Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3213

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
201310732/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het uitbreiden en exploiteren van een geitenhouderij aan de [locatie] te Ambt Delden, buiten behandeling gelaten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/865
JB 2014/192
JOM 2014/1087
OGR-Updates.nl 2014-0230
Milieurecht Totaal 2014/5861

Uitspraak

201310732/1/R2.

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor het uitbreiden en exploiteren van een geitenhouderij aan de [locatie] te Ambt Delden, buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 17 oktober 2013 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2014, waar het college vertegenwoordigd door H.G. Bos en R. van Leeuwen, beiden werkzaam bij de provincie, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Ingevolge artikel 4:5 van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. [..]

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

2. [appellante] heeft op 25 juni 2012, door het college ontvangen op 27 juni 2012, een aanvraag om een vergunning krachtens de Nbw 1998 ingediend voor het uitbreiden en exploiteren van een geitenhouderij met 3000 melkgeiten, 2650 opfokgeiten en 5 zoogkoeien. Bij deze aanvraag heeft [appellante] vermeld dat de benodigde salderingsgegevens ontbreken en dat zij nader overleg wil over de termijn waarbinnen deze alsnog kunnen worden overgelegd.

Bij brief van 6 juli 2012 heeft het college [appellante] in de gelegenheid gesteld om haar aanvraag voor 28 september 2012 aan te vullen met de gegevens die in die brief staan vermeld. In deze brief is vermeld dat de aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten als de aanvraag niet tijdig wordt aangevuld.

[appellante] heeft een deel van de gevraagde gegevens bij brief van 11 september 2012 aangeleverd. [appellante] heeft in die brief vermeld dat zij niet in staat is voor 28 september 2012 de gevraagde salderingsgegevens te overleggen en heeft gevraagd de termijn voor het aanvullen van de aanvraag te verlengen.

Bij brief van 27 september 2012, verzonden 1 oktober 2012, heeft het college meegedeeld dat het geen aanleiding ziet de hersteltermijn te verlengen. Vervolgens heeft het bij besluit van 9 oktober 2012 de aanvraag buiten behandeling gesteld. Het hiertegen ingediende bezwaar is ongegrond verklaard.

3. [appellante] stelt in beroep dat het college de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten, omdat de door het college geboden termijn voor het aanvullen van de aanvraag onredelijk kort was, met name voor de aan te leveren salderingsgegevens. [appellante] stelt dat zij destijds concreet en volop bezig was de benodigde salderingsgegevens te verkrijgen. Het college had volgens [appellante] moeten onderkennen dat dergelijke gegevens onmogelijk binnen de gestelde termijn aangeleverd konden worden en had daarin aanleiding moeten zien de termijn voor het aanvullen van de aanvraag te verlengen.

4. Het college stelt zich op het standpunt dat een termijn van 12 weken voor de aanvulling van de aanvraag voldoende is. De hersteltermijn van artikel 4:5 van de Awb heeft volgens het college niet de bedoeling om aanvragers de gelegenheid te geven een onvolledige aanvraag in te dienen, maar om te verhinderen dat een onvolledige aanvraag meteen buiten behandeling wordt gesteld.

Ter zitting heeft het college toegelicht dat het bij het bepalen van de lengte van de geboden termijn voor de aanvulling van de aanvraag rekening houdt met de aard van de aan te leveren gegevens.

5. De Afdeling is van oordeel dat een hersteltermijn als hier aan de orde afgestemd moet zijn op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en bescheiden (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG1395, www.rechtspraak.nl). De lengte van die termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan aan te leveren.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] de gevraagde salderingsgegevens niet voor 28 september 2012 heeft overgelegd. Tussen partijen is evenmin in geschil dat deze gegevens nodig zijn voor een juiste beoordeling van de aanvraag.

7. De Afdeling is met het college van oordeel dat de aan [appellante] geboden hersteltermijn van 12 weken na ontvangst van de aanvraag, gelet op de aard van gegevens die zij alsnog diende te overleggen, niet onredelijk kort is en dat er geen aanleiding bestond deze termijn te verlengen. Zij betrekt daarbij dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het aanleveren van de salderingsgegevens binnen de gestelde termijn onmogelijk was. Het feit dat het [appellante] niet is gelukt de gegevens binnen 12 weken aan te leveren betekent niet dat haar een onredelijk korte hersteltermijn is geboden.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

w.g. Koeman w.g. Verbeek

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

388.