Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3256

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201405900/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2014 heeft het college aan de Dienst Landelijk Gebied te Arnhem een vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van twee percelen in het gebied Buiten Ooij, kadastraal bekend gemeente Ooij, sectie E, nrs. 146 en 159.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/173 met annotatie van D. van der Meijden

Uitspraak

201405900/2/R4.

Datum uitspraak: 18 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2014 heeft het college aan de Dienst Landelijk Gebied te Arnhem een vergunning als bedoeld in de Ontgrondingenwet verleend voor het ontgronden van twee percelen in het gebied Buiten Ooij, kadastraal bekend gemeente Ooij, sectie E, nrs. 146 en 159.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

Tevens hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 augustus 2014, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door drs. S.A.N. Geerling, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door D.F.H.A. Tillie en V. Muit, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de Dienst Landelijk Gebied, vertegenwoordigd door mr. C.M.J. Ribbers, advocaat te Arnhem, bijgestaan door ir. C. Buddingh, werkzaam bij de Dienst Landelijk Gebied.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het college en de Dienst Landelijk Gebied betogen dat [verzoeker] en anderen geen belanghebbenden zijn, aangezien hun percelen op een afstand van ongeveer 500 meter van de voorziene ontgronding liggen. Volgens het college en de Dienst Landelijk Gebied zal de ontgronding dan ook geen gevolgen hebben voor de waterhuishouding op hun percelen.

3. De vergunning is verleend voor het ontgronden van twee percelen in het buitendijks gelegen gebied Buiten Ooij, op welke percelen een strang wordt gegraven. De daarbij afgegraven grond zal worden gebruikt voor de ophoging van een aantal nabijgelegen agrarische percelen. De verleende vergunning maakt onderdeel uit van het project "KRW Buiten Ooij". Naast de voorgenomen ontgronding bestaat het project onder meer uit het aanpassen van een bestaand sluisje, het verhogen van het waterpeil en het ophogen van percelen die zonder ophoging onder water komen te staan. De voorzitter ziet samenhang tussen het thans bestreden besluit en de overige besluiten en maatregelen die in het kader van het project genomen zijn of zullen worden. Gelet op deze samenhang kan niet worden uitgesloten dat de voorgenomen ontgronding nadelige effecten heeft op de waterhuishouding op de percelen van [verzoeker] en anderen. [verzoeker] en anderen zijn naar het oordeel van de voorzitter dan ook belanghebbenden bij het bestreden besluit.

4. [verzoeker] en anderen vrezen voor onomkeerbare gevolgen van de ontgronding en betogen dat het graven van de strang leidt tot extra kwel op hun percelen. Volgens hen staat in het bestreden besluit ten onrechte dat de voorgenomen ontgronding geen nadelige invloed zal hebben op de waterhuishouding op hun percelen, nu in het rapport "Geohydrologisch effectenonderzoek peilmaatregelen Buiten Ooij" van 11 maart 2013 van Witteveen + Bos (hierna: het effectenonderzoek) ten onrechte is uitgegaan van een ontgronding van 2 meter ten opzichte van het maaiveld, terwijl een ontgronding van 3 meter ten opzichte van het maaiveld is vergund. Nu dieper mag worden gegraven en een groter deel van de kleilaag mag worden verwijderd dan waarvan het effectenonderzoek is uitgegaan, is de conclusie dat de ontgronding geen nadelige invloed heeft op de waterhuishouding op hun percelen niet meer houdbaar, aldus [verzoeker] en anderen.

5. Het college stelt zich op het standpunt dat de ontgronding niet zal leiden tot een verslechtering van de waterhuishouding op de percelen van [verzoeker] en anderen. De maximale diepte van de voorgenomen ontgronding bedraagt 3 meter, maar het overgrote deel van de ontgronding is volgens het college minder diep. Gemiddeld is de ontgronding 1,3 meter diep. In het grondwatermodel is gerekend met een gemiddelde diepte van 2 meter, waarmee volgens het college de gevolgen van de ontgronding niet zijn onderschat.

6. In het effectenonderzoek zijn de geohydrologische effecten van onder meer de voorgenomen ontgronding, het ophogen van een aantal percelen en het verhogen van het waterpeil berekend. Voor de ontgronding is in het onderzoek uitgegaan van een gemiddelde ontgrondingsdiepte van 2 meter ten opzichte van het maaiveld. In het effectenonderzoek zijn voor elf verschillende meetpunten de effecten van het gehele project op de grondwaterstand berekend. Bij de meetpunten m9, m10 en m11, welke meetpunten bij de percelen van [verzoeker] en anderen liggen, wordt op grond van deze berekeningen een grondwaterstijging van maximaal 2 centimeter verwacht. Ter zitting is door de Dienst Landelijk gebied nader uiteengezet dat de bestaande kleilaag deels in stand wordt gelaten en dat het grootste effect van het project plaatsvindt op het moment dat de grondwaterstand het laagst is. [verzoeker] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de verwachte gevolgen van het project op hun percelen onjuist zijn ingeschat. Hoewel niet is uitgesloten dat de ontgronding leidt tot enige gevolgen voor de waterhuishouding op de percelen van [verzoeker] en anderen, bestaat naar het oordeel van de voorzitter geen onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen. Deze effecten kunnen zich namelijk pas voordoen nadat het geheel aan maatregelen zal zijn gerealiseerd.

7. Het verzoek dient te worden afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-[verzoeker], griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Kuggeleijn-[verzoeker]

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2014

545-767.