Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3263

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
201303433/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:1332, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van gegevens gedeeltelijk afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 3
Wet openbaarheid van bestuur 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/198
JOM 2014/1090
AB 2015/26

Uitspraak

201303433/1/A3.

Datum uitspraak: 3 september 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bloemendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem (lees: de rechtbank Noord-Holland) van 28 februari 2013 in zaak nr. 12/4144 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van gegevens gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 23 juli 2012 heeft het college aan [appellant] informatie verstrekt.

Bij uitspraak van 28 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 18 juli 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door hem ingestelde beroep tegen de brief van 23 juli 2012 niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat het college het beroepschrift van [appellant] van 30 augustus 2012 in zoverre in behandeling neemt als bezwaarschrift gericht tegen de brief van 23 juli 2012. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2014, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, verschaft het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.

2. [appellant] heeft bij brief van 8 januari 2012 met een beroep op de Wob verzocht om toezending van informatie over de stralingsgegevens van in een zendmast aan de Hoge Duin en Daalseweg te Bloemendaal hangende UMTS en GSM antennes (hierna: de antennes) en informatie over de bedrijven die van deze antennes gebruik maken (hierna: gebruikers). Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 6 februari 2012 heeft het college wat betreft de gevraagde stralingsgegevens medegedeeld dat deze openbaar zijn, gegevens over de gebruikers van twee zendmasten verstrekt en medegedeeld dat het niet over informatie beschikt over de gebruikers van de antennes, omdat het hiermee geen relatie heeft.

Bij brief van 23 juli 2012 heeft het college, in reactie op een verzoek van [appellant] van 9 maart 2012, aan hem informatie verstrekt over een op 18 september 2001 verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van apparatuurkasten aan de zendmasten.

Bij brief van 30 augustus 2012 heeft [appellant] beroep ingesteld. Hij heeft hierbij het besluit op bezwaar van 18 juli 2012 en de brief van 23 juli 2012 meegezonden.

3. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 18 juli 2012 gerichte beroep ongegrond verklaard, omdat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college de beschikking heeft over de door hem gevraagde gegevens dan wel daarover behoort te beschikken.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de brief van 23 juli 2012 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De brief van 30 augustus 2012 is om deze reden tevens een tegen het besluit van 23 juli 2012 gericht bezwaarschrift, aldus de rechtbank.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank in strijd met het bepaalde in artikel 6 van het EVRM blijk heeft gegeven van vooringenomenheid. Daartoe voert hij aan dat hij door de rechtbank niet in staat is gesteld de door hem voorbereide pleitnotitie voor te dragen.

4.1. Uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat de rechtbank aan [appellant] kenbaar heeft gemaakt dat de rechtmatigheid van het besluit van 18 juli 2012 ter toetsing voorligt en het geschil zich hiertoe beperkt. De rechtbank heeft hem te kennen gegeven dat hij zijn pleitnota alleen mag voorlezen voor zover deze ziet op de weigering van het college om de door hem gevraagde stukken openbaar te maken. Aan [appellant] is de gelegenheid geboden om de onderdelen van de pleitnotitie voor te dragen voor zover die het besluit van 18 juli 2012 betrof. Weliswaar is [appellant] niet in staat gesteld de gehele door hem voorbereide pleitnotitie voor te dragen maar het is aan de voorzitter om de orde ter zitting te bepalen. De voorzitter heeft geen onjuiste invulling gegeven aan deze taak door de behandeling te beperken tot hetgeen in het kader van deze procedure in geschil was. De rechtbank heeft aldus geen blijk gegeven van vooringenomenheid noch de gerechtvaardigde vrees daarvoor doen ontstaan. De enkele omstandigheid dat [appellant] zich door voormelde beperking onvoldoende gehoord acht, kan daaraan niet afdoen.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte onderscheid heeft gemaakt tussen de besluiten van 18 juli 2012 en 23 juli 2012.

Het besluit van 23 juli 2012 is evenzeer als het besluit van 18 juli 2012 een beslissing op het door hem gemaakte bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2012 en beide besluiten hangen samen. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep tegen het besluit van 23 juli 2012 niet-ontvankelijk verklaard, aldus [appellant]. Hierbij heeft hij tevens gewezen op artikel 8 van de Wob.

5.1. [appellant] heeft bij brief van 20 februari 2012 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 februari 2012, onder verwijzing naar het op dit besluit vermelde kenmerk. Op dit bezwaar is bij besluit van 18 juli 2012 beslist. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak op het hiertegen ingestelde beroep beslist.

Bij brief van 9 maart 2012 heeft [appellant] aan het college verzocht hem informatie te verstrekken over de voor de zendmasten afgegeven omgevingsvergunning. Bij brief van 23 juli 2012 heeft het college aan [appellant] een kopie verstrekt van de bij besluit van 18 september 2001 verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van apparatuurkasten aan de zendmasten en de bij die vergunning behorende tekening. Bij die brief is [appellant] voorts medegedeeld dat de zendmasten in 1960 zijn geplaatst en daarvan in het gemeentelijk bouwarchief geen vergunningen zijn gevonden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is deze reactie van het college op voormeld verzoek van [appellant] een besluit, waartegen bezwaar kan worden gemaakt. In zijn beroepschrift van 30 augustus 2012 heeft [appellant] kenbaar gemaakt het niets eens te zijn met dit besluit. Het beroepschrift dient in zoverre te worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 23 juli 2012. Nu [appellant] tegen dit besluit eerst bezwaar diende te maken voordat hij in beroep kon komen bij de rechtbank, heeft de rechtbank terecht het beroep hiertegen niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift in zoverre doorgezonden naar het college ter behandeling als bezwaarschrift.

