Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201311233/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Sonnegaweg 3 Sonnega" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311233/1/R4.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging van Plaatselijk Belang Sonnega/Oldetrijne, gevestigd te Sonnega, gemeente Weststellingwerf, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Weststellingwerf,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Sonnegaweg 3 Sonnega" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Vereniging en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Vereniging en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2014, waar de Vereniging en anderen, vertegenwoordigd door H. Schuurer, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Weperen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in de realisatie van vier woningen langs de Sonnegaweg.

2. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. De Vereniging en anderen betogen dat de raad ten onrechte stelt dat met de in het plan voorziene woningen wordt voorzien in een plaatselijke behoefte aan woningbouw. Zij voeren in dit verband aan dat het plan in strijd is met het Structuurplan Weststellingwerf 2000-2015, het Streekplan Fryslân 2007 en het Woonplan 2009-2019. Zij wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010 in zaak nr. 200906458/1/R2. De Vereniging en anderen betogen voorts dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), nu een beschrijving van de actuele regionale behoefte ontbreekt in de plantoelichting. Volgens hen zijn de belangen van de inwoners van Sonnega onvoldoende betrokken bij de totstandkoming van het bestreden besluit.

3.1. De raad stelt dat het plan past binnen het woningbouwprogramma zoals afgesproken tussen de provincie en de gemeente, waarbij de woningbehoefte is vastgesteld op basis van landelijke bevolkingsprognoses, vertaald in regionale prognoses. Volgens de raad is binnen de planperiode van 10 jaar behoefte aan de in het plan voorziene vier woningen.

3.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt verstaan onder stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

3.3. De in het plan voorziene vier woningen worden mogelijk gemaakt aan de Sonnegaweg. Sonnega bestaat voornamelijk uit lintbebouwing langs de Sonnegaweg. Gelet op de kleinschalige woningbouw die het plan mogelijk maakt, is de Afdeling van oordeel dat de raad er terecht van is uitgegaan dat het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2013 in zaak nr. 201302867/1/R4). De in het plan voorziene ontwikkeling kan dan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is.

Dit neemt niet weg dat de behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling in het kader van de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan dient te zijn onderbouwd.

3.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt het volgende naar voren over de behoefte aan de in het plan voorziene woningen.

De regionale woningbehoefte is op basis van onderzoeksgegevens en bevolkingsprognoses van het Centraal Bureau voor de Statistiek vertaald in provinciale en gemeentelijke afspraken en beleidsdocumenten. Op basis hiervan is in de provincie Fryslân per gemeente een afspraak gemaakt over het woningbouwprogramma, dat in dit geval is vastgelegd in het Woonplan.

In het Streekplan Fryslân 2007, zoals weergegeven in de plantoelichting, staat dat passende woningbouwmogelijkheden in bestaand bebouwd gebied door gemeenten optimaal dienen te worden benut. Bij de kleinere kernen ligt de nadruk op aansluiting bij de plaatselijke woningbehoefte in het gebied. In het Woonplan wordt wat betreft de woningbehoefte een onderscheid gemaakt tussen de hoofdkernen Wolvega en Noordwolde enerzijds en de overige (kleine) dorpen anderzijds. De woningbouw in de dorpen moet volgens het Woonplan zijn afgestemd op de plaatselijke behoefte. Uit ervaringscijfers is gebleken dat de jaarlijkse behoefte aan woningen ongeveer 0,5% van het aantal woningen van een dorp bedraagt, aldus het Woonplan.

In het Woonplan staat voorts dat het realiseren van woningbouw op grond van de plaatselijke behoefte moet plaatsvinden op een locatie welke in overeenstemming is met het beleid zoals dat is vastgelegd in het Structuurplan Weststellingwerf, het zogenoemde rode contouren beleid. In het Woonplan staat tot slot dat de woningbouwproductie voor kleine dorpen als Sonnega gelijkmatig over de jaren dient te worden verdeeld en gericht is op de behoeften van het dorp. In de plantoelichting staat dat hieraan wordt voldaan door de uitgifte van de woonkavels te faseren en vrijstaande woningen te realiseren. Door de sloop van de thans aanwezige agrarische bedrijfsbebouwing neemt bovendien de kwaliteit van de woonomgeving toe, aldus de plantoelichting.

3.5. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij zich bij de vaststelling van het plan heeft gebaseerd op de bijgestelde onderzoeksgegevens en bevolkingsprognoses van 2012 en voorts dat de op ervaringscijfers gebaseerde jaarlijkse behoefte aan woningen van 0,5% van de woningvoorraad van het dorp in de provincie als maatstaf voor de groei van woningen in kleine kernen wordt aangehouden. Nu de woningvoorraad in Sonnega 82 woningen bedraagt, is per jaar behoefte aan 0,4 woning.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen de Vereniging en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op voornoemde gegevens en prognoses en voorts dat de raad niet in redelijkheid een jaarlijkse behoefte van 0,5% van de woningvoorraad van Sonnega als maatstaf heeft mogen hanteren voor het bepalen van de woningbehoefte. Daarbij overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, anders dan de Vereniging en anderen betogen, onder plaatselijke woningbouwbehoefte niet behoeft te worden verstaan dat thans vanuit de inwoners van Sonnega een concrete behoefte aan de in het plan voorziene woningen bestaat.

In hetgeen de Vereniging en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, mede gelet op de planperiode van tien jaar, zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mogelijkheden die het plan biedt voor woningbouw in een reële behoefte voorzien.

3.6. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan het provinciale beleid zoals neergelegd in het Streekplan 2007 is gebonden. Wel dient de raad hiermee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het provinciale beleid onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het plan. De Afdeling betrekt hierbij dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de in het plan voorziene woningen passen binnen de met de provincie gemaakte afspraken ten aanzien van het woningbouwprogramma.

Gezien het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen de Vereniging en anderen hebben aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het Woonplan en het Structuurplan Weststellingwerf is vastgesteld. De Afdeling neemt hiertoe in aanmerking dat de in het plan voorziene locatie voor de vier woningen een inbreidingslocatie betreft die is gelegen binnen de rode contour zoals in het Structuurplan Weststellingwerf rondom het dorpslint van Sonnega is weergegeven.

3.7. Voor zover de Vereniging en anderen wijzen op de Nota van Uitgangspunten/rode functies overweegt de Afdeling dat in deze Nota uitgangspunten ten behoeve van het bestemmingsplan voor het buitengebied zijn opgenomen en het plangebied hier geen onderdeel van uitmaakt. Voorts treft de verwijzing van de Vereniging en anderen naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010 geen doel, nu het in die zaak, anders dan thans het geval is, om een onvoldoende begrensde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan ging.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Verhoeven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

690.