Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3238

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201401053/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:15948, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401053/1/V6.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 november 2013 in zaak nr. 13/7173 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij besluit van 1 juli 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 november 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2014, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Magram-Tetteroo, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde onder meer afgewezen, indien op het moment van indiening van het verzoek of de beslissing daarop, serieuze verdenkingen bestaan dat de verzoeker een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen. Aanleiding voor het aannemen van een serieuze verdenking kan zijn de vermelding op het uittreksel van de Justitiële documentatiedienst van een openstaande strafzaak wegens een misdrijf. De verzoeker mag weliswaar niet voor schuldig worden gehouden zolang dat niet is komen vast te staan, maar dat brengt niet met zich dat een serieuze verdenking ter zake van een misdrijf irrelevant is. De wet bepaalt immers dat het verzoek moet worden afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde. Indien naderhand blijkt dat de ernstige vermoedens toch niet hebben geleid tot een sanctie, zal dat bij de verdere behandeling van de procedure worden betrokken.

Voorts wordt volgens de Handleiding een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenoemde rehabilitatieperiode) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Iedere vermogenstransactie (geldboete, transactie of strafbeschikking) van € 453,78 of meer leidt tot afwijzing van het verzoek.

Voorts is het volgens de Handleiding in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels moet worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht, aldus de Handleiding. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien er wel sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij volgens de Handleiding niet worden genaturaliseerd.

De Handleiding vermeldt voorts dat niet als bijzonder kunnen worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voor zover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken.

2. Niet is in geschil dat het Openbaar Ministerie op 6 juni 2012 een strafbeschikking heeft uitgevaardigd, waarbij [appellant] een geldboete van € 470,00 is opgelegd wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) met als pleegdatum 10 april 2012. Dit feit betreft rijden onder invloed en wordt volgens artikel 176 gelezen in verbinding met artikel 178 van de WVW gekwalificeerd als een misdrijf. [appellant] heeft de geldboete op 27 juli 2012 betaald.

De staatssecretaris heeft het verzoek van [appellant] afgewezen omdat ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, nu [appellant] gedurende de rehabilitatieperiode een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd. Tevens staat nog een strafzaak wegens eenzelfde misdrijf open met als pleegdatum 19 februari 2011. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zich geen zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat aan [appellant], in afwijking van het geldende beleid, het Nederlanderschap moet worden verleend.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Daartoe voert hij aan dat de door hem begane verkeersovertreding geen gevaar oplevert voor de openbare orde. Aangezien de sanctie slechts € 16,22 meer bedraagt dan het in de Handleiding genoemde normbedrag, is het volgens [appellant] onredelijk dat hij vanwege deze geldboete niet kan worden genaturaliseerd. Voorts betwist hij dat sprake is van openstaande sancties. Ten slotte betoogt [appellant] dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 10 van de RWN en dat hem derhalve, met afwijking van hetgeen is bepaald in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, het Nederlanderschap moet worden verleend.

3.1. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 november 2009 in zaak nr. 200900688/1/V6) mag het beleid, neergelegd in de Handleiding en hiervoor onder 1 weergegeven, dienen als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstige vermoedens dat de betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde. Gelet op het onder 1 weergegeven toetsingskader en de onder 2 weergegeven feiten, leidt toepassing van het beleid tot afwijzing van het verzoek. Dat geldt ook voor de vermelding van de openstaande strafzaak in het uittreksel van de justitiële documentatie van [appellant]. Dat tot op heden ter zake van dit misdrijf geen sanctie is opgelegd, laat onverlet dat een serieuze verdenking bestaat dat [appellant] een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juni 2008 in zaak nr. 200800329/1), dient het bevoegd gezag bij de toepassing van het beleid ten aanzien van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, er rekening mee te houden dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken. De door [appellant] aangevoerde omstandigheden dat het gepleegde feit geen gevaar oplevert voor de openbare orde, wat daar ook van zij, en dat hem slechts een geldboete van € 470,00 is opgelegd, kunnen reeds omdat deze zien op omstandigheden die in het beleid zijn meegewogen, niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris, in afwijking van het door hem gevoerde beleid, tot de conclusie had moeten komen dat geen sprake was van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN bedoelde situatie. De door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat hij volledig is ingeburgerd in de Nederlandse samenleving, is evenmin een bijzondere omstandigheid die tot afwijking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN noopt, aangezien deze de ernst van de inbreuk op de rechtsorde waarvoor de boete is opgelegd, onverlet laat. Hetgeen [appellant] ten aanzien van artikel 10 van de RWN heeft betoogd treft geen doel, reeds omdat dit artikel geen mogelijkheid biedt tot afwijking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN.

Gezien het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde en dat de staatssecretaris terecht het verzoek heeft afgewezen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Groenendijk

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

164-800.