Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:323

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
201304506/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, locatie [locatie] Megchelen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304506/1/R2.

Datum uitspraak: 5 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Megchelen, gemeente Oude IJsselstreek,

en

de raad van de gemeente Oude IJsselstreek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, locatie [locatie] Megchelen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2013, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door G.T. ten Brinke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan houdt verband met de beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering op het perceel [locatie] te Megchelen en voorziet in de mogelijkheid om één nieuwe vrijstaande woning te bouwen op het perceel ter compensatie van de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Aan de voormalige agrarische bedrijfswoning en een karakteristieke schuur is de bestemming "Wonen" toegekend.

3. [appellant] richt zich tegen de mogelijkheid van een nieuwe vrijstaande woning op het perceel [locatie], nu hem bij de aankoop van zijn woning is toegezegd dat er geen nieuwe woningen in de omgeving zouden worden gebouwd. Hij vreest dat met een extra bouwmogelijkheid een precedent wordt geschapen voor meer bebouwing. Voorts wijst hij erop dat de nieuwe woning recht tegenover zijn oprit is voorzien, waardoor toekomstige bewoners hinder zullen ondervinden van verkeersbewegingen van en naar zijn woning. Tevens voert hij aan dat voor de bouw van de nieuwe woning een beeldbepalende wagenloods zal worden gesloopt. De nieuwe woning was volgens [appellant] eerst op een een andere, meer geschikte plek op het perceel voorzien. Ten slotte voert hij aan dat de gemeente ter zake partijdig heeft gehandeld en geen behoefte bestaat aan de nieuwe woning.

4. De raad stelt zich op het standpunt dat hij zich niet gebonden acht aan de door [appellant] gestelde toezegging ten tijde van de aankoop van zijn huidige woning door de verkopende partij dat in de omgeving geen nieuwe woningen zouden worden gebouwd, nu over deze toezegging niets is vastgelegd. De raad wijst erop dat het beleid voor "Vrijkomende Agrarische Bebouwing" van 26 juni 2007 (hierna: het VAB-beleid) is toegepast. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het aantal verkeersbewegingen van en naar de woning van [appellant] niet zodanig is dat ter plaatse van de voorziene woning geen aanvaardbaar leefklimaat is gewaarborgd. De te slopen wagenloods is volgens de raad niet van dusdanige beeldbepalende betekenis dat deze uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit dient te worden behouden.

5. Aan de [locatie] bevindt zich een voormalige varkenshouderij van [belanghebbende]. [belanghebbende] is met de raad overeengekomen dat agrarisch bedrijf te beëindigen en een deel van de agrarische bedrijfsbebouwing te slopen in ruil voor de bouwmogelijkheid van een extra woning op het perceel ter plaatse van de te slopen wagenloods. Niet in geschil is dat in totaal ongeveer 1500 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De voormalige bedrijfswoning blijft bestaan en heeft een woonbestemming gekregen. Een bestaande schuur op het perceel bevat karakteristieke elementen en wordt om die reden behouden en volledig in gebruik genomen als bijgebouw. Na realisatie van het plan zullen zich in totaal twee woningen op het perceel bevinden.

6. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Voor zover [appellant] wijst op een ten tijde van de aankoop van zijn woning nabij het plangebied gedane toezegging door de verkopende partij - voor wie destijds [belanghebbende] woordvoerder was - dat in de omgeving geen nieuwe woningen zouden worden gebouwd, overweegt de Afdeling dat, wat er van die toezegging ook zij, de raad bij de vaststelling van het plan niet aan een dergelijke toezegging door een particuliere partij gebonden is. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat geen nieuwe woningen in de directe omgeving van zijn woning zullen worden gebouwd. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

7. De Afdeling overweegt dat geen aanknopingspunten bestaan [appellant] te volgen in zijn betoog dat de raad het plan met vooringenomenheid heeft vastgesteld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat de woning is voorzien in het kader van het VAB-beleid. Dit beleid is gebaseerd op regionaal beleid van samenwerkende gemeenten in de regio Achterhoek ten aanzien van functieverandering, zoals vastgelegd in de nota "Functies zoeken plaatsen zoeken functies", gedateerd 19 mei 2006. In aansluiting op dit beleid heeft het gemeentebestuur criteria en randvoorwaarden vastgesteld voor functieverandering van agrarische of andere bebouwing in het buitengebied naar wonen. Zoals de raad heeft aangegeven, is de betreffende regeling van toepassing op alle vrijkomende bebouwing in het buitengebied en is het beleid gericht op de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Gelet op de voorgestane kwaliteitsverbetering in de vorm van beëindiging van een agrarisch bedrijf en de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre in strijd met het gemeentelijke beleid heeft vastgesteld.

8. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan het VAB-beleid. Voor zover [appellant] wijst op de stagnerende woningbouw in de Achterhoek, de oplopende leegstand en de "Evaluatie regionale woonvisie Achterhoek 2010-2020", besproken in de raadsvergadering van 27 juni 2013, waarin is aangegeven dat de regionale behoefte aan extra woningen minder is geworden en het aantal toe te voegen woningen wordt teruggebracht, wordt overwogen dat dit niet met zich brengt dat geen behoefte bestaat aan één extra woning die met het plan mogelijk wordt gemaakt en deze binnen de planperiode van 10 jaar niet zal worden gerealiseerd. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [belanghebbende] heeft aangegeven dat zich een geïnteresseerde heeft gemeld.

9. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het toestaan van de extra woning leidt tot precedentwerking, overweegt de Afdeling dat ook toekomstige gevallen aan de op het VAB-beleid betrekking hebbende toepassingsvoorwaarden moeten voldoen. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat het ruimtelijke beleid niet is gericht op de ontwikkeling van woningen in het buitengebied.

10. Wat betreft de situering van de nieuwe woning heeft de raad ter zitting toegelicht dat het VAB-beleid streeft naar een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en dat dit beleid daarom vereist dat nieuwe bebouwing dicht bij de bestaande gebouwen dient te worden gesitueerd, zodat het bestaande erf als één samenhangend erf herkenbaar blijft. Dat de bestaande wagenloods zal worden gesloopt voor de bouw van de nieuwe woning is in dit geval een direct gevolg van de eisen die in het kader van het VAB-beleid worden gesteld aan de situering van nieuwe bebouwing. De door [appellant] bedoelde meer ten noorden gelegen alternatieve locatie op het perceel voldeed volgens de raad niet aan de eisen die worden gesteld in het beleid. Nu de plaats van de woning mede wordt bepaald door de voorwaarden voor toepassing van het VAB-beleid, [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanwezige wagenloods een zodanig beeldbepalend karakter heeft dat die behouden dient te blijven en een mogelijke alternatieve locatie voor de nieuwe woning in de afweging van de raad is betrokken, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de beoogde locatie heeft kunnen kiezen.

11. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de toekomstige bewoners van de voorziene woning door de nabijgelegen uitrit een vorm van hinder ondervinden die uit ruimtelijk oogpunt onaanvaardbaar is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat deze uitrit enkel dient ter ontsluiting van de woning van [appellant]. In het niet nader onderbouwde betoog van [appellant] bestaan geen aanknopingspunten dat het aantal verkeersbewegingen van en naar zijn woning zodanig hoog is dat dit zal leiden tot onaanvaardbare hinder voor de toekomstige bewoners van de nieuwe woning. Dat [appellant] eenmaal per jaar op zijn perceel een motorweekend organiseert is daartoe onvoldoende. Het betoog faalt.

12. Over het betoog van [appellant] dat het plan een nadelige invloed op de waarde van zijn woning heeft, overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig is dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Het betoog faalt.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2014

343.