5.2. Voor zover [appellant] heeft beoogd te betogen dat het college ten onrechte niet heeft voldaan aan zijn actieve openbaarmakingsplicht wordt overwogen dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 december 2012 in zaak nr. 201108497/1/A3), artikel 8 van de Wob ziet op het verstrekken van informatie uit eigen beweging door een bestuursorgaan. Deze zogenoemde actieve openbaarmaking is primair de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat. De Wob voorziet niet in de mogelijkheid dat een ieder een verzoek kan indienen strekkende tot naleving van deze openbaarmakingsplicht. Uit het stelsel van de Wob volgt dat aan een ieder uitsluitend het recht is toegekend om te verzoeken om openbaarmaking van informatie, als bedoeld in artikel 3 van de Wob. Artikel 8 van de Wob biedt ten opzichte van artikel 3 van de Wob geen aanvullend of ander recht op informatie. De Afdeling vindt steun voor dit oordeel in de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, waaruit volgt dat de uit artikel 8 van de Wob voortvloeiende verplichting niet rechtens afdwingbaar is (Kamerstukken II 1987/88, 19 859, nr. 6, blz. 27).

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de door hem verzochte stralingsgegevens en gegevens over de gebruikers van de antennes ten onrechte niet heeft verstrekt.

6.1. Ter zitting van de Afdeling heeft de gemachtigde van het college gesteld dat de verzochte stralingsgegevens via het Antenneregister zijn te raadplegen en openbaar zijn. Voor zover dit het geval is, was het college niet verplicht die informatie te verstrekken, aangezien de plicht tot openbaarmaking ingevolge de Wob niet geldt voor informatie die al openbaar is. Daar komt bij dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 19 maart 2008 in zaak nr. 200706054/1), de Wob, buiten de gevallen waarin de stukken waarvan openbaarmaking is gevraagd bij het aangezochte orgaan behoren te berusten, geen verplichting bevat voor dat orgaan om die documenten van elders te vergaren. Het college beschikte niet over de gevraagde stralingsgegevens en niet uit enige wettelijke bepaling volgt dat het hierover behoorde te beschikken. Het was daarom niet verplicht om deze gegevens te vergaren. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college het verzoek in zoverre terecht heeft afgewezen.

6.2. Desgevraagd heeft het college ter zitting bij de Afdeling bevestigd dat het op 23 juli 2007 aan KPN een aanschrijving heeft doen toekomen dat de zonder de daarvoor benodigde vergunning geplaatste antennes verwijderd dienen te worden onder aanzegging van een dwangsom, dat vervolgens op 21 september 2007 alsnog een vergunning is verleend, en dat het in zoverre wel over informatie over gebruikers van de antennes beschikte. Gelet hierop heeft het college zich in het besluit van 18 juli 2012 ten onrechte op het standpunt gesteld dat het niet over meer informatie beschikte over de gebruikers van de antennes dan het heeft verstrekt. Het college heeft ten onrechte nagelaten [appellant] deze informatie te verstrekken. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Tussen partijen is niet in geschil dat het college voormelde aanschrijving, de hierop volgende vergunningsaanvraag van KPN en de door het college op die aanvraag verleende vergunning, inmiddels aan [appellant] heeft verstrekt. [appellant] heeft daarmee de door hem verzochte informatie over de gebruikers van de antennes ontvangen.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 18 juli 2012 ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 juli 2012 alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek om openbaarmaking van gegevens over de gebruikers van de antennes is gehandhaafd. Nu [appellant] inmiddels over die informatie beschikt, zal de Afdeling tevens bepalen dat het college geen nieuw besluit op bezwaar behoeft te nemen.

Verzoek om schadevergoeding

8. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten, voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van die wet neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

8.1. Voor zover [appellant] heeft beoogd op basis van artikel 8:73 van de Awb te verzoeken om het college te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding aan hem wegens geleden schade, komt dit verzoek niet voor inwilliging in aanmerking. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van het besluit van 18 juli 2012, voor zover dat wordt vernietigd, de door hem gestelde materiële schade, bestaande uit de waardevermindering van zijn woning, heeft geleden. Ook overigens heeft hij niet geconcretiseerd welke schade door hem is geleden als gevolg van dat gedeelte van dat besluit.

8.2. Het verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen.

9. [appellant] heeft de Afdeling verzocht uitspraak te doen over de door hem, in verband met de waardevermindering van zijn woning, aan het college gerichte civielrechtelijke aansprakelijkstelling. De Afdeling is hiertoe evenwel niet bevoegd. Het college heeft ter zitting toegezegd ter zake op korte termijn een beslissing te zullen nemen.

10. Voor zover [appellant] andere onderwerpen aan de orde heeft gesteld dan hiervoor besproken, vallen deze buiten de omvang van het geding en kunnen deze daarom in het kader van deze procedure niet worden beoordeeld.

11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 februari 2013 in zaak nr. 12/4144, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal van 18 juli 2012, kenmerk 2012067500, ongegrond is verklaard;

III. bevestigt de uitspraak voor het overige;

IV. verklaart het beroep tegen het onder II. genoemde besluit gegrond;

V. vernietigt dat besluit voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek om openbaarmaking van gegevens over de gebruikers van de antennes is gehandhaafd;

VI. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal geen nieuw besluit op bezwaar behoeft te nemen;

VII. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VIII. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de tot het college gerichte aansprakelijkstelling;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein,

griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014

176-782.