Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3227

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201400028/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:15480, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 augustus 2012 heeft het college de bij besluit van 14 december 2005 aan Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. verleende bouwvergunning en vrijstelling voor het bouwen van een parkeergarage, winkelruimte en negentien appartementen aan de Parallel Boulevard 7 te Noordwijk (hierna: het perceel), ook wel bekend als Residentie Esplanade, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400028/1/A1.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V., gevestigd te Wassenaar,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 november 2013 in zaak nr. 13/5346 in het geding tussen:

Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2012 heeft het college de bij besluit van 14 december 2005 aan Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. verleende bouwvergunning en vrijstelling voor het bouwen van een parkeergarage, winkelruimte en negentien appartementen aan de Parallel Boulevard 7 te Noordwijk (hierna: het perceel), ook wel bekend als Residentie Esplanade, ingetrokken.

Bij afzonderlijk besluit van 14 augustus 2012 heeft het college geweigerd aan Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. een omgevingsvergunning te verlenen voor het vergroten van de kelder van Residentie Esplanade.

Bij besluit van 15 mei 2013 heeft het college de door Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. tegen beide besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 november 2013 heeft de rechtbank het door Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2014, waar Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V., vertegenwoordigd door mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Schiphol-Rijk, en het college, vertegenwoordigd door E. de Romph, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. G. Aarts, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

Intrekking van de bouwvergunning

1. Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het heeft afgeweken van het advies van de commissie voor de bezwaar- en klaagschriften. Het college heeft derhalve in strijd gehandeld met artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), aldus Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V.

1.1. Ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Awb wordt, indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.

1.2. Het college heeft in het besluit op bezwaar vermeld dat van het meegezonden advies van de commissie voor de bezwaar- en klaagschriften is afgeweken, omdat het zich op het standpunt stelt dat Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. in haar bezwaarschrift noch tijdens de hoorzitting van 4 december 2012 aannemelijk heeft gemaakt dat zij op korte termijn een aanvang zal maken met de uitvoering van het bouwplan. In dit verband heeft het college toegelicht dat, hoewel Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. daartoe tot het moment van het nemen van dit besluit de gelegenheid heeft gekregen, zij geen stukken zoals verslagen van overleggen met aannemers, planningen, offertes en dergelijke heeft overgelegd.

De rechtbank heef daarom terecht overwogen dat het college heeft gemotiveerd waarom het afwijkt van het advies van de commissie voor de bezwaar- en klaagschriften, zodat het artikel 7:13, zevende lid, van de Awb niet heeft geschonden.

Het betoog faalt.

2. Voorts betoogt Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bij besluit van 14 december 2005 verleende bouwvergunning niet mocht intrekken, nu het in de belangenafweging een groter gewicht had moeten toekennen aan haar belangen. In dat verband wijst zij op de financiële gevolgen als zij het bouwplan niet kan realiseren en op het langdurig aanwezig zijn van een open plek in het hart van Noordwijk. Voorts voert zij aan dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door te oordelen dat de intrekking van de bouwvergunning niet in de weg staat aan de mogelijkheid onder opschortende of ontbindende voorwaarde van een rechtsgeldige omgevingsvergunning te contracteren over vastgoedontwikkelingen met aannemers en ontwikkelaars.

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, voor zover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.

Ingevolge artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, geheel of gedeeltelijk intrekken voor zover gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.

Ingevolge artikel 2 van de door het college vastgestelde Beleidsregel intrekking bouwvergunningen wordt, wanneer na het verloop van twee jaar na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning nog geen aanvang is gemaakt met de bouwwerkzaamheden, aan de vergunninghouder het formele voornemen tot intrekken kenbaar gemaakt, waarbij hij tevens in de gelegenheid wordt gesteld om zijn zienswijze over de voorgenomen intrekking kenbaar te maken. Wanneer binnen de daarvoor geldende termijn géén zienswijze binnenkomt, zal zonder meer tot intrekking worden overgegaan. Indien er tijdig wel een zienswijze binnenkomt, zal een besluit worden genomen met inachtneming van de zienswijze.

