toelichting van 26 april 2013 van MediFirst blijkt dat er geen beperkingen waren voor de vreemdeling om tijdens de gehoren te verklaren en dat MediFirst, anders dan het iMMO, geen oordeel heeft gegeven over de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

3.4. Hoewel de staatssecretaris het iMMO-rapport terecht heeft beoordeeld in het kader van de geloofwaardigheid van het asielrelaas, heeft hij het iMMO-rapport niet uitdrukkelijk gerelateerd aan zijn standpunt over de verklaring van de vreemdeling dat zij wegens haar lidmaatschap van en activiteiten voor de FDC is opgepakt, gevangengehouden, mishandeld en verkracht door Oegandese militairen. Dat, zoals de staatssecretaris stelt, het asielrelaas van de vreemdeling, in het bijzonder wat betreft de gestelde ontsnapping uit gevangenschap, ongeloofwaardige elementen bevat laat onverlet dat hij de door de vreemdeling gestelde aanleiding voor de gestelde mishandeling, te weten haar actieve lidmaatschap van de FDC, uitdrukkelijk geloofwaardig heeft geacht. In het licht van de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2014 in zaak nr. 201208171/1/V1 is de reactie van de staatssecretaris op het iMMO-rapport daarom ontoereikend, ook omdat hij het iMMO-rapport en voormeld geloofwaardig geacht onderdeel van het asielrelaas niet uitdrukkelijk heeft afgezet tegen de achtergrond van de algemene veiligheidssituatie in Oeganda, in het bijzonder voor personen die actief lid zijn van de FDC.

3.5. De rechtbank heeft dan ook niet onderkend dat de staatssecretaris zijn standpunt over het iMMO-rapport in het verweerschrift niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Bovendien heeft zij, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2013 in zaak nr. 201211436/1/V4, ten onrechte overwogen dat medisch bewijs dat slechts psychische klachten betreft geen sterke aanwijzing vormt in de zin van het arrest R.C. tegen Zweden.

3.6. De grieven 3 en 4 slagen.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen het besluit van 14 september 2012 alsnog gegrond worden verklaard en dat besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb worden vernietigd.

5. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 12 september 2013 in zaak nr. 12/32078;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 14 september 2012, kenmerk 276.061.7301;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. H. Troostwijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Schuurman

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2014

282-734.