Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3268

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201307305/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "LPG-tankstations De Poort" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Besluit externe veiligheid inrichtingen 5
Regeling externe veiligheid inrichtingen
Regeling externe veiligheid inrichtingen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2014/149 met annotatie van Y. van Hoven

Uitspraak

201307305/1/R2.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Rilland, gemeente Reimerswaal,

2. [appellant sub 2], wonend te Rilland, gemeente Reimerswaal,

en

de raad van de gemeente Reimerswaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "LPG-tankstations De Poort" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 25 februari 2014 (hierna: het wijzigingsbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan "LPG-tankstations De Poort" gewijzigd.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben zienswijzen ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.M. den Boer, [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door ing. R.G.M. Louwes en drs. C.H. van den Dikkenberg-Stoutjesdijk, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in het juridisch-planologisch mogelijk maken van een LPG-installatie op de tankstations aan de Valckenisseweg 5 en De Poort 24.

3. Aan de percelen De Poort 24 en Valckenisseweg 5 zijn onder meer de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduidingen "bedrijf tot en met categorie 3.2" en "verkooppunt motorbrandstoffen met lpg" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor de bestemming "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven uit ten hoogste categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten "bedrijventerrein", ter plaatse van de aanduiding "bedrijf ten hoogste categorie 3.2".

Ingevolge lid 3.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor een verkooppunt voor motorbrandstoffen, inclusief lpg, met daarbij behorende andere detailhandel en een autowasstraat, ter plaatse van de aanduiding "verkooppunt voor motorbrandstoffen, met lpg".

4. Het wijzigingsbesluit voorziet in de volgende wijziging van de planregels:

- Aan artikel 3, lid 3.5.1, van de planregels wordt een nieuw onderdeel g toegevoegd, luidende:

"g. de doorzet van LGP-verkoop van een ‘verkooppunt voor motorbrandstoffen, met LPG’ is uitsluitend toegestaan tot 1.000 m3 per jaar".

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

6. De Afdeling merkt het besluit van 25 februari 2014, waarbij het plan is gewijzigd, aan als een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb, nu daarmee planonderdelen van het plan zijn gewijzigd waartegen beroepen aanhangig zijn. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb beoordeelt de Afdeling het plan zoals dat luidt na het wijzigingsbesluit.

7. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich niet met het plan verenigen. Hiertoe voeren zij aan dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid installaties voor de opslag en verkoop van LPG te realiseren op het perceel De Poort 24, terwijl dat perceel in de directe nabijheid van een 150 Kv-hoogspanningsleiding is gelegen. Volgens hen brengt dit een onaanvaardbaar veiligheidsrisico met zich.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanwezigheid van een hoogspanningsleiding geen onaanvaardbare veiligheidsrisico’s met zich brengt.

7.2. In de omgeving van het in het plan voorziene tankstation op het perceel De Poort 24 bevindt zich een 150 Kv-hoogspanningsleiding van netbeheerder TenneT. Door TenneT worden met het oog op de veiligheid minimumafstanden geadviseerd voor de afstand tussen de hartlijn van hoogspanningsleidingen en locaties waarop brandbare en explosiegevaarlijke stoffen als LPG worden op- en overgeslagen. Voor verschillende onderdelen van een LPG-tankstation, namelijk het vulpunt, de LPG-tank en de afleverzuil, worden verschillende minimumafstanden geadviseerd. In het plan is vastgelegd dat het vulpunt, de LPG-tank en de afleverzuil niet op een kleinere afstand van de hoogspanningsleiding kunnen worden gerealiseerd dan de voor de voor deze onderdelen van het tankstation gehanteerde minimumafstanden. Aan de door TenneT gehanteerde minimumafstanden kan op het perceel De Poort 24 dan ook worden voldaan. De raad heeft zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezigheid van een hoogspanningsleiding in de nabijheid van het LPG-tankstation op het perceel De Poort 24 geen onaanvaardbare veiligheidsrisico’s met zich zal brengen.

De betogen falen.

8. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat een adequate bluswatervoorziening ontbreekt bij het tankstation op het perceel De Poort 24, wordt het volgende overwogen. De Veiligheidsregio Zeeland heeft naar aanleiding van het vooroverleg opgemerkt dat in het kader van het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein De Poort aandacht is gevraagd voor de beschikbaarheid van bluswater. In dit kader heeft de Veiligheidsregio Zeeland geadviseerd om alsnog in overleg met de gemeentelijke brandweer te investeren in voldoende primaire bluswatervoorzieningen binnen het plangebied. De raad heeft erop gewezen dat in de bestaande situatie reeds voldoende bluswater beschikbaar is en dat het realiseren van een nieuwe blusvoorziening niet noodzakelijk is om binnen het plangebied tot een uit een oogpunt van veiligheid ruimtelijk aanvaardbare situatie te kunnen komen.

Ter zitting is gebleken dat onlangs in het kader van de verdere ontwikkeling van het bedrijventerrein De Poort een nieuwe bluswatervoorziening is gerealiseerd. Desgevraagd heeft de brandweer te kennen gegeven dat zij deze bluswatervoorziening afdoende acht voor het gehele bedrijventerrein De Poort, inclusief het tankstation op het perceel De Poort 24, aldus de raad. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een adequate bluswatervoorziening aanwezig is voor het tankstation op het perceel De Poort 24.

Het betoog faalt.

9. Verder wordt het volgende overwogen ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat geen sprake is van een ruimtelijk aanvaardbare situatie, omdat het voorziene LPG-station op het perceel De Poort 24 in de nabijheid ligt van de Rijksweg A58, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

De raad heeft zich onder verwijzing naar het aan het plan ten grondslag gelegde onderzoek "LPG tankstation aan De Poort 24 te Rilland - Onderzoek Externe Veiligheid" van Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. van 26 april 2011 (hierna: het veiligheidsonderzoek) op het standpunt gesteld dat kan worden voldaan aan de normen uit de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. [appellant sub 1] heeft de juistheid van dat onderzoek niet bestreden, zodat de raad daarvan in redelijkheid heeft kunnen uitgaan. Hij heeft evenmin bestreden dat aan de normen uit de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen kan worden voldaan. Voorts heeft de raad toegelicht dat onder meer de risico’s van het wegverkeer op de A58 zijn onderzocht ten behoeve van het bestemmingsplan "Grote bedrijventerreinen", dat bij besluit van 25 juni 2013 is vastgesteld. Het bedrijventerrein De Poort, waaronder ook het tankstation op het perceel De Poort 24 wordt verstaan, is in dat bestemmingsplan begrepen. Uit het onderzoek is gebleken dat geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor het bedrijventerrein vanwege het verkeer op de A58. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ligging van het perceel De Poort 24 in de nabijheid van de A58 geen belemmering vormt voor de opslag en verkoop van LPG op voornoemd perceel.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 2] betoogt dat in het plan ten onrechte niet alleen de mogelijkheid wordt hersteld LPG te verkopen op het perceel Valckenisseweg 5, maar ook mogelijk wordt gemaakt dat LPG kan worden verkocht bij het tankstation op het perceel De Poort 24. Hiertoe voert hij aan dat deze twee tankstations sterk van elkaar verschillen, nu de verkoop van LPG op het perceel De Poort 24 in het verleden niet was toegestaan, dit in tegenstelling tot op zijn perceel Valckenisseweg 5.

10.1. Vast staat dat het toestaan van de verkoop van LPG op het perceel Valckenisseweg 5 het herstel is van een eerdere omissie, die ertoe had geleid dat de verkoop van LPG op dat perceel niet langer was toegestaan. Op het perceel De Poort 24 was de verkoop van LPG eerder niet toegestaan. Dat de toegestane brandstofverkoop op het perceel Valckenisseweg 5 voorheen anders was dan de toegestane brandstofverkoop op het perceel De Poort 24, betekent echter niet dat de raad er niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen de verkoop van LPG op beide percelen onder dezelfde voorwaarden toe te staan.

