Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3236

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201401147/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2012 heeft het college dwangsommen ten bedrage van in totaal € 22.000,00 van Noba ingevorderd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/858

Uitspraak

201401147/1/A4.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Noba B.V. (hierna: Noba), gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 december 2013 in zaak nr. 12/2955 in het geding tussen:

Noba

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland.

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2012 heeft het college dwangsommen ten bedrage van in totaal € 22.000,00 van Noba ingevorderd.

Bij besluit van 19 oktober 2012 heeft het college het door Noba daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 december 2013 heeft de rechtbank het door Noba daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Noba hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met de zaken 201310944/1/A4, 201310946/1/A4, 201310948/1/A4, 201310949/1/A4, 201310951/1/A4, 201401146/1/A4, 201401148/1/A4 en 201401149/1/A4 ter zitting behandeld op 20 mei 2014, waar Noba, vertegenwoordigd door mr. A.A. Gaastra en mr. M.W. Rijkhold Meesters, beiden advocaat te Schiphol, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.C. Speelman, P. Das, M. Reedijk en S.S. Bakas, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Noba exploiteert een vetveredelingsbedrijf aan de Raasdorperweg 177 te Lijnden.

Dwangsombesluit

Bij besluit van 4 mei 2011, kenmerk 2011-22248, heeft het college aan Noba een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de voorschriften 1.4.1, 1.5.1, 1.11.1, 6.1.1, 6.1.2, 7.5.1, 8.1.1 en 8.1.3 van de voor de inrichting op 7 augustus 2009 verleende vergunning krachtens de Wet milieubeheer, alsmede wegens overtreding van de artikelen 17.1 en 17.2 van de Wet milieubeheer en artikel 2.1, eerste lid, onder e2 en e3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) (hierna: het dwangsombesluit). De last houdt in dat Noba de geconstateerde overtredingen, alsmede andere overtredingen van de vermelde voorschriften, beëindigt en beëindigd houdt, alsmede in de toekomst voorkomt dat deze voorschriften opnieuw worden overtreden. Aan de last is per voorschrift een afzonderlijke dwangsom per dag of per week per geconstateerde overtreding verbonden met een maximumbedrag.

Dit besluit is in rechte onaantastbaar.

Invordering

2. Bij het besluit van 2 maart 2012 heeft het college dwangsommen ingevorderd, omdat bij controlebezoeken op 14 februari 2012 en 21 februari 2012 was geconstateerd dat de bij het dwangsombesluit opgelegde last werd overtreden en aldus dwangsommen zijn verbeurd (hierna: het invorderingsbesluit).

Bij het besluit van 19 oktober 2012 heeft het college de bezwaren van Noba voor zover deze zijn gericht tegen het dwangsombesluit, niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft de overige bezwaren van Noba ongegrond verklaard en het invorderingsbesluit gehandhaafd.

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaren

3. Noba betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat Noba mede is opgekomen tegen het dwangsombesluit en dat haar bezwaren in zoverre terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, ten onrechte niet is ingegaan op de beroepsgrond dat de last niet voldoet aan de wettelijke eisen en dat om die reden van invordering moest worden afgezien. Haar bezwaar was niet gericht op de inhoud van de last, maar op de gevolgen die de gebrekkige redactie van de last heeft voor het invorderingsbesluit, aldus Noba.

3.1. Anders dan Noba stelt, is de rechtbank, in rechtsoverweging 6, wel ingegaan op haar betoog betreffende de formulering en de modaliteit van de last, die volgens Noba meebrengt dat niet kan worden vastgesteld dat dwangsommen zijn verbeurd. Haar betoog slaagt reeds hierom niet. De vraag of zij in bezwaar gronden tegen het dwangsombesluit heeft aangevoerd, behoeft gelet hierop geen beantwoording.

Formulering van de last

4. Noba betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat een last zo wordt uitgelegd dat deze ook betrekking heeft op in materiële zin andere overtredingen, dan de overtredingen die in het dwangsombesluit zijn vermeld.