Ingevolge artikel 3 wordt, wanneer er bouwwerkzaamheden zijn gestart, deze werkzaamheden ten minste 26 weken hebben stilgelegen en er twee jaren zijn verstreken na het onherroepelijk worden van de vergunning, gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2. Daarbij zal worden meegewogen of de vergunning gedeeltelijk kan worden ingetrokken.

2.2. Niet in geschil is dat de bij besluit van 14 december 2005 verleende bouwvergunning op 15 juli 2010 onherroepelijk is geworden. Evenmin is in geschil dat Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. gedurende 26 weken geen bouwwerkzaamheden heeft verricht en er ten tijde van belang twee jaren waren verstreken na het onherroepelijk worden van de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Beleidsregel intrekking bouwvergunningen.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 april 2012 in zaak nr. 201107848/1/A1), is de intrekking van een bouwvergunning (lees thans: omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen) geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het college beleidsvrijheid toe, hetgeen tot gevolg heeft dat de rechter terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Bij toepassing van voormelde bevoegdheden moeten alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van vergunninghoudster.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 januari 2014 in zaak nr. 201304961/1/A1), is de enkele omstandigheid dat de vergunninghoudster niet aannemelijk weet te maken dat zij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten voldoende om de intrekking van de bouwvergunning te rechtvaardigen.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat Muntendamsche Investerings Maatschappij weliswaar sinds de bezwaarfase heeft betoogd dat onderhandelingen plaatsvinden met derdepartijen en dat de bouwwerkzaamheden op korte termijn zullen worden hervat, maar dat zij dat niet met concrete informatie aannemelijk heeft gemaakt. Met hetgeen Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. heeft aangevoerd, heeft zij niet aangetoond dat het haar, als gesteld, als gevolg van het door het college aan haar kenbaar maken van het voornemen om de bouwvergunning in te trekken, niet meer mogelijk was op korte termijn de bouwwerkzaamheden te hervatten. Anders dan Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. betoogt, is de rechtbank, door te oordelen dat de (dreigende) intrekking van de bouwvergunning niet in de weg staat aan het op de hiervoor onder 2 aangegeven wijze contracteren met aannemers en ontwikkelaars, niet buiten de omvang van het geschil getreden. De rechtbank heeft met dat oordeel gereageerd op het betoog van Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. dat het wegens de voorgenomen intrekking onmogelijk was met concrete nadere informatie aannemelijk te maken dat de bouw op korte termijn zou worden hervat.

De rechtbank heeft in hetgeen Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. heeft aangevoerd over haar financiële belangen en de langdurige aanwezigheid van een bouwput op het perceel, terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot intrekking van de bouwvergunning. Deze omstandigheden kunnen er niet aan afdoen dat ieder zicht op hervatting van de bouwwerkzaamheden en daadwerkelijke verwezenlijking van het bouwplan ontbreekt.

Het betoog faalt.

Weigering van de omgevingsvergunning

3. Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning voor het vergroten van de parkeerkelder niet mocht weigeren nu die vergroting niet in strijd is met artikel 4.21 van het Bouwbesluit 2012.

3.1. Ingevolge artikel 4.21, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 heeft een te bouwen bouwwerk voldoende bereikbare en toegankelijke ruimten.

Ingevolge het derde lid is het eerste lid niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.21 geen voorschrift is aangewezen.

3.2. De parkeerkelder staat ten dienste van een woonfunctie en winkelfunctie, waardoor ingevolge artikel 4.21 van het Bouwbesluit 2012, anders dan Muntendamsche Investerings Maatschappij B.V. betoogt, voorschriften gelden voor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de parkeerkelder, waaraan het bouwplan niet voldoet.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de omgevingsvergunning moest weigeren wegens strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. H. Bolt, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Dorst

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

357-761.