Het betoog faalt.

11. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat in het plan ten onrechte wordt uitgegaan van een beperking van de doorzet van LPG in het tankstation op het perceel De Poort 24 tot 1.000 m3 per jaar. Zij voeren in dit verband aan dat dit maximum niet is geborgd in het plan. Ook wijzen zij erop dat het maximum van 1.000 m3 per jaar niet realistisch is, gelet op de grootte van het tankstation op het perceel De Poort 24. Zij vrezen dat dit maximum door het tankstation structureel zal worden overschreden.

Verder betoogt [appellant sub 1] dat het gewijzigde plan ten onrechte voorziet in een beperking van de mogelijkheden voor zijn perceel Valckenisseweg 5, waarop eveneens een tankstation is gevestigd. Hiertoe voert hij aan dat hij thans beschikt over een milieuvergunning waarin de doorzet van LPG in zijn tankstation niet is beperkt, maar dat het plan nu ook voor zijn perceel voorziet in een beperking van de doorzet tot 1.000 m3 LPG per jaar.

11.1. De raad stelt dat het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is de doorzet van LPG van zowel het tankstation op het perceel De Poort 24 als van het tankstation op het perceel Valckenisseweg 5 te beperken tot 1.000 m3 per jaar. Hiertoe verwijst de raad naar het veiligheidsonderzoek, waarin tot de conclusie wordt gekomen dat bij een doorzet van minder dan 1.000 m3 het groepsrisico geen beperking vormt voor de realisatie van het LPG-tankstation op het perceel De Poort 24. Verder wijst de raad erop dat een grotere doorzet van LPG dan het genoemde maximum voor beide tankstations niet reëel is.

11.2. Zoals hiervoor is overwogen heeft de raad het plan gewijzigd, zodat in de planregels is geborgd dat de doorzet van LPG in het tankstation op het perceel De Poort 24 is gemaximeerd op een hoeveelheid van 1.000 m3 per jaar. In zoverre is dan ook aan de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegemoetgekomen. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen dat toch meer dan 1.000 m3 LPG zal worden doorgezet, wordt overwogen dat op grond van de in de planregels opgenomen maximale doorzet handhavend kan worden opgetreden tegen overtredingen van dat maximum. Overigens heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat het gemeentebestuur voornemens is toe te zien op naleving van voornoemd voorschrift.

De betogen falen.

11.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat het gewijzigde plan ten onrechte voorziet in een beperking van de doorzet van LPG voor zijn tankstation op het perceel Valckenisseweg 5 wordt het volgende overwogen. Op gronden in de directe nabijheid van het tankstation op het perceel Valckenisseweg 5 kan door toepassing van een in het voor die gronden geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid een restaurant worden gerealiseerd. Om de veiligheid van dat restaurant te kunnen verzekeren, moet volgens de raad de doorzet van het tankstation op het perceel Valckenisseweg 5 worden beperkt tot 1.000 m3 per jaar. Verder heeft [appellant sub 1] ter zitting te kennen gegeven in de bestaande situatie rond de 500 m3 LPG per jaar door te zetten, waardoor een sterke groei van de doorzet kan plaatsvinden zonder dat de in het plan voor de doorzet van LPG opgenomen begrenzing zal worden overschreden. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid ook voor het tankstation op het perceel Valckenisseweg 5 een beperking van de doorzet van LPG tot een maximum van 1.000 m3 per jaar in het plan kunnen opnemen.

Het betoog faalt.

12. [appellant sub 2] betoogt dat de waarde van zijn percelen zal verminderen als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkelingen. In dit verband wijst hij erop dat door het toestaan van de verkoop van LPG op het perceel De Poort 24 de risicocirkels van dat bedrijf zullen worden vergroot, hetgeen een negatief effect zal hebben op de waarde van de omliggende percelen.

12.1. Niet is uitgesloten dat zich een waardevermindering van de percelen van [appellant sub 2] zal voordoen. Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van die percelen betreft, bestaat echter geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

13. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.J. de Jager, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. De Jager

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

458-726.