4.1. De in het dwangsombesluit opgenomen last ziet nadrukkelijk ook op andere dan de daarin vermelde overtredingen van de desbetreffende voorschriften. De last is in zoverre niet onduidelijk. In dit betoog heeft de rechtbank derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet tot invordering van verbeurde dwangsommen mocht overgaan. Daarbij merkt de Afdeling op dat de rechtmatigheid van het dwangsombesluit in het kader van de toetsing van het invorderingsbesluit niet meer aan de orde kan komen.

Het betoog faalt.

Bedrag per tijdseenheid of per overtreding

5. Noba betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat aan de last dwangsommen per tijdseenheid zijn verbonden en niet dwangsommen per overtreding van de last. Een dwangsom is daarom pas verbeurd wanneer een overtreding een dag of een week heeft voortgeduurd. De waarnemingen tijdens de controlebezoeken rechtvaardigen volgens Noba niet de conclusie dat zij gedurende een dag of een week niet aan de last heeft voldaan.

5.1. Ingevolge artikel 5:32b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

5.2. In het dwangsombesluit is bepaald dat, indien wordt geconstateerd dat niet aan de opgelegde last wordt voldaan, Noba een dwangsom verschuldigd is van een bepaald bedrag per dag of week per geconstateerde overtreding. Het college heeft hiermee de te verbeuren dwangsommen niet vastgesteld op een bedrag per dag of week dat de overtreding voortduurt, zoals Noba betoogt. De formulering duidt op een bedrag per overtreding, waarbij geldt dat hooguit eenmaal per dag of week een dwangsom wordt verbeurd. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat voor het verbeuren van een dwangsom bepalend is of de geconstateerde overtreding op enig moment gedurende de gekozen tijdseenheid heeft plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

Verslaglegging van de controlebezoeken

6. Noba betoogt met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2012 in zaak nr. 201102842/1/A4, dat de rechtbank heeft miskend dat het invorderingsbesluit niet voldoet aan de eisen die gelden voor de verslaglegging van controlebezoeken. Zij wijst erop dat het besluit geen rapport of verslag van de controlebezoeken bevat, daaruit niet blijkt dat de betrokken medewerkers deskundig zijn en het besluit niet door die medewerkers is ondertekend. Gelet hierop is het invorderingsbesluit volgens haar niet voldoende gemotiveerd en niet zorgvuldig tot stand gekomen. Ook uit de overweging van de rechtbank, dat ter zitting bij de hoorcommissie, in het verweerschrift en ter zitting bij de rechtbank verdergaand inzicht is gegeven in de werkwijze van de toezichthouders en de afzonderlijke constateringen en de daaraan verbonden conclusies nader zijn toegelicht en verduidelijkt, blijkt volgens Noba dat het invorderingsbesluit en het bestreden besluit onvoldoende informatie bevatten.

6.1. In de door Noba aangehaalde uitspraak van 13 juni 2012 heeft de Afdeling overwogen dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen. Dit brengt met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag en dat bevindingen op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen. Dit geschrift dient voorts te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening.

Onder verwijzing naar de uitspraken van 25 juli 2012 in zaak nr. 201111954/1/A1 en 20 maart 2013 in zaak nr. 201206016/1/A1 overweegt de Afdeling dat het niet volledig voldoen aan bovenvermelde vereisten niet in alle gevallen betekent dat een deugdelijke en controleerbare vaststelling als hier bedoeld ontbreekt. Ook op basis van ander bewijsmateriaal, zoals foto’s, kan een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden plaatsvinden.

6.2. De stelling van Noba dat een rapport of verslag van de controlebezoeken ontbreekt, mist feitelijke grondslag. Van de controlebezoeken is op 28 februari 2012 rapport opgemaakt (hierna: het controlerapport), waarnaar in het invorderingsbesluit is verwezen. Het controlerapport is niet ondertekend door de betrokken toezichthouders.

De waarnemingen tijdens de controlebezoeken op 14 februari 2012 en 21 februari 2012 zijn gedaan door twee toezichthouders. De in totaal drie betrokken toezichthouders zijn in het controlerapport en het invorderingsbesluit genoemd. Noba heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze personen, werkzaam bij de sector Handhaving van de provincie Noord-Holland, niet ter zake deskundig waren. De waarnemingen zijn in het controlerapport beschreven en foto’s die deze waarnemingen ondersteunen zijn bij het invorderingsbesluit gevoegd.

In hetgeen Noba in dit verband heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de in het invorderingsbesluit en het controlerapport vermelde feiten en omstandigheden niet aan het invorderingsbesluit ten grondslag heeft mogen leggen of dat het onderzoek ter zake niet zorgvuldig is geweest. De enkele omstandigheid dat het controlerapport niet door de toezichthouders is ondertekend, brengt in dit geval niet mee dat een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ontbreekt. De rechtbank heeft hierin terecht geen aanleiding gezien voor vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

6.3. Het hiervoor weergegeven oordeel van de Afdeling houdt niet in dat alle door het college geconstateerde overtredingen op de waarnemingen van de toezichthouders kunnen worden gebaseerd. Op de gronden van Noba die betrekking hebben op specifieke overtredingen, wordt in deze uitspraak afzonderlijk ingegaan.

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2 en 3, van de Wabo

7. Noba betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de opslag van bedrijfsafvalwater in het regenwaterbassin het gevolg was van een overmachtssituatie. Noba bestrijdt voorts het oordeel van de rechtbank dat het verwarmen van de zogenoemde flexibags geen vergunde activiteit is.

7.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2 en 3, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting.

Het dwangsombesluit vermeldt twee, bij twee controles geconstateerde overtredingen van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2 en 3, van de Wabo. Indien niet wordt voldaan aan de last om deze overtredingen, alsmede andere overtredingen van deze bepaling te beëindigen en beëindigd te houden, alsmede in de toekomst te voorkomen dat deze bepaling opnieuw wordt overtreden, is Noba ingevolge dit besluit een dwangsom van € 10.000,00 per week per geconstateerde overtreding verschuldigd.

Blijkens het controlerapport is tijdens de controlebezoeken geconstateerd dat afvalwater in het open regenwaterbassin werd gebracht en daarin werd opgeslagen. Omdat hiervoor geen vergunning is verleend, is volgens het college artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2 en 3, van de Wabo overtreden. Het college heeft naar aanleiding hiervan een dwangsom van € 10.000,00 ingevorderd.

Blijkens het controlerapport is tijdens de controlebezoeken voorts geconstateerd dat zogenoemde flexibags met inhoud, die zich in opleggers bevonden, werden verwarmd door middel van een flexibele stoomleiding. Hierdoor kwam stoom en water uit die opleggers. Tijdens het tweede controlebezoek is daarbij ook waargenomen dat het afstromende water over de niet-vloeistofdichte verharding richting de goten stroomde, waarbij afvalwater tussen de stelconplaten kon afvloeien naar de bodem. In het afvalwater waren wittige vlekken te zien. Voorts is waargenomen dat op en aan de volumezakken gestolde vetten zaten die door de verwarming konden gaan smelten en uit de containers op de verharding zouden kunnen komen. Aan de buitenzijde van de containers waren volgens de toezichthouders ten slotte duidelijke sporen van (gesmolten) vet zichtbaar en ook de verharding rond de opstelplaats had zichtbare sporen van vet. Omdat voor het smelten of verwarmen van vetstromen, anders dan in de smelterijen, geen vergunning is verleend, is volgens het college artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2 en 3, van de Wabo overtreden. Het college heeft naar aanleiding hiervan eveneens een dwangsom van € 10.000,00 ingevorderd.

7.2. De rechtbank heeft ten aanzien van het regenwaterbassin geconcludeerd dat overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2 en 3, van de Wabo, en daarmee overtreding van de last, voldoende is komen vast te staan. De rechtbank heeft voorts onder meer overwogen dat de stelling van Noba, dat zij als gevolg van de ingevallen dooi en een tekort aan transportcapaciteit gedwongen was het gezuiverde afvalwater tijdelijk op te slaan in het regenwaterbassin, niet overeenkomt met de verklaring van haar directeur tijdens de controle van 21 februari 2012, dat het vullen van het regenwaterbassin met afvalwater een fout van de bedrijfsvoorman was. De rechtbank wijst er voorts op dat een medewerker van Noba tijdens de controle van 14 februari 2012 heeft bevestigd dat afvalwater in het bassin werd gebracht en dat ook hij daarbij niet heeft gewezen op de door Noba nadien gestelde omstandigheden.

7.2.1. Noba betwist niet dat ten tijde van de controlebezoeken afvalwater in het regenwaterbassin werd gebracht en daarin werd opgeslagen. Zij heeft in hoger beroep evenmin gemotiveerd betwist dat het gebruik van dat bassin voor de opslag van bedrijfsafvalwater, niet vergund is. Zij beroept zich op een overmachtssituatie die ontstaan was door een toevloed aan smeltwater als gevolg van de ingevallen dooi na een periode van strenge vorst en sneeuwval. Haar afvalwaterzuivering had voldoende capaciteit om het smeltwater te verwerken, maar er was volgens haar niet voldoende transportcapaciteit om de toevloed van gezuiverd afvalwater per as af te voeren naar de externe verwerker. Dat het vullen van het regenwaterbassin mogelijk een verkeerde keuze is geweest bij het oplossen van de overmachtssituatie, neemt volgens Noba niet weg dat het om een overmachtssituatie ging.

De Afdeling overweegt dat uit het controlerapport niet blijkt van een onverwachte toevloed aan smeltwater en gezuiverd afvalwater. Evenmin blijkt daaruit dat het afvalwater, dat sinds een bestuursdwangbesluit van 6 oktober 2011 niet meer op het openbare riool kon worden geloosd, niet per as kon worden afgevoerd. Mede gelet op de verklaringen van de directeur en de medewerker van Noba, die Noba als zodanig niet heeft betwist, heeft Noba naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een overmachtssituatie op grond waarvan het college in redelijkheid had moeten afzien van invordering van de dwangsom. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de riolering ten tijde van de controlebezoeken reeds enkele maanden was afgesloten en Noba had kunnen voorzien dat zij na een periode van vorst en sneeuwval veel smeltwater zou moeten verwerken, zodat zij maatregelen kon treffen voor de afvoer van het afvalwater.

Het betoog faalt.

7.3. De rechtbank heeft ten aanzien van het verwarmen van de flexibags eveneens geconcludeerd dat overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 2 en 3, van de Wabo, en daarmee overtreding van de last, voldoende is komen vast te staan. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat het verwarmen van flexibags ter hoogte van het tankenpark niet overeenkomt met de wel vergunde activiteit, te weten het verwarmen van oliën en vetten in het tankenpark. Het verwarmen van oliën en vetten in het tankenpark vindt plaats na het smelten in de vetsmelterij, terwijl het verwarmen van de oliën en of vetten in de flexibags ter hoogte van het tankenpark voorafgaand aan het smelten in de vetsmelterij plaatsvindt. Het verwarmen van de flexibags ter hoogte van het tankenpark is volgens de rechtbank een activiteit waarvoor toestemming van het college vereist is, omdat deze activiteit kan leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende vergunning is toegestaan.

7.3.1. Noba stelt in hoger beroep dat oliën en vetten die zij verwerkt, onder meer worden geleverd in containers waarin een grote kunststof zak is gehangen, een zogenoemde flexibag. Op de bodem van de containers is een verwarmingsspiraal aangebracht, die door middel van stoom de daarop liggende flexibag met inhoud kan verwarmen. Tijdens de controlebezoeken was de buitentemperatuur zo laag, namelijk net boven het vriespunt, dat de oliën en vetten in de flexibags moesten worden verwarmd voordat deze konden worden verpompt naar de opslagtanks, aldus Noba.

De Afdeling stelt vast dat de toezichthouders constateerden dat door het verwarmen van de flexibags vetten uitstroomden en dreigden uit te stromen over de niet-vloeistofdichte verharding rond de opstelplaats. Foto’s ondersteunen deze waarneming.

De aanvraag die deel uitmaakt van de geldende milieuvergunning vermeldt niet dat de inhoud van flexibags in voorkomende gevallen wordt verwarmd voor overbrenging naar de opslagtanks. Vanwege de milieurelevante risico’s van dit verwarmen, zoals de uitstroom van vetten, betekent het niet in de vergunningaanvraag opnemen van deze activiteit dat zij niet is vergund. Het verwarmen van de inhoud van de opslagtanks met behulp van een verwarmingsspiraal waar stoom of warm water doorheen wordt gepompt, is wel in de aanvraag vermeld en derhalve vergund. Dit betreft echter een andere activiteit, die voor de vraag op welke activiteiten de vergunning betrekking heeft, niet vergelijkbaar is met het verwarmen van de flexibags, reeds omdat de plaatsen waar de opslagtanks staan, moeten voldoen aan bepaalde, in de vergunningaanvraag opgenomen eisen die niet gelden voor de opstelplaats van opleggers met flexibags. Dat de rechtbank heeft aangenomen dat het verwarmen van de inhoud van opslagtanks plaatsvindt na het smelten in de smelterij, terwijl de vergunningaanvraag de periode van verwarmen daartoe niet beperkt, zoals Noba terecht heeft gesteld, doet daar niet aan af. Nu de rechtbank tot de juiste conclusie is gekomen, namelijk dat het verwarmen van de flexibags niet vergund is, ziet de Afdeling daarin geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Ook dit betoog faalt.

Artikel 17.2 van de Wet milieubeheer

8. Noba betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de geconstateerde uitstroom van vetten een ongewoon voorval betrof, dat zij had moeten melden. Volgens haar betrof het slechts een morsing waarop vergunningvoorschrift 6.1.2 van toepassing is.

8.1. Ingevolge artikel 17.1 van de Wet milieubeheer dient, indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, degene die de inrichting drijft onmiddellijk de maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

Ingevolge artikel 17.2, eerste lid, dient degene die een inrichting drijft waarin zich een voorval als bedoeld in artikel 17.1 voordoet of heeft voorgedaan, dat voorval zo spoedig mogelijk te melden aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen.

Het dwangsombesluit vermeldt een aantal, bij verschillende controles geconstateerde overtredingen van artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Indien niet wordt voldaan aan de last om deze overtredingen, alsmede andere overtredingen van deze bepaling te beëindigen en beëindigd te houden, alsmede in de toekomst te voorkomen dat deze bepaling opnieuw wordt overtreden, is Noba ingevolge dit besluit een dwangsom van € 2.000,00 per dag per geconstateerde overtreding verschuldigd.

Blijkens het controlerapport is tijdens het controlebezoek van 14 februari 2012 geconstateerd dat een kennelijk ongecontroleerde vetuitstroom had plaatsgevonden uit een oplegger over de verharding en tot in de goten. De toezichthouders concludeerden dat de calamiteit al eerder had plaatsgevonden. Een medewerker van Noba verklaarde dat tijdens het lossen een slang was losgesprongen waardoor de uitstroom had plaatsgevonden. Aangezien dit voorval niet bij het college was gemeld, is volgens het college artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer overtreden. Het heeft naar aanleiding hiervan een dwangsom van € 2.000,00 ingevorderd.

8.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 12 juli 2006, nr. 200601268/1, 22 september 2004, nr. 200400556/1, en 2 juni 2004, nr. 200307400/1) moet onder ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer in ieder geval worden verstaan: elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak daarvan, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten. Dit begrip omvat derhalve zowel storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen als ongelukken en calamiteiten. In het licht hiervan is de Afdeling met het college en de rechtbank van oordeel dat het losraken van een slang bij het overpompen van vetten, als gevolg waarvan een ongecontroleerde vetuitstroom heeft plaatsgevonden, moet worden aangemerkt als een ongewoon voorval in de zin van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer. Dat de milieuvergunning een voorschrift bevat om de nadelige gevolgen voor het milieu van gemorste verontreinigende stoffen te voorkomen of te beperken, maakt dit niet anders.

Nu door de vetuitstroom nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigden te ontstaan, hetgeen door Noba niet is betwist, diende Noba dit ongewone voorval ingevolge artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer te melden. Door dit na te laten heeft zij deze bepaling, en daarmee de last, overtreden. De rechtbank is terecht tot deze conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

Herhaling bezwaar- en beroepsgronden

9. Voor zover Noba in hoger beroep volstaat met verwijzing naar haar bezwaren tegen het invorderingsbesluit en haar gronden in beroep tegen het bestreden besluit, is haar betoog niet gemotiveerd. De desbetreffende gronden kunnen reeds daarom niet slagen.

Conclusie

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Wortmann w.g. Visser

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

148.